Waarover meer in mijn bespreking van het tweede middel.
HR, 16-01-2024, nr. 22/00625
ECLI:NL:HR:2024:29
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-01-2024
- Zaaknummer
22/00625
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:29, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑01‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:210
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1040
ECLI:NL:PHR:2023:1040, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑11‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:29
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Belaging van ex-vriendin door gedurende periode van 5 maanden veelvuldig per e-mail of brief en telefonisch contact met haar te zoeken (art. 285b.1 Sr). 1. Bij bewezenverklaring en in strafverzwarende zin bij strafoplegging (voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, taakstraf van 40 uren en vrijheidsbeperkende maatregel voor 2 jaren) betrekken van strafrechtelijke veroordeling die nog niet onherroepelijk is. 2. Strafmotivering, oplegging gebieds- en contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr). Kon hof i.v.m. opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen 2 maal totale duur van vervangende hechtenis van 6 maanden bepalen? Art. 38w.3 Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00445.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00625
Datum 16 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2022, nummer 22-002606-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2024.
Conclusie 21‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Belaging (art. 285b Sr). Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte een niet-onherroepelijke veroordeling mede redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring en dat deze veroordeling aanleiding heeft gegeven tot strafverzwaring zodat zowel de bewezenverklaring als de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte twee vrijheidsbeperkende maatregelen heeft opgelegd waarbij per maatregel is bevolen dat de maximale duur van de vervangende hechtenis zes maanden bedraagt zodat de facto de totale duur van de vervangende hechtenis twaalf maanden is. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep (81 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00625
Zitting 21 november 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. De verdachte is in de onderhavige zaak bij arrest van 16 februari 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens belaging veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis. Voorts heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd, inhoudende zowel een locatie- als een contactverbod, elk voor de duur van twee jaren, subsidiair een vervangende hechtenis op de wijze als in het arrest bevolen.1.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/00445. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, eertijds allen advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Het middel valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht betreft het bewezenverklaarde en houdt in dat het hof daarvoor ten onrechte mede redengevend heeft geacht de omstandigheid dat verdachte eerder is veroordeeld, terwijl die veroordeling nog niet onherroepelijk is,2.“zodat de verwerping van het verweer/de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed”. Met de tweede klacht keert het middel zich tegen de strafoplegging. Ook deze zou onvoldoende met redenen zijn omkleed, en wel omdat het hof daarbij die eerdere nog niet onherroepelijke veroordeling in aanmerking heeft genomen “hetgeen aanleiding heeft gegeven tot strafverzwaring”.
De bewezenverklaring, enkele bewijsmiddelen en de bewijs- en strafoverwegingen van het hof
5. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 24 december 2020 tot en met 17 mei 2021 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door het meermalen contact zoeken met die [aangeefster] door het sturen van e-mails, SMS-berichten en brieven naar die [aangeefster] en het opbellen van die [aangeefster] , met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.’’
6. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik heb mevrouw berichten gestuurd en ik heb haar gebeld. [-]. Ik wist wel dat zij geen contact met mij wilde. [...]
2 . De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 september 2021 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik hoor u tegen mij zeggen dat u uit het dossier en mijn reactie begrijpt dat ik de contactmomenten niet ontken. Nee hoor.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 3 juni 2021.
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op die datum afgelegde verklaring van de verdachte:
U houdt mij voor waarvan ik word verdacht, te weten belaging van [aangeefster] in de periode van 24 december 2020 tot en met 17 mei 2021 in [plaats] . U zegt mij dat ik bij de politie heb verklaard dat ik dat gedaan heb. Ja, ik kan het niet ontkennen.”
7. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
‘’Overweging van het hof
[…]
In deze zaak volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte op verschillende in de aangiftes genoemde momenten contact heeft gezocht met zijn ex-partner [aangeefster] (hierna;: aangeefster) . Aangeefster heeft op meerdere manieren kenbaar gemaakt dat zij niet gediend was van contact met de verdachte. De verdachte heeft een stopbrief ontvangen, een gedragsaanwijzing gekregen en is eerder veroordeeld voor belaging van aangeefster. Deze veroordeling is weliswaar niet onherroepelijk, maar hieruit volgt wel dat de verdachte wist dat aangeefster geen contact met hem wilde en dat hij geen contact met haar moest zoeken.
