Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL26.23288
ECLI:NL:RBDHA:2026:10840
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL26.23288
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10840, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewaring EU-onderdaan – ernstige gebreken in het direct aan de maatregel voorafgegane strafrechtelijk voortraject moeten onder omstandigheden wel door de bewaringsrechter (kunnen) worden beoordeeld omdat dit wel de rechtmatigheid van de aansluitende vrijheidsontneming op administratieve gronden kan regarderen. Uit de justitiële documentatie van eiser blijkt dat eiser is gedagvaard ten aanzien van de vernieling waar het strafrechtelijk voortraject op zag. Eiser heeft reeds toegang tot de strafrechter die eventuele gebreken kan compenseren en daarom acht de rechtbank het niet nodig om het strafrechtelijk voortraject te betrekken bij de beoordeling van de te toetsen bewaringsmaatregel. – verweerder handelt voortvarend maar de rechtbank gaat er van uit er onverwijld na de bekendmaking van deze uitspraak zal worden gerappelleerd op het T&O-verzoek omdat verweerder na een akkoord van de Poolse autoriteiten ook nog een vlucht zal moeten aanvragen. - De rechtbank heeft ambtshalve aan de orde gesteld dat de maatregel die in het dossier is gevoegd, niet te valideren is met de software die de rechtbank ter beschikking wordt gesteld en heeft verweerder verzocht om na te gaan of de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. Verweerder is dit ter zitting nagegaan. – beroep ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23288
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1992, Poolse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is op 21 april 2026 aangehouden en voorgeleid als verdachte van vernieling, gepleegd op 20 februari 2026 en is aansluitend op grond van het strafrecht opgehouden voor onderzoek. Eiser is op 23 april 2026 overgenomen uit de strafrechtketen, op grond van het vreemdelingenrecht opgehouden en aansluitend in bewaring gesteld om het verwijderingsbesluit van 28 mei 2025 uit te voeren en de terugkeer naar Polen te verzekeren.
2. Eiser heeft aangevoerd dat stukken ontbreken van het strafrechtelijk voortraject en dat daardoor niet kan worden gecontroleerd op welke titel de vrijheid is ontnomen kort voorafgaand aan opleggen van de maatregel. De rechtbank overweegt dat het dossier op dit punt inderdaad niet compleet is. Gelet op de wel aanwezige stukken, zoals de M122, een proces-verbaal van verhoor dat is opgemaakt op 23 april 2026 en de M105-A, is aannemelijk dat eiser nadat hij is voorgeleid, in verzekering is gesteld en na te zijn gedagvaard, is overgedragen aan de vreemdelingenketen, maar dit kan de rechtbank niet vaststellen omdat die stukken niet aan het dossier zijn toegevoegd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven ook niet over die stukken te beschikken, maar dat dit geen probleem is omdat het strafrechtelijk voortraject door de bewaringsrechter niet bij de rechtmatigheidscontrole van de bewaringsmaatregel mag worden betrokken.
3. De rechtbank overweegt dat ernstige gebreken in het direct aan de maatregel voorafgegane strafrechtelijk voortraject onder omstandigheden wel door de bewaringsrechter moeten (kunnen) worden beoordeeld omdat dit wel de rechtmatigheid van de aansluitende vrijheidsontneming op administratieve gronden kan regarderen. In dit geval heeft echter te gelden, zoals de rechtbank ook ter zitting heeft besproken, dat uit de justitiële documentatie van eiser blijkt dat eiser is gedagvaard ten aanzien van de vernieling waar het strafrechtelijk voortraject op zag. In dit geval kan eiser dus bij de strafrechter klagen over het voortraject en kunnen mogelijke gebreken in dat traject door de strafrechter worden betrokken bij de behandeling van en uitspraak in die strafzaak. Onder die omstandigheden heeft eiser reeds toegang tot de rechter die eventuele gebreken kan compenseren en acht de rechtbank het niet nodig om het strafrechtelijk voortraject te betrekken bij de beoordeling van de te toetsen bewaringsmaatregel.
