HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW3751, NJ 2012, 451, rov. 4.5.2.
HR, 27-03-2018, nr. 16/05233
ECLI:NL:HR:2018:440, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-03-2018
- Zaaknummer
16/05233
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:440, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 27‑03‑2018; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1604
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:238
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2016:2881, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:PHR:2018:238, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑02‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:440
ECLI:NL:PHR:2017:1604, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 12‑12‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:440
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2018-0279
Uitspraak 27‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Poging moord en opzettelijk ontploffing teweegbrengen door om 3 uur ’s nachts een handgranaat in de slaapkamer van de twee kamer woning van de ex-vriend van de vriendin van verdachte te gooien, terwijl deze die nacht op de bank in de woonkamer in slaap was gevallen, art. 289 en 157 Sr. 1. Voorwaardelijk opzet op dood? 2. Schriftuur b.p. Vordering b.p. deels n-o, onevenredige belasting strafgeding. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
27 maart 2018
Strafkamer
nr. S 16/05233
IV/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 september 2016, nummer 22/004651-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft P. Scholtes, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal J. Silvis heeft bij conclusie en bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en tien maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2018.
Conclusie 06‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Poging moord en opzettelijk ontploffing teweegbrengen door om 3 uur ’s nachts een handgranaat in de slaapkamer van de twee kamer woning van de ex-vriend van de vriendin van verdachte te gooien, terwijl deze die nacht op de bank in de woonkamer in slaap was gevallen, art. 289 en 157 Sr. 1. Voorwaardelijk opzet op dood? 2. Schriftuur b.p. Vordering b.p. deels n-o, onevenredige belasting strafgeding. HR: art. 81.1 RO.
Nr. 16/05233 Zitting: 6 februari 2018 | Mr. Silvis Aanvullende Conclusie inzake: [verdachte] |
1. In deze zaak heb ik op 12 december 2017 geconcludeerd. In deze aanvullende conclusie bespreek ik de namens de benadeelde partij nadien binnengekomen, gezien verlate verwittiging tijdig voorgestelde middelen, die opkomen tegen de beslissingen van het hof met betrekking tot de door haar ingediende vordering tot schadevergoeding, in het bijzonder tegen de beslissingen ten aanzien van het materieel gevorderde deel.
2. Het hof heeft voor zover van belang het volgende overwogen:
‘Vordering tot schadevergoeding [betrokkene 1]
In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.081,24.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft bevestiging gevorderd van het vonnis waarvan beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof, met uitzondering van de posten "dierenhuid", "laptop" en "overige". De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij wat die posten betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij - gelijk als bij de rechtbank - aangetoond dat tot een bedrag van € 2.304,24 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te' vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadéelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.554,24 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1].’
3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten aanzien van schadeposten 6. (rendierenhuid € 89,99) en 7. (laptop € 418,-) ten onrechte niet gemotiveerd heeft of het van mening is dat het niet aannemelijk is dat deze schade is geleden of dat het niet aannemelijk is dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Het tweede middel klaagt dat het hof zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege het feit dat de vordering niet met bewijsstukken is onderbouwd, de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, terwijl het hof zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. De middelen worden gezamenlijk besproken.
4. Voor zover het eerste middel er van uit gaat dat het hof schadepost 6. (rendierenhuid) niet heeft toegewezen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest. Immers, naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij - gelijk als bij de rechtbank - aangetoond dat tot een bedrag van € 2.304,24 materiële schade is geleden. Dit bedrag is de uitkomst van de optelsom van de gevorderde schadebedragen van de voorwerpen in het voegingsformulier waarbij het schadebedrag concreet is opgegeven, minus het schadebedrag ten aanzien van de laptop (€ 418,-) en de trolley (€ 109,-), terwijl de rechtbank in haar vonnis onder meer heeft overwogen dat de rechtbank de vordering zal toewijzen met uitzondering van de post laptop (post 7) en tevens verminderd met de kosten voor de trolley als onderdeel van de post bedtextiel (post 3).
