Hof Den Haag, 22-11-2022, nr. 22-001889-18
ECLI:NL:GHDHA:2022:3040, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
22-11-2022
- Zaaknummer
22-001889-18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2022:3040, Uitspraak, Hof Den Haag, 22‑11‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:641, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Uitspraak 22‑11‑2022
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de verlengde invoer in Nederland van een zeer grote partij cocaïne, te weten 250 kilogram, vanuit Zuid-Amerika. Voorts heeft hij voorbereidingshandelingen verricht om de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
PROMIS
Rolnummer: 22-001889-18
Parketnummer: 10-750000-17
Datum uitspraak: 22 november 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1969,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het 1 subsidiair impliciet tenlastegelegde veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van 3 maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
1. subsidiairhij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij in of omstreeks periode van 02 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, en/of Schiedam en/of Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- ( telefonisch) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het uithalen/veilig stellen, klaar zetten, verstrekken en vervoeren van die cocaïne, en/of
- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of ontvangen, en/of
- één of meer mobiele (organisatie)telefoon(s) verstrekt gekregen en/of voorhanden gehad, en/of
- een briefje met daarop genoteerd de cijfers "92512" voorhanden gehad, en/of
- een pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een loods aan de [straat] apart/klaar gezet en/of laten zetten voor verder transport, en/of
- die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen (achter een dubbele wand) geplaatst en/of laten plaatsen, en/of
- ( vervolgens) met die vrachtwagen die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) weggevoerd/vervoerd.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het binnen het grondgebied brengen van cocaïne in Nederland, dan wel op de voorbereiding daarvan. Ter onderbouwing voert de raadsman onder meer aan dat de verdachte geen wetenschap had van de cocaïne die zich in zijn lading bevond, dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de kans dat de lading cocaïne betrof bewust heeft aanvaard en dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een verwijtbare mate van onzorgvuldig handelen.
Inleiding
Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof, grotendeels overeenkomstig de rechtbank, het volgende vast.
Onder de naam [onderzoeksnaam] heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar een invoerlijn waarlangs in de Rotterdamse haven cocaïne werd ingevoerd via [bedrijf], een overslagbedrijf van overzees fruit. De aanleiding voor het onderzoek was de vondst bij dat bedrijf, in november 2016, van 286 pakketten cocaïne die verstopt zaten tussen een partij bananen. Tijdens een daarop volgend onderzoek is opnieuw, namelijk op 31 december 2016, tussen een partij bananen een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. In deze zaak zijn zeven verdachten gedagvaard. Dit betreffen twee medewerkers van [bedrijf], een tweetal personen die via een uitzendbureau of als zzp’er voor [bedrijf] werkzaam waren, een vrachtwagenchauffeur (de verdachte) en twee personen die geen banden hadden met [bedrijf].
Ontmoetingen en contacten
Op 20 december 2016 heeft een ontmoeting plaatsgevonden bij [locatie 1] in Rotterdam tussen medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Van het gesprek dat bij gelegenheid van deze ontmoeting plaatsvond is een OVC-opname gemaakt.
Uit deze opname volgt onder meer dat [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zegt dat de ‘650’ klaarstaat, dat de ’750’ klaarstaat en dat de ‘250’ onderweg is. [medeverdachte 3] reageert hierop door te zeggen dat hij er dan niet is. Vervolgens stelt [medeverdachte 3] dat [voornaam medeverdachte 4] wel gebeld kan worden. Het hof begrijpt dat daarmee medeverdachte [medeverdachte 4] wordt bedoeld, die werkzaam is voor [bedrijf].
In de dagen na 20 december 2016 tot en met 30 december 2016 houden medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] contact. Op 24 december 2016 heeft [medeverdachte 3] een ontmoeting bij een McDonalds in Rotterdam met medeverdachte [medeverdachte 5], die eveneens werkzaam is bij [bedrijf]. Na deze ontmoeting belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] en informeert hem dat hij net bij ‘dingeh’ was en dat deze wel helpt. Het hof begrijpt met de rechtbank dat met ‘dingeh’ wordt bedoeld medeverdachte [medeverdachte 5].
