Ik teken daarbij aan dat tegen dat oordeel geen rechtsmiddel is aangewend door het OM, zodat de juistheid van dit eerdere rechterlijk oordeel in beginsel niet meer ter discussie gesteld kan worden.
HR, 16-05-2017, nr. 15/04885 B
ECLI:NL:HR:2017:880
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2017
- Zaaknummer
15/04885 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:880, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 16‑05‑2017; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:333, Gevolgd
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBNHO:2015:3171, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2017:333, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑02‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:880, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑09‑2016
- Wetingang
art. 94a Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2017-0233
NbSr 2017/223
Uitspraak 16‑05‑2017
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Herhaald conservatoir beslag op motor, sloep en personenauto. Opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld ex art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp ex art. 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, vindt in het algemeen geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ3564). Oordeel Rb dat OvJ aan zijn bevoegdheid om ten tweede male conservatoir beslag te leggen een onrechtmatige toepassing heeft gegeven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Rb aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat t.t.v. het tweede beslag geen sprake was van feiten of omstandigheden die nog niet bekend waren of redelijkerwijze nog niet bekend konden zijn toen Rb oordeelde dat het eerdere beslag moest worden opgeheven wegens disproportionaliteit. Dat niet van zodanige feiten of omstandigheden sprake was, is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet verder kan worden getoetst. Samenhang met nr. 15/04886 B.
Partij(en)
16 mei 2017
Strafkamer
nr. S 15/04885 B
IV
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 17 april 2015, nummer RK 15/001441, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel komt op tegen de gegrondverklaring van het beklag tegen het op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag op een motor, een sloep en een personenauto, merk Audi.
2.2.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 17 april 2015 het klaagschrift gegrond verklaard voor zover strekkende tot teruggave aan de klager van de bovengenoemde voorwerpen en het klaagschrift voor het overige ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt in:
"Bij een eerder klaagschrift van klager is ook verzocht om opheffing van een gelegd conservatoir beslag op voormelde zaken. Bij beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard, de beslagen op de twee personenauto's, de motor en de sloep opgeheven en gelast dat deze zaken aan klager dienden te worden teruggegeven.
In die beschikking is geen beslissing genomen over de in beslag genomen Ford bestelauto.
Op 4 maart 2015 heeft de officier van justitie voormelde zaken opnieuw in conservatoir beslag genomen. Daarbij is op de personenauto Mercedes - ook - strafvorderlijk beslag gelegd. De bestelauto Ford was al eerder in strafvorderlijk beslag genomen.
2. Het standpunt van klager en zijn raadsman
De raadsman van klager heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie de eerdere beslissing van 2 maart 2015 van de rechtbank had dienen te respecteren, of daartegen beroep in cassatie had moeten instellen. Door geen van beide te doen is het huidige beslag in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde gelegd en moet daarom worden opgeheven.
(...)
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard.
In het kader van de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel is het voordeel ten tijde van de eerste beslaglegging berekend op transactiebasis. Daarna is tevens een kasopstelling gemaakt. Uit die (voorlopige) kasopstelling vloeit een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen (€ 534.633,95) voort dan uit de berekening op transactiebasis (€ 460.230,55). De gelegde andere conservatoire beslagen dekten niet het via de kasopstelling berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu de kasopstelling als een minimumpositie heeft te gelden, was de conclusie dat justitie kennelijk (nog) niet alle strafbare feiten in beeld heeft; er is echter wel een aanzienlijk onverklaarbaar en - gelet op de context van evidente hennepteelt - vermoedelijk wederrechtelijk verkregen vermogen, dat niet door de reeds gelegde beslagen werd gedekt. Uitgaande van de kasopstelling is met andere woorden geen sprake van disproportioneel beslag, maar zou zelfs aanvullend beslag dienen te worden gelegd.
Gelet hierop is opnieuw conservatoir beslag gelegd op de voorwerpen waarvan het bestaande conservatoire beslag op bevel van de rechtbank diende te worden opgeheven.
(...)
4. Beoordeling
Op 18 december 2013 heeft er in een bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Wervershoof een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Het pand staat geregistreerd op naam van [A] B.V.. Deze B.V. wordt bestuurd door de holdings van klager en zijn broer. De verdenking bestaat dat klager en zijn broer zich hebben schuldig gemaakt aan hennepteelt. In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek zijn onder klager en zijn broer diverse beslagen gelegd.
De conservatoire beslagen
In de hiervoor vermelde beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelet op de toen voorhanden stukken niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager/verdachte een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank kwam echter tevens tot het oordeel dat op grond van de verdenking de bestaande beslagen op de onroerende zaken en tegoeden van klager en zijn broer voldoende verhaal vormden om aan een dergelijke verplichting te voldoen.
Daarom werd het beklag gegrond verklaard en de gelegde conservatoire beslagen op de voer- en vaartuigen opgeheven.
Allereerst dient in de onderhavige raadkamerprocedure te worden beoordeeld of de officier van justitie de bevoegdheid had om ondanks de beslissing van de rechtbank dezelfde zaken opnieuw in beslag te nemen.