5. Blijkens de laatste zinsnede in de schriftuur van de benadeelde partij gaat deze er vanuit dat het verzoek om vergoeding van de schade aan de laptop is afgewezen. Ook deze opvatting berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers, zoals hiervoor uiteengezet, de vordering voor het overige deel niet afgewezen, maar de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en naar de burgerlijke rechter verwezen, nu beoordeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
6. Onder de door het hof gebezigde term ‘overige’ vallen derhalve de laptop en de goederen ten aanzien waarvan namens de benadeelde partij is betoogd dat de rechter ex art. 6:97 BW de schade kan schatten. Deze goederen betreffen blijkens het voegingsformulier (en als zodanig weergegeven):
‘-TV
-TV-kast
-Playstation
-Diverse playstation spellen
-Dvd speler
-Diverse Dvd’s
-Gordijnen
-Tapijt
-Foto’s en fotolijsten’
7. Op grond van het bepaalde in art. 361, derde lid, Sv welke bepaling ingevolge art. 415 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het hof heeft bij diens oordeel dan ook de juiste maatstaf gehanteerd.
8. Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.1.De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.2.Het oordeel van het hof komt mij ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk voor, in aanmerking genomen de grote hoeveelheid (deels elektronische) goederen, waarbij bovendien ten aanzien van het overgrote deel ook in hoger beroep geen nadere gegevens zijn verstrekt, bijvoorbeeld in de zin van jaartallen (tv, playstation en dvd-speler) en (ten aanzien van ‘diverse dvd’s’ en ‘diverse playstation spellen’) hoeveelheden en tevens gelet op het verhandelde ter zitting, waaruit blijkt dat de raadsvrouw van de verdediging zich tegen toewijzing van de schadepost ‘laptop’ en de niet nader geconcretiseerde schadeposten verzet. De omstandigheid dat de rechter de bevoegdheid heeft de omvang van de schade te schatten, doet mijns inziens aan het vorenstaande niet af.
9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑02‑2018
HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW3751, NJ 2012, 451 en HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012, 520, m.nt. B.F. Keulen. Zie ook HR 12 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2329.
Conclusie 12‑12‑2017
Inhoudsindicatie
Poging moord en opzettelijk ontploffing teweegbrengen door het ’s nachts werpen van een handgranaat in een woning, art. 289 en 157 Sr. Motiveringsklacht m.b.t. opzet op levensberoving. Middelen b.p. m.b.t. motivering gedeeltelijke toewijzing vordering b.p. en oordeel Hof dat behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. HR: art. 81.1 RO.
Nr. 16/05233 Zitting: 12 december 2017 | Mr. J. Silvis Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 28 september 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “poging tot moord”, 2 “opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en 5. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen omtrent inbeslaggenomen voorwerpen; de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt ten aanzien van de bewezenverklaring onder 1. dat het opzet niet voldoende uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de verwerping van het verweer dat verdachte de handgranaat pas de slaapkamer in heeft gegooid nadat hij had vastgesteld dat [betrokkene 1] niet in die kamer aanwezig was, onvoldoende met redenen is omkleed.
Het hof heeft ten aanzien van verdachte onder 1. bewezenverklaard dat:
‘hij op 25 mei 2012 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een handgranaat van de pin heeft ontdaan en vervolgens die handgranaat in de woning van [betrokkene 1] heeft gegooid en tot ontploffing heeft gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid’
en onder 2. dat:
‘hij op 25 mei 2012 te ’s-Gravenhage opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht in een woning gelegen aan de [a-straat] door een handgranaat van de pin te ontdoen en vervolgens in die woning te gooien, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die woning aanwezige inboedel/inrichting te duchten was, en levensgevaar voor [betrokkene 1] te duchten was’.
5. In zijn arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
‘Algemeen
Op grond van de uit vorenstaande bewijsmiddelen volgende feiten staat vast dat de verdachte op 25 mei 2012 rond 03.00 uur in de [a-straat] te Den Haag een fragmentatiegranaat tot ontploffing heeft gebracht door de pin uit die granaat te verwijderen. Die ontploffing heeft bovendien plaatsgevonden in de slaapkamer van een aan die straat gelegen woning, en wel als gevolg van het feit dat de verdachte de granaat, na het verwijderen van de pin daarvan, in die slaapkamer heeft geworpen. Op het moment dat de verdachte de granaat in de slaapkamer gooide wist hij dat in die woning [betrokkene 1] woonachtig was, terwijl zijn handelen was gebaseerd op een daartoe tevoren opgevat plan. De aan de verdachte ten laste gelegde feiten onder 2 en 4 zijn daarmee in elk geval wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat het hof wat het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen acht dat door het teweeg brengen van de ontploffing gemeen gevaar van goederen te duchten was en levensgevaar voor [betrokkene 1]. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de ontploffing gevaar voor de omliggende woningen en/of de bewoners van die omliggende woningen heeft opgeleverd, nu afdoende technisch bewijs daarvoor ontbreekt.
