HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR, 20-11-2012, nr. 10/03783 P
ECLI:NL:HR:2012:BY0196
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
20-11-2012
- Zaaknummer
10/03783 P
- Conclusie
Mr. Hofstee
- LJN
BY0196
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BY0196, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY0196
ECLI:NL:HR:2012:BY0196, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑11‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY0196
- Vindplaatsen
Conclusie 20‑11‑2012
Mr. Hofstee
Partij(en)
Nr. 10/03783 P
Mr. Hofstee
Zitting: 25 september 2012
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1.
Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 11 augustus 2010 het door de betrokkene, ter zake - kort samengevat - "het medeplegen van het telen en bewerken van een groot aantal hennepplanten in de periode van 1 januari 2005 tot en met 8 november 2006", "het medeplegen van het telen van een groot aantal hennepplanten op 9 november 2006" en "het verkopen, vervoeren en afleveren van 36 kilo hennep op 8 november 2006" wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 229.200,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
2.
Namens de betrokkene heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte en onbegrijpelijk heeft overwogen dat de extra kosten die zijn gemaakt in verband met het illegaal aftappen van de elektriciteit te ver verwijderd zijn van de hennepteelt en niet als directe kosten in aanmerking komen voor aftrek.
4.
Blijkens het proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2010 hebben verzoeker en zijn raadsman toen en aldaar het woord ter verdediging gevoerd. Daarin is geen verweer gevoerd met betrekking tot de elektriciteit als kostenpost. Wel wordt daarover iets gezegd in de memorie van grieven van de raadsman van 3 juni 2010 (p. 6), welk stuk op die terechtzitting door de voorzitter aan de orde is gesteld en aan het zittingsverbaal is gehecht, maar ook weer niet meer dan dat de kosten van elektriciteit moeten worden afgetrokken van het te ontnemen bedrag. Van enige onderbouwing of specificatie is in het geheel geen sprake.
5.
In zijn bestreden arrest heeft het Hof overwogen, voor zover hier relevant:
"Kosten elektriciteit
Anders dan door de raadsman gesteld, brengt het hof overeenkomstig het vonnis in eerste aanleg de aan Essent bij arrest van dit hof van 4 februari 2008 in de strafzaak toegewezen vordering niet volledig in mindering op het wederrechtelijk voordeel.
Wel acht het hof het redelijk om, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, de aanvankelijk door de diefstal bespaarde elektriciteitskosten alsnog als kosten op de opbrengst in mindering te brengen, voor zover het gaat om de energievoorziening die in directe relatie staat tot het kweken van de hennep waarover het voordeel is berekend. Het gaat om een bedrag van € 38.635,28. De extra kosten die zijn gemaakt in verband met het illegaal aftappen van de elektriciteit en het herstel in de legale toestand, zijn te ver verwijderd van de hennepteelt en komen niet als directe kosten in aanmerking voor aftrek.
Aldus resteert een aan veroordeelde toe te rekenen wederrechtelijk voordeel van € 267.901,50 - € 38.635,28 = € 229.266,22, afgerond € 229.200."
6.
Vooropgesteld dient te worden dat uit HR 15 november 2005, LJN AU2230 het volgende blijkt. Bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen slechts de kosten die in directe relatie staan tot het delict gelden als kosten die voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter grote vrijheid gelaten of en zo ja in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Wanneer evenwel door of namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in geval van verwerping van dat verweer in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.
7.
Het Hof heeft ten voordele van de betrokkene rekening gehouden met de aanvankelijk bespaarde elektriciteitskosten die in directe relatie staan tot het kweken van de hennep. Naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld zijn de overige door de betrokkene gemaakte elektriciteitskosten, die kennelijk verband houden met de toewijzing van de vordering van Essent als benadeelde partij in de hoofdzaak, te ver verwijderd van de hennepteelt. Aldus heeft het Hof terecht en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat deze overige (extra) kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten die in directe relatie staan tot het delict. Ik meen dat dit oordeel van het Hof geen nadere motivering behoeft, waarbij ik mede in aanmerking neem dat, zoals hierboven onder 4 al opgemerkt, ter terechtzitting verzoeker en zijn raadsman op dit punt geen verweer hebben gevoerd.
8.
Het middel faalt.
9.
Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn.
10.
Het cassatieberoep is ingesteld op 13 augustus 2010. Blijkens een op de aanbiedingsbrief van de processtukken geplaatst stempel zijn de stukken van het geding eerst op 10 november 2011 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met bijna zeven maanden is overschreden. Dit tijdverlies kan bovendien niet door een voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd.1.
11.
Het middel is terecht voorgesteld.
12.
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in die zin eveneens is overschreden.
13.
Andere ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
14.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑11‑2012
Uitspraak 20‑11‑2012
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. HR: 81 RO en vermindering van de opgelegde betalingsverplichting i.v.m. de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
Partij(en)
20 november 2012
Strafkamer
nr. S 10/03783 P
KM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 augustus 2010, nummer 21/001908-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van dat bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 229.200,-.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 224.200,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 november 2012.