Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6558.
HR, 29-11-2024, nr. 23/04246
ECLI:NL:HR:2024:1773
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2024
- Zaaknummer
23/04246
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1773, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:6558
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:967
ECLI:NL:PHR:2024:967, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1773
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑11‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2024-0104
JIN 2025/26 met annotatie van Mr. P.H. Bossema-De Greef
JOR 2025/75 met annotatie van prof. mr. drs. C.M. Harmsen
JBPr 2025/5 met annotatie van mr. G.J. Harryvan
TvPP 2025/13, p. 88 met annotatie van J.T. Maat
JBPr 2025/5 met annotatie van mr. G.J. Harryvan
Uitspraak 29‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Bewijsrecht. Art. 843a Rv. Vordering tot inzage in bescheiden die behoren tot eigen administratie van eisers. Klachten over maatstaf die hof heeft aangelegd bij beoordelen van inzagevordering.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04246
Datum 29 november 2024
ARREST
In de zaak van
1. BELBA B.V.,
gevestigd te Schuinesloot,
hierna: Belba,
2. A/B FINANCIËN B.V.,
gevestigd te Almelo,
3. [de man] H.O.D.N. [A],
wonende te [woonplaats],
hierna: de man,
4. BELBA V.O.F.,
gevestigd te Almelo,
5. STICHTING KAPITUUR,
gevestigd te Aadorp,
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: Belba c.s.,
advocaat: J. de Jong van Lier,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/08/268533 / HA ZA 21-297 van de rechtbank Overijssel van 6 juli 2022 en 31 augustus 2022;
b. het arrest in de zaak 200.317.318 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 augustus 2023.
Belba c.s. hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De zaak is voor Belba c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging en verwijzing van de zaak.
De advocaat van Belba c.s. heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn van 1995-2014 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest. Zij zijn beiden aandeelhouder in Belba. Belba c.s. hielden kantoor althans hielden hun administratie in het voormalig gezamenlijke huis van de man en de vrouw, waar de vrouw nu nog woont. Op enig moment is het kantooradres van Belba c.s. naar elders verplaatst.
(ii) De relatie tussen de man en de vrouw is verslechterd en de vrouw heeft de man de toegang tot het huis ontzegd. Volgens Belba c.s. is een groot gedeelte van de administratie, bestaande uit fysieke mappen met stukken en uit digitale bestanden, in het huis van de vrouw achtergebleven. Belba c.s. willen toegang tot deze administratie en afgifte van de originele stukken.
(iii) Belba c.s. hebben verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van de vrouw. Zij hebben primair verzocht om verlof tot het leggen van beslag tot afgifte, subsidiair bewijsbeslag, op hun administratie die zich bevindt in het kantoor en de woning van de vrouw, bestaande uit fysieke en digitale documenten. Tevens hebben zij verzocht dat DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris) gemachtigd wordt om de beslagen documenten digitaal te kopiëren en die vervolgens in gerechtelijke bewaring te nemen.
(iv) Het verlof is verleend als verzocht. Belba c.s. hebben op 5 maart 2021 conservatoir beslag bij de vrouw gelegd op alle afschriften van relevante documentatie, kopieën van elektronische data en originele gegevensdragers, alsmede alle schriftelijke bescheiden die – op basis van uiterlijke kenmerken – aantoonbaar betrekking hebben op de administratie van Belba c.s.
(v) Blijkens een proces-verbaal van 5 maart 2021 heeft de deurwaarder de in beslag genomen documenten en data aan DigiJuris in bewaring in gegeven. De documenten zijn door DigiJuris gescand en de elektronische datadragers zijn gekopieerd.
(vi) Bij proces-verbaal van 1 juni 2021 is een nadere aanduiding gegeven van de in beslag genomen gegevens. Uit het proces-verbaal volgt dat de deurwaarder zich op 1 juni 2021 heeft begeven naar het kantoor van DigiJuris, teneinde op basis van de hiervoor genoemde verlofbeschikking voor het beslag en zoektermen een selectie te maken uit de in beslag genomen gegevens. Het beslag omvat ongeveer tien miljoen bestanden. Op basis van de beschikking en de genoemde zoektermen heeft de deurwaarder 650.252 bestanden aangemerkt die aan een of meer criteria voldoen. De bestanden die de deurwaarder heeft geselecteerd, heeft DigiJuris opgeslagen op een aparte gegevensdrager. Verder staat in het proces-verbaal dat DigiJuris de gegevens van de geselecteerde bestanden, waaronder de bestandsnamen, in een Excelbestand heeft geplaatst, waarvan een kopie digitaal aan zowel Belba c.s. als de vrouw zal worden verstrekt. Ten slotte staat in het proces-verbaal dat de deurwaarder thans de gegevensdrager met serienummer WDE5RHP9 met daarop 650.252 bestanden in conservatoir beslag heeft genomen en dat de gegevensdrager in gerechtelijke bewaring is gegeven aan DigiJuris.
2.2
Belba c.s. vorderen in deze procedure onder meer te bepalen dat Belba c.s. op de voet van art. 843a Rv toegang krijgen tot de bestanden beschreven op het hiervoor in 2.1 onder (vi) genoemde Excelbestand (vordering I). Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat het gaat om hun administratie. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
2.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd wat betreft de afwijzing van de hiervoor in 2.2 genoemde vordering I.1.Het hof heeft ook beslist over de door Belba c.s. bij wijziging van eis bij de rechtbank ingestelde vordering tot het verkrijgen van toegang tot de gegevensdrager met daarop de 650.252 geselecteerde bestanden (vordering IIIb). De rechtbank had over vordering IIIb nog niet beslist. Het hof heeft deze vordering afgewezen. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof het volgende overwogen.
