Vgl. HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2096, rov. 4.1.4.
HR, 08-12-2023, nr. 23/02520
ECLI:NL:HR:2023:1732
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-12-2023
- Zaaknummer
23/02520
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1732, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:795, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2023:795, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1732, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑06‑2023
- Vindplaatsen
GZR-Updates.nl 2023-0387
JGz 2024/6 met annotatie van J.J. de Jong
NJ 2024/103 met annotatie van J. Legemaate
Uitspraak 08‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Wvggz. Klachtzaak (art. 10:3 Wvggz). Beslissing tot verlenen van verplichte zorg (art. 8:9 Wvggz). Vraag of nieuwe beslissing tot het verlenen van verplichte zorg nodig is na een aansluitende zorgmachtiging, indien de verplichte zorg die werd verleend onder de voorafgaande zorgmachtiging ononderbroken en ongewijzigd wordt voortgezet.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02520
Datum 8 december 2023
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
STICHTING ARKIN,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de zorgaanbieder,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naarde beschikking in de zaak C/13/728143 / FA RK 23-300 van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2023.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De zorgaanbieder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In deze zaak is aan de orde of de zorgverantwoordelijke (opnieuw) een schriftelijk gemotiveerde beslissing tot het verlenen van verplichte zorg moet nemen op de voet van art. 8:9 Wvggz, indien de reeds verleende verplichte zorg aan de betrokkene, waartoe de zorgverantwoordelijke op grond van een voorafgaande zorgmachtiging heeft besloten, na een aansluitende zorgmachtiging ononderbroken en ongewijzigd wordt voortgezet.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Betrokkene is in 2019, tijdens een gedwongen opname op grond van de Wet Bopz, ingesteld op depotmedicatie. Zij heeft na de beëindiging van de opname – onder protest – meegewerkt aan toediening van de depotmedicatie in het kader van de voorwaarden verbonden aan de rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz.
(ii) De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 9 april 2020 op basis van de Wvggz een zorgmachtiging verleend ten aanzien van betrokkene voor de periode tot en met 9 oktober 2020. Deze machtiging omvatte onder meer verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie.
(iii) De zorgverantwoordelijke heeft op 15 april 2020 ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing als bedoeld in art. 8:9 Wvggz genomen tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van depotmedicatie. Deze beslissing is bij een zogenoemde aanzeggingsbrief aan betrokkene toegezonden.
(iv) De zorgverantwoordelijke heeft bij brief van 11 augustus 2020 betrokkene verplichte zorg aangezegd in de vorm van ‘opname in een accommodatie’ in verband met het blijven weigeren van de depotmedicatie. In deze brief is vermeld dat de verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie al is ingezet en dat ook bij gedwongen opname depotmedicatie aan betrokkene zal worden gegeven.
(v) De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 18 november 2020 een tweede zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden (tot 18 november 2021) voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘toedienen van medicatie’.
(vi) De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 2 november 2021 een derde zorgmachtiging verleend voor de duur van vierentwintig maanden (tot 2 november 2023), waarin opnieuw ‘toedienen van medicatie’ is vermeld als toegelaten vorm van verplichte zorg.
(vii) Betrokkene heeft op 24 november 2022, onder verwijzing naar art. 10:3 Wvggz, een klacht ingediend bij de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) tegen de beslissing van de zorgaanbieder om haar medicatie toe te dienen. Zij heeft tevens verzocht om schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder op de voet van art. 10:11 Wvggz.
(viii) De klachtencommissie heeft de klacht gegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
“[Betrokkene] stelt zich (…) op het standpunt dat (toediening van) depotmedicatie niet nodig is.
Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn.
Deze behandeling vindt blijkens hetgeen gesteld is in artikel 8:9 Wvggz, plaats krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke.
In dit (toetsings)kader heeft de commissie bij aanvang van de hoorzitting aan de behandelaar de vraag gesteld of er op of omstreeks 2 november 2021, te weten op het moment dat een zorgmachtiging door de Rechtbank van Amsterdam is verleend, een beslissing is genomen ten aanzien van de toe te passen verplichte zorg en een nieuwe aanzeggingsbrief daaromtrent is aangereikt aan [betrokkene]. Sinds de vorige beslissing hiertoe, daterend van 15 april 2020, was immers ten aanzien van de toe te passen verplichte zorg sprake van een termijn van ‘voor de duur van de crisismaatregel’. De bepalingen in de Wvggz vereisen in dit geval dat, indien na verloop van die termijn nog steeds dwangbehandeling nodig is, (opnieuw) een beslissing wordt genomen en dat deze beslissing schriftelijk gemotiveerd wordt beschreven en aan de cliënt wordt uitgereikt.
De commissie is van oordeel dat door het achterwege blijven van een positief antwoord op de hierboven genoemde vraag aan de behandelaar, de commissie niet anders kan beslissen dan de klacht gegrond te verklaren nu niet is voldaan aan de wettelijke vereisten. Hierdoor is de formele besluitvormingsprocedure dienaangaande namelijk feitelijk niet afgerond.
Nu de commissie de klacht gegrond beoordeelt omdat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten, komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.”
(ix) De klachtencommissie heeft aan betrokkene ten laste van de zorgaanbieder een schadevergoeding toegekend van € 6.350,--. Zij heeft in dat kader onder meer het volgende overwogen:
“De commissie kan zich (…) niet vinden in de stelling van de instelling dat tijdens het zogenoemde doorlopen van de Zorgmachtiging geen nieuwe aanzeggingsbrief/besluitbrief aan [betrokkene] uitgereikt had hoeven worden. In tegenstelling tot de werkafspraak die is gemaakt in het KCT, is de commissie van oordeel dat bij een nieuwe (Zorg)machtiging, door de zorgverantwoordelijke steeds een nieuwe beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verplichte zorg en dat de betrokkene hierover vervolgens niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk moet worden geïnformeerd. In dit kader merkt de commissie volledigheidshalve nog op dat (…) er van 9 oktober 2020 tot 18 november 2020 kennelijk geen Zorgmachtiging is afgegeven en dat er dus geen sprake is van ‘het doorlopen van de Zorgmachtiging’.
(…)
Gelet op bovenstaande overwegingen en op grond van bestaande jurisprudentie acht de commissie een vergoeding ten bedrage van € 6.350,-- redelijk en billijk. Hierbij is in aanmerking genomen dat [betrokkene] na 11 augustus 2020 tot 13 december 2022 niet (meer) schriftelijk – conform het bepaalde in artikel 8:9 Wvggz over de beslissing tot toepassing van verplichte zorg – is geïnformeerd over de beslissing van haar behandelaar om haar verplichte zorg in de vorm van (depot)medicatie toe te dienen. De commissie is van oordeel dat [betrokkene] in ieder geval omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021, te weten op het moment dat een (nieuwe) Zorgmachtiging is afgegeven, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd had moeten worden.”
2.3
De zorgaanbieder heeft een verzoekschrift als bedoeld in art. 10:7 Wvggz ingediend en de rechtbank verzocht de beslissingen van de klachtencommissie (zie hiervoor in 2.2 onder (viii) en (ix)) te vernietigen.
2.4
De rechtbank heeft de beslissingen van de klachtencommissie vernietigd en bepaald dat de beslissing van de rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde beslissingen. Zij heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“4.3. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verzoekster de plicht had om verweerster bij iedere aansluitende zorgmachtiging opnieuw verplichte zorg aan te zeggen, zoals de commissie heeft geconcludeerd. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat in de landelijke “werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging, versie 2.0” van het Ketencoördinatieteam Wvggz onder artikel 8.9 lid 1 het volgende staat vermeld:
“Bij verandering van de juridische titel terwijl de verplichte zorg die aan de betrokkene wordt verleend niet verandert, hoeft de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing te nemen en deze dus schriftelijk aan betrokkene te bevestigen. Zorgverantwoordelijke en/of geneesheer-directeuren toetsen regelmatig de noodzaak van het verlenen van verplichte zorg”.
4.4.
De rechtbank overweegt dat wanneer een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend, waarin de in de voorafgaande machtiging genoemde vormen van verplichte zorg opnieuw worden toegewezen, de onder de voorgaande zorgmachtiging bestaande situatie feitelijk zonder onderbreking wordt voortgezet. Bij de beoordeling van die opvolgende machtiging worden de vormen van zorg opnieuw getoetst, waarbij een betrokkene ook in de gelegenheid wordt gesteld om daartegen bezwaar te maken. Als de opvolgende zorgmachtiging vervolgens wordt verleend, dan is daarmee ook beslist dat de noodzaak van de voorheen verleende vormen van verplichte zorg nog bestaat en stemt de rechtbank in met het voortzetten van die verplichte zorg op de wijze waarop die zorg tot dan toe werd uitgevoerd. De ten behoeve van die uitvoering op grond van artikel 8:9 Wvggz genomen beslissingen behouden dan hun rechtskracht. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen grond is om een zorgverantwoordelijke te verplichten om ten aanzien van die zorg een nieuwe beslissing te nemen. De rechtbank ziet op dit punt geen reden om af te wijken van hetgeen in de hiervoor genoemde werkafspraken hierover is vastgesteld.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank anders dan de klachtencommissie van oordeel dat voor voortzetting van de toediening aan verweerster van de depotmedicatie na 15 april 2020, toen deze beslissing voor het eerst op grond van de Wvggz werd genomen, geen nieuw besluit als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz noodzakelijk was. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat achteraf weliswaar is gebleken dat tussen 9 oktober 2020 en 18 november 2020 sprake is geweest van een onderbreking van de zorgmachtiging, maar de rechtbank ziet de machtiging van 18 november 2020 desondanks, en anders dan de klachtencommissie, toch als een opvolgende machtiging. De zorgmachtiging van 18 november 2020 is immers voor een jaar verleend, wat alleen mogelijk is bij een opvolgende machtiging. Bovendien is een jaar later, op 2 november 2021, een zorgmachtiging voor twee jaar verleend, hetgeen impliceert dat iedereen ervan uit is gegaan dat ten aanzien van verweerster op dat moment reeds vijf jaar onafgebroken een machtiging op grond van de Wet Bopz en vervolgens de Wvggz was verleend. Blijkens de beschikkingen van 18 november 2020 en 2 november 2021 is op de respectievelijke zittingen bovendien geen verweer gevoerd tegen de verzochte duur van de machtiging, terwijl daartegen evenmin beroep in cassatie is ingesteld. De onderhavige klacht heeft zich ook op geen enkel moment gericht tegen het gegeven dat er enige tijd – kennelijk – geen zorgmachtiging was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verzoekster er van uit heeft mogen gaan dat sprake was van opeenvolgende machtigingen, zoals ook verweerster en de rechtbank daarvan zijn uitgegaan.
