Artikel 6 EVRM en de civiele procedure
Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/7.2:7.2 Art. 6 EVRM en de Nederlandse civiele procedure
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/7.2
7.2 Art. 6 EVRM en de Nederlandse civiele procedure
Documentgegevens:
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS300114:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de berichtgeving daarover in NJ B 2007, 1194, p. 1389-1390. Medewerkers van de gerechten blijken minder tevreden, want zij voelen kennelijk een onverminderd hoge werkdruk, waardoor de kwaliteit van hun werk volgens hen onder druk komt te staan.
Zie voor een samenvatting van de vijf doelstellingen van rechtspraak voor de periode 2005-2008, NJ B 2007, 1194, p. 1389-1390.
Leijten (1990), p. 208.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1996 was mijn eindconclusie op de vraag 'Hoe moet de Nederlandse civiele procedure beoordeeld worden in het licht van art. 6 EVRM?' weinig verontrustend: mijn oordeel was over het geheel genomen positief, zij het dat er op onderdelen wel wat aan te merken viel. Het zal niet verbazen dat ik thans wederom tot een soortgelijk resultaat kom. Dat spoort overigens met recente klantwaarderingsonderzoeken, die uitwijzen dat burgers en professionele procespartijen in grote lijnen tevreden zijn over het functioneren van de (niet slechts civiele) Nederlandse rechtspraak.1
Niettemin blijft de toegang voor iedereen tot de Nederlandse rechter een bron van constante aandacht. De door Coen Drion ontworpen 'Code Bevordering Effectieve Toegang tot de Rechtsbedeling' duidt erop dat er kennelijk toch weer een nieuwe leemte op dit gebied gevuld moet worden (zie par. 2.6.4), maar of dat met de recente kabinetsvoornemens (die eerder een besparing van E 25 á 50 miljoen moeten gaan opleveren) zal lukken, mag betwijfeld worden.
Wat de interne toegankelijkheid van het burgerlijk procesrecht betreft (par. 2.5.1.2), is er in het afgelopen decennium wel wat verbeterd, bijvoorbeeld door de invoering van de 'wissel-bepalingen' in art. 69 e.v. Rv. Van één uniforme procesinleiding (door afschaffing van het onderscheid tussen dagvaarding en verzoekschrift) is het echter nog niet gekomen, de aanbevelingen in die richting van het driemanschap Asser, Groen en Vranken ten spijt; het zou volgens mij nog wel eens heel lang kunnen gaan duren, want dat vergt een majeure wetgevingsoperatie. De tendens om steeds meer te gaan compareren (er wordt zelfs geëxperimenteerd bij de hoven met comparities voor grieven; zie par. 233.2), slaat mijns inziens door naar de andere kant: het houdt menigmaal het rechtsbedrijf op en kan verstoppend werken. Volgens mij moeten wij ons niet té veel die richting uit begeven, en zeker niet 'in principe'.
Ik keer mij daarmee (ook) andermaal tegen het mondelinge element in het burgerlijk proces dat volgens menigeen een verplicht karakter zou moeten krijgen. Mijns inziens kan uit de Europese rechtspraak niet een ongeclausuleerd en onvervreemdbaar recht op mondeling gehoor afgeleid worden (par. 3.3.3.2).
Het recht om gehoord te worden vindt vooral uitwerking in de rijkgeschakeerde nationale jurisprudentie (par. 33.4). Hetzelfde geldt voor de motivering, als andere 'fair-trial-poot' (par. 3.5). Merkwaardig is dat beide beginselen in de Nederlandse rechtspraak niettemin niet even hoog worden aangeslagen. Schending van het hoor en wederhoor-beginsel kan uitsluiting van appel doorbreken en eventueel aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak vestigen. Schending van de motiveringsplicht heeft deze gevolgen niet, mijns inziens ten onrechte (par. 3.6).