Belba c.s hebben op grond van art. 843a Rv geen recht op inzage in de gevraagde stukken en bestanden. Dat betekent dat het oorspronkelijke bewijsbeslag gelegd op 5 maart 2021 ten onrechte is gelegd en vordering I moet worden afgewezen. (rov. 2.4)
Art. 843a Rv bepaalt dat iemand inzage in gegevens van een ander kan vorderen als aan bepaalde eisen is voldaan. Het moet gaan om gegevens die verband houden met een rechtsbetrekking waarbij degene die de gegevens wil inzien partij is, het moet gaan om voldoende bepaalde gegevens en degene die inzage wil moet daar rechtmatig belang bij hebben. Tussen deze begrippen bestaat samenhang: om te kunnen beoordelen of er rechtmatig belang bestaat moet duidelijk zijn ten aanzien van welke rechtsbetrekking en voor welke bestanden inzage wordt gevorderd. (rov. 2.5)
Belba c.s. hebben deze vereisten in hun procestukken onvoldoende uitgewerkt. Zij hebben onvoldoende concreet gemaakt welke rechtsbetrekkingen waarbij zij partij zijn, hier aan de orde zijn. Belba c.s. verwijzen naar verschillende procedures tussen de vrouw en klanten van Belba c.s. en tussen de vrouw en de man, maar noemen geen concrete rechtsbetrekkingen waarbij Belba c.s. partij zijn, behalve een procedure waarin het ontslag van de man als bestuurder van de stichting Kapituur wordt gevorderd. Behalve bij de procedure over de stichting Kapituur wordt ook niet gespecificeerd wie van Belba c.s. dan bij welke rechtsbetrekking betrokken is. Bij de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat hij inzage vooral nodig heeft omdat de vrouw als geldlener geld terugvordert van “klanten” van Belba c.s., die zich vervolgens tot hem wenden. Hij wil inzage om op die manier de argumenten van de vrouw in die zaken te kunnen ontkrachten en aan te kunnen tonen dat de vrouw vervalste documenten gebruikt. Daarmee is echter onvoldoende concreet gemaakt welke rechtsbetrekkingen dan aan de orde zijn en wie van Belba c.s., en op welke manier, daar dan bij betrokken zijn. Voor al deze procedures (ook die over de stichting Kapituur) geldt dat niet wordt gespecificeerd hoe de grofweg 650.000 bestanden waarin Belba c.s. inzage wil krijgen, daaraan gerelateerd zijn. Omdat onduidelijk is op welke rechtsbetrekkingen Belba c.s. doelen bij hun verzoek en ook niet duidelijk is hoe deze bestanden daaraan dan gerelateerd zijn, kan het hof ook niet vaststellen in hoeverre Belba c.s. rechtmatig belang hebben bij de gevraagde inzage in deze bestanden. Belba c.s. stellen verder dat zij met hun vordering willen bewerkstelligen dat zij toegang krijgen tot hun administratie en dat met de gehanteerde zoektermen zo zorgvuldig mogelijk een selectie is gemaakt. Zelfs als hiermee voldoende concreet een rechtsbetrekking is geïdentificeerd, geldt dat de gehanteerde zoekvragen om de grofweg 650.000 bestanden te selecteren zodanig ruim zijn, dat het hof niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Belba c.s. hebben hun vordering gezien de betwisting door de vrouw dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering tot inzage moet daarom worden afgewezen. (rov. 2.6)
Omdat het hoger beroep deels slaagt (ten aanzien van een andere vordering dan de hiervoor genoemde vordering I), zal het hof de zaak aan zich houden en afdoen om proceseconomische redenen. (rov. 2.10)
Vordering IIIb moet worden afgewezen op dezelfde gronden als vordering I. (rov. 2.11)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel II.1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 2.6 voor de toewijsbaarheid van de vordering tot inzage ten onrechte de eis heeft gesteld dat het ervan overtuigd moet zijn dat de ongeveer 650.000 bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Een dergelijk criterium bestaat niet voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot inzage van bescheiden op de voet van art. 843a Rv, aldus het onderdeel.
3.2
Als de ruim 650.000 geselecteerde bestanden de administratie van Belba c.s. vormen of daartoe behoren, hebben Belba c.s. op de voet van art. 843a lid 1 Rv in beginsel recht op inzage in die bestanden. In dit verband moet worden aangenomen dat de administratie van een persoon bestaat uit gegevens aangaande een rechtsbetrekking waarin deze persoon partij is. Het rechtmatig belang bij inzage en het voldoende bepaald zijn van een vordering of verzoek tot inzage (hierna: inzagevordering) zijn in zo’n geval in beginsel gegeven. Het hof heeft het voorgaande op zichzelf niet miskend. Het heeft immers in zijn oordeel betrokken de omstandigheid dat Belba c.s. met hun inzagevordering beogen toegang te krijgen tot hun administratie en heeft daarbij klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat die omstandigheid voor de inzagevordering in beginsel een voldoende concrete rechtsbetrekking oplevert.
3.3
Het hof heeft de inzagevordering vervolgens afgewezen op de grond dat de zoektermen waarmee de ruim 650.000 bestanden zijn geselecteerd zodanig ruim zijn, dat het hof er niet van overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s.
3.4
Bij een inzagevordering op de voet van art. 843a Rv kan, in voorkomend geval, (mede) aan de hand van (een combinatie van) zoekwoorden worden afgebakend welke bescheiden voldoen aan de eisen van bepaaldheid en rechtmatig belang bij inzage, als bedoeld in lid 1 van die bepaling.2.Bij een grote hoeveelheid digitale bestanden – zoals in deze zaak aan de orde – valt niet uit te sluiten dat deze wijze van selecteren ertoe leidt dat sommige bestanden ten onrechte tot de geselecteerde bestanden behoren en andere bestanden ten onrechte niet. Deze omstandigheid is op zichzelf niet een voldoende reden om een inzagevordering af te wijzen. Ook in dat geval kan het rechtmatig belang van degene die inzage vordert in de aldus geselecteerde bescheiden zwaarder wegen dan het belang van degene die tegen inzage bezwaar maakt op de grond dat mogelijk niet bij alle geselecteerde bescheiden een rechtmatig belang bij inzage bestaat.
Daarbij is van belang dat ingevolge art. 843a lid 2 Rv de rechter zo nodig de wijze bepaalt waarop inzage wordt verschaft. De rechter kan onder meer nadere voorschriften geven voor te hanteren zoektermen en partijen bevelen een of meer deskundigen aan te wijzen die een selectie maken van de bescheiden waarop wel en waarop geen recht op inzage bestaat.3.De daarmee verband houdende kosten komen ingevolge art. 843a lid 1 Rv voor rekening van de partij die inzage vordert. De rechter dient in gevallen als hier aan de orde te bezien of door het geven van nadere voorschriften als hiervoor bedoeld het belang van degene die inzage vordert en het belang van degene die zich tegen die inzage verzet zo veel mogelijk met elkaar verenigd kunnen worden.
Het voorgaande laat onverlet dat een inzagevordering kan worden afgewezen indien en voor zover de wederpartij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat zich ten aanzien van bepaalde bescheiden een afwijzingsgrond als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv voordoet.4.
3.5
Uit het voorgaande volgt dat het hof de afwijzing van de inzagevordering niet kon baseren op het ontbreken van de overtuiging dat de ruim 650.000 geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Dit betekent dat onderdeel II.1 gegrond is. Daardoor kan ook de afwijzing van vordering IIIb niet in stand blijven. Die afwijzing bouwt immers voort op de afwijzing van vordering I.
3.6
Gelet op het slagen van onderdeel II.1 behoeven onderdeel I en de onderdelen II.2-A en II.2-B geen behandeling.