4.6
De rechtbank is verder van oordeel dat de verplichte depotmedicatie in het geval van verweerster voldoet aan de eisen van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Onweersproken is gesteld dat verweerster met deze medicatie psychosevrij blijft, waardoor zij niet hoeft te worden opgenomen en een betere moeder kan zijn voor haar kinderen en beter voor zichzelf kan zorgen. Er is meermalen geprobeerd om betrokkene in een vrijwillig kader te behandelen, maar dit leidt er telkens toe dat zij stopt met haar medicatie en weer psychotisch ontregelt. Weliswaar ervaart verweerster bijwerkingen van de medicatie, maar deze bijwerkingen wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de voordelen ervan.
4.7.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat wel is voldaan aan de eisen voor het toepassen van verplichte zorg en dat verweerster dus geen recht heeft op een schadevergoeding. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.”
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel keert zich onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen verplichting bestaat voor de zorgverantwoordelijke om een nieuwe schriftelijk gemotiveerde beslissing als bedoeld in art. 8:9 Wvggz te nemen indien een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend waarin ten aanzien van de betrokkene dezelfde vorm van verplichte zorg wordt toegestaan als in de voorgaande zorgmachtiging en de verlening van deze vorm van verplichte zorg ongewijzigd wordt voortgezet.
Onderdeel I klaagt onder meer dat de rechtbank daarmee de ‘gefaseerde benadering’ in de Wvggz bij het toepassen van gedwongen zorg heeft miskend.
Onderdeel II bestrijdt als onjuist de overweging van de rechtbank in rov. 4.4 dat de op de voet van art. 8:9 Wvggz ten behoeve van de uitvoering van de zorg genomen beslissingen hun rechtskracht behouden onder een aansluitende zorgmachtiging. De rechtbank gaat er daarbij aan voorbij dat de vereiste beoordeling van art. 8:9 Wvggz voorziet in een in tijd en vorm op maat toegesneden passende vorm van zorg en op de beoordeling van de actuele gezondheid en wilsbekwaamheid van de betrokkene, aldus het onderdeel.
De onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2
De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een zorgmachtiging pas beslissen tot het verlenen van verplichte zorg nadat hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, met de betrokkene overleg heeft gevoerd over de voorgenomen beslissing en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur (art. 8:9 lid 1 Wvggz). Voorts dient de zorgverantwoordelijke daarbij, voor zover de beslissing niet strekt tot opname in een accommodatie, te onderzoeken of sprake is van wilsbekwaam verzet dat moet worden gehonoreerd, en zijn bevindingen daaromtrent vast te leggen in het dossier van de betrokkene (art. 8:9 lid 4 Wvggz).1.Een beslissing tot het toepassen van verplichte zorg moet op schrift worden gesteld, voorzien van een motivering, en in afschrift worden verstrekt aan de betrokkene, diens vertegenwoordiger en diens advocaat; de zorgverantwoordelijke moet deze personen daarbij schriftelijk informeren over de mogelijkheid daartegen een klacht in te dienen (art. 8:9 lid 3 Wvggz).
3.3
In cassatie is niet bestreden, en dient dus tot uitgangspunt, het oordeel van de rechtbank dat de ten aanzien van betrokkene verleende zorgmachtiging van 18 november 2020 moet worden beschouwd als een aansluitende zorgmachtiging in de zin van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz ten opzichte van de daaraan voorafgaande, op 9 april 2020 ingaande en op 9 oktober 2020 eindigende, zorgmachtiging. Eveneens dient in cassatie tot uitgangspunt dat de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van laatstbedoelde zorgmachtiging een beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz heeft genomen tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van het toedienen van depotmedicatie en dat de op schrift gestelde beslissing aan betrokkene is verstrekt (zie hiervoor in 2.2 onder (iii)). Voorts dient tot uitgangspunt dat deze vorm van verplichte zorg ten tijde van het verlenen van de zorgmachtiging van 18 november 2020 feitelijk aan betrokkene werd verstrekt en deze behandeling ook nadien ononderbroken en ongewijzigd is voortgezet.
3.4
In een situatie als de onderhavige, waarin de verlening van een vorm van verplichte zorg is aangevangen op grond van een eerdere zorgmachtiging en na een aansluitende zorgmachtiging ononderbroken en ongewijzigd wordt voortgezet, brengt een redelijke uitleg van art. 8:9 Wvggz mee dat een nieuwe beslissing op de voet van die bepaling achterwege kan blijven. In deze situatie wordt immers de verplichte zorg gecontinueerd waarover reeds een beslissing is genomen op de voet van art. 8:9 Wvggz, met de aan die beslissing verbonden waarborgen (zie hiervoor in 3.2). Hierbij is van belang dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de verleende verplichte zorg tijdens de looptijd van de zorgmachtiging periodiek wordt geëvalueerd teneinde te waarborgen dat deze niet langer dan noodzakelijk wordt toegepast (zie ook art. 5:14, lid 1, aanhef en onder i, Wvggz en art. 5:17 lid 4, aanhef en onder e, Wvggz).2.Tevens is hierbij van belang dat de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de klachtencommissie over een beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz (zie art. 10:3 lid 1, aanhef en onder f, Wvggz), niet aan een termijn is gebonden, en dat na de beslissing van de klachtencommissie aan de rechter een beslissing kan worden gevraagd over de klacht (art. 10:7 lid 1 Wvggz).
3.5
Het oordeel van de rechtbank dat de op grond van art. 8:9 Wvggz ten behoeve van de uitvoering van de zorg genomen beslissingen in de hiervoor in 3.4 bedoelde situatie hun rechtskracht behouden en dat een nieuwe beslissing in die situatie niet noodzakelijk is, is dus juist. De onderdelen I en II falen daarom.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 8 december 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑12‑2023
Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3, p. 2 en 89; Kamerstukken II 2015/16, 32399, nr. 25, p. 88.
Conclusie 15‑09‑2023
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02520
Zitting 15 september 2023
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene] ,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
Stichting Arkin,
niet verschenen.
Deze Wvggz-klachtprocedure betreft de vraag of de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van een opvolgende zorgmachtiging gehouden is een nieuwe beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz te nemen wanneer de verplichte zorg ongewijzigd wordt voortgezet. Anders dan de klachtencommissie heeft de rechtbank die vraag ontkennend beantwoord. Daartegen keert zich het middel.
1. Feiten1. en procesverloop
1.1 Verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) is al jarenlang bekend binnen de psychiatrie en wordt (deels ambulant) behandeld in een onvrijwillig kader. In 2019 is zij tijdens een gedwongen opname in het kader van de Wet Bopz ingesteld op een depot antipsychoticum.
1.2 Op 1 januari 2020 is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) in werking getreden. Bij beschikking van 9 april 20202.heeft de rechtbank Amsterdam als vervolg op de lopende Bopz-machtiging ten aanzien van betrokkene een eerste zorgmachtiging verleend tot en met 9 oktober 2020 voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘toedienen van medicatie’ en ‘opnemen in een accommodatie’.
1.3 Ter uitvoering van deze zorgmachtiging heeft de zorgverantwoordelijke op 15 april 2020 op grond van art. 8:9 Wvggz een beslissing genomen tot het toepassen van verplichte zorg in de vorm van dwangmedicatie. Op 12 juni 2020 is betrokkene een gewijzigde aanzeggingsbrief toegezonden, waarin wordt vermeld dat de toediening van medicatie ter uitvoering van de zorgmachtiging geldt voor de duur van ‘de maatregel’ (zorgmachtiging).3.
1.4 In verband met het blijven weigeren van de voorgeschreven medicatie heeft de zorgverantwoordelijke op 11 augustus 20204.op de voet van art. 8:9 Wvggz een beslissing genomen tot het toepassen van verplichte zorg in de vorm van onder meer ‘toediening medicatie’ en ‘opnemen in een accommodatie’. In de brief die aan betrokkene is gestuurd wordt vermeld dat de verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie al is ingezet en dat ook bij opname depotmedicatie (een injectie) zal worden gegeven.
1.5 Bij beschikking van 18 november 20205.heeft de rechtbank Amsterdam ten aanzien van betrokkene een tweede zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van 12 maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder opnieuw ‘toedienen van medicatie’.6.
1.6 Bij beschikking van 2 november 20217.heeft de rechtbank Amsterdam ten aanzien van betrokkene een derde zorgmachtiging verleend voor de duur van 24 maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder wederom ‘toedienen van medicatie’.
1.7 Op 24 november 2022 heeft betrokkene bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de beslissing van verweerster in cassatie (hierna: de zorgaanbieder) haar medicatie toe te dienen.8.Zij heeft tevens schadevergoeding verzocht.
1.8 Op 12 december 20229.heeft de klachtencommissie de klacht van betrokkene gegrond verklaard. De klachtencommissie overwoog het volgende (onderstreping toegevoegd):
“[Betrokkene] stelt zich (…) op het standpunt dat (toediening van) depotmedicatie niet nodig is.
Onder de Wvggz kan, indien sprake is van verzet, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of zorgmachtiging, niettemin verplichte zorg worden verleend voor zover aannemelijk is dat – eenvoudig gezegd – het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. De verplichte zorg dient doelmatig te zijn en in verhouding te staan tot het te bereiken doel. Ook mag er geen minder belastend alternatief beschikbaar zijn.
Deze behandeling vindt blijkens hetgeen gesteld is in artikel 8:9 Wvggz, plaats krachtens een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke.