De rechtbank is het op dit punt eens met het primaire standpunt van klager en zijn raadsman. Aan de officier van justitie is in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid gegeven om in bepaalde omstandigheden conservatoir beslag te leggen ten laste van een verdachte. In een situatie zoals hier aan de orde levert het gebruikmaken van die bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank echter een misbruik van dat procesrecht op; ten tijde van de tweede beslaglegging was de officier van justitie er immers van op de hoogte dat de rechter het beslag als disproportioneel had beoordeeld. Dat zou mogelijk anders zijn, indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn. Daarvan is echter geen sprake. Het enkele feit dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel hoger uitvalt, indien de zogenaamde kasopstelling wordt gehanteerd dan wanneer dat voordeel wordt berekend op basis van de transactiemethode, levert niet zo'n nieuw feit of nieuwe omstandigheid op (nog daargelaten dat gemotiveerd is betwist dat die kasopstelling tot een hoger bedrag leidt). De kasopstelling is immers niet gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden.
Het klaagschrift zal daarom gegrond worden verklaard, voor zover het de conservatoire beslagen betreft."
2.3.
De opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp op de voet van 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, vindt in het algemeen geen steun in het recht (vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/ 113).
2.4.
Het oordeel van de Rechtbank dat in een situatie zoals hier aan de orde de Officier van Justitie aan zijn bevoegdheid om ten tweede male conservatoir beslag te leggen een onrechtmatige toepassing heeft gegeven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de Rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat ten tijde van het tweede beslag geen sprake was van feiten of omstandigheden die nog niet bekend waren of redelijkerwijze nog niet bekend konden zijn toen de Rechtbank oordeelde dat het eerdere beslag moest worden opgeheven wegens disproportionaliteit. Dat niet van zodanige feiten of omstandigheden sprake was, is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet verder kan worden getoetst.
2.5.
Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2017.
Conclusie 28‑02‑2017
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Herhaald conservatoir beslag op motor, sloep en personenauto. Opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld ex art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp ex art. 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, vindt in het algemeen geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ3564). Oordeel Rb dat OvJ aan zijn bevoegdheid om ten tweede male conservatoir beslag te leggen een onrechtmatige toepassing heeft gegeven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Rb aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat t.t.v. het tweede beslag geen sprake was van feiten of omstandigheden die nog niet bekend waren of redelijkerwijze nog niet bekend konden zijn toen Rb oordeelde dat het eerdere beslag moest worden opgeheven wegens disproportionaliteit. Dat niet van zodanige feiten of omstandigheden sprake was, is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet verder kan worden getoetst. Samenhang met nr. 15/04886 B.
Nr. 15/04885 B Zitting: 28 februari 2017 | Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [klager] |
De rechtbank Noord‑Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij beschikking van 17 april 2015 het klaagschrift van de klager, strekkende onder meer tot opheffing van het conservatoire beslag op enkele voer- en vaartuigen die onder hem in beslag zijn genomen en teruggave van deze voorwerpen aan hem, gegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 15/04886. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie mr. M. Spruijt. De plaatsvervangende officier van justitie mr. H.H.J. Knol heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4.1. Het middel klaagt dat de rechtbank het klaagschrift van de klager op onjuiste gronden, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft gegrond verklaard ten aanzien van de in het middel bedoelde voorwerpen.
4.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:
“De raadsman van klagers heeft in raadkamer het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier overgenomen en ingelast wordt beschouwd en in kopie als bijlage aan dit proces-verbaal is gehecht.
De officier van justitie voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:
Het gaat hier om de principiële vraag of wat ik heb gedaan juridisch door de beugel kan. De raadsman stelt zich op het standpunt dat mijn handelen in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, maar geeft niet aan om welke beginselen het zou gaan. Ik denk dat hij bedoelt dat het gaat om een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Indien na de gegrondverklaring van het beklag nieuwe feiten aan het licht komen die opnieuw tot inbeslagneming leiden, vind ik het wel zo netjes de voorwerpen eerst terug te geven en pas daarna weer in beslag te nemen. Ik heb geen cassatie ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van 2 maart 2015 omdat ik de beslissing van de raadkamer wel begrijpelijk vond. Een belangrijk punt is dat er sprake is van een nieuw gegeven, te weten de kasopstelling. Deze was al in de maak, maar nog niet gereed. Eerst was sprake van een transactieberekening. Ik had van de recherche begrepen dat zij vonden dat het gaat om een hele sterke zaak tegen klagers. Ik heb gezegd laten we eerst maar onderhandelen en zet het onderzoek op een laag pitje. Toen kwam de verrassende beslissing van de raadkamer. De kasopstelling komt op een hoger genoten wederrechtelijk verkregen voordeel uit dan het geval was bij de transactieopstelling. Indien het verweer van de raadsman juist is, dan is het reëel de klaagschriften gegrond te verklaren.
(…)
De raadsman reageert als volgt.
De officier van justitie zegt dat hij de beslissing van 2 maart jl. van de rechtbank wel begrijpelijk vond en stelt dat hij toentertijd nog niet de beschikking had over de berekening volgens de kasopstelling. Maar het proces-verbaal is opgemaakt op 16 maart 2015. In feite zijn het oude gegevens in een nieuw jasje.
