De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.4:4 Conclusie
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.4
4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948065:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
645. In dit hoofdstuk is omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen onderzocht in verband met girale betalingen die voortvloeien uit verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift. Daarbij is het uitgangspunt dat de betaalrekening als een rekening-courant kwalificeert. Vindt voldoening van een vordering tot betaling van een geldsom middels een girale betaling plaats, dan verschaft de bank aan de rekeninghouder een vordering op zichzelf. Hebben er meerdere crediteringen plaatsgevonden, dan zijn er meerdere vorderingen van de rekeninghouder op de bank ontstaan. Deze vorderingen worden allemaal in rekening-courant geboekt, waarbij van rechtswege verrekening plaatsvindt. De vorderingen die in rekening-courant worden geboekt blijven daarbij als afzonderlijke vorderingen bestaan, indien en voor zover zij niet door verrekening tenietgaan. De vorderingen gaan dus niet reeds door boeking in de rekening-courant teniet. Dit heeft ook tot gevolg dat wanneer een rekeninghouder in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, bij iedere vordering die door creditering van de bankrekening op de bank ontstaat beoordeeld zal moeten worden of deze krachtens boedelmenging aan de echtgenoten gemeenschappelijk gaat toebehoren of niet. Op het moment dat de bank de bankrekening crediteert, ontstaat immers een nieuwe vordering. Die vordering kwalificeert als een afzonderlijk goed, waarbij de vordering in het saldo van de rekening-courant als afzonderlijke vordering blijft voortbestaan, tenzij deze door verrekening tenietgaat. Aldus verkrijgt de betreffende echtgenoot bij iedere creditering van zijn bankrekening een afzonderlijk goed, waarvan afzonderlijk beoordeeld zal moeten worden of dit wel of niet in de huwelijksgemeenschap valt waarin hij is gehuwd. Dit geldt óók wanneer het om een en/of-rekening op naam van beide echtgenoten gaat. Ook bij een en/of-rekening staat immers voorop dat door creditering van die rekening afzonderlijke vorderingen op de bank ontstaan, die als zodanig in het saldo blijven voortbestaan zolang zij niet door verrekening tenietgaan. Omdat de tenaamstelling van een en/of-betaalrekening nog niets zegt over de gerechtigdheid tot het saldo van ieder van de rekeninghouders, en het saldo dus niet reeds vanwege die tenaamstelling aan beide echtgenoten gemeenschappelijk toebehoort, zal ook hier bij iedere vordering die door creditering van de bankrekening ontstaat beoordeeld moeten worden of deze krachtens boedelmenging aan de echtgenoten gemeenschappelijk gaat toebehoren of niet.
646. Bij dit alles is vervolgens het uitgangspunt dat de afzonderlijke vordering die door creditering van een bankrekening op de bank ontstaat krachtens boedelmenging in de huwelijksgemeenschap valt. Dat geldt óók als de creditering is geschied in verband met de betaling van een vordering die door een echtgenoot krachtens erfrechtelijke titel of gift is verkregen en die buiten de huwelijksgemeenschap is gevallen. Dat komt doordat de vordering op de bank als een nieuwe vordering moet worden beschouwd, die uit de rechtsverhouding tussen de bank en de rekeninghouder(s) ontstaat. Daarmee kan een dergelijke vordering nimmer krachtens erfrechtelijke titel of gift zijn verkregen. Gaat het echter om de creditering van een bankrekening in verband met de voldoening van een privévordering of de overboeking van privégelden, dan zal de vordering die door deze girale betaling/overboeking op de bank ontstaat op grond van zaaksvervanging alsnog van de werking van boedelmenging zijn uitgesloten. De verkrijging van de vordering op de bank kwalificeert immers als ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW. Aldus blijft deze vordering op die grond buiten de huwelijksgemeenschap waarin de betreffende echtgenoot is gehuwd. Gaat deze vordering vervolgens niet direct door verrekening teniet, dan vloeit hieruit voort dat op dat moment een deel van het saldo van de bankrekening in de huwelijksgemeenschap valt en een deel van dat saldo op grond van zaaksvervanging daarbuiten valt. Deze werking van zaaksvervanging geldt óók wanneer het een betaling ten gunste van een en/of-rekening betreft. De en/of-tenaamstelling van een bankrekening zegt immers nog niets over de gerechtigdheid tot het saldo van die rekening, zodat er ook geen belemmering bestaat om een deel van dat saldo krachtens zaaksvervanging tot het privévermogen van een van de echtgenoten te laten behoren. Dit is anders wanneer het een betaling betreft van een privévordering van een echtgenoot ten gunste van een bankrekening die uitsluitend op naam van de andere echtgenoot staat geregistreerd. In dat geval brengen het karakter van zaaksvervanging als uitzondering op de werking van boedelmenging, de gerechtvaardigdheid die aan de werking van zaaksvervanging ten grondslag moet liggen, alsmede de rechtszekerheid en het maatschappelijk belang dat een ongestoord betalingsverkeer moet kunnen plaatsvinden, met zich mee dat géén zaaksvervanging kan plaatsvinden ten gunste van degene wiens privévordering het betrof. Dat betekent dat zijn privégelden zonder meer krachtens boedelmenging in de huwelijksgemeenschap zullen vloeien, en dat dit deel van het saldo van de bankrekening nimmer van de huwelijksgemeenschap kan zijn uitgezonderd.