In dit (toetsings)kader heeft de commissie bij aanvang van de hoorzitting aan de behandelaar de vraag gesteld of er op of omstreeks 2 november 2021, te weten op het moment dat een zorgmachtiging (…) is verleend, een beslissing is genomen ten aanzien van de toe te passen verplichte zorg en een nieuwe aanzeggingsbrief daaromtrent is uitgereikt aan [betrokkene]. Sinds de vorige beslissing hiertoe, daterend van 15 april 2020, was immers ten aanzien van de toe te passen verplichte zorg sprake van een termijn van ‘voor de duur van de crisismaatregel’. De bepalingen in de Wvggz vereisen in dit geval dat, indien na verloop van die termijn nog steeds dwangbehandeling nodig is, (opnieuw) een beslissing wordt genomen en dat deze beslissing schriftelijke gemotiveerd wordt beschreven en aan de cliënt wordt uitgereikt.
De commissie is van oordeel dat door het achterwege blijven van een positief antwoord op de hierboven genoemde vraag aan de behandelaar, de commissie niet anders kan beslissen dan de klacht gegrond te verklaren nu niet is voldaan aan de wettelijke vereisten. Hierdoor is de formele besluitvormingsprocedure dienaangaande namelijk feitelijk niet afgerond.
Nu de commissie de klacht gegrond beoordeelt omdat niet voldaan is aan de wettelijke vereisten, komt zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.”
1.9 Bij ‘aanvulling op de beslissing’ van 12 december 2022 heeft de klachtencommissie de behandeling van het verzoek om schadevergoeding aangehouden in afwachting van een nadere onderbouwing van dit verzoek door betrokkene en een reactie daarop door de zorgaanbieder.10.
1.10 Bij beslissing van 10 januari 202311.heeft de klachtencommissie aan betrokkene ten laste van de zorgaanbieder een schadevergoeding toegekend van € 6.350,-. In de thans in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam wordt deze beslissing als volgt weergegeven (onderstreping toegevoegd):
“[…] De klachtencommissie heeft het standpunt van [de zorgaanbieder] dat bij het doorlopen van de zorgmachtiging geen nieuwe aanzeggingsbrief/besluitbrief uitgereikt had moeten worden verworpen. Naar het oordeel van de klachtencommissie dient bij een nieuwe zorgmachtiging door de zorgverantwoordelijke steeds een nieuwe beslissing te worden genomen ten aanzien van de verplichte zorg en moet een betrokkene hier vervolgens [over] worden geïnformeerd. In dit kader heeft de commissie voorts opgemerkt dat tussen de zorgmachtiging die op 9 oktober 2020 afliep en de zorgmachtiging die op 18 november 2020 is afgegeven sprake is van een onderbreking en dat daarom niet gesproken kan worden van een opvolgende machtiging. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding is door de klachtencommissie in aanmerking genomen dat [betrokkene] van 11 augustus 2020 tot 13 december 2022 niet (meer) schriftelijk is geïnformeerd over de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot toepassing van verplichte zorg. Volgens de klachtencommissie had [betrokkene] in elk geval omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021, te weten het moment waarop een nieuwe zorgmachtiging is afgegeven, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd moeten worden en de klachtencommissie is daarmee van oordeel dat [betrokkene] over een periode van 21 maanden onjuist is geïnformeerd.”12.
1.11 Op 7 februari 2023 heeft de zorgaanbieder bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) een verzoekschrift ingediend op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz. Het beroep richtte zich onder meer tegen het oordeel dat betrokkene omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021 (de momenten waarop een nieuwe zorgmachtiging is verleend) niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd had moeten worden over de beslissing tot het toepassen van dwangmedicatie.13.Volgens de zorgaanbieder was sprake van een doorlopende machtiging en hoefde gelet op de landelijke werkafspraken geen nieuwe beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz genomen te worden. Voorts stelde de zorgaanbieder dat de klachtencommissie bij het bepalen van de schadevergoeding ten onrechte in aanmerking had genomen dat betrokkene in een periode van 21 maanden niet is geïnformeerd over de beslissing tot toepassing van verplichte zorg. Volgens de zorgaanbieder zag de aanvankelijke klacht van betrokkene alleen op het stopzetten van de medicatie en niet op het niet-uitreiken van de beslissing tot toepassing van verplichte zorg. Het beroep van de zorgaanbieder keerde zich verder tegen de hoogte van de door de klachtencommissie toegekende schadevergoeding.
1.12 Op 17 maart 2023 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Aan het proces-verbaal van die zitting valt over de situatie van betrokkene het volgende te ontlenen:
- betrokkene woont in beginsel thuis, waar zij periodiek een depot krijgt toegediend;14.
- als zij de medicatie weigert, zal een opname in de accommodatie volgen;15.
- om de drie maanden vindt een evaluatie plaats van de behandeling en de noodzaak van medicatie;16.en
- betrokkene heeft niet geklaagd over het niet-uitreiken van een beslissing tot toepassen van verplichte zorg.17.
1.13 Bij beschikking van 31 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep van de zorgaanbieder gegrond verklaard. De rechtbank heeft de beslissingen van de klachtencommissie van 19 december 2022 en 10 januari 2023 vernietigd en bepaald dat de beslissing van de rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde beslissingen. De rechtbank heeft het volgende overwogen (onderstreping toegevoegd, cursief in het origineel):
“4.3. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of [de zorgaanbieder] de plicht had om [betrokkene] bij iedere aansluitende zorgmachtiging opnieuw verplichte zorg aan te zeggen, zoals de commissie heeft geconcludeerd. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang dat in de landelijke “werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging, versie 2.0” van het Ketencoördinatieteam Wvggz onder artikel 8.9 lid 1 het volgende staat vermeld:
“Bij verandering van de juridische titel terwijl de verplichte zorg die aan de betrokkene wordt verleend niet verandert, hoeft de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing te nemen en deze dus schriftelijk aan betrokkene te bevestigen. Zorgverantwoordelijke en/of geneesheer-directeuren toetsen regelmatig de noodzaak van het verlenen van verplichte zorg”.
4.4. De rechtbank overweegt dat wanneer een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend, waarin de in de voorafgaande machtiging genoemde vormen van ver[p]lichte zorg opnieuw worden toegewezen, de onder de voorgaande zorgmachtiging bestaande situatie feitelijk zonder onderbreking wordt voortgezet. Bij de beoordeling van die opvolgende machtiging worden de vormen van zorg opnieuw getoetst, waarbij een betrokkene ook in de gelegenheid wordt gesteld om daartegen bezwaar te maken. Als de opvolgende zorgmachtiging vervolgens wordt verleend, dan is daarmee ook beslist dat de noodzaak van de voorheen verleende vormen van verplichte zorg nog bestaat en stemt de rechtbank in met het voortzetten van die verplichte zorg op de wijze waarop die zorg tot dan toe werd uitgevoerd. De ten behoeve van die uitvoering op grond van artikel 8:9 Wvggz genomen beslissingen behouden dan hun rechtskracht. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen grond is om een zorgverantwoordelijke te verplichten om ten aanzien van die zorg een nieuwe beslissing te nemen. De rechtbank ziet op dit punt geen reden om af te wijken van hetgeen in de hiervoor genoemde werkafspraken hierover is vastgesteld.
4.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank anders dan de klachtencommissie van oordeel dat voor voortzetting van de toediening aan [betrokkene] van de depotmedicatie na 15 april 2020, toen deze beslissing voor het eerst op grond van de Wvggz werd genomen, geen nieuw besluit als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz noodzakelijk was. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat achteraf weliswaar is gebleken dat tussen 9 oktober 2020 en 18 november 2020 sprake is geweest van een onderbreking van de zorgmachtiging, maar de rechtbank ziet de machtiging van 18 november 2020 desondanks, en anders dan de klachtencommissie, toch als een opvolgende machtiging. De zorgmachtiging van 18 november 2020 is immers voor een jaar verleend, wat alleen mogelijk is bij een opvolgende machtiging. Bovendien is een jaar later, op 2 november 2021, een zorgmachtiging voor twee jaar verleend, hetgeen impliceert dat iedereen ervan uit is gegaan dat ten aanzien van [betrokkene] op dat moment reeds vijf jaar onafgebroken een machtiging op grond van de Wet Bopz en vervolgens de Wvggz was verleend. Blijkens de beschikkingen van 18 november 2020 en 2 november 2021 is op de respectievelijke zittingen bovendien geen verweer gevoerd tegen de verzochte duur van de machtiging, terwijl daartegen evenmin beroep in cassatie is ingesteld. De onderhavige klacht heeft zich ook op geen enkel moment gericht tegen het gegeven dat er enige tijd – kennelijk – geen zorgmachtiging was. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [de zorgaanbieder] er van uit heeft mogen gaan dat sprake was van opeenvolgende machtigingen, zoals ook [betrokkene] en de rechtbank daarvan zijn uitgegaan.
4.6. De rechtbank is verder van oordeel dat de verplichte depotmedicatie in het geval van verweerster voldoet aan de eisen van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Onweersproken is gesteld dat [betrokkene] met deze medicatie psychosevrij blijft, waardoor zij niet hoeft te worden opgenomen en een betere moeder kan zijn voor haar kinderen en beter voor zichzelf kan zorgen. Er is meermalen geprobeerd om betrokkene in een vrijwillig kader te behandelen, maar dit leidt er telkens toe dat zij stopt met haar medicatie en weer psychotisch ontregelt. Weliswaar ervaart [betrokkene] bijwerkingen van de medicatie, maar deze bijwerkingen wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de voordelen ervan.”
1.14 Namens betrokkene is op 29 juni 2023 – tijdig − beroep in cassatie ingesteld. De zorgaanbieder heeft geen verweer gevoerd.
2. Juridisch kader dwangbehandeling en verplichte zorg
2.1
Ik schets vooraf het juridisch kader tegen de achtergrond waarvan de hierna te bespreken klachten moeten worden bezien.18.
Wvggz: het toepassen van verplichte zorg
Kern van het wettelijk stelsel
2.2
Een van de algemene uitgangspunten van de Wvggz is dat zorg op basis van vrijwilligheid wordt verleend (art. 2:1 lid 1 Wvggz). Verplichte zorg kan alleen als uiterste middel worden overwogen, indien er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg meer zijn (art. 2:1 lid 2 Wvggz). Verplichte zorg kan onder meer bestaan uit het ‘toedienen van vocht, voeding en medicatie’ (art. 3:2 lid 2, onder a, Wvggz). Verplichte zorg kan onder meer worden verleend om ‘ernstig nadeel af te wenden’ (art. 3:4 onder b, Wvggz). Verplichte zorg kan dan als ‘uiterste middel’ worden verleend, met inachtneming van de vereisten van a. noodzakelijkheid, b. proportionaliteit, c. subsidiariteit en d. doelmatigheid (art. 3:3 Wvggz).