4. In de maatregel van bewaring is overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit, als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft het onttrekkingsrisico betwist. Deze grond slaagt niet. Eiser stelt dat hij na de uitreiking in persoon op 17 december 2025 van de beschikking 28 mei 2025 naar Duitsland is vertrokken, daar een aantal maanden heeft verbleven en op dag van de strafrechtelijke aanhouding alleen in Nederland was om zijn spullen op te halen. De rechtbank stelt vast dat eiser deze stellingen niet heeft onderbouwd zodat verweerder er van uit mag gaan dat eiser na deze uitreiking in Nederland is gebleven. Eiser heeft na ommekomst van de termijn om uit Nederland te vertrekken geen melding gemaakt van zijn voortgezette feitelijke verblijf. Zware gronden 3b en 3c zijn dus terecht opgevoerd en onderbouwen gezamenlijk reeds het onttrekkingsrisico. De drie lichte gronden zijn ook terecht opgevoerd en ook dit is, net als de zware gronden, deugdelijk in de maatregel gemotiveerd. De ‘overlap’ tussen zware grond 3b en lichte grond 4a betekent niet dat deze gronden -in deze concrete procedure- niet zelfstandig deel kunnen uitmaken van de onderbouwing van het onttrekkingsrisico. Lichte grond 4a vereist een concrete motivering van de verplichtingen waaraan eiser zich niet zou hebben voldaan en aan dat motiveringsvereiste is voldaan.
6. Eiser heeft als meer subsidiair standpunt aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn terugkeer naar Polen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat eiser weliswaar reeds gedurende enkele maanden verplicht was om eigen beweging te vertrekken, maar dat dit niet afdoet aan de verplichting van verweerder om eiser terug te laten keren naar Polen en hierbij het terugkeerproces voortvarend ter hand te nemen. Eiser is een EU-onderdaan en daarom gelden er ten aanzien van het vereiste van voortvarend handelen striktere eisen. Eiser is op 23 april 2026 in bewaring gesteld, op 28 april 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en op 30 april 2026 heeft verweerder een T&O-verzoek verzonden aan de Poolse autoriteiten. De rechtbank acht dit -net- voldoende voortvarend, ondanks dat verweerder door de M122 op de hoogte was van de komst van eiser en op de hoogte was dat eiser dus in weerwil van de zogenoemde drangbeschikking in Nederland is aangetroffen. Eiser heeft terecht aangevoerd dat verweerder niet kan volstaan met het indienen van een T&O-verzoek, maar dat verweerder ook zal moeten rappelleren op dit verzoek als de Poolse autoriteiten niet met de gebruikelijke snelheid reageren op dit verzoek. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat niet bekend is dat er al is gerappelleerd. De rechtbank gaat er van uit dat er onverwijld na de bekendmaking van deze uitspraak zal worden gerappelleerd op het T&O-verzoek omdat verweerder na een akkoord van de Poolse autoriteiten ook nog een vlucht zal moeten aanvragen. Vooralsnog maakt het tot op heden niet rappelleren op dit verzoek de bewaring niet onrechtmatig. Indien verweerder tot na het weekend van 9/10 mei 2026 wacht met rappelleren, moet niet uitgesloten worden geacht dat een volgende rechtmatigheidscontrole daardoor tot opheffing van de maatregel zal leiden.
7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank heeft ambtshalve aan de orde gesteld dat de maatregel die in het dossier is gevoegd, niet te valideren is met de software die de rechtbank ter beschikking wordt gesteld en heeft verweerder verzocht om na te gaan of de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. Verweerder is dit ter zitting nagegaan en heeft medegedeeld dat de handtekening kan worden gevalideerd en dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend. Gemachtigde van eiser is in de gelegenheid gesteld om ‘mee te kijken’ op het scherm van gemachtigde van verweerder, maar heeft daarop aangegeven niet te twijfelen aan de mededeling van gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft ook uitgesproken uit te gaan van die mededeling. De rechtbank heeft de overige rechtmatigheidsvereisten gecontroleerd en stelt vast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en tot aan het sluiten van het onderzoek rechtmatig heeft voortgeduurd.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 mei 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.