AB 2019/354
Geen verklaring van geschiktheid vanwege beperkt gezichtsveld. CBR heeft terecht geen rekening gehouden met het individuele geval.
RvS 27-02-2019, ECLI:NL:RVS:2019:600, m.nt. A.C. Hendriks
- Instantie
Raad van State
- Datum
27 februari 2019
- Magistraten
Mrs. C.H.M. van Altena, H.G. Lubberdink, E. Steendijk
- Zaaknummer
201709577/1/A2
- Noot
A.C. Hendriks
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS70931:1
- Vakgebied(en)
Verkeersrecht / Rijbevoegdheid
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2019:600, Uitspraak, Raad van State, 27‑02‑2019
- Wetingang
Art. 7 Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs; Bijlage III minimumnormen inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een gemotoriseerd voertuig; art. 111 WVW 1994; art. 97, 103 Reglement rijbewijzen; art. 1, 2 Regeling eisen geschiktheid 2000; art. 3.3, 3.4, 3.5, 3.6 Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000
Essentie
Minimumnorm met betrekking tot rijgeschiktheid bij beperkt gezichtsveld. Geen uitzondering voor appellant ondanks verklaring oogarts.
Samenvatting
Niet in geschil is dat het binoculaire horizontale gezichtsveld van appellant minder dan 160 graden is en dat appellant niet voldoet aan de in paragraaf 3.3, onder b, van de bijlage bij de regeling neergelegde norm.
De derde rijbewijsrichtlijn is op 19 januari 2007 in werking getreden. Blijkens de considerans van deze richtlijn zijn bij de voorschriften het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in acht genomen. Ook staat in de considerans dat de voorschriften betreffende het rijbewijs bijdragen tot de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.