2.3
Voor het verlenen van verplichte zorg is een ‘zorgmachtiging’ vereist (art. 6:1 e.v. Wvggz), die door de rechter wordt verleend (art. 6:4 Wvggz) voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren. Daarbij geldt een wettelijk maximumduur van zes maanden, twaalf maanden of twee jaar (art. 6:5 Wvggz).
2.4
Met de Wvggz heeft de wetgever gekozen voor een systeem waarin de rechter vooraf beslist welke verplichte zorg is toegestaan. Dat impliceert dat duidelijk moet zijn om welke zorg het gaat. Aan een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging gaat daarom een uitgebreid voorbereidingstraject vooraf (zie hoofdstuk 5 Wvggz - ‘Voorbereiden zorgmachtiging’).
2.5
De zorgmachtiging dient alle vormen van zorg te bevatten die noodzakelijk zijn voor de reguliere behandeling van de psychische stoornis. Dit betekent niet dat de dwang, waartoe de zorgmachtiging legitimeert, zonder meer kan worden toegepast. Daartoe zal eerst door de zorgverantwoordelijke (doorgaans is dat de behandelend psychiater) een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg moeten worden genomen (art. 8:9 Wvggz).19.Plv. P-G Langemeijer heeft in dat verband het beeld van drie cirkels gebruikt (onderstreping toegevoegd):
“3.8 Met de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg heeft de wetgever gekozen voor een stelsel waarin de rechter vooraf beslist welke verplichte zorg is toegestaan, binnen of buiten een ‘accommodatie’. Dan moet duidelijk zijn om welke zorg het gaat. In het nieuwe stelsel worden, om zo te zeggen, drie cirkels getrokken. De buitenste cirkel is de wettelijke omschrijving van verplichte zorg in art. 3:2 lid 2 Wvggz. Die omschrijving is limitatief: de rechter mag geen machtiging verlenen voor andere vormen van verplichte zorg dan die, welke in deze wettelijke bepaling zijn omschreven. Deze wettelijke begrenzing geldt voor iedere patiënt. De middelste cirkel regelt welke verplichte zorg aan deze individuele patiënt mag worden verleend. Dat wordt door de burgemeester onderscheidenlijk door de rechter vooraf bepaald voor een bepaald tijdvak. De behandelende artsen en andere zorgverleners mogen gedurende dat tijdvak geen andere vormen van ‘verplichte zorg’ verlenen dan die waarvoor de crisismaatregel onderscheidenlijk de machtiging ruimte biedt. De binnenste cirkel wordt bepaald door de beslissing van de ‘zorgverantwoordelijke’, die van dag tot dag besluit welke verplichte zorg concreet aan de patiënt wordt gegeven (zie art. 8:9 Wvggz).”20.
2.6
Het is de zorgverantwoordelijke die beslist welke van de in een zorgmachtiging (en in voorkomend geval crisismaatregel) opgenomen toegestane vormen van verplichte zorg worden toegepast als de daarin omschreven omstandigheden zich voordoen. De hierna weer te geven procedure van art. 8:9 Wvggz hoeft de zorgverantwoordelijke alleen te doorlopen indien er daadwerkelijk sprake is van verzet tegen een bepaalde, in de crisismaatregel of de zorgmachtiging opgenomen vorm van verplichte zorg. Staat bijvoorbeeld het nemen van medicatie opgenomen als vorm van verplichte zorg en neemt de betrokkene die medicatie gewoon in, dan is een formeel besluit pas vereist als de betrokkene de medicatie alsnog weigert. In dat geval zal de voorgeschreven procedure moeten worden doorlopen.21.
Artikel 8:9 Wvggz
2.7
Om te voorkomen dat de dwang waartoe de zorgmachtiging legitimeert zonder meer wordt opgelegd, bepaalt art. 8:9 lid 1 Wvggz dat de zorgverantwoordelijke niet tot uitvoering van die zorgmachtiging kan overgaan dan nadat hij a) zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, b) met de betrokkene overleg heeft gehad over de voorgenomen beslissing, en c), voor zover hij zelf geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur. Op grond van art. 8:9 lid 2 Wvggz is een schriftelijke en gemotiveerde beslissing van de zorgverantwoordelijke nodig voorafgaand aan de toepassing van de verplichte zorg. Op grond van art. 8:9 lid 3 geeft de geneesheer-directeur betrokkene, de vertegenwoordiger en de advocaat een afschrift van de beslissing en stelt hij hen schriftelijk in kennis van de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de patiëntenvertrouwenspersoon en de familievertrouwenspersoon.
2.8
Ik verwijs verder naar enkele passages uit de wetsgeschiedenis bij art. 8:9 Wvggz:
“Hoofdstuk 2 brengt mee dat de dwang waartoe een zorgmachtiging, een crisismaatregel of machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel legitimeert, niet zonder meer kan worden toegepast. De zorgverantwoordelijke dient zich eerst op de hoogte te stellen van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, opdat niet onnodig naar dwang wordt gegrepen (eerste lid, onder a). Deze verplichting moet ruim worden opgevat; het gaat om de algehele conditie van betrokkene, inclusief een beoordeling van omgevingsfactoren. Het is van belang dat betrokkene zo vroeg mogelijk wordt betrokken bij een voornemen tot het toepassen van verplichte zorg. Daartoe is een vooroverlegverplichting geïntroduceerd (eerste lid, onder b). (…) Door dit vooroverleg waarin de zorgverantwoordelijke zijn overwegingen kan delen, is betrokkene beter voorbereid en kan hij nog een beroep doen op bijvoorbeeld de patiëntenvertrouwenspersoon. Niet uitgesloten moet immers worden dat toepassing van dwang toch nog kan worden voorkomen. (…).”22.
(…)
“De zorgmachtiging dient alle vormen van zorg te bevatten die noodzakelijk zijn voor de reguliere behandeling van de psychische stoornis en in crisissituaties die vooraf kunnen worden voorzien. Dit betekent dat een zorgmachtiging een breed arsenaal aan interventies kan omvatten. Artikel 8:9 waarborgt dat de vormen van verplichte zorg, waartoe de rechter of burgemeester een legitimatie heeft verstrekt, alleen kunnen worden toegepast als de in de zorgmachtiging of maatregel omschreven omstandigheden zich voordoen. Artikel 8:9 onderstreept dat iedere vorm van verplichte zorg met terughoudendheid moet worden toegepast en altijd vooraf getoetst moeten worden aan de algemene beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, veiligheid en effectiviteit (artikel 2:1). De zorgverantwoordelijke zal zijn keuze uit het arsenaal aan mogelijkheden dat de zorgmachtiging of maatregel biedt, moeten verantwoorden en duidelijk kunnen maken dat met een lichtere interventie niet kan worden volstaan. De verplichte evaluatiemomenten die in de zorgmachtiging zijn opgenomen, dienen als waarborg dat de verplichte zorg niet langer dan noodzakelijk wordt toegepast.”23.
2.9
Dat steeds vooraf getoetst moet worden of is voldaan aan de algemene uitgangspunten die zijn neergelegd in art. 2:1 Wvggz blijkt ook duidelijk uit een beschikking van de Hoge Raad van 18 december 2020:
“Art. 2:1 Wvggz maakt deel uit van hoofdstuk 2 van de wet. Dat hoofdstuk bevat algemene uitgangspunten, die bij de uitvoering van de wet steeds in acht moeten worden genomen. Dat volgt niet alleen uit de gelaagde structuur van de wet, maar ook uit de bewoordingen van diverse bepalingen. De betrokken uitgangspunten dienen dus tevens in acht te worden genomen bij een beslissing van de zorgverantwoordelijke op de voet van art. 8:9 lid 1 Wvggz. (…) [Daaraan] doet niet af dat hoofdstuk 2 van de wet niet wordt genoemd bij de klachtgronden van art. 10:3 Wvggz, noch dat in art. 8:9 Wvggz geen specifieke bepalingen uit dat hoofdstuk zijn vermeld.”24.
2.10
De zorgverantwoordelijke moet zijn keuze uit de mogelijkheden die de zorgmachtiging biedt verantwoorden en duidelijk maken dat een lichtere interventie niet volstaat.
Werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging
2.11
Ketenpartners bij de Wvggz hebben werkafspraken gemaakt, onder meer om de uitvoering van de wet te verbeteren. Deze werkafspraken zijn neergelegd in de notitie ‘Werkafspraken aanvraag en uitvoering zorgmachtiging’.25.In par. 8.4 (“Niet telkens nieuwe beslissing nodig bij elke nieuwe vorm van verplichte zorg (art. 8:9 lid 1)”) van die notitie staat het volgende (onderstreping toegevoegd):
“Moet de zorgverantwoordelijke bij het willen uitvoeren van elke nieuwe vorm van verplichte zorg telkens opnieuw een beslissing als bedoeld in art 8:9 lid 1 nemen en deze apart schriftelijk motiveren indien alleen de juridische titel verandert of hoeft dat onder bepaalde omstandigheden niet?
Hoofdregel: besluitvorming voor iedere vorm van verplichte zorg apart doorlopen
De besluitvorming tot het uitvoeren van verplichte zorg van art 8:9 moet voor iedere vorm van verplichte zorg die toegepast gaat worden, in principe apart doorlopen worden. De motivering voor het toepassen van elke vorm van verplichte zorg moet ook apart vastgelegd worden in de desbetreffende tabel in het informatieproduct. Bij het beoordelen en vastleggen van verplichte zorg (m.u.v. opname in de accommodatie) moet in het dossier van betrokkene aangetekend worden of betrokkene al dan niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake (art 8:9 lid 4 sub a) en of de situatie zich voordoet zoals beschreven in art. 8:9 lid 4 sub b).
Is ook een nieuwe beslissing nodig bij wijziging van de juridische titel?
Het is niet zinvol om betrokkene een nieuwe beslissing op grond van artikel 8:9 lid 1 te verstrekken als de vorm van verplichte zorg, waartoe de beslissing legitimeert, niet verandert. Dit kan alleen maar tot verwarring bij betrokkene leiden en dit moet voorkomen worden. Wel is het van belang om de betrokkene in kennis te stellen van de nieuwe titel op basis waarvan hij verplichte zorg kan krijgen.