3.7
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 augustus 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Belba c.s. begroot op € 963,73 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de vrouw deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 29 november 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑11‑2024
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, rov. 3.1.2.
Vgl. voor dit laatste Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 53-54.
Vgl. HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, rov. 3.4.2.
Conclusie 20‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Vordering tot inzage in eigen bij een ander berustende administratie o.g.v. art. 843a Rv. Vordering voldoende specifiek en onderbouwd? Te stellen eisen. Plicht rechter om ambtshalve geschikte inzagewijze te bepalen. Inzage op andere grond dan art. 843a Rv en eigendom van de administratie? Hoger beroep tegen een deelvonnis en een na dat deelvonnis gewezen tussenvonnis waartegen geen tussentijds beroep is opengesteld. Beroep tegen tussenvonnis ontvankelijk? Belang bij dat beroep nu hof de zaak aan zich heeft gehouden o.g.v. art. 356 Rv na vernietiging tussenvonnisgedeelte van het deelvonnis?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04246
Zitting 20 september 2024
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
1. Belba B.V.,
2. A/B Financiën B.V.,
3. [eiser 3] h.o.d.n. [A] ,
4. Belba V.O.F., en
5. Stichting Kapituur,
eisers tot cassatie,
advocaat: J. de Jong van Lier,
tegen
[verweerster] ,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als Belba c.s. respectievelijk [verweerster] . Eiser tot cassatie sub 3 wordt aangeduid als [eiser 3] .
1. Inleiding
In deze zaak vorderen Belba c.s. inzage in en afgifte van hun administratie die zich volgens hen onder [verweerster] bevindt. Met het oog hierop hebben zij onder [verweerster] bewijsbeslag gelegd op een groot aantal fysieke en digitale documenten. Deze documenten zijn gescand en gekopieerd door de bewaarder bij wie de documenten zijn ondergebracht. Van de 10 miljoen onder het beslag vallende bestanden zijn er door de bewaarder aan de hand van door Belba c.s. opgestelde zoektermen ongeveer 650.000 geselecteerd en op een gegevensdrager geplaatst. Belba c.s. vorderen inzage in die gegevensdrager. Daarnaast vorderen zij afgifte van hun administratie.
Het hof heeft de vorderingen afgewezen. In cassatie komen Belba c.s. alleen op tegen de afwijzing van de vordering tot inzage. Ook klagen zij dat het hof hen niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun hoger beroep tegen een tussenvonnis dat dateert van na het deelvonnis waartegen zij zich in hoger beroep keerden.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) Deze zaak is gerelateerd aan een vechtscheiding tussen [eiser 3] en [verweerster] . [eiser 3] en [verweerster] zijn onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest vanaf 21 december 1995 tot 29 december 2014. [eiser 3] en [verweerster] zijn beiden aandeelhouder in eiser tot cassatie Belba B.V. Belba c.s. hielden kantoor althans hielden hun administratie in het voormalig gezamenlijke huis van [eiser 3] en [verweerster] in [plaats] , waar [verweerster] nu nog woont. Op enig moment is het kantooradres van Belba c.s. naar elders verplaatst.
(ii) De relatie tussen [eiser 3] en [verweerster] is verslechterd en [verweerster] heeft [eiser 3] de toegang tot het huis ontzegd. Volgens Belba c.s. is een groot gedeelte van de administratie, bestaande uit fysieke mappen met stukken en uit digitale bestanden, in het huis van [verweerster] achtergebleven. Belba c.s. willen toegang tot deze administratie en afgifte van de originele stukken.
(iii) Belba c.s. hebben op 23 februari 2021 een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van [verweerster] . Zij hebben primair verzocht om verlof tot het leggen van beslag tot afgifte, subsidiair bewijsbeslag, op hun administratie die zich bevindt in het kantoor en de woning van [verweerster] , bestaande uit fysieke en digitale documenten. Tevens hebben zij verzocht dat DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris) gemachtigd wordt om de beslagen documenten digitaal te kopiëren en die vervolgens in gerechtelijke bewaring te nemen.
(iv) Het verlof is verleend als verzocht. Belba c.s. hebben op 5 maart 2021 conservatoir bewijsbeslag bij [verweerster] gelegd op alle afschriften van relevante documentatie, kopieën van elektronische data en originele gegevensdragers, alsmede alle schriftelijke bescheiden die – op basis van uiterlijke kenmerken – aantoonbaar betrekking hebben op de administratie van Belba c.s.
(v) Bij proces-verbaal van 5 maart 2021 heeft de deurwaarder de in beslag genomen documenten en data aan DigiJuris in bewaring in gegeven. De documenten zijn door DigiJuris gescand en de elektronische datadragers zijn gekopieerd
(vi) Bij proces-verbaal van 1 juni 2021 is een nadere aanduiding gegeven van de in beslag genomen gegevens. Uit het proces-verbaal volgt dat de deurwaarder zich op 1 juni 2021 heeft begeven naar het kantoor van DigiJuris, teneinde op basis van de hiervoor genoemde verlofbeschikking voor het beslag en zoektermen een selectie te maken uit de in beslag genomen gegevens. Het beslag omvat ca. 10 miljoen bestanden. Op basis van de beschikking en de genoemde zoektermen heeft de deurwaarder 650.252 bestanden aangemerkt die aan een of meerdere criteria voldoen. De door de deurwaarder geselecteerde bestanden zijn door DigiJuris opgeslagen op een aparte gegevensdrager. Verder staat in het proces-verbaal dat de gegevens van de geselecteerde bestanden, waaronder de bestandsnamen, door DigiJuris in een Excelbestand zijn geplaatst, waarvan een kopie digitaal aan zowel Belba c.s. als [verweerster] zal worden verstrekt. Tenslotte staat in het proces-verbaal dat de deurwaarder thans de gegevensdrager met serienummer WDE5RHP9 met daarop 650.252 bestanden in conservatoir beslag heeft genomen en dat de gegevensdrager in gerechtelijke bewaring is gegeven aan DigiJuris.
2.2
Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 30 juni 2021 hebben Belba c.s. [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Overijssel. Zij hebben gevorderd te bepalen dat Belba c.s. toegang krijgen tot de bestanden beschreven op de lijst van (de digitale) bijlage C bij de inleidende dagvaarding, welke lijst bestaat uit het hiervoor in 2.1 onder (vi) genoemde Excelbestand, doordat wordt bepaald dat DigiJuris de bestanden op de drager ter beschikking mag stellen aan Belba c.s. op de daartoe meest geëigende wijze, door DigiJuris aan de hand van het vonnis te bepalen, althans door de rechtbank nader te omschrijven (vordering I). Voorts hebben zij gevorderd om [verweerster] te veroordelen tot afgifte van de administratie van Belba c.s. (vordering II) en tot betaling van de beslagkosten (vordering III).