Onder medeverdachte [medeverdachte 2] is een PGP-telefoon aangetroffen, waarmee versleutelde berichten zijn verstuurd. Uit het onderzoek naar de berichten in deze telefoon volgt dat [medeverdachte 2] op 29 december 2016 een 20-cijferig nummer toegestuurd heeft gekregen. Dit nummer komt overeen met het barcodenummer van een pallet in het ruim van het motorschip [schip] dat op dat moment naar de Rotterdamse haven onderweg is. Het bericht is afkomstig van een PGP e-mailadres dat is opgeslagen onder de contactnaam ‘[contactnaam]’. Uit het berichtenverkeer rondom de ontmoeting bij [locatie 1], volgt dat medeverdachte [medeverdachte 2] contact heeft met “[contactnaam]”, die gebruik maakt van het PGP e-mailadres [emailadres]. Op 20 december 2016 om 15:04 stuurt [medeverdachte 2] een bericht inhoudende: ‘we zijn dr’. Om 15:06 uur ontvangt [medeverdachte 2] een bericht van ‘[contactnaam]’ inhoudende ‘ik ook’. Door het observatieteam werd gezien dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om 15:03 uur [locatie 1] betraden. Er werd gezien dat zij een ontmoeting hadden met een Surinaams ogende NN man. NN man blijkt later medeverdachte [medeverdachte 1] te zijn.
Aankomst cocaïne en vervoer daarvan
In de ochtend van 31 december 2016 arriveert de [schip] bij de kade van het overslagbedrijf [bedrijf] aan de [straat] te Rotterdam. Medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] werken die ochtend op het terrein van [bedrijf] aan het lossen van het schip.
Op de batterijklep van een mobiele telefoon, die op een vorkheftruck lag waarmee [medeverdachte 5] heeft gewerkt, is een briefje aangetroffen met (naar later blijkt) de laatste vijf cijfers van het barcodenummer van de betreffende dozen. Op deze vorkheftruck is ook zijn identiteitskaart gevonden. Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 5] tijdens zijn werkzaamheden een briefje met het genoemd barcodenummer voorhanden heeft gehad. Bovendien volgt uit de tapgesprekken tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] de pallet met de dozen hebben gevonden tussen de vracht en dat zij deze hebben gescheiden van de rest van de lading. Nadat de douanecontrole was afgerond, hebben zij [medeverdachte 2] gebeld en is afgesproken bij welke loods deze pallet kon worden opgehaald.
Kort daarna arriveert de verdachte met een vrachtwagencombinatie bij de afgesproken loodsdeur van [bedrijf]. Enkele minuten nadat de vrachtwagen van het terrein is weggereden, wordt de verdachte staande gehouden. In de oplegger wordt een pallet met dozen met bananen aangetroffen. De dozen zijn afkomstig uit Ecuador en bevatten stickers met het eerdergenoemde barcodenummer. Tussen de bananen bevinden zich 250 pakketten met een totaal netto gewicht van 250 kilogram. Door de douane is onderzoek gedaan naar de pakketten. Uit dit onderzoek blijkt dat de inhoud cocaïne betreft. Het hof gaat er van uit dat dit de partij is waarover bij [locatie 1] werd gesproken.
Rol van de verdachte bij de (verlengde) invoer en de voorbereiding
De vraag die voorligt, is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in zijn lading en dus ook het opzet heeft gehad deze cocaïne in te voeren in Nederland. Voor de beoordeling van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof stelt voorop dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat de belanghebbenden bij een cocaïnetransport op de hoogte zijn van hetgeen wordt geleverd. Het is moeilijk voorstelbaar dat leveranciers van verdovende middelen het risico lopen dat hun waardevolle zending — het gaat in dit geval om een partij met een straatwaarde van enkele miljoenen euro’s — in handen komt van een onwetende ontvanger, zij het dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn.
De verdachte, een beroepschauffeur, heeft in zijn tweede verhoor verklaard dat hij voor een collega/kennis, wiens auto kapot was, twee pallets moest ophalen. Als hij geladen had moest hij naar [locatie 2] in de Waalhaven rijden. Daar zou hij dan gaan lunchen met de collega/kennis en daarna moest hij ergens die pallets lossen. De verdachte heeft zijn verklaring niet nader willen concretiseren en heeft zich daarna op alle vragen die hem werden gesteld ter verduidelijking van het door hem geschetste scenario op zijn zwijgrecht beroepen.
