NJ 2025/271
Post-Keskin. De klacht dat artikel 6 EVRM is geschonden omdat de verdediging geen effectieve ondervragingsgelegenheid van de aangever heeft gehad, faalt.
HR 27-05-2025, ECLI:NL:HR:2025:805, m.nt. W.H. Vellinga
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 mei 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, T.B. Trotman
- Zaaknummer
23/00607
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Noot
W.H. Vellinga
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD26325:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:805, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:327, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑07‑2023
- Wetingang
Art. 6 lid 3 onderdeel d EVRM
Essentie
Post-Keskin. In cassatie wordt geklaagd dat artikel 6 EVRM is geschonden omdat de verdediging geen effectieve ondervragingsgelegenheid van de aangever heeft gehad. Die klacht faalt, omdat uit de overwegingen van het hof blijkt dat sprake was van een ‘good reason for the absence of the witness’, de bewijsvoering voldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van de aangever en in die bewijsvoering compenserende factoren besloten liggen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid doordat zij steun geven aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever.
Samenvatting
Met zijn overweging dat het, na de ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.