Dit is een fictieve naam die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 19-03-2026, nr. C-7/25, nr. C-8/25
ECLI:EU:C:2026:228
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19-03-2026
- Zaaknummer
C-7/25
C-8/25
- Conclusie
T. Ćapeta
- Roepnaam
Ramodi
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2026:228, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑03‑2026
Conclusie 19‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Asielbeleid — Richtlijn 2011/95/EU — Beoordeling van de relevante elementen van een verzoek om internationale bescherming — Verplichting om de elementen van een verzoek te staven met authentieke documenten of ander objectief controleerbaar bewijsmateriaal — Procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming — Richtlijn 2013/32/EU — artikel 46, lid 3 — Volledig en ex-nunconderzoek van de feitelijke en juridische gronden, met inbegrip van het onderzoeken van de behoefte aan internationale bescherming — Beginsel van non-refoulement — Elementen van de zaak die ter kennis zijn gebracht van de rechter in eerste aanleg waarbij het beroep aanhangig is
T. Ćapeta
Partij(en)
Gevoegde zaken C-7/25 [Ramodi] en C-8/25 [Karkik] i.1.
K (C-7/25)
P (C-8/25)
tegen
Minister van Asiel en Migratie
[verzoeken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond (Nederland), de verwijzende rechter, heeft het Hof twee prejudiciële vragen gesteld.
2.
Beide vragen doen zich voor in het kader van twee verschillende procedures. In die procedures verzoeken asielzoekers om rechterlijke toetsing van de beslissingen van het bevoegde bestuursorgaan waarbij hun verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen.
3.
Met zijn tweede vraag — het Hof heeft mij gevraagd mijn aandacht in deze conclusie op die vraag te richten — wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij in het kader van dergelijke procedures waarin om rechterlijke toetsing wordt verzocht, op grond van het Unierecht verplicht is om in voorkomend geval en ambtshalve op basis van de gegevens van de zaak die hem ter kennis zijn gebracht en zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, zowel de feiten als het recht volledig en ex nunc te onderzoeken, zelfs wanneer in het nationale recht zijn onderzoek wordt beperkt tot de feiten en rechtsgronden die uitdrukkelijk zijn vermeld in de handeling die aan de rechterlijke toetsing ten grondslag ligt.
4.
De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van artikel 46 van de asielprocedurerichtlijn2., gelezen in samenhang met de artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
II. Feiten in het hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
5.
De verwijzende rechter heeft het Hof twee afzonderlijke verzoeken om een prejudiciële beslissing voorgelegd. Hoewel elk verzoek voortkomt uit verschillende feitelijke situaties, werpen beide dezelfde prejudiciële vragen op. Daarom belicht ik eerst de feiten van elke zaak voordat ik de daarin opgeworpen rechtsvragen bespreek.
Zaak C- 7/25
6.
K, verzoekster in het hoofdgeding, is Iraaks staatsburger en stelt dat een machtig en bekend lid van een gewapende groepering in haar woonplaats zowel haar als haar echtgenoot heeft mishandeld nadat zij en haar dochter zijn verzoeken om de hand van die dochter herhaaldelijk hadden afgewezen. Verzoekster heeft dat voorval gemeld bij de rechter in haar land van herkomst, maar volgens verzoekster heeft de rechter naar aanleiding daarvan geen enkele actie ondernomen. Zij en haar echtgenoot hebben Irak in 2022 verlaten, terwijl hun dochter in dat land is ondergedoken.
7.
Op 1 februari 2022 heeft zowel verzoekster als haar echtgenoot in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend, maar na het overlijden van haar echtgenoot is de procedure namens hem beëindigd. In haar verzoek om internationale bescherming heeft verzoekster de redenen voor haar vlucht onderbouwd met verklaringen en een origineel paspoort, een kopie van de bij de Iraakse rechtbank ingediende klacht en een kopie van een recent medisch rapport overgelegd. Verzoekster heeft ook aangevoerd dat zij, omdat zij thans weduwe is, met betrekking tot haar terugkeer naar Irak als alleenstaande vrouw moet worden aangemerkt, en zij daarom valt onder het beleid inzake speciale bescherming voor alleenstaande vrouwen van de minister van Asiel en Migratie, die de verweerder is in het hoofdgeding (hierna: ‘verweerder’).3.
8.
Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming van verzoekster als ongegrond afgewezen omdat haar verklaringen over de problemen met de man die in Irak haar dochter ten huwelijk had gevraagd niet geloofwaardig waren. Verweerder heeft in dat verband ten eerste gesteld dat verzoekster haar verklaringen niet had onderbouwd met objectieve bewijsstukken die haar behoefte aan asiel volledig rechtvaardigden, en ten tweede dat zij niet had voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, lid 6, onder c), en d), van de Vreemdelingenwet 2000, die overeenstemt met artikel 4, lid 5, onder c), en d), van de erkenningsrichtlijn4..
9.
Verweerder heeft betoogd dat, hoewel de identiteit, de nationaliteit en de herkomst van verzoekster alle geloofwaardig waren, deze gronden op zich niet voldoende waren om verzoekster internationale bescherming te verlenen.
10.
Bij beslissing van 15 juli 2024 heeft verweerder het verzoek van verzoekster om internationale bescherming als ongegrond afgewezen. Die beslissing bevatte een terugkeerbesluit waarbij Irak als land van bestemming is aangewezen en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek uit Nederland.
11.