(…)
De vorenstaande feiten wijzen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, daarnaast onmiskenbaar in de richting van een opzettelijk en met voorbedachte raad gedane poging van de verdachte om de bewoner van het desbetreffende huis, [betrokkene 1], van het leven te beroven (zoals onder 1 is ten laste gelegd), met name nu het incident plaatsvond rond 03.00 uur in de nacht, een tijdstip waarop de verdachte er van kon en moest uitgaan dat de bewoner zich in de slaapkamer zou bevinden. De geciteerde bewijsmiddelen leveren dan ook wettig bewijs op voor het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde feit, tenzij op grond van andere feiten en/of omstandigheden zou komen vast te staan dat bij de verdachte ieder opzet op levensberoving van [betrokkene 1] heeft ontbroken.
Opzet van de verdachte
Door de verdediging is betoogd dat bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet op levensberoving van [betrokkene 1]. De verdediging verwijst ter onderbouwing van dit; verweer naar de verklaring’ die de verdachte op 31 mei 2013 als getuige in de zaak van [betrokkene 2] heeft afgelegd, welke verklaring hij vervolgens ter terechtzittingen in eerste aanleg van 12 juli 2013 en 3 oktober 2013 alsmede ter terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2016 als zijn daar afgelegde verklaring heeft bevestigd. De verdediging grondt het beroep op afwezigheid van opzet op levensberoving van [betrokkene 1] meer in het bijzonder op twee onderdelen van die verklaring.
In de eerste plaats verklaart de verdachte dat hij zich noch ten tijde van de aankoop van de handgranaat noch daarna bewust was van het feit dat hij een fragmentatiehandgranaat ter beschikking kreeg. De verdachte heeft, aldus zijn verklaring, aan de verkoper gevraagd om "iets wat een flinke klap zou geven met rook erbij". De verdachte doelde daarbij op "een soort flash bang", (slechts) bedoeld om iemand te laten schrikken, en iets dergelijks had hij in zijn gedachten ook aangeschaft, aldus zijn verklaring. In de tweede plaats kan volgens de verdediging van opzet geen sprake zijn omdat de verdachte heeft verklaard dat hij, aangekomen bij het huis van [betrokkene 1], via het openstaande raam van de slaapkamer, na het opzij schuiven van het gordijn, heeft vastgesteld dat er niemand in die slaapkamer aanwezig was en pas na en vanwege die vaststelling de granaat in de slaapkamer heeft gegooid. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bovendien verklaard dat hij op voorhand niet wist dat de kamer waarin hij een handgranaat heeft gegooid de slaapkamer was.
Het hof stelt vast dat het zojuist weergegeven verweer uitsluitend is gebaseerd op de eigen verklaring van de verdachte. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die deze verklaring op de punten waar het nu om gaat ondersteunen en dat is ook niet door de verdediging betoogd. De gegrondheid van het verweer staat of valt dan ook met de geloofwaardigheid van deze verklaring van de verdachte.
Bij de beoordeling van die geloofwaardigheid neemt het hof, evenals de rechtbank, om te beginnen in aanmerking dat de verdachte zich vanaf zijn aanhouding op 14 augustus 2012 consequent op zijn zwijgerecht heeft beroepen en in het geheel niets heeft willen verklaren over de. tegen hem gerezen verdenkingen. Tot 31 mei 2013 heeft hij dan ook geen enkele verklaring afgelegd over de gebeurtenissen op 25 mei 2012 en wat daaraan vooraf is gegaan. Het stond de verdachte uiteraard vrij zich op zijn zwijgrecht te beroepen, maar dat neemt niet weg dat het late tijdstip waarop hij uiteindelijk de verklaring heeft afgelegd waarop nu een beroep wordt gedaan, niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de inhoud daarvan, te minder nu de verdachte desgevraagd voor het afleggen van die verklaring op dat late tijdstip geen deugdelijke reden heeft opgegeven. Daar komt bij dat de op 31 mei 2013 afgelegde verklaring op het hof de indruk maakt van een verklaring die, nadat uitgebreid is kennisgenomen van en nagedacht over de inhoud van het inmiddels afgeronde dossier, volstrekt is toegesneden op het geven van een verklaring voor omstandigheden die de verdachte kennelijk beschouwde als voor hem mógelijk belastend, nadat het de verdachte duidelijk was geworden, bijvoorbeeld door de ontdekking van zijn DNA en sporen van TNT op een bij hem aangetroffen trui, dat het mogelijk geen zin meer had te betwisten dat hij degene was die de handgranaat had gegooid. Ook hier geldt dat het kiezen van deze proceshouding de verdachte volledig vrijstaat, maar dat dit wel met zich brengt dat het hof niet op voorhand kan uitgaan van de juistheid van de inhoud van deze door de verdachte afgelegde verklaring.