Aan hun vorderingen hebben Belba c.s. ten grondslag gelegd dat het gaat om hun administratie. Zij hebben een beroep gedaan op hun eigendomsrecht op de stukken waaruit de administratie bestaat, en op art. 843a Rv.2.
2.3
[verweerster] heeft, voor zover in cassatie nog van belang, als verweer gevoerd dat de in beslag genomen stukken niet tot de administratie van Belba c.s. behoren, maar tot die van [verweerster] en dat Belba c.s. al beschikken over hun eigen administratie. De beslagen documenten bevatten bovendien vertrouwelijke of persoonlijke informatie waar Belba c.s. niets mee te maken hebben.3.
2.4
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 juli 2022 de vorderingen I en III van Belba c.s. afgewezen.4.Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in cassatie nog van belang, overwogen dat het beslagverlof te laat aan [verweerster] is betekend. Daarom is het beslag vervallen (rov. 5.9). Ook hebben Belba c.s. te laat de eis in de hoofdzaak aanhangig gemaakt (rov. 5.10-5.11). Ook daarom is het beslag vervallen (rov. 5.11). Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vorderingen I en III moeten worden afgewezen (rov. 5.13). Ten aanzien van vordering II heeft de rechtbank [verweerster] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over de vraag of de algemene vergaderingen van aandeelhouders van Belba B.V. en eiseres tot cassatie sub 2 A/B Financiën B.V. rechtsgeldig hebben ingestemd met het voeren van de onderhavige procedure. Met betrekking tot die vordering was haar vonnis dus geen eindvonnis, maar een tussenvonnis.
2.5
De rechtbank heeft hierna bij vonnis van 31 augustus 2022 een verzoek van Belba c.s. afgewezen om terug te komen van haar vonnis van 6 juli 2022.5.De rechtbank komt in dat vonnis weliswaar terug van het oordeel dat het beslagverlof te laat is betekend (rov. 2.3-2.8), maar niet van het oordeel dat de eis in de hoofdzaak te laat is ingesteld (rov. 2.9-2.12). Zij is ook gebleven bij haar oordeel dat de vorderingen I en III daarom moeten worden afgewezen (rov. 2.13). Het verzoek om terug te komen van het vonnis van 6 juli 2022 heeft de rechtbank op deze gronden niet toewijsbaar geoordeeld.6.
2.6
Na dit vonnis hebben Belba c.s. begin september 2022 conservatoir beslag gelegd onder DigiJuris op de gegevensdrager. Belba c.s. hebben vervolgens hun eis in de procedure bij de rechtbank aangepast, onder meer door daaraan de vordering toe te voegen dat zij alsnog toegang krijgen tot de gegevensdrager (nieuwe vordering IIIb).7.
2.7
Belba c.s. zijn hierna, op 30 september 2022, (alsnog) van het vonnis van 6 juli 2022 én van het vonnis van 31 augustus 2022 in hoger beroep gegaan bij het hof Arnhem-Leeuwarden.
2.8
Bij arrest van 1 augustus 2023 heeft het hof Belba c.s. niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van 31 augustus 2022, en het vonnis van 6 juli 2022 voor wat betreft de afwijzing van de vorderingen I en III bekrachtigd.8.Het hof heeft de zaak wat betreft de nog niet-besliste vorderingen (vordering II), inclusief de nieuw bij de rechtbank ingestelde vorderingen (waaronder dus vordering IIIb), aan zich gehouden (rov. 2.10 en 2.11). Die vorderingen heeft het hof in zijn arrest afgewezen.
2.9
Het hoger beroep tegen het vonnis van 31 augustus 2022 heeft het hof niet-ontvankelijk geoordeeld omdat dit een tussenvonnis is en de rechtbank geen tussentijds beroep van dat vonnis heeft opengesteld (rov. 2.3).
Met betrekking tot de vorderingen I en III heeft het hof overwogen:
“Belba c.s. hebben geen recht op inzage (vordering I en III)
2.4.
Belba c.s. komen in hoger beroep op tegen de afwijzing van hun vorderingen I en III. Het hof oordeelt dat Belba c.s niet op grond van art. 843a Rv recht hebben op inzage in de gevraagde stukken/bestanden. Dat betekent dat het oorspronkelijke bewijsbeslag gelegd op 5 maart 2021 ook ten onrechte is gelegd en vordering I en III moeten worden afgewezen. Het hof komt als volgt tot dit oordeel.
2.5.
Art. 843a Rv bepaalt dat iemand inzage in gegevens van een ander kan vorderen. Er moet dan wel aan bepaalde eisen worden voldaan. Het moet gaan om gegevens die verband houden met een rechtsbetrekking (een juridische relatie) waarbij degene die de gegevens wil inzien partij is, het moet gaan om voldoende bepaalde gegevens en degene die inzage wil moet daar rechtmatig belang bij hebben. Tussen deze begrippen bestaat samenhang: om te kunnen beoordelen of er rechtmatig belang bestaat moet duidelijk zijn ten aanzien van welke rechtsbetrekking en voor welke bestanden inzage wordt gevorderd.
2.6.
Belba c.s. hebben deze vereisten in hun procestukken echter onvoldoende uitgewerkt. Belba c.s. hebben onvoldoende concreet gemaakt welke rechtsbetrekkingen waar zij partij bij zijn hier aan de orde zijn. Belba c.s. verwijzen naar verschillende procedures tussen [verweerster] en klanten van Belba c.s. en tussen [verweerster] en [eiser 3] , maar noemen geen concrete rechtsbetrekkingen waarbij Belba c.s. partij zijn, behalve een procedure waarin het ontslag van [eiser 3] als bestuurder van de stichting Kapituur wordt gevorderd. Behalve bij de procedure over de Stichting Kapituur wordt ook niet gespecificeerd wie van Belba c.s. dan bij welke rechtsbetrekking betrokken is. Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser 3] toegelicht dat hij inzage vooral nodig heeft omdat [verweerster] als geldlenera geld terugvordert van “klanten” van Belba c.s., die zich vervolgens tot hem wenden. Hij wil inzage om op die manier [verweerster] argumenten in die zaken te kunnen ontkrachten en aan te kunnen tonen dat [verweerster] vervalste documenten gebruikt. Daarmee is echter onvoldoende concreet gemaakt welke rechtsbetrekkingen dan aan de orde zijn en wie van Belba c.s., en op welke manier, daar dan bij betrokken zijn. Voor al deze procedures (ook die over de Stichting Kapituur) geldt dat niet wordt gespecificeerd hoe de grofweg 650 duizend bestanden waarin Belba c.s. inzage wil krijgen daaraan gerelateerd zijn. Omdat onduidelijk is op welke rechtsbetrekkingen Belba c.s. doelen bij hun verzoek en ook niet duidelijk is hoe deze bestanden daaraan dan gerelateerd zijn, kan het hof ook niet vaststellen in hoeverre Belba c.s. rechtmatig belang hebben bij de gevraagde inzage in deze bestanden. Belba c.s. stellen verder dat zij met hun vordering I willen bewerkstelligen dat zij toegang krijgen tot hun administratie en dat met de gehanteerde zoektermen zo zorgvuldig mogelijk een selectie is gemaakt. Zelfs als hiermee voldoende concreet een rechtsbetrekking is geïdentificeerd, geldt dat de gehanteerde zoekvragen om de grofweg 650 duizend bestanden te selecteren zodanig ruim zijn, dat het hof niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Belba c.s. hebben hun vordering gezien de betwisting door [verweerster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering tot inzage (vordering I) moet daarom afgewezen worden.