Op 19 juli 2024 heeft verzoekster bij de verwijzende rechter tegen die beslissing beroep ingesteld, waarin zij onder meer heeft aangevoerd dat de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van haar asielmotieven heeft beoordeeld, in strijd was met artikel 4, lid 5, van de erkenningsrichtlijn.
12.
Op 18 december 2024 heeft de verwijzende rechter een terechtzitting in hoger beroep gehouden, tegelijk met de terechtzitting in hoger beroep in de procedure die heeft geleid tot de prejudiciële vragen in zaak C-8/25, en heeft hij verzoekster op 7 januari 2025 meegedeeld dat hij het nodig achtte het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.
Zaak C- 8/25
13.
P, verzoeker in het hoofdgeding, is Iraaks staatsburger die zou zijn betrapt op het onderhouden van intieme betrekkingen met een andere man. Omdat hij bij de Iraakse autoriteiten is aangegeven, vreest verzoeker dat hij wegens zijn seksuele geaardheid een gevangenisstraf moet uitzitten. Dat is de basis waarop verzoeker zijn op 6 juli 2023 ingediende verzoek om internationale bescherming in Nederland motiveert.
14.
Hoewel verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van verzoeker geloofwaardig achtte, ondanks dat verzoeker geen documenten ter staving van zijn persoonsgegevens had verstrekt, beschouwde hij die informatie niet als voldoende grond voor de verlening van internationale bescherming aan verzoeker.
15.
Bij beslissing van 5 juli 2024 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om internationale bescherming als ongegrond afgewezen omdat hij geen bewijsstukken kon overleggen waaruit blijkt dat hij wegens zijn seksuele geaardheid door de Iraakse autoriteiten was aangehouden. Verweerder heeft in dat verband betoogd dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 31, lid 6, onder c), van de Vreemdelingenwet 2000, dat overeenkomt met artikel 4, lid 5, onder c), van de erkenningsrichtlijn. De beslissing om het verzoek van P af te wijzen bevatte een terugkeerbesluit waarbij Irak als land van bestemming is aangewezen en een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek uit Nederland.
16.
In zijn daaropvolgende beroep van 10 juli 2024 bij de verwijzende rechter heeft verzoeker onder meer aangevoerd dat de wijze waarop de geloofwaardigheid van zijn asielmotieven is beoordeeld, onverenigbaar is met artikel 4, lid 5, van de erkenningsrichtlijn.
17.
De verwijzende rechter heeft op 18 december 2024 een terechtzitting in hoger beroep gehouden, tegelijk met de terechtzitting in hoger beroep in de procedure die heeft geleid tot de prejudiciële vragen in zaak C-7/25, en hij heeft verzoeker op 7 januari 2025 meegedeeld dat hij het nodig achtte het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.
18.
Ik begrijp dat de verwijzende rechter tijdens de gezamenlijke terechtzitting aanvullende elementen ter kennis zijn gekomen die in geen van beide beroepszaken zijn aangevoerd maar die hij als relevant beschouwt om in de verzoeken om internationale bescherming tot een oordeel te komen.
Gemeenschappelijke kwesties voor de verwijzende rechter
19.
Voor de verwijzende rechter zijn twee voor beide zaken gemeenschappelijke juridische kwesties aan de orde gekomen.
20.
De eerste kwestie betreft de wijze waarop verweerder de behoefte aan internationale bescherming van K en P (hierna samen: ‘verzoekers’) heeft onderzocht en beoordeeld en of die beoordeling in overeenstemming is met het Unierecht en de rechtspraak van het Hof.
21.
In dat verband is de verwijzende rechter van oordeel dat het betrokken nationale recht, en wel artikel 31, lid 6, van de Vreemdelingenwet 2000, niet overeenkomt met precies die bepaling die dat artikel poogt om te zetten, namelijk artikel 4, lid 5, van de erkenningsrichtlijn. Dat wordt nog erger gemaakt door nieuw beleid voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming, dat, zoals de verwijzende rechter heeft uiteengezet, op 1 juli 2024 in werking is getreden. Volgens dat beleid bestaat de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming uit i) het vaststellen van de asielgronden; ii) vaststellen of die gronden volledig worden gestaafd door authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve openbare bronnen, en iii) indien dat niet het geval is, vaststellen of verzoeker voldoet aan alle voorwaarden van artikel 31, lid 6, van de Vreemdelingenwet 2000, die overeenkomen met die van artikel 4, lid 5, onder c) en d), van de erkenningsrichtlijn.
22.
Met een dergelijke toepassing van artikel 4, lid 5, van de erkenningsrichtlijn kan verweerder volgens de verwijzende rechter een verzoek om internationale bescherming als ongegrond afwijzen wanneer verzoeker i) de gronden van het asielverzoek niet volledig kan staven met authentieke en objectief verifieerbare documenten of betrouwbare openbare bronnen, en ii) het verzoek niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en verweerder die vertraging niet verschoonbaar acht.
23.
De verwijzende rechter merkt echter op dat uit de bewoordingen van artikel 4, lid 5, van de erkenningsrichtlijn, gelezen in het licht van de andere leden van artikel 4 van die richtlijn, van artikel 10, lid 3, onder b), van de asielprocedurerichtlijn en de artikelen 4 en 18 van het Handvest, duidelijk blijkt dat verweerder in situaties zoals in de twee zaken in de hoofdgedingen dient samen te werken met de verzoeker wat de vaststelling van de feiten betreft.
24.
De verwijzende rechter heeft dan ook twijfels of het relevante Unierecht de beslissingsautoriteit bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden die aan het verzoek om internationale bescherming ten grondslag liggen verplicht om met de verzoeker samen te werken en rekening te houden met elk bewijsmiddel en elk element ter ondersteuning van dat verzoek.