[…]. Bij dit alles is ook hierbij van belang dat de verdachte kort voor de bewezenverklaarde periode reeds eerder is veroordeeld wegens belaging van aangeefster. Dat de verdachte - ondanks die eerdere veroordeling - is doorgegaan met het op de bewezenverklaarde wijze en bij herhaling zoeken van contact met aangeefster geeft het handelen van verdachte een extra ingrijpend karakter.
[…]
Strafmotivering
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in de periode van ongeveer 5 maanden schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster door op de bewezenverklaarde wijze veelvuldig contact met haar te zoeken. Dit terwijl de verdachte eerder al was veroordeeld voor belaging van aangeefster. De verdachte heeft - ondanks meerdere pogingen van aangeefster om de belaging te doen stoppen - herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dit heeft een grote impact op haar gehad, zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep.
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 januari 2022, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder in 2014 en 2015 onherroepelijk is veroordeeld voor belaging.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 19 augustus 2021. Daaruit blijkt dat risico verhogende factoren vooral zijn te vinden op het gebied van het psychosociaal functioneren. De verdachte lijkt zich slachtoffer te voelen en lijkt zijn eigen aandeel hierin niet te zien of te erkennen.
De reclassering acht het zorgwekkend dat de verdachte al meerdere malen bij justitie in beeld is gekomen wegens belaging en dat dit hem ogenschijnlijk er niet van heeft weerhouden om soortgelijke feiten opnieuw te plegen. […].
Persoonlijke omstandigheden
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 januari 2022, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder in 2014 en 2015 onherroepelijk is veroordeeld voor belaging. De verdachte heeft - ondanks meerdere pogingen van aangeefster om de belaging te doen stoppen - herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Dit heeft een grote impact op haar gehad, zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring ter terechtzitting in hoger beroep.’’
Bespreking van het middel
8. Ik begin met de eerste klacht. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd, dat – ik citeer de woorden van de stellers van het middel – “het hof [heeft] overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor belaging van aangeefster, deze veroordeling weliswaar nog niet onherroepelijk is, maar hieruit wel volgt dat de verdachte wist dat aangeefster geen contact met hem wilde en dat hij geen contact met haar moest zoeken”.
9. Ik merk op, dat het hof dit zo niet heeft overwogen. De overweging van het hof luidt dat in deze zaak uit de bewijsmiddelen volgt “dat de verdachte op verschillende in de aangiftes genoemde momenten contact heeft gezocht met zijn ex-partner [aangeefster] (hierna;: aangeefster)”. In zoverre berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest.
10. Het hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en het bewezenverklaarde gekwalificeerd als belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr. Daarbij heeft het hof overwogen dat de aangeefster op meerdere manieren kenbaar heeft gemaakt dat zij niet gediend was van contact met de verdachte, dat de verdachte een stopbrief heeft ontvangen, een gedragsaanwijzing heeft gekregen en eerder is veroordeeld voor belaging van de aangeefster. Het hof heeft daarbij kennelijk acht geslagen op het Uittreksel justitiële Documentatie (hierna: UJD) d.d. 17 januari 2022 en daaraan de omstandigheid ontleend dat de verdachte kort voor de bewezenverklaarde periode (24 december 2020 tot en 27 mei 2021) reeds eerder was veroordeeld voor belaging. Daarbij komt dat het hof zich ervan rekenschap heeft gegeven dat die eerdere veroordeling niet onherroepelijk was (en is). Weliswaar heeft het hof ook overwogen dat daaruit volgt dat de verdachte wist dat de aangeefster geen contact met hem wilde en hij geen contact met haar moest zoeken, en zijn deze woorden in dit verband minder gelukkig gekozen, maar tot cassatie leidt dat niet. Uit de het voor het bewijs gebezigde bewijsmiddel 1 kan worden afgeleid dat de verdachte die wetenschap had. Anders dan de stellers van het middel in de toelichting op het middel betogen, is hier geen sprake van schending van de onschuldpresumptie dor het hof.
11. De eerste klacht mist derhalve doel. Zowel de bewezenverklaring, als de verwerping van het door de stellers van het middel genoemde verweer, is toereikend gemotiveerd.
12. De tweede klacht ziet op de strafoplegging en houdt in dat deze onvoldoende door het hof met redenen is omkleed nu de eerdere veroordeling (als hier bedoeld) aanleiding heeft gegeven tot strafverzwaring, terwijl deze veroordeling nog niet onherroepelijk was op het moment van de strafoplegging.
13. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Uit ’s hofs strafmotivering blijkt nergens dat het hof in strafverzwarende zin rekening heeft gehouden met de eerdere belaging van de aangeefster, waarvoor de verdachte nog niet onherroepelijk is veroordeeld. Het hof heeft enkel overwogen (in mijn woorden) dat de verdachte zich wederom schuldig heeft gemaakt aan belaging van de aangeefster, zulks terwijl hij ook al eerder voor belaging van haar is veroordeeld. Meer dan een constatering is dit niet, en het is zeker geen overweging waaruit volgt dat die eerdere (nog niet onherroepelijke) veroordeling door het hof als een strafverzwarende factor is aangemerkt. Wel heeft het hof overwogen dat het in het nadeel van de verdachte heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend UJD d.d. 17 januari 2022, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder in 2014 en 2015 onherroepelijk is veroordeeld voor belaging. Maar daarmee heeft het hof duidelijk niet het oog gehad op die eerdere belaging van de aangeefster. Die veroordeling is immers nog niet onherroepelijk en dateert bovendien, zoals het hof expliciet heeft overwogen onder het hoofd “Overweging van het hof”, van kort voor de bewezenverklaarde periode (van 24 december 2020 tot en met 2021).
14. Het middel faalt in beide onderdelen.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
15. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte twee vrijheidsbeperkende maatregelen heeft opgelegd en daarbij heeft bevolen dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van die verplichtingen wordt voldaan telkens 1 week bedraagt, met een maximum van (telkens) 6 maanden, zodat de facto de totale duur van de vervangende hechtenis twaalf maanden is, terwijl op grond van art. 38w, derde lid, Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden kan zijn.
16. De uitleg die de stellers van het middel in dit verband aan de strafmotivering geven, deel ik niet. Het hof heeft in het arrest onder het hoofd “Strafmotivering” onder meer het volgende overwogen en beslist:
‘Ter beveiliging van de maatschappij, ter voorkoming van strafbare feiten en gelet op het bewezenverklaarde feit en het hiervoor genoemde recidivegevaar ziet het hof aanleiding een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 38v Sr in de vorm van een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod (rond haar woonadres), voor de duur van twee jaren met aftrek. Hierbij zal het hof bevelen dat iedere keer dat de verdachte het contact-/locatieverbod zal overtreden, er vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden.
[…]
Beslissing
Het hof:
[…]
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren, zich niet zal ophouden in het navolgende gebied:
binnen een straal van 450 meter van het adres:
[a-straat 1] , [postcode] te [plaats] ;
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
[de aangeefster, A-G]
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.’’
17. De strafmotivering en de sanctieoplegging van het hof zijn onmiskenbaar aldus te verstaan, dat aan de verdachte één vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, waarbij de verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in een bepaald gebied en tevens wordt bevolen zich te onthouden van contact met de aangeefster, en dat de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan één van die verplichtingen wordt voldaan één week bedraagt, waarbij op grond van art. 38w, derde lid, Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.3.Dat stond het hof vrij. De rechter kan immers aan een verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen waaraan meerdere in art. 38v, tweede lid, Sr genoemde verplichtingen worden verbonden.4.Daarbij bepaalt de rechter overeenkomstig art. 38w, tweede lid, Sr de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer kan worden gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel - dat wil zeggen: aan een aan die maatregel verbonden verplichting - wordt voldaan. Op grond van art. 38w, derde lid, Sr geldt van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.5.In de marge kan aan de stellers van het middel worden toegegeven dat het (nog wat) duidelijker was geweest als het hof expliciet had gesproken over de totale duur. Dat dit niet het geval is, maakt het voorgaande niet anders.
18. Het tweede middel faalt.
IV. Slotsom
19. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑11‑2023
Het betreft de in randnummer 2 genoemde samenhangende zaak 22/00445.
Vgl. in dit verband HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:282 en HR 15 juni 2023, ECLI:NL:HR:2021:841. In beide zaken had het hof – anders dan in de onderhavige zaak in meervoud – vrijheidsbeperkende ‘’maatregelen’’ opgelegd, aldus de strafmotivering en het dictum, die betrekking hadden op een locatie- en contactverbod. De Hoge Raad overwoog: ‘’De strafoplegging van het hof moet, wat betreft de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, aldus worden verstaan dat aan de verdachte één vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd waarbij de verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in een bepaald gebied en tevens wordt bevolen zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon […] waarbij op grond van artikel 38w lid 3 Sr van rechtswege geldt dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt […].’’
Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3 (MvT), p. 23. Aldus ook HR 15 juni 2023, ECLI:NL:HR:2021:841, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis. Zie voorts HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:282.
In die zin ook HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841.