647. Gaat men er op de hiervóór beschreven wijze van uit dat een deel van het creditsaldo van een bankrekening buiten de huwelijksgemeenschap kan zijn gebleven, dan is het vervolgens óók mogelijk dat er opvolgende zaaksvervanging kan optreden. Daarbij is ‘toerekening’ geoorloofd. Als vaststaat dat een bepaald goed is verworven juist omdátprivégeld is ontvangen, en de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed voor meer dan de helft ten laste is gekomen van het creditsaldo van een bankrekening waar die privégelden op dat moment nog deel van uitmaakten, dan is díé vaststelling doorslaggevend voor de toepasselijkheid van de regels van zaaksvervanging. Alsdan moet er voor toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW van uit worden gegaan dat de tegenprestatie voor de verkrijging van het verkregen goed ten laste is gekomen van het privédeel van het saldo van de bankrekening, ook al is op grond van de regels van verrekening/nakoming in verhouding tot de bank de debitering van de bankrekening niet ten laste van dit privédeel van het saldo gekomen.
648. Gaat het om het ontstaan van vergoedingsrechten in verband met de girale voldoening van privévorderingen of overboekingen van privégelden, dan geldt dat deze niet reeds zullen ontstaan door de enkele girale betaling of overboeking, óók niet wanneer deze betaling of overboeking geschiedt ten gunste van een bankrekening waarvan het saldo daarvóór volledig tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Door die enkele betaling of overboeking is immers nog geen privévermogen in de huwelijksgemeenschap gevloeid, en is evenmin ‘vermenging’ opgetreden; de vervangende vordering die door creditering jegens de bank is ontstaan, is op grond van zaaksvervanging buiten de huwelijksgemeenschap gevallen. Aldus is er ook geen grond om een vergoedingsrecht aan te nemen. Dat wil niet zeggen dat er nooit vergoedingsrechten kunnen ontstaan. Dat kan namelijk wel, en dan met name in drie situaties. De eerste situatie betreft die gevallen waarin een privébedrag wordt gestort op een bankrekening die op dat moment een negatief saldo had. Op grond van de rekening-courantverhouding vindt dan op grond van artikel 6:140 lid 1 BW direct verrekening plaats. Behoorde het negatieve saldo als schuld tot de huwelijksgemeenschap, dan is in dat geval een schuld van de gemeenschap met privévermogen van een echtgenoot voldaan. Daardoor heeft die echtgenoot op grond van artikel 1:96 lid 4 BW een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap verkregen. De tweede situatie betreft die gevallen waarin dat deel van het saldo dat uit de creditering met privégelden is ontstaan niet meteen, maar pas later, door verrekening tenietgaat. Dat zal het geval zijn wanneer op enig moment ten laste van het privédeel van het saldo een schuld van de gemeenschap wordt voldaan. Ook dan is er met privégelden een gemeenschapsschuld voldaan, hetgeen op grond van artikel 1:96 lid 4 BW een vergoedingsrecht doet ontstaan. Dat kunnen ook consumptieve uitgaven en kosten van de huishouding zijn. In beide situaties geldt wel dat de echtgenoot die stelt een vergoedingsrecht te hebben verkregen, op grond van de hoofdregels van artikel 149 en 150 Rv de feiten en omstandigheden zal moeten stellen en bewijzen die tot dat vergoedingsrecht leiden. De derde en laatste situatie waarin een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap kan ontstaan, is in die gevallen dat het privégeld van een echtgenoot terechtkomt op een bankrekening die uitsluitend ten name van de andere echtgenoot staat geregistreerd. In dat geval kan van zaaksvervanging immers geen sprake zijn. De vervangende vordering die door creditering van de bankrekening ontstaat, zal dus altijd – via het vermogen van de andere echtgenoot – krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren. Aldus zal er een vergoedingsrecht van de betreffende echtgenoot op de huwelijksgemeenschap ontstaan. In dit derde geval hoeft de betreffende echtgenoot alleen maar te stellen en te bewijzen dat er privégelden van hem op de bankrekening van de andere echtgenoot zijn voldaan. Als hij daarin slaagt, staat immers vast dat er privégelden in de huwelijksgemeenschap zijn gevloeid. Aldus is een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap gegeven, ongeacht wat er later met die geldmiddelen is gebeurd.