Vervolgens is van belang dat de verdachte weliswaar verklaart over de aankoop van de granaat, maar desgevraagd en bij herhaling heeft geweigerd te antwoorden op vragen over de omstandigheden waaronder hij de granaat heeft aangekocht en de persoon van wie hij die granaat heeft verkregen. Ook dat stond hem vrij, maar het gaat hier nu juist om omstandigheden die bij uitstek van belang zijn voor de controleerbaarheid en geloofwaardigheid van zijn stelling dat hij in het geheel niet wist met een fragmentatiegranaat van doen te hebben. Het ontbreken van die controleerbaarheid doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn betoog op dit punt.
Tenslotte merkt het hof, in navolging van de rechtbank, ook op inhoudelijke gronden de onderdelen van de verklaring van de verdachte waarop hij zich beroept aan als - hoewel niet onmogelijk - dermate onaannemelijk dat die zonder verdere onderbouwing - die is uitgebleven - niet als geloofwaardig kunnen worden beschouwd. Het is immers nauwelijks voorstelbaar dat de koper van een niet- levensbedreigende "flash bang granaat" niet dat object geleverd krijgt, maar in plaats daarvan een veel gevaarlijker, immers, naar algemeen bekend bij gebruik op korte afstand dodelijke, fragmentatiehandgranaat, en dan nog wel een van een zodanige kwaliteit dat die bij de Nederlandse Strijdkrachten in gebruik is.
Ook hecht het hof geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat hij de granaat pas in dé slaapkamer heeft geworpen nadat en omdat hij had vastgesteld dat zich daar geen personen bevonden.
Voorts acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij op voorhand niet wist dat de kamer waarin hij een handgranaat heeft gegooid de slaapkamer was, ongeloofwaardig, gelet op de omstandigheid dat de verdachte naar eigen zeggen zijn daad goed had voorbereid, en op de omstandigheid dat hij deze verklaring éérst ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte de handgranaat bewust in de slaapkamer van de betreffende woning gegooid. Gelet op het tijdstip (3 uur 's nachts) kon hij er op rekenen dat [betrokkene 1] zich in die slaapkamer zou bevinden.
8. Conclusie
Het hof acht gelet op het voorgaande de verklaring van de verdachte dat hij –kortgezegd - geen opzet had op levensberoving van [betrokkene 1], ongeloofwaardig. Het hof is dan ook van oordeel dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend is bewezen.’
6. In de toelichting op het middel wordt gewezen op de overweging van het hof dat - kort gezegd - de bewijsmiddelen wettig bewijs opleveren voor het aan de verdachte onder 1. tenlastegelegde feit, tenzij op grond van andere feiten en/of omstandigheden zou komen vast te staan dat bij de verdachte ieder opzet op levensberoving van [betrokkene 1] heeft ontbroken. Die laatste zinsnede getuigt volgens de toelichting van een onjuiste rechtsopvatting van het hof, aangezien verdachte daarmee de bewijslast krijgt opgedrongen terwijl verdachte zijn stelling, dat hij geen opzet heeft gehad op het tenlastegelegde, niet hoeft te bewijzen maar slechts aannemelijk hoeft te maken.
7. Het middel gaat er aan voorbij dat de overweging ‘tenzij op grond van andere feiten en/of omstandigheden zou komen vast te staan dat bij de verdachte ieder opzet op levensberoving van [betrokkene 1] heeft ontbroken’ niet inhoudt dat volgens het hof het bewijs van opzet geleverd is, tenzij verdachte aantoont dat hij geen opzet heeft gehad. Door de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden tot uitgangspunt te nemen voor het oordeel dat bewezen is dat sprake is van een poging tot moord en de verklaring van de verdachte dat bij hem geen opzet aanwezig is geweest aan te merken als dermate onaannemelijk dat die zonder verdere onderbouwing, die is uitgebleven, niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, heeft het hof de bewijslast ten aanzien van het opzet niet op de verdachte gelegd. Van omkering van de bewijslast is derhalve geen sprake.1.
8. De toelichting op het middel houdt voorts in dat – anders dan het hof doet – niet kan worden gezegd dat de feiten slechts in de richting van opzet wijzen, nu vaststaat dat de bewoner zich niet in de slaapkamer bevond en verdachte heeft verklaard dit te hebben waargenomen voordat hij de handgranaat in de slaapkamer gooide. Hiermee gaat het middel voorbij aan de omstandigheid dat het hof die verklaring van verdachte als ongeloofwaardig heeft beoordeeld, hetgeen de feitenrechter vrij staat, terwijl het hof zijn oordeel op dit punt bovendien van een uitgebreide motivering heeft voorzien.2.
