HR, 09-07-2024, nr. 22/00898
ECLI:NL:HR:2024:904
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/00898
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:904, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:522
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit valselijk opmaken van vaccinatieverklaringen en andere strafbare feiten. Rechtsgeldigheid van intrekking van hoger beroep van ontbonden maatschap, art. 528.2 Sv. Hof heeft betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat h.b. is ingetrokken. Is h.b. rechtsgeldig namens betrokkene ingetrokken? Om redenen vermeld in HR:2024:903 faalt middel. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 22/00899.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00898 P
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2022, nummer 21-005978-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft K.J. Breedijk, advocaat in Tilburg, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het hoger beroep.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/00899, ECLI:NL:HR:2024:903.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.