4.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Het klaagschrift strekt tot opheffing van de daarop gelegde beslagen, met last tot teruggave aan klager van:
- een bestelauto, merk Ford, type Transit Custom, kenteken [AA-00-BB]
- een personenauto, merk Audi, type A2 Tdi, kenteken [CC-00-DD]
- een personenauto, merk Mercedes Benz, Type 460, kenteken [EE-00-FF]
- een motor, merk Harley Davidson, type Fat Boy, kenteken [GG-00-HH]
- een sloep, merk Interboat.
Op 13 april 2015 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Spruijt.
Bij een eerder klaagschrift van klager is ook verzocht om opheffing van een gelegd conservatoir beslag op voormelde zaken. Bij beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard, de beslagen op de twee personenauto’s, de motor en de sloep opgeheven en gelast dat deze zaken aan klager dienden te worden teruggegeven. In die beschikking is geen beslissing genomen over de in beslag genomen Ford bestelauto.
Op 4 maart 2015 heeft de officier van justitie voormelde zaken opnieuw in conservatoir beslag genomen. Daarbij is op de personenauto Mercedes - ook -strafvorderlijk beslag gelegd. De bestelauto Ford was al eerder in strafvorderlijk beslag genomen.
2. Het standpunt van klager en zijn raadsman
De raadsman van klager heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie de eerdere beslissing van 2 maart 2015 van de rechtbank had dienen te respecteren, of daartegen beroep in cassatie had moeten instellen. Door geen van beide te doen is het huidige beslag in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde gelegd en moet daarom worden opgeheven.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het door het openbaar ministerie vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel te hoog wordt geschat, ook als wordt uitgegaan van een kasopstelling. Het uitgangspunt van de thans door het openbaar ministerie gepresenteerde rapport, waarin die kasopstelling wordt onderbouwd, is een “nulsituatie” per 1 januari 2011. Op dat moment zouden er geen contanten zijn. Ter zitting in raadkamer heeft de raadsman een map met gegevens overgelegd, waarmee hij het standpunt onderbouwt dat er wel degelijk sprake was van contante inkomsten bij zijn cliënt in en rond de periode 2010 en 2011.
Er liggen nu diverse andere conservatoire beslagen. Die beslagen zijn voldoende ter dekking van het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslagen die thans op de voer- en vaartuigen liggen zijn niet noodzakelijk en dienen ook daarom te worden opgeheven.
(…)
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard. In het kader van de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel is het voordeel ten tijde van de eerste beslaglegging berekend op transactiebasis. Daarna is tevens een kasopstelling gemaakt. Uit die (voorlopige) kasopstelling vloeit een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen (€ 534.633,95) voort dan uit de berekening op transactiebasis (€ 460.230,55). De gelegde andere conservatoire beslagen dekten niet het via de kasopstelling berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu de kasopstelling als een minimumpositie heeft te gelden, was de conclusie dat justitie kennelijk (nog) niet alle strafbare feiten in beeld heeft; er is echter wel een aanzienlijk onverklaarbaar en - gelet op de context van evidente hennepteelt - vermoedelijk wederrechtelijk verkregen vermogen, dat niet door de reeds gelegde beslagen werd gedekt. Uitgaande van de kasopstelling is met andere woorden geen sprake van disproportioneel beslag, maar zou zelfs aanvullend beslag dienen te worden gelegd.
Gelet hierop is opnieuw conservatoir beslag gelegd op de voorwerpen waarvan het bestaande conservatoire beslag op bevel van de rechtbank diende te worden opgeheven.
(…)
4. Beoordeling
Op 18 december 2013 heeft er in een bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Wervershoof een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Het pand staat geregistreerd op naam van [A] B.V. Deze B.V. wordt bestuurd door de holdings van klager en zijn broer. De verdenking bestaat dat klager en zijn broer zich hebben schuldig gemaakt aan hennepteelt. In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek zijn onder klager en zijn broer diverse beslagen gelegd.
De conservatoire beslagen
In de hiervoor vermelde beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelet op de toen voorhanden stukken niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager/verdachte een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank kwam echter tevens tot het oordeel dat op grond van de verdenking de bestaande beslagen op de onroerende zaken en tegoeden van klager en zijn broer voldoende verhaal vormden om aan een dergelijke verplichting te voldoen.
Daarom werd het beklag gegrond verklaard en de gelegde conservatoire beslagen op de voer en vaartuigen opgeheven.
Allereerst dient in de onderhavige raadkamerprocedure te worden beoordeeld of de officier van justitie de bevoegdheid had om ondanks de beslissing van de rechtbank dezelfde zaken opnieuw in beslag te nemen.
De rechtbank is het op dit punt eens met het primaire standpunt van klager en zijn raadsman. Aan de officier van justitie is in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid gegeven om in bepaalde omstandigheden conservatoir beslag te leggen ten laste van een verdachte. In een situatie zoals hier aan de orde levert het gebruikmaken van die bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank echter een misbruik van dat procesrecht op; ten tijde van de tweede beslaglegging was de officier van justitie er immers van op de hoogte dat de rechter het beslag als disproportioneel had beoordeeld. Dat zou mogelijk anders zijn, indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn. Daarvan is echter geen sprake. Het enkele feit dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel hoger uitvalt, indien de zogenaamde kasopstelling wordt gehanteerd dan wanneer dat voordeel wordt berekend op basis van de transactiemethode, levert niet zo’n nieuw feit of nieuwe omstandigheid op (nog daargelaten dat gemotiveerd is betwist dat die kasopstelling tot een hoger bedrag leidt). De kasopstelling is immers niet gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden.