25.
De tweede kwestie draait erom of de verplichting van een nationale rechterlijke instantie om een daadwerkelijk rechtsmiddel aan te bieden ook de verplichting inhoudt om, zo nodig ambtshalve en in samenwerking met de verzoeker, te controleren dat verweerder alle relevante elementen van de zaak die hem ter kennis zijn gebracht, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, heeft verzameld, onderzocht en opgenomen in de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, met inbegrip van een zo nodig ambtshalve onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig de erkenningsrichtlijn.
26.
Zoals de verwijzende rechter heeft toegelicht, is de toetsing van een administratieve beslissing op grond van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht in Nederland beperkt tot de kwesties die in de beroepsgronden aan de orde zijn gesteld.
27.
Daarom kan de verwijzende rechter, zoals deze heeft toegelicht, de rechtmatigheid van de beslissing van verweerder niet volledig en ex nunc toetsen, met inbegrip van de vraag of het non-refoulementsbeginsel in acht is genomen, aangezien hij geen rekening mag houden met elementen die de asielzoeker niet uitdrukkelijk heeft aangevoerd in zijn beroep tegen de afwijzende beslissing.
28.
Volgens de verwijzende rechter is een nationale rechtspraktijk volgens welke de toetsing door een rechterlijke autoriteit van een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming beperkt blijft tot het onderzoeken van de gegrondheid van die beslissing uitsluitend in het licht van de feiten en argumenten die verzoeker in de beroepsprocedure uitdrukkelijk heeft aangevoerd, moeilijk verenigbaar met de uitlegging van het Unierecht die het Hof heeft gegeven, en in het bijzonder met het absolute karakter van het beginsel van non-refoulement, alsook met het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat is geconcretiseerd in artikel 13, leden 1 en 2, van de terugkeerrichtlijn5. en in artikel 46, leden 1 en 3, van de asielprocedurerichtlijn.
29.
Na een onderzoek van de rechtspraak van het Hof6. is de verwijzende rechter tot de slotsom gekomen dat het Hof deze vragen nog niet aan de orde heeft gehad. De verwijzende rechter is met name van mening dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft vastgesteld of de verplichting om in voorkomend geval ambtshalve na te gaan of het beginsel van non-refoulement in acht is genomen, ook geldt in die gevallen waarin een nationale rechterlijke instantie in eerste aanleg is verzocht een verzoek om internationale bescherming te toetsen dat is afgewezen wegens ongegrondheid.
30.
De verwijzende rechter voert voorts aan dat alleen wanneer een nationale rechterlijke instantie verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feiten als de juridische gronden volledig en ex nunc te onderzoeken, met inbegrip van een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig de erkenningsrichtlijn, die instantie de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement ten volle kan waarborgen. Zelfs indien bij dat onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming duidelijk blijkt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming als bedoeld in de artikelen 12 en 17 van de erkenningsrichtlijn, kan dit ambtshalve onderzoek niettemin leiden tot de vaststelling dat terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst in strijd is met het beginsel van non-refoulement en dat een terugkeerbesluit niet kan worden opgelegd of, wanneer dat terugkeerbesluit reeds is genomen, moet worden opgeschort en de verwijdering moet worden uitgesteld. Indien een nationale rechterlijke instantie daarentegen niet verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve na te gaan of het beginsel van non-refoulement in acht is genomen, in het bijzonder wanneer op basis van de gegevens van de zaak die haar ter kennis zijn gebracht, zoals aangevuld of verduidelijkt in de bij haar gevoerde procedure op tegenspraak, een schending van dit beginsel duidelijk blijkt, zou de rechterlijke bescherming niet doeltreffend en ook niet volledig zijn.
31.
Daarop heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, de behandeling van beide zaken geschorst en het Hof in beide zaken verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is een nationale werkwijze waarbij artikel 4, vijfde lid, van [de erkenningsrichtlijn] aldus wordt toegepast dat de verklaringen die ten grondslag liggen aan een verzoek om internationale bescherming niet geloofwaardig worden geacht indien de verzoekter deze verklaringen niet volledig kan staven met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve bronnen en niet voldoet aan alle in het vijfde lid genoemde voorwaarden, verenigbaar met het Unierecht, of dient artikel 4, vijfde lid, van [de erkenningsrichtlijn], gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 tot en met 4, van [de erkenningsrichtlijn], artikel 10, derde lid onder b), van [de asielprocedurerichtlijn] en artikelen 4 en 18 van het Handvest […], aldus te worden uitgelegd dat de beslisautoriteit bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming moet samenwerken met de verzoeker en elk bewijsmiddel en element ter staving van dit verzoek moet betrekken bij het onderzoeken en beoordelen van de beschermingsbehoefte en indien de verzoeker zijn verklaringen voldoende kan staven met bewijsmateriaal of indien de verzoeker voldoet aan de genoemde voorwaarden, zijn verklaringen geen nadere bevestiging behoeven en dus geloofwaardig zijn?
- 2)
Dient artikel 46, derde lid, van [de asielprocedurerichtlijn], gelezen in samenhang met artikelen 4, 18, en 47 van het Handvest […] aldus te worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van de ongegrondverklaring van een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om zo nodig ambtshalve een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [de erkenningsrichtlijn] op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak?’
32.
De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht de zaken C-7/25 en C-8/25 krachtens artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie te voegen. In reactie op dit verzoek heeft de president van het Hof op 26 februari 2025 besloten tot voeging van de procedures.