Werkafspraak art. 8:9 lid 1
Bij verandering van de juridische titel terwijl de verplichte zorg die aan de betrokkene wordt verleend niet verandert, hoeft de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing te nemen en deze dus ook niet schriftelijk aan betrokkene te bevestigen.
Zorgverantwoordelijke en/of geneesheer-directeuren toetsen regelmatig de noodzaak van het verlenen van verplichte zorg.”
Naar de zojuist onderstreepte werkafspraak wordt in rov. 4.3 van de bestreden beschikking verwezen.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bevat drie onderdelen.
Onderdeel I
3.2
Onderdeel I is gericht tegen de rov. 4.3 tot en met 4.5 (hiervoor geciteerd in 1.13). Het klaagt allereerst dat de rechtbank in rov. 4.3 “de rechtens onjuiste vraag stelt of de werkafspraken derogeren aan artikel 8:9 Wvggz”. Het onderdeel klaagt voorts dat de rechtbank in rov. 4.4 en 4.5 ten onrechte heeft geoordeeld dat ook na het verstrijken van de geldigheid van een zorgmachtiging kan worden besloten tot het gedwongen toedienen van depotmedicatie zonder dat de betrokkene daarover een gemotiveerde schriftelijke beslissing heeft ontvangen waarin de zorgverantwoordelijke zich uitlaat over de actuele gezondheid en de wilsbekwaamheid van de betrokkene. Vooral het vaststellen van de wilsbekwaamheid weegt zwaar in de bescherming van de belangen van de betrokkene. Door te oordelen dat geen nieuw besluit nodig is miskent de rechtbank bovendien de gefaseerde benadering in de Wvggz bij het toepassen van gedwongen zorg.
3.3
Mijns inziens mist het onderdeel feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat de rechtbank de vraag stelt of de hiervoor genoemde werkafspraken “derogeren” aan art. 8:9 Wvggz. Na in rov. 4.3 de ‘Werkafspraak art. 8:9 lid 1’ te hebben weergegeven, oordeelt de rechtbank aan het slot van rov. 4.4 dat zij op het aan de orde zijnde punt “geen reden ziet om af te wijken van hetgeen in de (…) werkafspraken hierover is vastgesteld”. De rechtbank heeft zich derhalve aangesloten bij de betreffende werkafspraak. Daarmee is niet gezegd dat die afspraak in strijd is met art. 8:9 lid 1 Wvggz. Dat de genoemde werkafspraak van de ketenpartners geen recht vormt in de zin van art. 79 RO, maakt dit niet anders.
3.4
De klacht dat de rechtbank in rov. 4.4 en 4.5 heeft miskend dat art. 8:9 Wvggz deel uitmaakt van Hoofdstuk 8 Wvggz (‘Rechten en plichten bij de tenuitvoerlegging en uitvoering van de (…) zorgmachtiging’) en dat het artikel “wordt gezien als één van de belangrijkste artikelen” van de wet, mist eveneens feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat de rechtbank zich van een en ander niet bewust is geweest.
3.5
Het oordeel van de rechtbank in rov. 4.4 komt op het volgende neer:
- Bij de beoordeling van het verzoek tot afgifte van een opvolgende zorgmachtiging worden de vormen van verplichte zorg die in de direct voorafgaande zorgmachtiging waren opgenomen opnieuw getoetst (als verzocht is die zorgvormen weer op te nemen).
- Daarbij wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen bezwaar te maken.
- Indien de rechter de opvolgende zorgmachtiging verleent, is daarmee ook beslist dat de noodzaak van de voorheen verleende vormen van verplichte zorg nog steeds bestaat en dat de rechter instemt met het voortzetten van die verplichte zorg op de wijze waarop die laatstelijk werd verleend.
3.6
Het onderdeel benadrukt, onder verwijzing naar onder meer de hiervoor onder 2.8 weergegeven passages uit de wetsgeschiedenis, dat de zorgverantwoordelijke zich na een opvolgende zorgmachtiging in een nieuwe schriftelijke beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz dient uit te laten over de actuele gezondheid en de wilsbekwaamheid van de betrokkene. Voor zover het onderdeel ertoe strekt te betogen dat genoemde waarborgen niet meer bestaan zodra een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend en niet opnieuw een beslissing ex art. 8:9 Wvggz wordt genomen, ziet het er mijns inziens aan voorbij dat de zorgverantwoordelijke moet beoordelen of het verlenen van een bepaalde vorm van verplichte zorg nog noodzakelijk is. Is dat niet zo, dan beslist de zorgverantwoordelijke dat die vorm van verplichte zorg wordt stopgezet.26.Deze verplichting om de noodzaak van verplichte zorg te ‘monitoren’ geldt onverkort als de rechter een zorgmachtiging verleent waarin dezelfde vormen van verplichte zorg zijn opgenomen als in de daaraan voorafgaande zorgmachtiging.
3.7
Een zorgmachtiging vervalt op het moment dat de geldigheidsduur ervan verstrijkt.27.Vanaf dat moment is een nieuwe titel nodig om de verplichte zorg voort te zetten: een aansluitende zorgmachtiging. Dat brengt niet mee dat de zorgverantwoordelijke een nieuwe beslissing tot uitvoering van de aansluitende zorgmachtiging moet nemen. Mijns inziens brengt een redelijke wetsuitlegging van art. 8:9 Wvggz met zich dat in het geval dat een opvolgende zorgmachtiging ten opzichte van de vervallen zorgmachtiging niet voorziet in andere vormen van verplichte zorg, de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing tot toepassing van de nieuwe zorgmachtiging hoeft te nemen. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.8
Ten eerste doet het verstrijken van de geldigheidsduur van een zorgmachtiging aan de beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz niet de basis ontvallen indien, zoals hier, een aansluitende zorgmachtiging wordt verleend die dezelfde vormen van verplichte zorg legitimeert. De zorgmachtiging vormt niet in formele zin de grondslag van een dergelijke beslissing van de zorgverantwoordelijke. Een ter uitvoering van de direct voorafgaande zorgmachtiging (of, in voorkomend geval, een eerdere zorgmachtiging) genomen beslissing van de zorgverantwoordelijke heeft in dat geval haar rechtskracht behouden, zoals de rechtbank met juistheid overweegt in rov. 4.4. Indien na het verlenen van een opvolgende zorgmachtiging de zorgverantwoordelijke wél (steeds) op de voet van art. 8:9 Wvggz een nieuwe beslissing zou moeten nemen, kan op zijn minst discussie ontstaan over de vraag of de zorg die feitelijk is verleend (op de dagen) tussen de datum van de nieuwe zorgmachtiging en de datum van de nieuwe beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz, rechtsgeldig kón worden verleend (terwijl vaststaat dat die zorg noodzakelijk is).
3.9
Ten tweede vergt de rechtspositie van de betrokken patiënt niet dat een nieuwe beslissing ex art. 8:9 Wvggz wordt uitgereikt. Een nieuwe beslissing die de bestaande situatie slechts bevestigt, zou voor de betrokken patiënt niets toevoegen en eerder verwarrend kunnen uitwerken. Verder wijs ik op de procedurele waarborgen waarin de wet reeds voorziet. Een verzoekschrift voor een zorgmachtiging, ook voor een opvolgende zorgmachtiging, dient te zijn voorzien van de bijlagen genoemd in art. 5:17 lid 3 Wvggz (waaronder een actuele medische verklaring) en van het door de geneesheer-directeur opgestelde voorstel voor een zorgmachtiging, waarin moet staan vermeld al hetgeen is opgenomen in art. 5:17 lid 4 Wvggz. Bovendien weet de betrokken patiënt ten aanzien van wie reeds een zorgmachtiging is verleend en die krachtens die zorgmachtiging verplichte zorg ontvangt, na verlening van een opvolgende (en direct aansluitende) zorgmachtiging welke vormen van verplichte zorg mogen worden toegepast. De beschikking van de rechtbank dient immers aan hem en zijn advocaat te worden toegezonden (art. 6:4 lid 7, onder a en c, Wvggz).
3.10
Ten derde is de rechtsbescherming van de betrokken patiënt volledig gewaarborgd. De patiënt kan bij de klachtencommissie een klacht indienen “over de nakoming van een verplichting of een beslissing” op grond van art. 8:9 Wvggz (art. 10:3 lid 1, aanhef en onder f, Wvggz). Aan het indienen van een klacht is geen termijn gebonden. Dit betekent dat te allen tijde kan worden geklaagd over de toediening van de voorgeschreven medicatie. Als de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de klachtencommissie kan hij daartegen binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan hem is meegedeeld beroep instellen bij de rechtbank (art. 10:7 lid 2 Wvggz). Daarna staat nog beroep in cassatie open. De rechtsbescherming voor de patiënt is dus niet aangetast als de zorgverantwoordelijke geen nieuwe beslissing hoeft te nemen voor het ongewijzigd toepassen van dezelfde verplichte zorg.
3.11
Ten vierde is het voor zorgverantwoordelijken in algemene zin belastend om steeds wanneer voor een patiënt een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend, een formulier28.in te vullen waarin een (nieuwe) beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz wordt gegeven terwijl de bestaande situatie ongewijzigd wordt voortgezet. Zo zou voor patiënten die op grond van een voorafgaande machtiging reeds in een bepaalde accommodatie verblijven weer een schriftelijke beslissing moeten worden genomen die er feitelijk op neerkomt dat het verblijf moet worden gecontinueerd.
3.12
Het voorgaande geldt voor de situatie dat (i) een opvolgende zorgmachtiging wordt verleend waarin geen andere vormen van verplichte zorg zijn opgenomen dan in de daaraan voorafgaande zorgmachtiging en (ii) ten aanzien van de betrokkene gedurende een deel van de looptijd van de voorafgaande zorgmachtiging en in elk geval tot aan het vervallen van die machtiging één of meer vormen van verplichte zorg zijn toegepast, en (iii) die verplichte zorg is aangezegd gedurende de looptijd van die machtiging dan wel in een daaraan voorafgaande machtiging. In die situatie geldt dat bij aanvang van de opvolgende zorgmachtiging een nieuwe beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz achterwege kan blijven. In het onderhavige geval, waarin een opvolgende zorgmachtiging direct aansluit op de voorafgaande zorgmachtiging en er gelet op de medische situatie niets wijzigt in de feitelijke behandeling, is de zorgverantwoordelijke niet gehouden een nieuwe beslissing te nemen op de voet van art. 8:9 Wvggz.
