De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.4.4.1:4.4.4.1 Inleiding
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.4.4.1
4.4.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS381078:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de art. 186 lid 2 en 202 lid 2 Rv.
Zie de art. 186 lid 1 en 202 lid 1 Rv.
Zie de art. 187 lid 3 en 203 lid 2 Rv. Deze bepalingen beogen de rechter in staat te stellen zijn bevoegdheid te beoordelen, zie PG Nieuw Bewijsrecht, p. 307.
Zie de art. 187 lid 4 en 203 lid 3 Rv.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
243. Ten slotte wordt hier gewezen op de wettelijke mogelijkheden van partijen om de rechter bij verzoekschrift te verzoeken om, voordat hij in een aanhangige zaak een bewijsopdracht geeft, reeds een voorlopig verhoor van getuigen (art. 186 Rv), een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen (voorlopige expertise) en een voorlopige plaatsopneming of bezichtiging te gelasten (art. 202 Rv).1 Daartoe kan aanleiding bestaan indien een partij bewijs veilig wil stellen dat mogelijk verloren gaat, indien wordt gewacht totdat de rechter een bewijsopdracht geeft. Bovendien kunnen een voorlopig getuigenverhoor en een voorlopige expertise dienen om vroegtijdig opheldering te verkrijgen over de feiten, ten einde te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure voort te zetten.
Is nog geen geding aanhangig, dan kunnen genoemde voorlopige bewijsverrichtingen worden verzocht door 'belanghebbenden'.2 Belanghebbende is niet alleen degene die in een toekomstige procedure procespartij kan worden - en een voorlopig getuigenverhoor of een voorlopige expertise bijvoorbeeld wenst te gebruiken om zijn proceskansen beter te kunnen inschatten - maar ook degene die belanghebbend is bij een tussen anderen gevoerde of te voeren procedure, op grond van een rechtsverhouding waarin hij tot een van die anderen staat. Men denke aan de verzekeraar die door een van de partijen, naar gelang de uitkomst van de procedure, zal worden aangesproken tot het doen van uitkering.
Bij het verzoek om een voorlopige bewijsverrichting moeten onder meer de aard en het beloop van de vordering worden vermeld, de feiten of rechten die men wil bewijzen (voorlopig getuigenverhoor), dan wel de punten waarover het oordeel van de deskundigen wordt gevraagd (voorlopige expertise) of de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen (voorlopige descente), alsmede de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.3 Alvorens op het verzoek te beschikken, dient de rechter een behandeling te gelasten waartoe hij verzoeker en wederpartij oproept, tenzij de wederpartij onbekend is of er sprake is van onverwijlde spoed.4