33.
De verwijzende rechter heeft tevens verzocht de onderhavige zaken te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Op 27 maart 2025 heeft de president van het Hof, na de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal te hebben gehoord, dat verzoek afgewezen.
34.
De partijen in beide zaken in de hoofdgedingen, de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
35.
Het Hof heeft besloten om zonder terechtzitting uitspraak te doen overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering.
III. Analyse
36.
Op verzoek van het Hof heeft mijn conclusie in de onderhavige zaak uitsluitend betrekking op de tweede prejudiciële vraag.
37.
Met die vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of hij in het kader van een procedure waarin hij is verzocht een beslissing te toetsen waarin een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen, verplicht is op grond van het Unierecht, met name op grond van artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, om rekening te houden met het recht en de feiten die onder zijn aandacht zijn gekomen op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ook al maakten niet al die elementen deel uit van het oorspronkelijke middel dat aanleiding gaf tot de toetsing. De verwijzende rechter vraagt ook of de rechter in dergelijke omstandigheden verplicht is om overeenkomstig de erkenningsrichtlijn in voorkomend geval ambtshalve de behoefte aan internationale bescherming en een mogelijke schending van het non-refoulementsbeginsel te onderzoeken.
38.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter van oordeel is dat hij door artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht en de relevante nationale rechtspraak een dergelijke volledige en ex nunc toetsing niet mag uitvoeren. Volgens de toelichting van de verwijzende rechter voorziet deze bepaling erin dat een administratieve beslissing dient te worden getoetst in het licht van de beroepsgronden. Het luidt als volgt:
- ‘1.
De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
- 2.
De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
- 3.
De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.’7.
Deze regeling is voorzien van een toelichting, waarin de bevoegdheden van een bestuursrechter verder worden beperkt.8.
39.
De prejudiciële vraag wordt ingegeven door het standpunt van de verwijzende rechter dat nationaal recht waarin de bevoegdheden van een bestuursrechter op deze wijze worden beperkt, niet in overeenstemming is met het Unierecht.
40.
De prejudiciële vraag kan worden opgesplitst in twee delen, die ik afzonderlijk bespreek. Om te beginnen betoog ik (onder A) dat bij de toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen, een nationale rechter krachtens het Unierecht verplicht is om rekening te houden met alle elementen van de zaak die hem ter kennis zijn gebracht, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, zelfs indien bepaalde elementen niet zijn opgenomen in de beroepsgronden die verzoeker heeft aangevoerd. In deel B licht ik toe dat een nationale rechter in voorkomend geval ook ambtshalve de behoefte aan internationale bescherming van verzoeker moet onderzoeken bij de toetsing van de rechtmatigheid van een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen.
A. Omvang van de rechterlijke toetsing
41.
Met welke elementen moet een nationale rechter rekening houden bij de toetsing van een beroep tegen een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen? Mag een rechter enkel de kwesties die in het beroep zijn aangevoerd toetsen, of moet hij ook rekening houden met eventuele andere elementen in de zaak die hem ter kennis zijn gebracht?
42.
Voor de beantwoording van deze vragen moet artikel 46 van de asielprocedurerichtlijn worden uitgelegd in het licht van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals opgenomen in artikel 47 van het Handvest.9.
43.
De relevante bepalingen van artikel 46, leden 1 en 3, van de asielprocedurerichtlijn luiden als volgt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
- a)
een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:
- i)
om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;
[…]
[…]
- 3.
Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.’10.
44.
Naar mijn mening maakt precies de bewoording van artikel 46 van de asielprocedurerichtlijn ten eerste duidelijk dat een asielzoeker wiens asielverzoek als ongegrond is afgewezen er recht op heeft dat een rechterlijke instantie die beslissing toetst. Ten tweede geeft de derde alinea van die bepaling aan dat de toetsende rechterlijke instantie, in ieder geval in eerste aanleg waar de rechter in het algemeen bevoegd is om de feiten te beoordelen, de gehele zaak onderzoekt; dat wil zeggen, alle argumenten en bewijsmaterialen die haar ter beschikking zijn gesteld en niet alleen die elementen die verzoeker uitdrukkelijk in het beroepschrift heeft aangevoerd. De woorden ‘met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming’ kunnen niet anders worden gelezen dan dat zij de nationale rechter de bevoegdheid geven om in voorkomend geval de beslissing opnieuw ten gronde te onderzoeken, ongeacht of daar om wordt verzocht in het beroep zoals de verzoeker dat heeft ingesteld. De verwijzing naar een ‘volledig onderzoek […] van zowel de feitelijke als juridische gronden’ wijst erop dat de rechter rekening moet houden met alle relevante feiten en juridische aspecten van de zaak en niet alleen met de kwesties die hem in het beroepschrift ter kennis zijn gebracht. De zinsnede ‘ex nunc onderzoek’ betekent dat de rechter rekening kan houden met nieuwe juridische argumenten en feiten die niet in aanmerking zijn genomen in de administratieve procedure die tot de beslissing heeft geleid.
45.
Die lezing is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof. In het arrest Alheto heeft het Hof verduidelijkt dat het begrip ‘ex nunc’ betekent dat de rechter een beoordeling moet maken die in voorkomend geval rekening houdt met nieuwe elementen die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing is vastgesteld. Bij een dergelijke beoordeling kan het verzoek om internationale bescherming namelijk uitputtend worden behandeld zonder dat het dossier naar de beslissingsautoriteit hoeft te worden terugverwezen. De bevoegdheid die een nationale rechter daarmee krijgt om rekening te houden met nieuwe elementen waarover deze autoriteit geen uitspraak heeft gedaan, ligt in lijn met de asielprocedurerichtlijn. Bovendien is het Hof van oordeel dat het woord ‘volledig’ bevestigt dat de rechter zowel de elementen moet onderzoeken waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden of had kunnen houden, als die welke zich hebben aangediend nadat deze autoriteit de beslissing heeft vastgesteld. 11.