3.13
Voor de onderhavige zaak wijs ik nog wel op het volgende.
3.14
Vast staat dat tussen 9 oktober 2020 en 18 november 2020 sprake is geweest van een onderbreking van de zorgmachtiging.29.De eerste zorgmachtiging die op 9 april 2020 was verleend voor zes maanden verviel immers op 9 oktober 2020 van rechtswege. Zo al moet worden aangenomen dat betrokkene vanaf dat moment tijdelijk op vrijwillige basis de eerder voorgeschreven medicatie heeft ingenomen, diende de zorgverantwoordelijke na 18 november 2020, op welke datum de tweede zorgmachtiging is verleend, een nieuwe beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz te nemen indien hij van oordeel was dat deze verplichte vorm van zorg moest worden toegediend ter uitvoering van die machtiging (te weten in het geval dat betrokkene de medicatie niet meer vrijwillig wilde innemen). Uit het overgelegde procesdossier heb ik echter niet kunnen opmaken dat dit is gebeurd.30.
3.15
De rechtbank heeft een en ander onder ogen gezien. Zij overweegt in rov. 4.5 dat de machtiging van 18 november 2020 “desondanks” wordt gezien “als een opvolgende machtiging”.31.Ik stel vast dat dit oordeel dat de machtiging van 18 november 2020 wordt gezien “als een opvolgende machtiging” in cassatie niet wordt bestreden. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen brengt dit naar mijn mening ook voor het onderhavige geval mee, dat een nieuwe aanzegging op grond van art. 8:9 Wvggz tot het gaan verlenen van verplichte zorg niet nodig was, ook niet nadien.
3.16
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel II
3.17
Onderdeel II is gericht tegen rov. 4.4 en de daarop voortbouwende rov. 4.5. In de eerste volzin van rov. 4.5 oordeelt de rechtbank dat voor voortzetting van de toediening aan betrokkene van de depotmedicatie na 15 april 2020, toen deze beslissing voor het eerst op grond van de Wvggz werd genomen, geen nieuw besluit als bedoeld in art. 8:9 Wvggz noodzakelijk was. Het onderdeel stelt dat deze overweging voortbouwt op de onjuiste rechtsopvatting in rov. 4.4. Volgens het onderdeel gaat de rechtbank er aan voorbij dat de vereiste beoordeling van art. 8:9 Wvggz voorziet “in een in tijd en vorm op maat toegesneden passende vorm van zorg en op de beoordeling van de wilsbekwaamheid van betrokkene”. Het onderdeel stelt dat het oordeel van de klachtencommissie in de beslissing van 10 januari 2023 dat betrokkene in ieder geval omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021, te weten op de momenten dat nieuwe zorgmachtigingen zijn afgegeven, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd had moeten worden, in overeenstemming is met de uitspraak van uw Raad van 25 september 2020. Daarin wordt overwogen (onderstreping toegevoegd):
“4.2 (…) De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een zorgmachtiging niet beslissen tot het verlenen van verplichte zorg dan nadat hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, met de betrokkene overleg heeft gevoerd over de voorgenomen beslissing en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur (art. 8:9 lid 1 Wvggz). Tegen een beslissing van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg staat een rechtsmiddel open (art. 10:3, aanhef en onder f, Wvggz en art. 10:7 lid 1 Wvggz). Uit het voorgaande volgt dat de ruimte van de zorgverantwoordelijke om binnen de kaders van de zorgmachtiging en tijdens de geldigheidsduur daarvan te beslissen welke vorm van verplichte zorg daadwerkelijk aan de betrokkene wordt verleend, is omkleed met diverse waarborgen. (…)”32.
3.18
Mijns inziens faalt het onderdeel op de hiervoor bij de bespreking van onderdeel I onder 3.7 e.v. weergegeven gronden. Het bestreden oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet ontoereikend gemotiveerd.
Onderdeel III
3.19
Onderdeel III bevat een motiveringsklacht die is gericht tegen het oordeel in rov. 4.6, hiervoor in 1.13 weergegeven, dat de verplichte depotmedicatie in het geval van betrokkene voldoet aan de eisen van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende:
- onweersproken is gesteld dat betrokkene met deze medicatie psychosevrij blijft, waardoor zij niet hoeft te worden opgenomen, een betere moeder kan zijn voor haar kinderen en beter voor zichzelf kan zorgen;
- meermalen is geprobeerd om betrokkene in een vrijwillig kader te behandelen, maar dit leidde er telkens toe dat zij stopte met haar medicatie en weer psychotisch ontregelde;
- weliswaar ervaart betrokkene bijwerkingen van de medicatie, maar deze bijwerkingen wegen niet op tegen de voordelen ervan.
3.20
Het onderdeel klaagt dat de rechtbank met dit oordeel voorbijgaat “aan de kern van de beoordeling van de beslissing van de klachtencommissie”. Ter toelichting stelt het onderdeel dat betrokkene blijkens de weergave van haar standpunten in de beslissing van 12 december 2022 heeft aangevoerd dat zij veel bijwerkingen ervaart en dat zij eigenlijk over wil gaan op een andere vorm van medicatie (pillen), en dat de zorgaanbieder in een reactie daarop heeft aangevoerd dat de behandelaren recentelijk met betrokkene en haar broer hebben gesproken over de mogelijkheid om de depotmedicatie één keer per zes maanden toe te dienen, maar dat dit niet beschikbaar was in de dosering die betrokkene thans krijgt toegediend. Het onderdeel stelt dat ter beoordeling van de rechtbank dus voorlag dat de door betrokkene gegeven toelichting op haar bezwaren onderwerp had behoren te zijn in het overleg, zoals art. 8:9 Wvggz dat voorschrijft, en dat de zorgverantwoordelijke aan de hand daarvan aan betrokkene een schriftelijk gemotiveerd besluit had moeten uitreiken over de toe te dienen zorg. Ook had de zorgverantwoordelijke, zo vervolgt het onderdeel, moeten beoordelen of betrokkene tot een redelijke waardering van haar belangen in staat was ter zake de medicatie. Het onderdeel stelt dat het herhaaldelijk achterwege blijven van een gemotiveerde beoordeling op grond van art. 8:9 Wvggz gedurende de verschillende zorgmachtigingen de kern vormt van de beslissing van de klachtencommissie van 10 januari 2023, aan het slot waarvan de commissie opmerkt dat zij van mening is dat sprake is geweest van een onzorgvuldige gang van zaken, waarvan de instelling wordt verzocht nota te nemen om herhaling te voorkomen. Het onderdeel klaagt dat in dat licht bezien de door de rechtbank gegeven motivering onjuist en onbegrijpelijk is.
3.21
Bij de beoordeling van het onderdeel stel ik voorop dat de klachtencommissie in de beslissing van 12 december 2022 “de klacht gegrond beoordeelt omdat niet voldaan is aan de wettelijke eisen” en dat zij daarom “niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling”. In de beroepsprocedure heeft de rechtbank, anders dan de klachtencommissie, geoordeeld dat de ten behoeve van de uitvoering op grond van art. 8:9 Wvggz genomen beslissingen hun rechtskracht behouden na de verlening van een opvolgende zorgmachtiging, en dat er geen grond is om een zorgverantwoordelijke te verplichten om ten aanzien van die zorg een nieuwe beslissing te nemen. Dit betekende dat de rechtbank toekwam aan een beoordeling van de – door de klachtencommissie niet beantwoorde – vraag of de (beslissing tot) toediening van de aan betrokkene gegeven verplichte zorg in de vorm van depotmedicatie voldoet aan de eisen die worden genoemd in art. 2:1 Wvggz.33.Het bestreden feitelijke oordeel op dit punt is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de zorgaanbieder in de klachtenprocedure heeft aangevoerd in een reactie op de klacht van betrokkene. De klachtencommissie heeft het verweer van de zorgaanbieder weergegeven in haar beslissing van 12 december 2022 (blz. 3-4).
3.22
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onderdeel III eveneens faalt.
3.23
Nu geen van de klachten slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑09‑2023
Zie de bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4096, rov. 2.1 – 2.9.
Zie de bijlagen 4 en 5 bij het verzoekschrift. In de brief van 15 april 2020 stond abusievelijk ‘voor de duur van de crisismaatregel’. Dat is met de beslissing van 12 juni 2020 gecorrigeerd.
Bijlage 6 bij het verzoekschrift van de zorgaanbieder.
Bijlage 7 bij het verzoekschrift.
Als bijlage 11 bij het verzoekschrift is overgelegd een ‘kennisgeving mondelinge uitspraak verplichte zorg’ van 18 november 2020. Aan het begin van dat stuk wordt vermeld dat het verzoek van de officier van justitie dateert van 3 november 2020. Het verzoek is derhalve ingediend nádat de geldigheidsduur van de eerste zorgmachtiging op 9 oktober 2020 was verstreken.
Bijlage 8 bij het verzoekschrift van de zorgaanbieder.
De klachtbrief is overgelegd als bijlage 9 bij het verzoekschrift.
De “aanvulling op de beslissing” en de nadere onderbouwing op de verzochte schadevergoeding d.d. 22 december 2022 zijn overgelegd als bijlage 10 bij het verzoekschrift.
Zie de bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2023, rov. 2.9.
Zie voor de grondslag van het beroep van de zorgaanbieder de bestreden beschikking, rov. 4.1.
Proces-verbaal, p. 1 (geneesheer-directeur).
Proces-verbaal, p. 3 (geneesheer-directeur).
Proces-verbaal, p. 2 (geneesheer-directeur).
Proces-verbaal, p. 2 (jurist Arkin).
Het kader is deels ontleend aan mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:23) voor HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:300 (81 RO), onder 2.2-2.17.
MvT, Kamerstukken II 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 88.
Zie de conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:429) voor HR 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1017, NJ 2020/348, m.nt. J. Legemaate.
MvT, Kamerstukken II, 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 88-89.
MvT, Kamerstukken II, 2009/10, 32 399, nr. 3, blz. 88-89.
HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2096, NJ 2021/97, m.nt. J. Legemaate, rov. 4.1.3.
