NJ 1923, p. 904
in de hoofdzaak
HR 18-05-1923, ECLI:NL:HR:1923:174
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18 mei 1923
- Magistraten
Mrs. Fentener v. Vlissingen, Hesse, Kosters, Ort en van den Dries
- Zaaknummer
[18051923/NJ_1923,_p._904]
- Conclusie
Mr. Besier
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verbintenissenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1923:174, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑05‑1923
- Wetingang
Essentie
in de hoofdzaak
Samenvatting
De partij, die zich voegt, ook zij die dat doet krachtens art. 72 Rv., heeft het geding te aanvaarden in den stand, waarin het zich op het oogenblik der voeging bevindt.
De erkende overeenkomst met boetebeding staat mitsdien ook tegenover de gevoegde partij vast.
Dit is echter niet het geval in de vrijwaringszaak.
De verplichtingen tot schadevergoeding krachtens boetebeding in de hoofdzaak met renten en kosten en tot schadevergoeding krachtens vrijwaring dekken elkaar.
De verschuldigde boete mocht het Hof beschouwen als een onmiddellijk en dadelijk gevolg van de door gedaagde in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.