46.
De noodzaak om feiten te beoordelen die het formele beroep ontstijgen, kan zich inderdaad voordoen in de loop van de procedure. Bij de behandeling van het beroep kan het bijvoorbeeld zijn dat nieuw bewijsmateriaal aan het licht komt of dat de rechter kennis krijgt van bewijsmateriaal dat de beslissingsautoriteit in aanmerking had moeten nemen, maar waarmee zij geen rekening heeft gehouden bij haar beslissing om de verzoeker al dan niet internationale bescherming te verlenen. In dergelijke gevallen moet de nationale rechter waarbij beroep is ingesteld van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik kunnen maken om te bepalen of het bewijsmateriaal relevant kan worden geacht voor zijn toetsing van de beslissing inzake het asielverzoek.
47.
In het geval dat de zaak naar de beslissingsautoriteit wordt terugverwezen, zorgt een dergelijke uitlegging van artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn ervoor dat een nieuwe beslissing op korte termijn kan worden genomen ter voorkoming van het risico dat zich elementen aandienen die een nieuwe bijgewerkte beoordeling noodzakelijk maken.12.
48.
Wanneer een derdelander voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming volgens de hoofdstukken II en III of de hoofdstukken II en V van de erkenningsrichtlijn, is een dergelijke uitlegging bovendien in overeenstemming met het feit dat lidstaten hem de internationale beschermingsstatus moeten verlenen, behoudens de in die richtlijn geregelde uitsluitingsgronden, zonder dat zij daarbij over een discretionaire bevoegdheid beschikken.13.
49.
Verzoekers in beide zaken in de hoofdgedingen en de Commissie steunen die uitlegging van artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn, en de Nederlandse regering betwist die uitlegging.
50.
Op basis van punt 93 van het arrest Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky van het Hof, volgens hetwelk ‘[d]e aanmerking van dit derde land als veilig land van herkomst […] dus een van de elementen van de zaak [vormt] die ter kennis van de verwijzende rechter zijn gebracht en die deze rechter in het kader van het beroep tegen deze beslissing dient te onderzoeken’14., heeft de Nederlandse regering geconcludeerd dat een nationale rechter alleen bewijsmateriaal dient te onderzoeken dat hem door de verzoeker in zijn beroep ter kennis is gebracht.
51.
Zoals ik dat arrest uitleg, heeft het Hof in punt 93 ervan enkel duidelijk gemaakt dat de aanmerking van de Republiek Moldavië als veilig land van herkomst een van de elementen was die ter kennis van de verwijzende rechter is gebracht bij de toetsing van de beslissing van de bevoegde autoriteit. Het Hof heeft in punt 94 van dat arrest nader toegelicht dat een dergelijk element een juridische grond vormt die de verwijzende rechter in het kader van het door artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn voorgeschreven volledige en ex-nunconderzoek in aanmerking moet nemen, zelfs indien de verzoeker in het hoofdgeding dat element in zijn beroep niet uitdrukkelijk naar voren heeft gebracht. Mijn lezing van dat punt is dan ook dat het Hof enkel heeft geoordeeld dat een nationale rechter rekening moet houden met alle kwesties die de verzoeker hem ter kennis heeft gebracht, zelfs als dat gebeurt in de loop van de procedure en niet in zijn beroepsverzoekschrift.
52.
Voorts betoogt de Nederlandse regering dat het bestaan van de verplichting voor de nationale rechterlijke instantie om in voorkomend geval ambtshalve de feitelijke en juridische gronden te onderzoeken, kan worden aanvaard in bewaringszaken15., omdat het Unierecht in dergelijke gevallen uitdrukkelijk vereist dat de rechtmatigheid van de door een administratieve autoriteit gelaste bewaring wordt getoetst.16. Dit is echter niet het geval in procedures betreffende asielverzoeken, aangezien de asielprocedurerichtlijn geen verplichte rechterlijke toetsing voorschrijft. Verzoeker kan er dus voor kiezen om een beslissing tot afwijzing van zijn verzoek te aanvaarden of om beroep in te stellen tegen die beslissing, maar om bepaalde middelen uit te sluiten waarvan hij meent dat ze geen voldoende grond hebben om de beslissing aan te vechten en waarvan het dus onwaarschijnlijk is dat ze tot nietigverklaring van die beslissing leiden.
53.
In dat opzicht ben ik van mening dat de Nederlandse regering het bij het rechte eind heeft door te stellen dat de asielprocedurerichtlijn niet voorziet in een verplichte rechterlijke toetsing van asielbeslissingen. Indien de verzoeker geen beroep instelt tegen de beslissing waarbij zijn verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen, is een nationale rechterlijke instantie dus niet verplicht om de rechtmatigheid van de door de beslissingsautoriteit genomen beslissing te toetsen.
54.