Het klaagschrift zal daarom gegrond worden verklaard, voor zover het de conservatoire beslagen betreft.
(…)”
4.4. Het middel keert zich niet ‘tout court’ tegen de opvatting van de rechtbank dat bij herhaalde inbeslagneming van voorwerpen beginselen van een behoorlijke procesorde – doorgaans in dit verband meer specifiek het beginsel ‘nemo debet bis vexari’ - zich daartegen kunnen verzetten. Het middel bevat wel de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het opnieuw conservatoir in beslag nemen van de vaar- en voertuigen waarvan de rechter bij eerdere beschikking de teruggave heeft gelast, in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, indien ten tijde van het tweede beslag geen sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of konden zijn.
Daarbij doet het middel een beroep op de beschikking HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de algemene opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeelde inbeslagneming niet door een tweede inbeslagneming op dezelfde voorwerpen kan worden gevolgd, geen steun vindt in het recht.
Uit de overwegingen van de Hoge Raad in die beschikking leidt de steller van het middel af dat “ook zonder een (…) novum een herhaalde toepassing van de bevoegdheid tot inbeslagneming rechtmatig kan zijn” en “voor de Hoge Raad het enkele feit dat na de eerste inbeslagneming op procedureel vlak maatregelen zijn genomen om het initiële verzuim (…) te herstellen, doorslaggevend [is] voor het oordeel dat de tweede inbeslagneming niet onrechtmatig is”.
4.5. Dat niet enkel nieuwe feiten en omstandigheden toelaten dat een inbeslaggenomen voorwerp waarop het beslag is opgeheven nadien, op dezelfde grondslag, opnieuw in beslag wordt genomen, is een stelling waarin de steller van het middel gelijk heeft. Ik geef graag toe dat uit de aangehaalde beschikking volgt dat procedurele c.q. formele gebreken die aan de beslaglegging kleven en de inbeslagneming van een voorwerp – zoals in die zaak het geval was – om die reden onrechtmatig maken, niet eraan in de weg staan dat opnieuw, doch met herstel van de aanvankelijke gebreken, beslag wordt gelegd op datzelfde voorwerp. In deze rij past mijns inziens bijvoorbeeld ook een met een gebrekkige machtiging (art. 103 Sv) conservatoir in beslag genomen voorwerp, dat na een opnieuw uitgevaardigde machtiging die wel aan de daaraan te stellen eisen voldoet, opnieuw wordt beslagen.
Het zijn echter niet procedurele gebreken die de rechtbank het beklag van de klager over de eerste conservatoire beslagen op de hier aan de orde zijnde voer en vaartuigen gegrond hebben doen verklaren, maar de disproportionaliteit van die beslagen.1.Een geval vergelijkbaar met NJ 2008/113 doet zich hier mijns inziens dus niet voor.
4.6. Het lijkt mij dat de rechtbank daarom juist heeft geoordeeld dat in een geval als het onderhavige, waarin een rechter heeft beslist dat (de voorzetting van) het conservatoire beslag op de voorwerpen gelet op de op dat moment bekende feiten en omstandigheden disproportioneel is, uit beginselen van een goede procesorde voortvloeit dat zich wel nieuwe feiten en omstandigheden moeten voordoen om te kunnen rechtvaardigen dat die voorwerpen opnieuw conservatoir in beslag worden genomen.
4.7. De vraag is wat onder nieuwe feiten en omstandigheden moet worden verstaan. Corstens/Borgers, ook aangehaald in het middel, formuleert het criterium aldus:
“Algemeen geformuleerd luidt het criterium: de nieuwe factor was ten tijde van de eerste toepassing van het dwangmiddel bij de strafvorderlijke autoriteiten niet bekend en deze hadden daarvan redelijkerwijze ook niet op de hoogte kunnen zijn.”2.
De rechtbank lijkt me op datzelfde spoor te zitten, zij het dat het woordje ‘redelijkerwijze’ bij het (niet) bekend konden zijn van de omstandigheden niet expliciet door de rechtbank wordt vermeld. Naar mijn mening valt die uitbreidende begripsbepaling er echter wel in te lezen; het zal volgens de rechtbank immers niet gaan om de kennistheoretisch vraag wat als bekend valt aan te merken maar om de bekendheid in meer juridische zin, dus om wat redelijkerwijze als ‘nieuw’ kan worden aangemerkt. Hoe dan ook is die benadering een andere dan die bij de vraag of een ‘hernieuwd beklag’ ontvankelijk wordt geoordeeld; daarvoor is, zoals de Hoge Raad onlangs uitmaakte, niet per se vereist dat de feiten of omstandigheden waarop een beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich eerst na de behandeling van een eerder gegrond verklaard klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden.3.In het algemeen geldt dat een hernieuwd beklag ontvankelijk is indien een beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag. Een dergelijke – niet al te strenge – benadering is wel goed te verklaren vanuit het perspectief van de klagende burger die zijn inbeslaggenomen voorwerp terugwenst, maar valt in mijn ogen niet goed te rijmen met de zorgvuldigheid die het openbaar ministerie dient te betrachten bij de (herhaalde) toepassing van dwangmiddelen. Indien ten tijde van de eerdere behandeling van een klaagschrift feiten en omstandigheden bekend waren die (de voortzetting van) het beslag op een voorwerp zouden rechtvaardigen, maar deze destijds niet door het openbaar ministerie zijn aangevoerd teneinde het gelegde beslag te handhaven, dan lijkt het mij onbehoorlijk dat het openbaar ministerie met een beroep op die reeds langer bekend zijnde feiten en omstandigheden opnieuw beslag legt op dat voorwerp, nadat de rechter de teruggave daarvan heeft gelast.
