NJB 2025/1122:Recht op horen van getuige Post-Keskin (de aangever) in diefstalzaak, art. 6 EVRM: herhaling en toepassing vaste beoordelingskader. Een van de beoordelingsfactoren daarin is het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit. In casu heeft het hof overwogen dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangever niet hebben te gelden als “sole or decisive”, maar als verklaringen van “significant weight”, en dat de omstandigheid dat de verdediging de aangever niet heeft kunnen ondervragen en dat haar daarvoor geen compensatie is geboden, daarom niet in de weg staat aan het gebruik van de verklaringen van de aangever voor het bewijs. Voor de vraag of compensatie moet worden geboden, is echter niet van doorslaggevend belang of de verklaring van de getuige als “sole or decisive” geldt, dan wel van “significant weight” is. Bepalend is het gewicht van de verklaring in de bewijsconstructie, waarbij geldt dat naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang is dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. In zoverre getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting. Dit leidt echter niet tot cassatie omdat sprake was van een “good reason for the absence of the witness”, de verklaringen op belangrijke onderdelen steun vinden in ander bewijsmateriaal en “the proceedings as a whole were fair”.