Indien de verzoeker echter beroep instelt tegen die beslissing, moet een nationale rechter, indien nodig, ambtshalve optreden en alle hem ter kennis gebrachte elementen onderzoeken, ongeacht of deze in de loop van de procedure op tegenspraak zijn aangevuld of verduidelijkt, zelfs indien die elementen in het beroep niet uitdrukkelijk naar voren zijn gebracht. Dit betekent niet dat die rechter ambtshalve actief moet zoeken naar eventuele aanvullende elementen in de zaak. Wat het wel betekent is dat de rechter dergelijke elementen niet buiten beschouwing mag laten indien zij in de loop van de procedure onder zijn aandacht worden gebracht. Ten slotte moeten volgens het recht van de verdediging beide partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunt over de relevantie van nieuwe elementen kenbaar te maken.
B. Onderzoek door de nationale rechter, in voorkomend geval ambtshalve, van de behoefte aan internationale bescherming
55.
Ik richt me nu op het tweede deel van de tweede vraag, dat tot doel heeft te verduidelijken of een nationale rechter in eerste aanleg die de rechtmatigheid moet toetsen van een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen, verplicht is om overeenkomstig de erkenningsrichtlijn in voorkomend geval ambtshalve de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker te onderzoeken.
56.
In de motivering van zijn tweede vraag vraagt de verwijzende rechter zich ook af of de rechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een afwijzende beslissing ambtshalve het non-refoulementbeginsel moet onderzoeken. De verwijzende rechter heeft niet toegelicht waarom hij deze vraag tegelijk met de vraag over de ambtshalve beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming aan de orde heeft gesteld. Aangezien de afwijzende beslissingen die in de hoofdgedingen aan de orde zijn zowel in zaak C-7/25 als in zaak C-8/25 ook een terugkeerbesluit bevatten, kan dit evenwel de behoefte van de verwijzende rechter verklaren om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of hij op grond van het Unierecht verplicht is om bij het uitvoeren van zijn rechterlijke toetsing van beslissingen van asielverzoeken die als ongegrond zijn afgewezen, ambtshalve een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement te beoordelen.
57.
De behoefte aan internationale bescherming moet worden beoordeeld in het licht van de voorwaarden van hoofdstuk II en III of hoofdstuk II en V van de erkenningsrichtlijn, waar onder meer de verplichting onder valt om na te gaan of er een ernstig risico bestaat dat de persoon die internationale bescherming zoekt, in zijn of haar land van herkomst aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen wordt onderworpen, hetgeen op grond van artikel 4 van het Handvest verboden is.17.
58.
Indien dat het geval is, moeten de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen, dat als grondrecht wordt gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag van Genève18., en in artikel 19, lid 2, van het Handvest.19. Er zij echter aan herinnerd dat risico's die het verbod op de terugkeer van een persoon naar zijn land van herkomst rechtvaardigen, op zich niet volstaan om die persoon asiel te verlenen.
59.
Om de stelling te rechtvaardigen dat een nationale rechter ambtshalve een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement moet beoordelen, hebben verzoekers in de hoofdgedingen en de Commissie zich in hun schriftelijke opmerkingen beroepen op het arrest Ararat. Dat arrest betrof de rechtmatigheid van een beslissing tot afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, waarbij, nadat deze was afgewezen, een terugkeerbesluit dat reeds was vastgesteld in de loop van een procedure inzake internationale bescherming werd geactiveerd.
60.
In dat arrest heeft het Hof ten eerste geoordeeld dat de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde en in artikel 13, leden 1 en 2, van de terugkeerrichtlijn geconcretiseerde rechterlijke bescherming ‘immers noch doeltreffend noch volledig [zou] zijn indien de nationale rechter niet verplicht zou zijn om ambtshalve vast te stellen dat het beginsel van non-refoulement is geschonden wanneer de hem ter kennis gebrachte gegevens van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt in de bij hem gevoerde procedure op tegenspraak, lijken aan te tonen dat het terugkeerbesluit berust op een achterhaalde beoordeling van de door dit beginsel verboden risico's op behandelingen die de betrokken derdelander loopt indien hij naar het betrokken derde land zou terugkeren […].’20. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat een beperking van ‘de bevoegdheid van de nationale rechter ter zake […] tot gevolg [zou] kunnen hebben dat het besluit in kwestie wordt uitgevoerd’, ook al wijzen die elementen in de zaak erop dat de betrokkene in dat derde land aan dergelijke door artikel 4 van het Handvest absoluut verboden behandelingen zou kunnen worden onderworpen.21.
61.
Bovendien heeft het Hof in punt 51 van datzelfde arrest gepreciseerd dat de verplichting van de nationale rechter om in voorkomend geval ambtshalve toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, op dezelfde wijze geldt in het kader van een procedure inzake internationale bescherming, ook al ging het in die zaak om een procedure betreffende een aanvraag voor een verblijfsvergunning.
62.
Op basis van dit punt van het arrest Ararat hebben verzoekers in de hoofdgedingen en de Commissie aangevoerd dat het beginsel van non-refoulement te allen tijde en in alle stadia van de terugkeerprocedure en in alle stadia van de procedure ter toetsing van de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming in acht moet worden genomen. Volgens hen verplicht het absolute karakter van het beginsel van non-refoulement de nationale rechter ertoe te zorgen voor de eerbieding van dat beginsel zonder beperkt te worden tot toetsing van de feiten en argumenten die de verzoeker in zijn beroep uitdrukkelijk heeft aangevoerd.
63.