4.8. Ik meen gelet op het voorgaande dat de rechtbank met haar oordeel dat het opnieuw conservatoir in beslag nemen van de onderhavige voer- en vaartuigen eerst gerechtvaardigd zou zijn indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of (redelijkerwijze) bekend konden zijn geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.9. De vraag die vervolgens rijst is of de rechtbank begrijpelijk heeft geoordeeld dat – kort gezegd – de uitkomst van de gemaakte kasopstelling niet als een zodanig ‘novum’ kan worden aangemerkt, omdat - zo begrijp ik - de opnieuw geschatte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel enkel berust op een andere rekenmethode en niet is gebaseerd op nieuwe gegevens. De enkele, door de officier van justitie in raadkamer aangevoerde omstandigheid dat met de kasopstelling op een hogere schatting van het verkregen voordeel wordt uitgekomen, heeft de rechtbank klaarblijkelijk niet toereikend geacht. Haar oordeel dat is verweven met feitelijke afwegingen die in cassatie niet verder getoetst kunnen worden acht ik ook niet onbegrijpelijk.
4.10. Het middel faalt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑02‑2017
Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 419.
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:580, NJ 2016/202.
Beroepschrift 22‑09‑2016
CASSATIESCHRIFTUUR
Registratienummer: 15/001441
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 17 april 2015, waarbij de Rechtbank het klaagschrift van:
[rekwirant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965
tegen de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen gegrond heeft verklaard.1.
Rekwirant kan zich in zoverre met deze beschikking en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom voor het volgende middel van cassatie:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 RO, meer in het bijzonder schending van artikel 24, 94a en 552a Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van de vraag of de herhaalde toepassing van het dwangmiddel inbeslagneming heeft plaatsgevonden in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en in zoverre blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien aangenomen zou moeten worden dat de Rechtbank wel de juiste maatstaf heeft toegepast, verdiende het nadere motivering, die ontbreekt, waarom de na de eerdere inbeslagneming uitgevoerde nieuwe berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aangemerkt zou kunnen worden als nieuwe feiten en omstandigheden zoals door de Rechtbank bedoeld. In zoverre is dan ook sprake van een motiveringsgebrek.
Toelichting
1.
In het kader van een Strafrechtelijk Financieel Onderzoek (SFO) tegen klager was conservatoir beslag gelegd op onder andere enkele voertuigen en een sloep van klager. Bij beschikking van 2 maart 2015 heeft de raadkamer van de Rechtbank Noord-Holland het tegen het conservatoir beslag gerichte klaagschrift gegrond verklaard, omdat de Rechtbank van oordeel was dat er — kort gezegd — sprake was van overbeslag.
Vervolgens is op 5 maart 2015 op dezelfde zaken opnieuw conservatoir beslag gelegd. De officier van justitie heeft daaraan ten grondslag gelegd dat na de eerste beslaglegging een (voorlopige) kasopstelling is gemaakt waaruit een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen (€ 534.633,95) voortvloeide dan uit de eerdere berekening op transactiebasis (€ 460.230,55). Uitgaande van de kasopstelling zou een hernieuwde inbeslagneming daarom niet (meer) leiden tot overbeslag.
2.1
In de bestreden beschikking heeft de Rechtbank het beklag tegen deze tweede conservatoire inbeslagneming gegrond verklaard en daartoe overwogen:
‘Op 18 december 2013 heeft er in een bedrijfspand aan de [a-straat 01] te [a-plaats] een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Het pand staat geregistreerd op naam van [A] B.V.. Deze B.V. wordt bestuurd door de holdings van klager en zijn broer. De verdenking bestaat dat klager en zijn broer zich hebben schuldig gemaakt aan hennepteelt. In het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek zijn onder klager en zijn broer diverse beslagen gelegd.
De conservatoire beslagen
In de hiervoor vermelde beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelet op de toen voorhanden stukken niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager/verdachte een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank kwam echter tevens tot het oordeel dat op grond van de verdenking de bestaande beslagen op de onroerende zaken en tegoeden van klager en zijn broer voldoende verhaal vormden om aan een dergelijke verplichting te voldoen.
Daarom werd het beklag gegrond verklaard en de gelegde conservatoire beslagen opgeheven.
Allereerst dient in de onderhavige raadkamerprocedure te worden beoordeeld of de officier van justitie de bevoegdheid had om ondanks de beslissing van de rechtbank dezelfde zaken opnieuw in beslag te nemen.
De rechtbank is het op dit punt eens met het primaire standpunt van klager en zijn raadsman.