De notitie is te raadplegen via: https://wvggz-kct.nl/wp-content/uploads/2022/08/Werkafspraken-aanvraag-en-uitvoering-zorgmachtigingen-2.0-2-1.pdf. In voetnoot 1 van de notitie worden de volgende Ketenpartners genoemd: “Openbaar Ministerie, De Nederlandse ggz, de Stichting patiëntenvertrouwenspersonen (PVP), de Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Stichting MIND, de Politie en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG).”
Zie voor het formulier: https://www.dwangindezorg.nl/binaries/dwangindezorg/documenten/publicaties/implementatie/ketenproducten/producten-wvggz/8-9-lid-1-en-2-beslissing-tot-verlenen-van-verplichte-zorg-definitief/8+9+lid+1+en+2+Beslissing+tot+verlenen+van+verplichte+zorg+definitief.pdf
Zie de bestreden beschikking, rov. 4.5 (tweede volzin) en voetnoot 6 hiervoor.
In de bestreden beschikking vermeldt de rechtbank alleen dat er aanzeggingen hebben plaatsgevonden op 15 april 2020 (verbeterd bij een nieuwe aanzeggingsbrief van 12 juni 2020) en op 11 augustus 2020.
Wat de rechtbank hier overweegt, stemt in de kern overeen met wat namens de zorgaanbieder is opgemerkt ter zitting (zie het proces-verbaal, p. 2 onderaan).
HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1508, NJ 2020/401, m.nt. J. Legemaate, JGz 2020/78, m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
De klachtencommissie heeft de klacht aldus samengevat dat de betrokkene zich op het standpunt stelt dat (toediening van) depotmedicatie “niet nodig is”. Zie de beslissing van 12 december 2022, blz. 4.
Beroepschrift 29‑06‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden:
Procesinleiding in een WvGGZ zaak.
Verzoekster tot cassatie is [betrokkene], verder te noemen ‘betrokkene’, geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats], [postcode], aan de [adres], ten deze in cassatie vertegenwoordigd door en woonplaats kiezende bij haar advocaat mr. E.F.A. Linssen-van Rossum, kantoorhoudende te Den Haag aan het Lange Voorhout no. 15, correspondentieadres: Postbus 13353, 2518 EJ, te Den Haag, die voor haar als advocaat bij de Hoge Raad zal optreden en dit verzoekschrift zal ondertekenen en indienen.
Verzoekster stelt hierbij beroep in cassatie in tegen beschikking van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team Familie en Jeugd, van 31 maart 2023, onder zaak-/rekestnummer C/13/728143 FA RK 23-300, houdende de gegrondverklaring van het beroep van de Stichting Arkin tegen de beslissingen van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken d.d. 12 december 2022. In cassatie wordt geklaagd over de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de gegrondverklaring van het beroep van Arkin tegen de beslissing van de klachtencommissie over het ten onrechte achterwege laten van een schriftelijk aanzegging van gedwongen zorg.1.
Verweerster in cassatie is de Stichting Arkin, gevestigd te Amsterdam, 1033 NN, aan de Klaprozenweg no. 111.
Met het hierna volgende cassatiemiddel komt verzoekster in beroep tegen voormelde beschikking wegens schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming in de overwegingen en beslissingen van de rechtbank Amsterdam, zoals vervat in diens beschikking van 31 maart 2023 en gewezen onder zaak-/rekestnummer C/13/728143 FA RK 23-300, nietigheid met zich brengt om de in het cassatiemiddel gegeven redenen, bestaande uit verschillende in hun onderlinge verband en samenhang te lezen rechts- en motiveringsklachten.
Essentie van deze zaak :
Dit beroep in cassatie richt zich tegen de gegrondverklaring van de rechtbank Amsterdam van het beroep van de Stichting Arkin tegen de door de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken op 12 december 2022 gegeven beslissing houdende de gegrondverklaring van de klacht van betrokkene tegen het onder dwang toegediend krijgen van anti-psychotische medicatie in de vorm van een depot ( injectie).
I. Rechtsklacht en motiveringsklacht: Werkafspraken derogeren niet aan de Wvggz. Onjuiste toepassing en beoordeling van de strekking van artikel 8:9 Wvggz :
Dit klachtonderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 4.3, waar de rechtbank zich de rechtens onjuiste vraag stelt of de werkafspraken derogeren aan artikel 8:9 Wvggz. Op blz. 2 , derde alinea, van het Proces-verbaal van de mondelinge behandeling is de rechter zich ervan bewust dat een werkafspraak geen recht is in de zin van artikel 79 R.O., maar trekt daaruit niet de juiste conclusie bij de verdere beoordeling.
In de daarop volgende rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 miskent de rechtbank dat artikel 8:9 Wvggz deel uitmaakt van hoofdstuk 8 waar de rechten en plichten worden geregeld, die gelden bij de tenuitvoerlegging en uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel en de zorgmachtiging en dat artikel 8.9 daarvan wordt gezien als één van de belangrijkste artikelen van de hele Wet. ‘Dit artikel waarborgt dat de vormen van verplichte zorg, waartoe de rechter een legitimatie heeft verstrekt, alleen kunnen worden toegepast als de in de zorgmachtiging omschreven omstandigheden zich voordoen’, aldus de toelichting op deze bepaling.2.
Lid 2 van artikel 8:9 Wvggz verplicht de zorgverantwoordelijke om de beslissing, voorzien van een motivering, op schrift te stellen en lid 3 breidt die verplichting uit tot het ter hand stellen van die beslissing aan betrokkene, diens vertegenwoordiger/ advocaat en wijst op de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de patiënten-vertrouwenspersoon.
De bedoeling van de wetgever om met de Wvggz de betrokkene een betere bescherming te bieden, komt in het bijzonder naar voren in de tweede Nota van Wijzigingen, waar ten aanzien van het vaststellen van het wilsbekwaam verzet per toepassing van verplichte zorg in artikel 8:9 wordt bepaald 3.:
‘Vierde lid
Gelet op het nieuw voorgestelde zesde lid van artikel 2:1 inzake wilsbekwaam verzet dient per toepassing van verplichte zorg (anders dan de verplichte opname in een accommodatie) te worden bezien of betrokkene wilsonbekwaam is, dan wel in geval van geconstateerde wilsbekwaamheid, of het honoreren van het verzet leidt tot acuut levensgevaar voor betrokkene, dan wel dat leidt tot een aanzienlijk risico voor een ander op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, of ernstige psychische, materiële of financiële schade, dan wel om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, ernstig te verwaarlozen of ernstig maatschappelijk teloor te gaan. Het nieuwe vierde lid van artikel 8:9 verplicht de zorgverantwoordelijke in dat verband om deze gegevens ter waarborging van de belangen van betrokkene vast te leggen.
De verplichting, bedoeld in artikel 1:5, is de meer algemene verplichting voor de zorgverantwoordelijke om de wilsonbekwaamheid van betrokkene vast te leggen in relatie tot de rol van de vertegenwoordiger. De verplichting van het vierde lid van artikel 8:9 ziet specifiek op de toepassing van bepaalde handelingen ter uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging’
In het artikelsgewijze commentaar4. op de parlementaire totstandkoming van de Wvggz wordt het als volgt toegelicht :
‘Artikel 8:9
Hoofdstuk 2 brengt mee dat de dwang waartoe een zorgmachtiging, een crisismaatregel of machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel legitimeert, niet zonder meer kan worden toegepast. De zorgverantwoordelijke dient zich eerst op de hoogte te stellen van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene, opdat niet onnodig naar dwang wordt gegrepen (eerste lid, onder a). Deze verplichting moet ruim worden opgevat; het gaat om de algehele conditie van betrokkene, inclusief een beoordeling van omgevingsfactoren. Het is van belang dat betrokkene zo vroeg mogelijk wordt betrokken bij een voornemen tot het toepassen van verplichte zorg. Daartoe is een vooroverlegverplichting geïntroduceerd (eerste lid, onder b). Door dit vooroverleg waarin de zorgverantwoordelijke zijn overwegingen kan delen, is betrokkene beter voorbereid en kan hij nog een beroep doen op bijvoorbeeld de patiëntenvertrouwenspersoon. Niet uitgesloten moet immers worden dat toepassing van dwang toch nog kan worden voorkomen. Betrokkene kan bijvoorbeeld alsnog een zorgkaart opmaken, als dit in het voorbereidingstraject nog niet is gebeurd of de zorgkaart wijzigen gedurende de toepassing van de verplichte zorg.
De taak van de zorgverantwoordelijke tot het nemen van beslissingen tot het verlenen van verplichte zorg ter uitvoering van een zorgmachtiging of (machtiging tot voortzetting van de) crisismaatregel zal doorgaans worden vervuld door een psychiater. Omdat de zorgverantwoordelijke volgens de definitiebepaling van artikel 1:1 echter niet per se een arts hoeft te zijn, zolang hij maar in het register is geregistreerd als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en behoort tot een bij regeling van de Minister aangewezen categorie van deskundigen, is onderdeel c toegevoegd. Dat houdt in dat voor zover de zorgverantwoordelijke geen psychiater is, hij over deze beslissingen overeenstemming dient te bereiken met de geneesheer-directeur.
De zorgmachtiging dient alle vormen van zorg te bevatten die noodzakelijk zijn voor de reguliere behandeling van de psychische stoornis en in crisissituaties die vooraf kunnen worden voorzien. Dit
betekent dat een zorgmachtiging een breed arsenaal aan interventies kan omvatten. Artikel 8:9 waarborgt dat de vormen van verplichte zorg, waartoe de rechter of burgemeester een legitimatie heeft verstrekt, alleen kunnen worden toegepast als de in de zorgmachtiging of maatregel omschreven omstandigheden zich voordoen. Artikel 8:9 onderstreept dat iedere vorm van verplichte zorg met terughoudendheid moet worden toegepast en altijd vooraf getoetst moeten worden aan de algemene beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, veiligheid en effectiviteit (artikel 2:1). De zorgverantwoordelijke zal zijn keuze uit het arsenaal aan mogelijkheden dat de zorgmachtiging of maatregel biedt, moeten verantwoorden en duidelijk kunnen maken dat met een lichtere interventie niet kan worden volstaan. De verplichte evaluatiemomenten die in de zorgmachtiging zijn opgenomen, dienen als waarborg dat de verplichte zorg niet langer dan noodzakelijk wordt toegepast.