De Nederlandse regering deelt dat standpunt niet volledig. Zij stelt in plaats daarvan dat er ernstige en bewezen gronden moeten zijn om aan te nemen dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden geconfronteerd met een behandeling die verboden is op grond van artikel 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest. De waarschijnlijkheid van dit risico moet duidelijk zijn op basis van de informatie die ter kennis van de rechter is gebracht, zoals aangevuld of verduidelijkt tijdens de procedure op tegenspraak. Een dergelijke toetsing is derhalve alleen verplicht wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat de betrokkene in dat derde land aan een behandeling zou kunnen worden onderworpen die absoluut verboden is op grond van artikel 4 van het Handvest.
64.
Mijns inziens wijst niets in het arrest Ararat erop dat de passende drempel voor een ambtshalve beoordeling van het beginsel van non-refoulement is dat de elementen die bij de rechter aanhangig zijn ‘duidelijk’ wijzen op een mogelijke schending van de door artikel 4 van het Handvest beschermde rechten na terugkeer naar het land van herkomst. Gelet op het absolute karakter van dit beginsel22. ben ik eerder van mening dat bij de behandeling van beroepen met betrekking tot terugkeerbesluiten of beslissingen tot afwijzing van internationale bescherming, de nationale rechterlijke instanties moeten beoordelen of er sprake is van een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement zodra de elementen die tijdens de procedure aan de orde worden gesteld aanleiding geven tot twijfels over een mogelijke schending.
65.
Hier wil ik nog aan toevoegen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het kader van de uitlegging van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens ook heeft geoordeeld dat de nationale rechter het risico van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing moet beoordelen ‘in het licht van alle hem voorgelegde gegevens of, in voorkomend geval, gegevens die ambtshalve zijn verkregen, met name wanneer verzoeker of een interveniërende derde gemotiveerde redenen aanvoert die twijfel doen rijzen over de juistheid van de door de verwerende regering aangevoerde informatie’.23.
66.
Naast de toetsing van het beginsel van non-refoulement voert de verwijzende rechter aan dat hij in voorkomend geval ook ambtshalve de behoefte van de verzoeker aan internationale bescherming moet kunnen toetsen.
67.
Aangezien een nationale rechter de situatie van de verzoeker in de loop van de beroepsprocedure volledig en actueel moet beoordelen, moet hij tevens om dezelfde reden in voorkomend geval ambtshalve niet alleen de refoulementrisico's toetsen, maar ook de behoefte van de verzoeker aan internationale bescherming op basis van de elementen van de zaak die hem ter kennis zijn gebracht of die in de loop van de procedure op tegenspraak aan de orde zijn gesteld.
68.
Los van hetgeen reeds duidelijk blijkt uit de bewoordingen van artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn, moet die bevoegdheid naar mijn mening beschikbaar zijn voor een nationale rechterlijke instantie waarbij beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming als ongegrond, teneinde alle voor de verzoeker relevante elementen te kunnen onderzoeken.
69.
Een dergelijke uitlegging van artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn is vereist op grond van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. Met volledige toetsing van de behoefte aan internationale bescherming kan de rechter bij wie het rechtsmiddel is ingesteld rekening houden met elementen die, indien zij door de beslissingsautoriteit waren meegenomen, zouden hebben geleid tot verlening van internationale bescherming aan verzoeker.
70.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de tweede vraag van de verwijzende rechter te antwoorden dat het toepasselijke Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het Unierecht een nationale rechter in eerste aanleg die de rechtmatigheid moet toetsen van een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen, verplicht om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen voorkomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing is ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van zowel de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig de erkenningsrichtlijn als de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement.
71.
Wat zijn de gevolgen van een dergelijke uitlegging voor de verwijzende rechter?
72.
In het arrest Alheto heeft het Hof verduidelijkt dat de lidstaten krachtens artikel 46, lid 3, van de asielprocedurerichtlijn verplicht zijn om hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de beroepen een onderzoek door de rechter omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken.24.
73.
Hieruit volgt dat indien de verwijzende rechter van oordeel is dat zijn nationale recht hem belet om rekening te houden met feitelijke en juridische elementen die hem tijdens de gerechtelijke procedure ter kennis zijn gebracht, maar die niet in het beroepschrift aanwezig waren, of hem belet ambtshalve de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker te beoordelen of te beoordelen of er redenen zijn om het beginsel van non-refoulement toe te passen, hij dit nationale recht, en met name artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht, in overeenstemming met het Unierecht moet uitleggen. Indien een dergelijke uitlegging niet mogelijk is25., moet de verwijzende rechter deze nationale wettelijke bepalingen buiten toepassing laten26..
IV. Conclusie
74.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de tweede prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met de artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
een nationale rechter in eerste aanleg die de rechtmatigheid moet toetsen van een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als ongegrond is afgewezen, verplicht is om in voorkomend geval ambtshalve zowel de feitelijke als de juridische gronden van die beslissing volledig en ex nunc te onderzoeken op basis van de hem ter kennis gebrachte elementen van de zaak, zoals aangevuld of verduidelijkt na een procedure op tegenspraak, ongeacht of al deze elementen waren opgenomen in de middelen van het beroep waarmee het verzoek om rechterlijke toetsing werd ingeleid. Een dergelijk ambtshalve onderzoek moet een beoordeling omvatten van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig het toepasselijke Unierecht en van de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑03‑2026
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, PB 2013, L 180, blz. 60 (hierna: ‘asielprocedurerichtlijn’).
Dat beleid is volgens de verwijzende rechter vastgelegd in punt 16.3.2.1 van het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dat besluit is met ingang van 1 juli 2024 in werking getreden. Verweerder heeft ook Werkinstructie WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) opgesteld (hierna: ‘werkinstructie’), waarin instructies zijn opgenomen over de wijze waarop dat beleid moet worden uitgevoerd.