Aan de officier van justitie is in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid gegeven om in bepaalde omstandigheden conservatoir beslag te leggen ten laste van een verdachte. In een situatie zoals hier aan de orde levert het gebruikmaken van die bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank echter een misbruik van dat procesrecht op; ten tijde van de tweede beslaglegging was de officier van justitie er immers van op de hoogte dat de rechter het beslag als disproportioneel had beoordeeld. Dat zou mogelijk anders zijn, indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn. Daarvan is echter geen sprake. Het enkele feit dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel hoger uitvalt, indien de zogenaamde kasopstelling wordt gehanteerd dan wanneer dat voordeel wordt berekend op basis van de transactiemethode, levert niet zo'n nieuw feit of nieuwe omstandigheid op (nog daargelaten dat gemotiveerd is betwist dat die kasopstelling tot een hoger bedrag leidt). De kasopstelling is immers niet gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden.
Het klaagschrift zal daarom gegrond worden verklaard, voor zover het de conservatoire beslagen betreft.’
2.2
Vooropgesteld moet worden dat niet ter discussie staat dat te dezen sprake is van een verdenking wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en dat de inbeslagneming strekt tot bewaring van het recht tot verhaal van een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in art. 94a lid 2 Sv en dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
2.3
Naar de mening van rekwirant heeft de Rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de officier van justitie bevoegd was om dezelfde zaken opnieuw in beslag te nemen, een onjuiste maatstaf aangelegd. De Rechtbank acht in dit verband beslissend of ‘ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn’. Uit de bestreden beschikking blijkt bovendien dat de Rechtbank deze maatstaf aldus uitlegt dat er sprake moet zijn van een novum in de onderliggende (materiële) feiten. Het oordeel van de Rechtbank laat zich immers niet anders lezen dat dan dat de Rechtbank daarmee tot uitdrukking brengt dat de (voorlopige) kasopstelling slechts dan een novum had kunnen opleveren, indien daaraan nieuwe gegevens ten grondslag waren gelegd die ten tijde van de eerdere berekening op basis van de transactiemethode nog niet uit de stukken in het dossier waren af te leiden. Volgens rekwirant heeft de Rechtbank daarmee een te strenge maatstaf gehanteerd, zoals hierna zal worden toegelicht.
3.1
Tijdens een SFO heeft de officier van justitie in de in art. 94a lid 2 Sv bedoelde gevallen de bevoegdheid om tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen ontnemingsmaatregel ten laste van de verdachte conservatoir beslag te leggen. Het Wetboek van Strafvordering kent geen bepaling op grond waarvan het de officier van justitie niet zou zijn toegestaan om ter zake van hetzelfde feit en ten aanzien van dezelfde zaken bij herhaling gebruik te maken van deze bevoegdheid. Wel is de officier van justitie bij de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden aan de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het verbod van willekeur.2.
3.2
Ten aanzien van de herhaalde toepassing van dwangmiddelen wordt in Corstens/Borgers het volgende opgemerkt:
‘Uitgangspunt bij de toepassing van dwangmiddelen moet zijn dat de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet bij herhaling mag worden onderworpen aan hetzelfde dwangmiddel indien de omstandigheden gelijk blijven. Dit uitgangspunt vloeit voort uit de in het strafprocesrecht aanvaarde gedachte die in het adagium ‘nemo debet bis vexari pro una et eadem causa’ is uitgedrukt: niemand mag tweemaal worden lastiggevallen ter zake van hetzelfde feit. Er valt aan toe te voegen: ‘rebus sic stantibus’, bij gelijkblijvende omstandigheden. (…) Algemeen geformuleerd luidt het criterium: de nieuwe factor was ten tijde van de eerste toepassing van het dwangmiddel bij de strafvorderlijke autoriteiten niet bekend en deze hadden daarvan redelijkerwijze ook niet op de hoogte kunnen zijn. Indien aan deze eis is voldaan, zal in beginsel ter zake van hetzelfde feit ten tweeden male hetzelfde dwangmiddel mogen worden toegepast. Indien de eis niet is vervuld, zal de herhaalde toepassing achterwege moeten blijven. Het betreft hier een uitwerking van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.’3.
Dit strikt geformuleerde uitgangspunt wordt in de daarop volgende passage echter direct genuanceerd c.q. aangevuld:
‘Niet alleen bij het zich voordoen van nieuwe feiten en omstandigheden, maar ook indien het dwangmiddel buiten toedoen van de opsporingsinstantie niet op de normale wijze kon worden toegepast, kan het nogmaals worden aangewend. Denk bijvoorbeeld aan de verdachte die zich heeft losgerukt of de opsporingsambtenaar die gealarmeerd wegens een ernstig ongeval de verdachte heeft moeten laten lopen.’
In de visie van Corstens/Borgers kunnen zich dus ook buiten het domein van de zgn. ‘nova’ omstandigheden voordoen waaronder herhaalde toepassing van hetzelfde dwangmiddel geoorloofd is.
4.1
In de zaak die leidde tot HR 20 februari 2007, NJ 2008, 113 ging het om een herhaalde inbeslagneming van computers onder een (oud-)advocaat. De eerste inbeslagneming was door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's‑Gravenhage onrechtmatig geoordeeld vanwege het feit dat onvoldoende maatregelen waren getroffen om het verschoningsrecht van de advocaat te waarborgen. Vervolgens werden de in beslag genomen computers teruggegeven en terstond in aanwezigheid van de rechter-commissaris en de waarnemend deken van de Orde van Advocaten opnieuw in beslag genomen.