2.7.
Door dit oordeel hoeft het hof niet in te gaan op de bezwaren van Belba c.s. tegen het oordeel van de rechtbank dat het in maart 2021 gelegde beslag van rechtswege is vervallen door het te laat aanhangig maken van de eis in de hoofdzaak, omdat dat niet tot een andere conclusie kan leiden. Ook de andere verweren van [verweerster] hoeven niet behandeld te worden. Vordering I is terecht afgewezen. Bij afwijzing van de inzagevordering zou het bewijsbeslag dat gelegd was ook teniet gaan. [verweerster] zou dan ook niet in de beslagkosten zijn veroordeeld. De rechtbank heeft ook vordering III daarom terecht afgewezen.”
2.10
Vordering IIIb heeft het hof afgewezen op dezelfde gronden als vorderingen I en III (rov. 2.11). Vordering II heeft het hof afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat Belba c.s. eigenaar zijn van de ordners en documenten waarop die vordering ziet (rov. 2.13). In dat verband heeft het hof in rov. 2.13 overwogen:
“(…) Dat een document ook voorkomt op de Gegevensdrager betekent (…) niet dat de relevante akte ook eigendom is van Belba c.s. Datzelfde geldt als één van Belba c.s. partij is bij een akte of als de naam van een van de personen of entiteiten die tot Belba c.s. behoren op een ordner staat. Daarbij komt dat vast staat dat [verweerster] ook was betrokken bij Belba c.s., onder andere als aandeelhouder. Zij heeft gesteld dat dit ook verklaart waarom zij documenten/ordners heeft met de door Belba c.s. gebruikte zoektermen en dat dit haar administratie is. Waarom dan voor een bepaald document toch geconcludeerd moet worden dat het betreffende stuk eigendom is van Belba c.s., is niet duidelijk. Op grond van de stellingen van Belba c.s. en genoemd verweer van [verweerster] kan het hof ook niet identificeren van welke documenten het hof afgifte aan Belba c.s. zou moeten bevelen, zonder dat het daarmee het aanmerkelijke risico loopt ook stukken die niet eigendom zijn van Belba c.s. aan hen toe te wijzen. Het hof kan bij een revindicatie-actie, een rechtszaak om eigendom terug te halen, zoals deze, niet bepalen dat goederen waarvan slechts mogelijk is dat ze aan Belba c.s. toebehoren, eigendom van Belba c.s. zijn. Daarbij komt, ten overvloede, dat Belba c.s. niet hebben aangegeven welke documenten dan van [eiser 3] , Belba B.V., A/B Financiën B.V., Belba V.O.F, of de Stichting Kapituur zijn. Ook de vordering tot afgifte moet dus worden afgewezen.”
2.11
Belba c.s. hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.9.[verweerster] is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend. Belba c.s. hebben het beroep schriftelijk doen toelichten.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen. Onderdeel I voert aan dat het hof in strijd met art. 25 Rv verzuimd heeft de rechtsgronden voor vordering I aan te vullen, door niet te onderzoeken of die vordering op een andere grondslag dan art. 843a Rv toewijsbaar is. Onderdeel II voert aan dat de gronden die het hof in rov. 2.6 heeft genoemd voor de afwijzing van vordering I op de grondslag van art. 843a Rv, die afwijzing niet kunnen dragen. Onderdeel III klaagt dat het hof Belba c.s. ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun hoger beroep tegen het vonnis van 31 augustus 2022.
3.2
Gelet op de hiervoor in 2.2 vermelde grondslagen van de vorderingen en het feit dat Belba c.s. in cassatie noch opkomen tegen de uitleg van hun vorderingen door het hof (vordering I is gegrond op art. 843a Rv, vordering II op het eigendomsrecht van de stukken waaruit de administratie bestaat, zo volgt uit de overwegingen van het hof), noch tegen de afwijzing van vordering II door het hof, ligt het voor de hand om eerst in te gaan op de grondslag van art. 843a Rv voor vordering I en het oordeel daarover van het hof. Ik sta eerst stil bij de betekenis van art. 843a Rv.
Art. 843a Rv
3.3
Art. 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft (hiervoor is en hierna wordt deze mogelijkheid kort ‘inzage’ genoemd). Art. 843a lid 2 Rv houdt in dat de rechter zo nodig de wijze waarop inzage zal worden verschaft, bepaalt. Art. 843a lid 3 Rv bepaalt dat geen inzage behoeft te worden gegeven door degene die een beroep op een verschoningsrecht kan doen. Art. 843a lid 4 Rv houdt tot slot in dat evenmin inzage behoeft te worden gegeven als voor de weigering daarvan gewichtige redenen bestaan of redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
3.4
Art. 843a Rv beoogt partijen toegang te geven tot bewijsmiddelen die bestaan uit fysieke of digitale gegevensdragers (in art. 843a Rv ‘bescheiden’ genoemd)10.en die een ander onder zich heeft. De bepaling behoort daarmee tot het bewijsrecht.11.
Art. 843a lid 1 Rv stelt voor toewijzing van een op deze bepaling gegronde vordering drie cumulatieve voorwaarden: (i) dat de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij de inzage, (ii) dat het gaat om bepaalde bescheiden en (iii) dat die bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker of een rechtsvoorganger van de verzoeker partij is.12.Over deze voorwaarden – die sterk met elkaar samenhangen – bestaat de nodige literatuur.13.