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9; hierna: ‘erkenningsrichtlijn’)
Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PB 2008, L 348, blz. 98 (hierna: ‘terugkeerrichtlijn’).
De verwijzende rechter vermeldt de arresten van 25 juli 2018, Alheto (C-585/16, EU:C:2018:584, punten 105, 106, 109–116 en 118); 4 oktober 2018, Fathi (C-56/17, EU:C:2018:803, punt 60); 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky (C-406/22, EU:C:2024:841, punten 87–91, 93, 94, 97 en 98), en 17 oktober 2024, Ararat (C-156/23, EU:C:2024:892, punten 45 en 46 en 49–51).
Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse taalversie.
Zie de toelichting bij de Algemene wet bestuursrecht: Tweede Kamer, vergaderjaar 1991–1992, 22 495, nr. 3, waarin staat te lezen: ‘Over de omvang van het geschil waarover de rechter een oordeel moet geven, merken wij op dat deze in beginsel wordt bepaald door de omvang van het ingestelde beroep […]. Gelet op de primaire functie van het bestuursrechtelijke geding, namelijk het bieden van rechtsbescherming, is er geen reden voor de rechter om buiten de vordering te treden. Daarnaast zou het uit het oogpunt van de rechtszekerheid van de bij het besluit betrokkenen bepaald ongelukkig zijn, als de rechter buiten de grenzen van het aan hem gepresenteerde geschil zou kunnen treden. Uit het bovenstaande vloeit in de eerste plaats voort, dat die onderdelen van het besluit waartegen niet wordt opgekomen, door de rechter buiten beschouwing moeten worden gelaten. Wel past hier de kanttekening, dat de rechter niet zonder meer zal kunnen afgaan op de in het beroepschrift geformuleerde grieven. Uit het ontbreken van bepaalde stellingen in het beroepschrift kan men immers niet zonder meer afleiden dat de appellant welbewust bepaalde gebreken niet aan de orde heeft willen stellen en derhalve in deze gebreken zou willen berusten. […] Overeenkomstig artikel 48 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering is in het tweede lid bepaald dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Het derde lid bepaalt, dat de rechter ambtshalve de feiten mag aanvullen. De betekenis van dit laatste ligt vooral hierin, dat anders dan in het burgerlijk proces de rechter zich in beginsel niet hoeft neer te leggen bij de feiten zoals deze door partijen worden gepresenteerd. De rechter kan doorvragen. De bevoegdheid de feitelijke gronden aan te vullen gaat niet zover, dat de rechter feiten aan zijn uitspraak ten grondslag kan leggen waarover partijen zich in de procedure niet hebben kunnen uitlaten. De onderhavige bevoegdheid laat derhalve de regel van het eerste lid onverlet. Mocht eerst in raadkamer blijken van feiten die voor de uitspraak van substantiële betekenis zijn, dan is de aangewezen weg dat de rechtbank het onderzoek heropent en partijen in de gelegenheid stelt zich hieromtrent alsnog te uiten.’
Zie arrest van 5 februari 2026, Predsedatel na Darzhavna agentsia za bezhantsite (C-718/24, EU:C:2026:68, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Bovendien staat in overweging 50 van de asielprocedurerichtlijn dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel een fundamenteel beginsel van het Unierecht weergeeft, namelijk dat tegen beslissingen inzake een verzoek om internationale bescherming onder meer een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een rechterlijke instantie openstaat.
Arrest van 25 juli 2018, Alheto (C-585/16, EU:C:2018:584, punten 111–113). Het Hof heeft deze uitlegging herhaald in zijn arrest van 29 juli 2019, Torubarov (C-556/17, EU:C:2019:626, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 25 juli 2018, Alheto (C-585/16, EU:C:2018:584, punt 147).
Arrest van 29 juli 2019, Torubarov (C-556/17, EU:C:2019:626, punt 50).
Cursivering van mij.
De Nederlandse regering verwijst naar arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring) (C-704/20 en C-39/21, EU:C:2022:858, punten 72, 77, 82, 83, 87 en 88).
Zoals bevestigd door het Hof in arrest van 29 januari 2026, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (C-431/24, EU:C:2026:53, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, in werking getreden op 22 april 1954 (United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 137), zoals aangevuld bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te New York op 31 januari 1967 (United Nations Treaty Series, deel 606, blz. 267), in werking getreden op 4 oktober 1967 (hierna samen: ‘Verdrag van Genève’).
Zoals bevestigd door het Hof in het arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd) (C-663/21, EU:C:2023:540, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 17 oktober 2024, Ararat (C-156/23, EU:C:2024:892, punt 50).
Ibidem.
Zie arrest van 17 oktober 2024, Ararat (C-156/23, EU:C:2024:892, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie EHRM, 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland (CE:ECHR:2007:0111JUD000194804, § 136).
Arrest van 25 juli 2018, Alheto (C-585/16, EU:C:2018:584, punt 110).
Volgens mijn lezing van de relevante Nederlandse wetgeving en de toelichting lijken deze niet in de weg te staan aan een dergelijke consistente uitlegging. Het staat evenwel aan de nationale rechter om daarover te oordelen. Het is wellicht nuttig erop te wijzen dat het Hof heeft geoordeeld dat de betreffende vaste nationale rechtspraak de nationale rechter niet mag weerhouden om een bepaling van nationaal recht in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen. Zie in dit verband arrest van 17 april 2018, Egenberger (C-414/16, EU:C:2018:257, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 29 juli 2019, Torubarov (C-556/17, EU:C:2019:626, punt 73).