Vierde lid
Gelet op het zesde lid van artikel 2:1 inzake wilsbekwaam verzet dient per toepassing van verplichte zorg (anders dan de verplichte opname in een accommodatie) te worden bezien of betrokkene wilsonbekwaam is, dan wel in geval van geconstateerde wilsbekwaamheid, of het honoreren van het verzet leidt tot acuut levensgevaar voor betrokkene, dan wel dat leidt tot een aanzienlijk risico voor een ander op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, of ernstige psychische, materiële of financiële schade, dan wel om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, ernstig te verwaarlozen of ernstig maatschappelijk teloor te gaan. Het vierde lid van artikel 8:9 verplicht de zorgverantwoordelijke in dat verband om deze gegevens ter waarborging van de belangen van betrokkene vast te leggen.
De verplichting, bedoeld in artikel 1:5, is de meer algemene verplichting voor de zorgverantwoordelijke om de wilsonbekwaamheid van betrokkene vast te leggen in relatie tot de rol van de vertegenwoordiger. De verplichting van het vierde lid van artikel 8:9 ziet specifiek op de toepassing van bepaalde handelingen ter uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging.’
In strijd met voormelde toelichtingen op artikel 8:9 Wvggz, heeft de rechtbank geoordeeld dat ook na het verstrijken van de geldigheid van een zorgmachtiging kan worden besloten tot het gedwongen toedienen van depotmedicatie zonder dat betrokkene daarover een gemotiveerde schriftelijke beslissing heeft ontvangen, waarin de zorgverantwoordelijke zich uitlaat over de actuele gezondheid en de wilsbekwaamheid van betrokkene.
Vooral het vaststellen van de wilsbekwaamheid weegt zwaar in de bescherming van de belangen van betrokkene. Het gevolg van een onderzoek naar de wilsbekwaamheid kan er immers toe leiden dat niet wordt voldaan aan de in lid 4 onder b van artikel 8:9 Wvggz genoemde omstandigheden, hetgeen tot gevolg kan hebben dat geen toediening van het depot mag plaatsvinden.
Door te oordelen dat geen nieuw besluit nodig is en dat de zorgmachtiging voldoende is, miskent de rechtbank de gefaseerde benadering in de Wet bij het toepassen van gedwongen zorg.
II. Rechts- en Motiveringsklacht : nieuw besluit op grond van artikel 8:9 Wvggz ten onrechte achterwege gelaten: schending van rechten betrokkene op een onderzoek naar de actuele gezondheid en de wilsbekwaamheid.
Dit klachtonderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 4.4 en de daarop voortbouwende rechtsoverweging 4.5 van de bestreden beschikking, waarin de rechtbank ten onrechte oordeelt dat voor voortzetting van de toediening aan verweerster van de depotmedicatie na 15 april 2020, toen deze beslissing voor het eerst op grond van de Wvggz werd genomen, geen nieuw besluit als bedoeld in artikel 8:9 Wvggz noodzakelijk was. Deze overweging bouwt voort op de onjuiste rechtsopvatting in rechtsoverweging 4.4 dat het verlenen van een opvolgende zorgmachtiging, waarin dezelfde vormen van verplichte zorg ( adv. bedoeld wordt : gedwongen zorg) worden toegewezen, ertoe leiden dat de in de voorgaande zorgmachtiging aangezegde beslissingen op grond van artikel 8:9 Wvggz hun rechtskracht behouden. De rechtbank gaat er daarbij aan voorbij dat de vereiste beoordeling van artikel 8:9 Wvggz voorziet in een in tijd en vorm op maat toegesneden passende vorm van zorg en op de beoordeling van de wilsbekwaamheid van betrokkene.
Hoewel in cassatie niet aan de orde, overweegt5. de klachtencommissie in de tweede beslissing ten aanzien van de schadevergoeding dat betrokkene na 11 augustus 2020 en tot 13 december 2022 niet (meer) schriftelijk — conform het bepaalde in artikel 8:9 Wvggz over de beslissing tot toepassing van verplichte zorg- is geïnformeerd over de beslissing van haar behandelaar om haar verplichte zorg in de vorm van (depot)medicatie toe te dienen. De commissie voegt daar nog aan toe dat betrokkene in ieder geval omstreeks 18 november 2020 en ook omstreeks 2 november 2021, te weten op het moment dat een (nieuwe) zorgmachtiging is afgegeven, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk geïnformeerd had moeten worden.
Deze overweging van de klachtencommissie is in overeenstemming met de rechtspraak, waaruit volgt dat het besluit van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van een vorm van gedwongen zorg maximaal kan voortduren voor zolang als de zorgmachtiging duurt6., alsmede ( 4.2) dat gedurende de zorgmachtiging dat besluit is omgeven met waarborgen en waartegen een rechtsmiddel kan worden ingesteld, zoals in casu door betrokkene ook is gedaan, zij het in een later stadium dan waartoe zij de gelegenheid gehad zou hebben bij een eerdere en tijdig aan haar uitgereikte schriftelijke aanzegging van gedwongen zorg, zoals artikel 8:9 lid 1 voorschrijft.
Uw raad oordeelde :
‘3.1.2
De verschillende vormen van verplichte zorg kunnen in een zorgmachtiging worden gecombineerd (vgl. art. 6:4 leden 1 en 2 in verbinding met art. 5:17 lid 2 Wvggz). Hiermee heeft de wetgever beoogd dat passende zorg wordt geboden, in die zin dat het mogelijk wordt om binnen het bereik van een zorgmachtiging te kiezen voor de minst beperkende en voor de betrokkene minst bezwarende vorm van verplichte zorg.3 De zorgverantwoordelijke beslist welke vorm van zorg gedurende de geldigheidsduur van de machtiging wordt verleend (art. 8:7–8:9 Wvggz).’
En in dezelfde uitspraak van uw Raad:
‘4.2
De zorgverantwoordelijke kan ter uitvoering van een zorgmachtiging niet beslissen tot het verlenen van verplichte zorg dan nadat hij zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van de betrokkene, met de betrokkene overleg heeft gevoerd over de voorgenomen beslissing en, voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur (art. 8:9 lid 1 Wvggz). Tegen een beslissing van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg staat een rechtsmiddel open (art. 10:3, aanhef en onder f, Wvggz en art. 10:7 lid 1 Wvggz). Uit het voorgaande volgt dat de ruimte van de zorgverantwoordelijke om binnen de kaders van de zorgmachtigingen tijdens de geldigheidsduur daarvan te beslissen welke vorm van verplichte zorg daadwerkelijk aan de betrokkene wordt verleend, is omkleed met diverse waarborgen.’
III. Motiveringsklacht : De rechtbank is verder van oordeel… : onbegrijpelijk oordeel.
Dit klachtonderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 4.6, waarmee de rechtbank kennelijk beoogt een concluderende inhoudelijke beoordeling te geven over de doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit van de depotmedicatie.
De rechtbank gaat hiermee geheel voorbij aan de kern van de beoordeling van de beslissing van de klachtencommissie, waartegen Arkin beroep heeft ingesteld.
In de beslissing van de klachtencommissie van 12 december 2022 wordt bij de weergave van het standpunt van betrokkene beschreven dat zij ( en ook de broer van betrokkene toont zich daarover bezorgd) veel bijwerkingen ervaart (blz. 3) en dat zij eigenlijk over wil gaan op een andere vorm van medicatie ( pillen). Op blz. 4 in het midden wordt vermeld dat de behandelaren recentelijk met betrokkene en haar broer hebben gesproken over de mogelijkheid om de depotmedicatie één keer per zes maanden toe te dienen, maar dat dat niet beschikbaar was in de dosering, die betrokkene thans toegediend krijgt.
Ter beoordeling van de rechtbank lag dus voor dat de toelichting, die mevrouw geeft op haar bezwaren ( bijwerkingen en andere vorm van medicatie) en waarnaar door de klachtencommissie wordt verwezen, onderwerp had behoren te zijn in het overleg, zoals artikel 8:9 Wvggz dat voorschrijft. Aan de hand daarvan had de zorgverantwoordelijke een schriftelijk gemotiveerd besluit over de toe te dienen zorg moeten uitreiken aan betrokkene. Van voormelde beoordeling door de zorgverantwoordelijke had bovendien deel moeten uitmaken of zij tot een redelijke waardering van haar belangen in staat was ter zake de medicatie.
Het herhaaldelijk achterwege blijven van een gemotiveerde beoordeling op grond van artikel 8:9 Wvggz, gedurende de verschillende zorgmachtigingen, vormt de kern van de beslissing van de klachtencommissie, waarover de klachtencommissie aan het slot van de tweede beslissing ( schadevergoeding) opmerkt dat zij van mening is dat in casu sprake is geweest van een onzorgvuldige gang van zaken, waarvan de instelling wordt verzocht nota te nemen om herhaling te voorkomen. In dat licht is de motivering van de rechtbank in 4.6 onjuist en tevens onbegrijpelijk. Bij die slotopmerking van de klachtencommissie sluit betrokkene zich aan en verzoekt uw Raad dientengevolge als volgt :
Weshalve betrokkene uw Raad verzoekt op grond van voormelde klachten, apart zowel als in samenhang gelezen, de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2023, gewezen onder zaak- /rekestnummer C/13/728143 FA RK 23-300, houdende de gegrondverklaring van het beroep van de Stichting Arkin tegen de beslissing van de Klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken d.d. 12 december 2022 te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank met inachtneming van de beslissing van uw Raad.
Den Haag, 29 juni 2023,
E.F.A. Linssen — van Rossum, advocaat bij de Hoge Raad.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑06‑2023
Voorzover de bestreden beslissing van de rechtbank ziet op de afwijzing van de schadevergoeding staat daartegen geen beroep in cassatie open, maar appel bij het hof. Gezien de verwevenheid van de beslissingen zal, indien nodig, apart worden vermeld wat relevant is voor dit beroep in cassatie.
Zie het Commentaar van mr. Dr. R.B.M.Keurentjes op het artikel in SDU Commentaar Gedwongen Zorg, september 2020, blz. 324 bovenaan.
Zie blz. 5 in het midden van de tweede beslissing van de klachtencommissie over de schadevergoeding.
Zie : ECLI:NL:HR:2020:1508