3.5
Uit de parlementaire geschiedenis van het op 1 april 1988 in werking getreden art. 843a Rv blijkt dat met de voorwaarde van een ‘rechtmatig belang’ in die bepaling is bedoeld om te voorkomen dat de exhibitieplicht van art. 843a Rv nodeloos wordt ingeroepen.14.Deze voorwaarde is bovendien samen met de eis dat het gaat om ‘bepaalde bescheiden’ mede bedoeld om zogeheten ‘fishing expeditions’ te voorkomen.15.Een partij heeft een rechtmatig belang bij inzage als de betrokken bescheiden relevant kunnen zijn voor de vaststelling van voor haar relevante feiten.16.
3.6
De voorwaarde dat het verzoek betrekking heeft op ‘bepaalde bescheiden’, beoogt eveneens om fishing expeditions te voorkomen. Degene die inzage verlangt, zal voldoende concreet moeten aangeven in welke bescheiden hij inzage wenst. Alleen dan kan worden beoordeeld of hij ook een voldoende relevant belang heeft bij inzage.17.
3.7
De voorwaarde dat de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoeker of een rechtsvoorganger van de verzoeker partij is, beoogt tot slot eveneens om fishing expeditions te voorkomen. Deze voorwaarde dicteert immers het belang dat de verzoeker ten minste zal moeten hebben bij inzage. Dat is dat de bescheiden relevant zijn voor de vaststelling van zijn rechtspositie (rechtsbetrekking met anderen). Het bestaan van de rechtsbetrekking die de verzoeker inroept, zal daarvoor voldoende aannemelijk moeten zijn.18.
3.8
Als al gezegd hangen de voorwaarden van art. 843a lid 1 Rv met elkaar samen: al die voorwaarden zijn samen erop gericht te bewerkstelligen dat alléén recht op inzage bestaat als duidelijk is dat inzage op haar plaats is en dat het inzagerecht (dus) niet kan worden gebruikt voor fishing expeditions. Asser merkt hierover m.i. terecht op:
“Het rechtmatig belang wordt niet alleen bepaald door het doel waartoe de stukken worden opgevraagd, maar ook door de aard en inhoud van de opgevraagde stukken; hoe specifiek de stukken moeten worden genoemd hangt af van het doel dat de inzage moet dienen en de rechtsbetrekking waarop ze betrekking hebben; en ten slotte bepaalt ook deze rechtsbetrekking niet alleen het belang en de rechtmatigheid daarvan, maar ook welke stukken opgevraagd kunnen worden. (…) Men kan deze ‘eisen’ dan ook beter beschouwen als – meer dan eens samenhangende – factoren bij de afweging op basis waarvan het antwoord moet worden gegeven op de vraag of de vordering tot inzage moet worden toegewezen, zoals ook andere factoren een rol kunnen spelen die – als verweren – in art. 843a lid 4 Rv staan.”19.
3.9
Zie in vergelijkbare zin de toelichting op de nieuwe regeling van deze materie in de art. 194-195a Rv die op 1 januari 2025 in werking treedt:
“De voorwaarden, afwijzingscriteria en mogelijkheden voor de rechter bieden voldoende waarborgen om zogenaamde fishing expeditions tegen te gaan. Met dit begrip wordt gedoeld op het misbruik maken van de regeling van het inzagerecht door te vissen naar informatie waarop geen recht bestaat. Bijvoorbeeld omdat een duidelijk verband tussen de verlangde informatie en een concrete vordering ontbreekt of omdat naar informatie wordt gezocht waarvan de verzoeker niet weet of die ook echt bestaat en de informatie meer lijkt te worden opgevraagd om een zaak op te zetten dan om deze te kunnen onderbouwen. Om dergelijke fishing expeditions te voorkomen, is rechterlijke toetsing van het inzageverzoek of de voorwaarden waaronder inzage wordt verstrekt, steeds mogelijk. De rechterlijke toets omvat de materiële voorwaarden waaronder een recht op inzage bestaat (zie hiervoor het voorgestelde artikel 194). Deze voorwaarden brengen mee dat zowel de aanspraak als het ontstane of potentiële geschil voldoende nauwkeurig moet kunnen worden geduid alsook het verband daartussen. Hierbij kan de rechter de aard van de verzochte informatie in zijn oordeelsvorming betrekken alsook de partij tegen wie het verzoek is gericht.”20.
Mate van specificatie bij grote hoeveelheid documenten of bestanden
3.10
Wanneer inzage wordt gevorderd in een grote hoeveelheid documenten of bestanden kan het lastig zijn te beoordelen of overeenkomstig het voorgaande voldoende rechtmatig belang bestaat bij inzage in bepaalde bescheiden. Dit kan zich onder meer voordoen na een bewijsbeslag op een dergelijke hoeveelheid documenten of bestanden, zoals in dit geval aan de orde is.21.Specificatie van de bescheiden is bij een grote hoeveelheid documenten of bestanden vaak niet goed mogelijk. Hiervoor is maar een werkbare oplossing, namelijk het digitaal maken van de documenten en vervolgens alle bestanden digitaal doorzoeken met bepaalde zoektermen.22.In een arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2023 is de validiteit en bruikbaarheid van deze methode aanvaard. Dit arrest bevat ook een eigen oordeel van de Hoge Raad over de geschiktheid van de gebruikte zoektermen in de zaak van dat arrest, welk oordeel afwijkt van het oordeel dat het hof in die zaak over die termen had gegeven.23.
3.11
Dit betekent dat het in de eerste plaats aankomt op de gebruikte of de te gebruiken zoektermen. Wordt daarmee voldoende voldaan aan de eisen van art. 843a Rv en het belang dat deze beogen te dienen (bewijs voor wie daar recht op heeft, maar niet méér)? De zoektermen moeten, gelet op de belangen van de beslagene, niet te ruim en, voor het succes van het onderzoek, ook weer niet te beperkt zijn. In de praktijk komt dat vaak neer op het hanteren van op zichzelf staande zoektermen en combinaties van zoektermen die bepaalde resultaten insluiten. De selectie kan worden gecorrigeerd met negatieve zoektermen die bepaalde resultaten juist uitsluiten.24.
Specificatie in dit geval
3.12
Zoals hiervoor bleek (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)), is in dit geval van de hier genoemde methode gebruikgemaakt. De op de gegevensdrager geplaatste 650.252 bestanden zijn door DigiJuris geselecteerd op basis van positieve en negatieve zoektermen. Belba c.s. hebben daarover aangevoerd dat zoektermen zijn gebruikt die aannemelijk maken dat de bestanden op de lijst tot hun administratie behoren. Een en ander heeft plaats gevonden onder leiding of verantwoordelijkheid van de deurwaarder.25.