De verdachte is op 31 december 2016 aangetroffen in zijn vrachtauto terwijl hij 250 kilo cocaïne vervoerde die was verstopt in dozen bananen. De omstandigheden waaronder het vervoer van de lading bananen plaatsvond weken af van hetgeen gebruikelijk is in het goederenvervoer. Zo betrof de lading slechts één enkele pallet. Daarnaast is er geen enkel vervoersdocument aangetroffen met betrekking tot de lading, de afzender en de bestemming ervan, hetgeen een belangrijke omissie is die bij inspectie kan leiden tot het opleggen van een boete. Als beroepschauffeur moet de verdachte hiervan op de hoogte zijn geweest. Voorts zijn onder de verdachte twee telefoons aangetroffen die te linken zijn aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en die bovendien naar hun uiterlijke verschijning zijn aan te merken als organisatietelefoons. Eén van de telefoons betrof een PGP-telefoon waarmee rond het tijdstip van het ophalen van de cocaïne contact is geweest met de PGP-telefoon die aan de medeverdachte [medeverdachte 1] wordt toegeschreven. De berichten die in de telefoons zijn gevonden betreffen instructies met betrekking tot hoe laat en waar beide gebruikers van de telefoon elkaar zouden treffen.
Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs van het ten laste gelegde terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft willen geven.
In het kader van het door de verdediging ingenomen standpunt dat niet bewezen kan worden dat bij de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft bestaan, heeft de raadsman in het bijzonder zijn pijlen gericht op de – voor dat bewijs op zichzelf bruikbare – e-mailcommunicatie die heeft plaatsgevonden tussen 30 december 2016 om 21.20 uur en 31 december 2016 om 10.04 uur. Deze communicatie is gevoerd tussen twee PGP-telefoons waarvan de een in beslag is genomen onder medeverdachte [medeverdachte 1] en de ander onder de verdachte. De raadsman heeft in dit verband de stelling ingenomen dat de communicatie met de onder de verdachte in beslag genomen PGP-telefoon in de genoemde periode door een ander dan de verdachte met [medeverdachte 1] zou zijn gevoerd en dat pas na die communicatie de telefoon aan de verdachte is overgedragen. Deze stelling vindt naar het oordeel van het hof geen steun in het dossier en past ook niet bij de inhoud van de communicatie tussen beide PGP-telefoons. Die communicatie kan immers niet anders worden verstaan dan dat [medeverdachte 1] vanaf 30 december 21.20 uur contact zoekt met de chauffeur van het transport. Hij berichtte namelijk “Broer hoe gaat het? Morgen 8 uur standby als eerder ik schrijf jouw broer”, waarop werd geantwoord: “OK br (het hof begrijpt: broer) ik ben er”. De volgende ochtend gingen de e-mailberichten verder en vroeg [medeverdachte 1]: “Broer goede morgen waar jij kom je mij bar?” waarop als reactie kwam: “Ja br wanier wiell je br.” Vervolgens werd om 10.00 uur afgesproken. Om 09.49 uur vroeg [medeverdachte 1] nog een keer waar hij bleef waarop werd geantwoord “Bij tunel”. Om 10.03 uur werd aan [medeverdachte 1] bericht: “Waar ben je ik ben hier br” waarop deze om 10:04 uur reageerde met: “Ik kom sta je als klaar broer”.
Uit niets blijkt dat deze communicatie door [medeverdachte 1] is gevoerd met een tussenpersoon. Het feit dat uit door de politie verricht tachograafonderzoek valt af te leiden dat de vrachtauto op 31 december 2016 pas om 10.11 uur voor het eerst in beweging lijkt te zijn gekomen, doet hier niet aan af. Dat betekent immers niet dat de verdachte zich niet op een andere wijze naar de – gereedstaande – vrachtauto kan hebben begeven.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte degene is geweest die met [medeverdachte 1] de bewuste e-mailberichten heeft gewisseld. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ziet het hof derhalve geen reden om de bedoelde berichten niet te gebruiken voor het bewijs.