4.2
In de beklagprocedure tegen deze tweede inbeslagneming overwoog de Hoge Raad:
‘5.3
Voor zover het middel berust op de in het klaagschrift verwoorde opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeelde inbeslagneming niet door een tweede inbeslagneming op dezelfde voorwerpen kan worden gevolgd, faalt het. Zodanige algemene regel vindt geen steun in het recht.
5.4
De Voorzieningenrechter heeft de inbeslagneming op 16 juli 2005 onrechtmatig geacht omdat, kort gezegd, onvoldoende maatregelen waren getroffen om het verschoningsrecht van de klager te waarborgen.
Omtrent de op 22 juli 2005 verrichte inbeslagneming heeft de Rechtbank blijkens haar overwegingen — waartegen het beroep in cassatie blijkens het onder 4 overwogene faalt — vastgesteld dat deze plaatsvond op grond van art. 94, eerste lid, Sv en voorwerpen betrof die daarvoor vatbaar zijn, de Rechter-Commissaris en de waarnemend Deken daarbij aanwezig waren, de Rechter-Commissaris de inbeslaggenomen computers onder zich heeft gehouden totdat de Rechtbank een beslissing zou hebben genomen op het klaagschrift strekkende tot teruggave van de computers, onderzoek naar bestanden in de computers niet heeft plaatsgevonden en door deze inbeslagneming en het aan de computers te verrichten onderzoek het verschoningsrecht van de klager niet in het gedrang komt.
Hetgeen de Rechtbank heeft vastgesteld, laat geen andere conclusie toe dan dat de inbeslagneming op 22 juli 2005 op zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat daarbij het door de Voorzieningenrechter aangenomen verzuim de vereiste maatregelen ter waarborging van het verschoningsrecht van de klager te treffen is hersteld. Dat brengt mee dat — wat er zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering — het oordeel van de Rechtbank dat deze herhaalde inbeslagneming niet onrechtmatig is, juist is.
Daarop stuit het middel af.’
4.3
De Hoge Raad stelt voorop dat er geen algemene rechtsregel bestaat op grond waarvan een eenmaal onrechtmatig geoordeelde inbeslagneming niet door een tweede inbeslagneming op dezelfde voorwerpen kan worden gevolgd. Over de vraag aan de hand van welke (algemene) maatstaf dan wel moet worden beoordeeld of een herhaalde inbeslagneming is toegestaan, laat de Hoge Raad zich echter niet uit. In dit concrete geval was de tweede inbeslagneming volgens de Hoge Raad in elk geval niet onrechtmatig, aangezien het aanvankelijke verzuim om de vereiste maatregelen ter waarborging van het verschoningsrecht van de klager te treffen, was hersteld. Deze argumentatie is van belang, omdat de Hoge Raad dus niet uitgaat van een novum in de onderliggende (materiële) feiten. De Rechtbank had als een dergelijk novum aangemerkt dat de advocaat ten tijde van de eerste inbeslagneming nog getuige was, maar ten tijde van de tweede inbeslagneming inmiddels verdachte was geworden. De Hoge Raad laat de juistheid van dit oordeel echter uitdrukkelijk in het midden (getuige de tussenzin: ‘wat er zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering’). Voor de Hoge Raad is het enkele feit dat na de eerste inbeslagneming op procedureel vlak maatregelen zijn genomen om het initiële verzuim ten aanzien van de waarborging van het verschoningsrecht te herstellen, doorslaggevend voor het oordeel dat de tweede inbeslagneming niet onrechtmatig is. Dit impliceert dat het oordeel van de Rechtbank dat hernieuwde inbeslagneming slechts geen misbruik van procesrecht oplevert indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn, niet als juist kan worden aanvaard.
4.4
In de thans bestreden beschikking heeft de Rechtbank overwogen dat de (voorlopige) kasopstelling niet is gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden. Met andere woorden: volgens de Rechtbank heeft zich in de onderliggende (materiële) feiten geen novum voorgedaan. Uit de hiervoor genoemde beschikking van de Hoge Raad van 20 februari 2007 volgt echter dat zulks ook niet zonder meer vereist is. Ook zonder een dergelijk novum kan een herhaalde toepassing van de bevoegdheid tot inbeslagneming rechtmatig zijn. Weliswaar ging het in laatstgenoemde zaak om een (klassiek) strafvorderlijk beslag op grond van art. 94 Sv en in de onderhavige zaak om een conservatoir beslag op de voet van art. 94a Sv, maar naar de mening van rekwirant doet dit niet af aan de relevantie van die beschikking voor dit cassatieberoep.
5.