De lijst met de gebruikte zoektermen met een bijbehorende korte verantwoording is overgelegd als bijlage B bij de deze procedure inleidende dagvaarding (in onderdeel II worden de zoektermen vermeld op de aanwezigheid waarvan is gezocht, niet de zoektermen op de afwezigheid waarvan is gezocht). Voorts is de complete lijst met de geselecteerde bestanden overgelegd in de vorm van een digitaal bestand als bijlage C bij de dagvaarding (de lijst is te lang om te printen en als fysiek stuk over te leggen).
Bij globale kennisneming van de lijst met de gebruikte zoektermen lijkt op het eerste gezicht aannemelijk dat met de zoektermen inderdaad de stukken worden gevonden die thuishoren in de administratie van Belba c.s.
Toepassing art. 843a Rv in dit geval
3.13
Als inderdaad sprake is van de administratie van Belba c.s., hebben zij volgens de regels van art. 843a lid 1 Rv in beginsel recht op inzage. Aan de hiervoor in 3.4-3.9 genoemde voorwaarden voor inzage is dan immers voldaan. De administratie van een persoon heeft immers per definitie ‘betrekking op een rechtsbetrekking waarbij deze partij is’ (iemands administratie vormt immers mede de vastlegging van de rechtsbetrekkingen waarbij hij partij is). Het belang bij de inzage en het voldoende concreet zijn van het inzageverzoek zijn dan in beginsel gegeven. Wat dit betreft is het opvallend dat het hof in rov. 2.6 lijkt te ontkennen dat het feit dat het gaat om de administratie van Belba c.s., in beginsel voor inzage al voldoende is en dat het nagaat of andere mogelijke rechtsbetrekkingen die inzage zouden kunnen rechtvaardigen. In voetnoot 11 bij het middel wordt hier dan ook terecht op gewezen. Onderdeel II wijst er echter ook terecht op dat het hof uiteindelijk aan het slot van rov. 2.6 onderkent dat het toegang willen krijgen tot de eigen administratie, voldoende is of kan zijn voor inzage (althans dat als mogelijkheid onder ogen ziet). Het hof overweegt daar – en daarop berust zijn oordeel uiteindelijk in zijn geheel –:
“Zelfs als hiermee voldoende concreet een rechtsbetrekking is geïdentificeerd, geldt dat de gehanteerde zoekvragen om de grofweg 650 duizend bestanden te selecteren zodanig ruim zijn, dat het hof niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Belba c.s. hebben hun vordering gezien de betwisting door [verweerster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering tot inzage (vordering I) moet daarom afgewezen worden.”
3.14
Deze motivering is in het licht van hetgeen hiervoor in 3.10-3.12 is opgemerkt, wat problematisch. Het hof maakt immers niet inzichtelijk waarom het “niet overtuigd is dat de met de zoektermen geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s.”. Het lijkt voor de hand te liggen de reden hiervoor te zoeken in ‘de betwisting door [verweerster] ’ waarnaar het hof in de volgende zin verwijst. Het hof vermeldt echter niet wat die betwisting door [verweerster] inhoudt. Vermoedelijk heeft het hof het oog op een deel van het hiervoor in 2.3 vermelde verweer van [verweerster] , dat de rechtbank heeft vermeld in rov. 5.6 van haar vonnis. Dat zal dan niet dat deel zijn dat inhoudt dat Belba c.s. al beschikken over hun eigen administratie. In dat geval zou het hof immers simpelweg hebben overwogen dat inzage niet nodig is in de zin van art. 843a lid 4 Rv, en zou het de vordering op die grond hebben afgewezen. Het hof overweegt echter niets in die trant. Belba c.s. hebben ook gemotiveerd aangevoerd dat het wel om hun administratie gaat en dat lijkt het hof ook met zoveel woorden te aanvaarden, maar met de tegenwerping dat het “niet overtuigd is dat de met de zoektermen geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s.” (cursivering toegevoegd).
Blijft over het verweer van [verweerster] dat het háár administratie betreft én dat de bestanden vertrouwelijke of persoonlijke informatie bevatten, waarmee Belba c.s. niets te maken hebben. De vraag is of de verwijzing naar dit verweer het oordeel van het hof kan dragen.
3.15
Het antwoord op het eerste deel van deze vraag – kan het oordeel van het hof worden gedragen door de verwijzing naar het verweer van [verweerster] dat de inbeslaggenomen documenten en bestanden háár administratie betreft? – is niet moeilijk. Dat het gaat om de administratie van [verweerster] – wat in elk geval voor een deel plausibel lijkt om de in rov. 2.13 van het arrest van het hof genoemde redenen (hiervoor in 2.10 aangehaald) –, staat als zodanig niet aan de toewijsbaarheid van de inzagevordering in de weg. Omdat de stukken of informatie bij de redenering die het hof in rov. 2.13 volgt, kort gezegd, óók thuishoren in de administratie van Belba c.s., kunnen zij om de hiervoor in 3.13 genoemde redenen in beginsel op grond van art. 843a lid 1 Rv aanspraak maken op inzage. Dat kan anders zijn als zij die stukken of informatie al zouden hebben, maar dat ontkennen zij – volgens Belba c.s. gaat het juist om hún administratie, die zij nu missen – en daarop berust het oordeel van het hof als gezegd niet. Als het hof naar dit onderdeel van het verweer van [verweerster] heeft bedoeld te verwijzen, kan dat zijn oordeel dus niet dragen.
3.16
Ook het antwoord op het tweede deel van de vraag – kan het oordeel van het hof worden gedragen door verwijzing naar het verweer van [verweerster] dat een deel van de in beslag genomen documenten en bestanden vertrouwelijke of persoonlijke informatie bevat, waarmee Belba c.s. niets te maken hebben? – is niet moeilijk. Dat sprake is van vertrouwelijke of persoonlijke informatie kan gewichtige redenen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv, die aan inzage in de weg staan. Dit kan dus op zichzelf het oordeel van het hof dragen, mits het hof vaststelt en motiveert dat van dergelijke gewichtige redenen sprake is. Dat doet het hof echter niet. Zijn beslissing berust dus niet op deze grond.
3.17
Bij lezing van de processtukken blijkt dat het onderhavige verweer van [verweerster] nog een derde, door de rechtbank niet duidelijk in rov. 5.6 genoemd element bevat, namelijk dat een deel van de inbeslaggenomen documenten en bestanden geen stukken en informatie betreft die in de administratie van Belba c.s. thuishoren.26.Het oordeel van het hof aan het slot van rov. 2.6 sluit daarbij het beste aan (‘het hof is niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s.’). De vraag is hoe met dat verweer moet worden omgegaan in een geval als dit.