Conclusie
Uit de beschreven gang van zaken en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van het hof van gezamenlijk en op elkaar afgestemd handelen waarbij de verdachte heeft geweten dat het om illegale activiteiten ging die te maken hadden met de invoer van verdovende middelen en de voorbereidingen daarvan. Het opzet, vereist voor (de voorbereiding van) het delict van artikel 10 lid 5 Opiumwet, acht het hof daarmee aanwezig.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft verricht. De verweren van de raadsman worden derhalve verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primair hij op of omstreeks 31 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. hij in op of omstreeks periode van 02 december 2016 tot en met 31 december 2016 te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, en/of Schiedam en/of Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 250 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of een vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- ( telefonisch) contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en) gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het uithalen/veilig stellen, klaar zetten, verstrekken en vervoeren van die cocaïne, en/of
- geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen) en/of verstrekt (gekregen) en/of ontvangen, en/of
- één of meer mobiele (organisatie)telefoon(s) verstrekt gekregen en/of voorhanden gehad, en/of
- een briefje met daarop genoteerd de cijfers "92512" voorhanden gehad, en/of
- een pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een loods aan de [straat] apart/klaar gezet en/of laten zetten voor verder transport, en/of
- een pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) in een vrachtwagen (achter een dubbele wand) geplaatst en/of laten plaatsen, en/of
- ( vervolgens) met die vrachtwagen die pallet (met cocaïne tussen de lading bananen) weggevoerd/vervoerd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 impliciet primair en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
en
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
- voorwerpen en een vervoermiddel voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij tot het plegen van dat feit zijn bestemd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de verlengde invoer in Nederland van een zeer grote partij cocaïne, te weten 250 kilogram, vanuit Zuid-Amerika. Voorts heeft hij voorbereidingshandelingen verricht om de cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen. De verdachte heeft contact onderhouden met medeverdachte [medeverdachte 1], hij heeft de pallet in een vrachtwagen laten plaatsen en hij heeft de pallet als vrachtwagenchauffeur opgehaald om de pallet van het opslagbedrijf naar een andere locatie te vervoeren. De handel in harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij. Niet alleen zijn de gezondheidsrisico’s voor gebruikers van cocaïne groot, de handel gaat ook vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Kennelijk heeft de verdachte hiervoor geen aandacht gehad en was hij ten koste van het welzijn van anderen en het belang van de maatschappij uit op eigen financieel gewin.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 oktober 2022, waaruit blijkt dat de verdachte voor zover thans nog relevant niet eerder is veroordeeld. Ook blijkt uit dit uittreksel dat de verdachte na
de onderhavige feiten, in 2018,–onherroepelijk- is veroordeeld voor een overtreding. Daarmee is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Het hof heeft in mindering van de op te leggen straf de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meegewogen. Het hof heeft daarbij acht geslagen op de door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte omstandigheden, inhoudende dat de verdachte onder controle staat wegens ernstige hartproblemen (waarvan ook blijkt in het reclasseringsadvies uit 2017) en dat hij thans nog werkzaam is als vrachtwagenchauffeur in Nederland.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 4 mei 2018 en de datum van dit eindarrest meer dan 2 jaren zijn verstreken, een termijnoverschrijding van ongeveer 2,5 jaar.
In deze geconstateerde overschrijdingen van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf te verminderen. In plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van voorarrest, zal het hof de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen van de hierna in het dictum te vermelden duur.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Het hof zal het op de beslaglijst onder 1 t/m 3 vermelde voorwerpen (vrachtauto, oplegger, zaktelefoon Nokia) die onder de verdachte in beslag zijn genomen en nog niet zijn teruggegeven – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal voor wat betreft de vrachtauto en oplegger – verbeurd verklaren, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het voorwerpen zijn met behulp waarvan het feit is begaan en voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Het hof zal het op de beslaglijst onder 4 vermelde voorwerp (een GSM zaktelefoon Blackberry) onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van deze PGP-BlackBerry-telefoon overweegt het hof dat met behulp van dit toestel de bewezen feiten zijn begaan of voorbereid, zoals uit de bewijsmiddelen blijkt. Een dergelijk gemodificeerd telefoontoestel is - gezien die gemodificeerde toestand - niet geschikt om te worden gebruikt voor normaal telefoonverkeer en dit soort telefoons wordt bij uitstek in het criminele circuit gebruikt, omdat interceptie en decryptie van het dataverkeer aan opsporingszijde grote inspanningen vergen. Gelet daarop zijn deze telefoons van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. STK Vrachtauto [kenteken 1], DAF FTXF105, Goednummer RTZA016052_366361;
2. 1.00 STK Oplegger [kenteken 2], SCHMITZ SKO24, Goednummer RTZA016052 _366364;
3. 1.00 STK GSM zaktelefoon, NOKIA [serienummer].
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
4. 1.00 STK GSM zaktelefoon, BLACKBERRY, RTZA016052_390008.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, mr. A.J.M. Kaptein en mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 november 2022.