In 1996 noemde ik het door de Straatsburgse instanties geformuleerde beginsel van de gelijkheid der wapenen richtinggevend en sprak ik de hoop uit dat van dit beginsel een invloed zou uitgaan op aspecten van het civiele bewijs (par. 3.4.3). Kremers heeft in dit verband het Schenk-arrest bekritiseerd en het onorthodoxe standpunt verdedigd dat de eventuele onrechtmatigheid van de verkrijging van een bewijsmiddel geen rol mag spelen bij de beoordeling van de toelaatbaarheid daarvan. De discussie op dit punt lijkt nog niet uitgewoed (par. 3.4.3.3).
Op het gebied van de openbaarheid hebben zich de minste ontwikkelingen voorgedaan. De Europese rechtspraak is hier en daar wat aangevuld, maar echt substantiële veranderingen heb ik niet kunnen gadeslaan; de openbaarheid is een betrekkelijk rustig bezit.
Niettemin heeft de Raad voor de rechtspraak voor de periode 2005-2008 als één van de speerpunten geformuleerd het vergroten van de transparantie naar de samenleving. Zo is in april 2006 al een tweede editie van de landelijke open dag van de rechtspraak georganiseerd welke door 33 000 mensen werd bezocht.2 Het geeft wel aan dat rechtbanken, rechters en toga's nog steeds als wezensvreemd worden ervaren en dat er op dit vlak nog het nodige zendingswerk valt te verrichten; een goed initiatief! Gepubliceerde rechtspraak is gelukkig vanaf 1999 ook toegankelijker geworden (par. 4.6).
Verreweg het meeste is te doen geweest rondom de redelijke termijn. De Europese uitspraak is er de laatste jaren van uitgepuild geweest, een gegeven waaraan de komst van de voormalige Oostbloklanden binnen de Europese Unie zeker debet is geweest. De door het Europees Hof in den beginne aangelegde criteria (zie par. 5.4.1- 5.43 ) zijn daarbij telkenmale herhaald en met een extra element uitgebreid (par. 5.4.4).
Het vuurwerk heeft zich op het nationale plan afgespeeld (par. 5.6 e.v.), waarbij de voorstellen van Asser, Groen en Vranken een spilfunctie hebben vervuld en aanzetten hebben gegeven tot verdere ontwikkelingslijnen voor het Nederlands burgerlijk procesrecht - en niet slechts (beter: verre van) beperkt tot de redelijke termijn.
Die redelijke termijn blijft intussen, de verbetering in doorlooptijden ten spijt, de achilleshiel van het civiele rechtsbedrijf. Belangrijk is de rechtspraak van het Europees Hof daarom ten aanzien van de gevolgen van overschrijding daarvan (par. 5.7). In 2000 ziet het belangrijke Kudla-arrest het licht waarmee het EHRM beslist dat aan partijen in een rechterlijke procedure op grond van art. 13 EVRM een effectief nationaal rechtsmiddel (effective remedy) ter beschikking moet staan om tegen overschrijding van de redelijke termijn op te kunnen komen. De uitwerking van dit arrest heeft in Nederland nog niet zijn beslag gekregen.
Wat de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid ten slotte aangaat, vraagt de veranderde beheersstructuur van de gerechten uiteraard aandacht (par. 6.4.1), want wordt daarmee het rechterlijk apparaat wel daadwerkelijk ondersteund, of is sprake van (financiële) afbraak? Volgens de Commissie-Deetman valt het allemaal wel mee. Ook de wijze van benoeming van rechters is anders geworden (par. 6.5.1), maar ik geloof niet dat de rechterlijke onafhankelijkheid daarmee nu wezenlijk gevaar loopt. Datzelfde geldt voor de onpartijdigheid van de Nederlandse rechter; binnen het rechterlijk corps bestaat een hoog integriteitsbesef (par. 6.103.2).
En dus
En dus herhaal ik maar weer de woorden van Leijten, want die gaan nog steeds op: 'En zo zal het voorlopig doorgaan. Het einde is nog niet in zicht. Het recht kent rust noch duur.'3