In zijn noot onder HR 2 december 2003, NJ 2004, 112 stelt Reijntjes dat het Nederlandse recht het beginsel ‘nemo debet bis vexari’ uitsluitend kent in de vorm van een ‘op niemand mag zonder reden tweemaal hetzelfde dwangmiddel worden toegepast. Naar de mening van rekwirant is dit inderdaad de juiste maatstaf aan de hand waarvan beoordeeld zou moeten worden of de herhaalde toepassing van een dwangmiddel, i.c. van de bevoegdheid tot inbeslagneming, is toegestaan.4. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de officier van justitie zonder reden opnieuw tot inbeslagneming is overgegaan. Uit de na de eerste inbeslagneming beschikbaar gekomen (voorlopige) kasopstelling bleek immers dat er sprake was van een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen aan de zijde van klager dan in eerste instantie was aangenomen op basis van de berekening op transactiebasis. Daarbij geldt dat het strafrechtelijk financieel onderzoek nog niet was gesloten en het onderzoek naar de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel nog volop gaande was. Niet valt in te zien waarom het gedurende dat onderzoek niet mogelijk zou zijn om hernieuwd conservatoir beslag te leggen indien de bevindingen van dat onderzoek daartoe aanleiding zouden geven. Gelet op deze omstandigheid kon en mocht de officier van justitie naar de mening van rekwirant besluiten om de eerder in beslag genomen zaken opnieuw in beslag te nemen.
6.1
Indien aangenomen zou moeten worden dat de Rechtbank wel de juiste maatstaf heeft toegepast, verdient het naar de mening van rekwirant nadere motivering, die ontbreekt, waarom de na de eerdere inbeslagneming uitgevoerde nieuwe berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aangemerkt zou kunnen worden als nieuwe feiten en omstandigheden zoals door de Rechtbank bedoeld.
6.2
Uitgangspunt is dat van strafvorderlijke bevoegdheden gebruik mag worden gemaakt door degene aan wie een dergelijke bevoegdheid is toegekend indien en voor zover wordt voldaan aan de eisen die aan het gebruik maken van een dergelijke bevoegdheid worden gesteld. Dit is slechts anders in het geval door of bij het gebruik maken van die bevoegdheid wordt gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Dit geldt niet slechts voor de bevoegdheid van het openbaar ministerie om te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden, maar naar de mening van rekwirant ook voor een bevoegdheid als de onderhavige. Slechts indien sprake is van aperte onevenredigheid van de beslissing om gebruik te maken van de bevoegdheid tot inbeslagneming kan sprake zijn van strijd met het verbod van willekeur, ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Daarbij geldt dat aan een dergelijk oordeel zware motiveringseisen moeten worden gesteld (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, Checkpoint I). Mede gelet op deze zware motiveringseisen is het (impliciete) oordeel van de Rechtbank dat reeds sprake is van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde omdat geen sprake was van feiten en omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn, naar de mening van rekwirant ontoereikend gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk. In dat kader is van belang dat de officier van justitie heeft aangevoerd dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten tijde van de eerste beslaglegging van € 460.230,55 was berekend op transactiebasis en dat uit een (voorlopige) kasopstelling een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen voortvloeit van € 534.633,95. Het gaat hier om voortschrijdend inzicht gedurende het nog lopende strafrechtelijk financieel onderzoek. Door het openbaar ministerie te houden aan de aanvankelijke berekening heeft de Rechtbank tevens het voorlopige en summiere karakter van de onderhavige procedure miskend. Voor een verdergaande toets is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure — zoals ook in de onderhavige zaak — veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.2). Dit geldt te meer in de onderhavige zaak waarin, naar de Rechtbank heeft vastgesteld, een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, in welk kader de beslaglegging heeft plaatsgevonden, welk onderzoek is gericht op de bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 126 lid 2 Sv). Het nog voortdurende strafrechtelijk financieel had juist tot doel de aanvankelijke berekening nader te onderzoeken en, zo nodig, bij te stellen. Dat de kasopstelling is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden, maakt dit naar de mening van rekwirant niet anders. Uit HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113, volgt immers, zoals gezegd, dat hernieuwde inbeslagneming zelfs niet onrechtmatig is indien een eerdere inbeslagneming onrechtmatig is verklaard — in dat geval door de civiele voorzieningenrechter — op de grond dat de vereiste procedure ter waarborging van het verschoningsrecht van klager niet is gevolgd en nadien dat verzuim alsnog is hersteld, zonder dat enig nader onderzoek dan wel enige nadere handeling met betrekking tot het inbeslaggenomene heeft plaatsgevonden.
7.
Gelet op het voorgaande heeft de Rechtbank naar de mening van rekwirant dan ook een onjuiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van de vraag of de herhaalde toepassing van het dwangmiddel inbeslagneming heeft plaatsgevonden in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel van de Rechtbank dat daarvan in de onderhavige zaak sprake was niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
8.
Los van het belang in de onderhavige zaak, is het cassatieberoep tevens van belang om duidelijkheid te krijgen omtrent het criterium op grond waarvan dient te worden beoordeeld of herhaalde toepassing van het dwangmiddel van inbeslagneming in strijd is met de wet dan wel met beginselen van een behoorlijke procesorde. Voor zover rekwirant bekend heeft de Hoge Raad zich daar nog niet eerder expliciet over uitgelaten in een met de onderhavige zaak overeenkomende casus.
Indien het cassatiemiddel doel treft zal de beschikking van de Rechtbank Noord-Holland van 17 april 2015 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 22 september 2016
mr H.H.J. Knol
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑09‑2016
Deze zaak hangt samen met de zaak [naam 1], zaaknummer 15/04886 B, waarin heden eveneens een schriftuur wordt ingediend.
Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2014, p. 36–39 en 50–62.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Deventer: Kluwer 2014, p. 419.
Vgl. de Conclusie van A-G Vellinga voor HR 20 februari 2007, NJ 2008/113, punt 4–11.