9. De omstandigheid dat het hof de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig heeft bestempeld wordt in het vervolg van de toelichting wel als uitgangspunt genomen. Betoogd wordt ten eerste dat op dit punt een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is aangevoerd waarop het hof slechts heeft gereageerd door te overwegen dat de verklaring niet wordt ondersteund door feiten en omstandigheden die de verklaring ondersteunen.
10. Hiermee gaat het middel er aan voorbij dat het hof hiernaast heeft overwogen dat de gegrondheid van het verweer staat of valt met de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte en dat het hof vervolgens uitgebreid heeft uiteengezet dat het onderdelen van die verklaring, gelet op verschillende aspecten van de door verdachte aangenomen proceshouding, alsook gelet op inhoudelijke gronden, dermate onaannemelijk acht dat die zonder verdere onderbouwing – die is uitgebleven – niet als geloofwaardig kunnen worden beschouwd.
11. Voor zover in de toelichting nog wordt gesteld dat naar de mening van verdachte zijn verklaring, anders dan het hof, niet onaannemelijk is, geldt dat selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter; dat het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof op dit punt met redenen is omkleed en dat dit feitelijke verweer niet in cassatie opnieuw kan worden beoordeeld.
12. Voorts wordt in de toelichting betoogd dat niet kan worden gesteld dat het verweer uitsluitend op de verklaring van verdachte berust, nu immers vaststaat dat [betrokkene 1] niet aanwezig was in de kamer op het moment dat verdachte de handgranaat gooide; dat verdachte voorwerpen en de locatie daarvan in de slaapkamer heeft kunnen beschrijven en er door de verdediging op is gewezen dat uit gegevens volgt dat verdachte de gehele kamer heeft kunnen overzien.
13. Het oordeel van het hof dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de verklaring van verdachte ondersteunen is niet onbegrijpelijk. Van de omstandigheid dat achteraf is gebleken dat er niemand in de slaapkamer aanwezig was kan immers moeizaam gezegd worden dat dat het betoog, dat verdachte zich daarvan ook daadwerkelijk vóór het gooien van de handgranaat van op de hoogte heeft gesteld en verdachte bovendien vanwege die vaststelling hiertoe is overgegaan, ondersteunt. In dit verband wijs ik op de niet onbegrijpelijke overweging van het hof dat - kort gezegd - de verklaring van verdachte waarop een beroep wordt gedaan op het hof de indruk maakt van een verklaring die, nadat uitgebreid is kennisgenomen van en nagedacht over de inhoud van het inmiddels afgeronde dossier, volstrekt is toegesneden op het geven van een verklaring voor omstandigheden die de verdachte kennelijk beschouwde als voor hem mogelijk belastend, nadat het de verdachte duidelijk was geworden, dat het mogelijk geen zin meer had te betwisten dat hij degene was die de handgranaat had gegooid.
14. Ook overigens kan het opzet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewijsmiddelen houden onder meer in dat verdachte om 03.00 uur ’s nachts een fragmentatiehandgranaat, tevens in gebruik bij de Nederlandse Strijdkrachten en ten aanzien waarvan het hof heeft overwogen dat deze bij gebruik op korte afstand dodelijk is, in de slaapkamer van de woning van [betrokkene 1] heeft gegooid met een explosie tot gevolg en dat het handelen van verdachte was gebaseerd op een daartoe tevoren opgevat plan. Het hof heeft daarnaast uitvoerig uiteengezet dat en waarom het de verklaring van verdachte, dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij ‘slechts’ een flashbang en niet een handgranaat naar binnen gooide en dat hij de handgranaat de slaapkamer in heeft gegooid nadat en omdat hij had gezien dat daar niemand aanwezig was, ongeloofwaardig acht. Voorts heeft het hof overwogen dat en waarom het de verklaring van verdachte dat hij niet op voorhand wist dat het de slaapkamer betrof ongeloofwaardig acht, alsmede dat de verdachte de handgranaat bewust in de slaapkamer heeft gegooid, waarbij hij er gelet op het tijdstip op kon rekenen dat die [betrokkene 1] zich in de slaapkamer zou bevinden. De bewezenverklaring is wat betreft het bewezenverklaarde opzet derhalve voldoende met redenen omkleed.
15. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2017
Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471.
Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, rov. 2.5.