3.18
Vooropgesteld kan worden dat inderdaad niet is uitgesloten dat zich tussen de geselecteerde bestanden items bevinden die daar niet thuishoren. Er is een zeer grote hoeveelheid materiaal bij [verweerster] in beslag genomen (maar liefst 10 miljoen bestanden) en daarvan is op basis van de gemaakte selectie nog steeds een betrekkelijk groot deel op de gegevensdrager gezet waarin Belba c.s. inzage willen (ruim 650 duizend bestanden). Ook al zijn de zoektermen goed gekozen, wat [verweerster] overigens voor een deel heeft betwist op de hiervoor in 3.17 genoemde plaatsen, dan zullen er allicht nog steeds bij de selectie bestanden zijn die niet behoren tot de administratie van Belba c.s. Dat lijkt onvermijdelijk, omdat zoektermen nu eenmaal niet onfeilbaar zullen werken. Belba c.s. hebben dat ook voor dit geval met zoveel woorden erkend. Naar hun mening zou [verweerster] echter aan de hand van de hiervoor in 3.12 genoemde bijlage C bij de dagvaarding moeten aangeven welke stukken niet in de selectie thuishoren. Als zij dat doet, zullen zij vervolgens dat bestand uit de selectie verwijderen, zo hebben zij aangevoerd. Zij hebben erop gewezen dat [verweerster] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.27.
3.19
De vraag is natuurlijk of dat laatste wel van [verweerster] gevergd kan worden. Het gaat als gezegd om (een lijst met daarop) 650 duizend bestanden. Tegelijk is echter de vraag of nog meer van Belba c.s. gevergd kan worden. In cassatie moet op grond van hun niet door het hof verworpen stellingen uitgangspunt zijn dat in elk geval een zeer groot deel van de bestanden hun administratie betreft, waarover zij nu niet de beschikking hebben.28.Het is duidelijk dat ondernemingen een zeer groot belang hebben bij het kunnen beschikken over hun administratie. Dat zal ongetwijfeld ook voor Belba c.s. gelden (de stukken maakt dat ook plausibel). Bij die stand van zaken is het moeilijk te aanvaarden dat de inzagevordering van Belba c.s. moet worden afgewezen op de enkele grond dat niet voldoende duidelijk vaststaat dat de ‘geselecteerde bestanden allemaal behoren tot’ hun administratie (opnieuw cursivering toegevoegd). De oplossing voor het probleem dat de selectie mogelijk te ruim is, zal ergens anders in moeten worden gevonden. De afwijzing op genoemde, door het hof gehanteerde grond heeft immers als niet aanvaardbaar gevolg dat Belba c.s. de toegang tot een deel van hun administratie wordt onthouden.
3.20
De rechter zal hier dus met een ‘tussenoplossing’ moeten komen, waarbij zo goed mogelijk de tegenstrijdige belangen met elkaar worden verzoend. Art. 843a lid 2 Rv, dat als gezegd inhoudt dat de rechter zo nodig de wijze waarop inzage zal worden verschaft, bepaalt, biedt daartoe de mogelijkheid. Die bepaling geeft de rechter immers blijkens haar tekst de mogelijkheid om voorschriften te geven. Die bepaling maakt ook duidelijk dat het daarbij om een ambtshalve uit te oefenen bevoegdheid gaat.29.De lagere rechtspraak luidt dan ook in die zin.30.Het al genoemde HR 19 februari 2021 bevat ook overwegingen die in deze zin zijn op te vatten.31.De opvolger van de bepaling, art. 195 lid 2 Rv, dat als gezegd op 1 januari 2025 in werking treedt, is bovendien uitdrukkelijk in deze zin bedoeld. De toelichting lijkt er daarbij van uit te gaan dat het om al geldend recht gaat. Opgemerkt wordt:
“Als de rechter het inzageverzoek toewijst, bepaalt hij de voorwaarden, de wijze waarop en de termijn waarbinnen inzage moet worden verstrekt. Deze bepaling in het tweede lid van artikel 195 (nieuw) is ontleend aan artikel 843a, tweede lid. Aan het inzageverzoek kan de rechter bijvoorbeeld de voorwaarde verbinden dat de partij aan wie inzage moet worden verstrekt, vertrouwelijk met de verkregen informatie omgaat. Een andere voorwaarde kan inhouden dat de informatie alleen op de griffie ter inzage hoeft te worden gedeponeerd om te voorkomen dat de gegevens verder worden verspreid. Bij de wijze waarop de gegevensverstrekking moet plaatsvinden, kan de rechter bijvoorbeeld bepalen dat de informatie naar de zitting wordt meegenomen, zodat ook de rechter daarvan kan kennisnemen. Verder valt te denken aan het aanwijzen van een onpartijdige derde die de gegevens mag inzien en daarvan bijvoorbeeld slechts mededeling mag doen aan de verzoeker. De rechter kan partijen ook bevelen samen een of meer deskundigen aan te wijzen die een selectie maken van de gegevens waarop wel en waarop geen recht op inzage bestaat. (…)”32.
3.21
De als laatste in dit citaat genoemde weg zou in dit geval mogelijk een oplossing kunnen zijn. Ook kan worden gedacht aan het toevoegen van meer positieve of negatieve zoektermen aan de lijst van bijlage B bij de dagvaarding om uit de reeds gemaakte selectie een nadere selectie te maken, zo dat mogelijk is. M.i. mag van de aangesproken persoon, in dit geval [verweerster] , gevergd worden dat hij of zij behoorlijk meewerkt aan het maken van een selectie die tot inzage kan leiden. Art. 843a lid 1 Rv brengt mee dat de kosten van een extra onderzoek in beginsel ten laste komen van degene die inzage wenst. Ook kan de vraag worden gesteld hoe bezwaarlijk het is dat deels inzage wordt gegeven in stukken waarop geen recht bestaat, als dat onvermijdelijk is (wat het standpunt is dat Belba c.s. in dit geval innemen). Dat vraagt om een afzonderlijke afweging van de betrokken belangen.
De rechter zal hier dus een behoorlijke oplossing moeten zoeken.
Overigens hebben Belba c.s. die met vordering I ook uitdrukkelijk gevraagd. Die vordering omvat immers mede dat inzage plaatsvindt op de door de rechtbank nader te omschrijven wijze (zie hiervoor in 2.2), wat onmiskenbaar een verwijzing naar art. 843a lid 2 Rv is.
Naar ik meen kan hetgeen het hof heeft overwogen, zijn afwijzing van de inzagevordering dan ook als zodanig niet dragen.
Bespreking onderdeel II
3.22
Daarmee kom ik toe aan de bespreking van onderdeel II, dat deze kwestie aan de orde stelt. Subonderdeel II.1 klaagt dat het hof in rov. 2.6 voor de toewijsbaarheid van de vordering tot inzage ten onrechte de eis heeft gesteld dat het er van overtuigd moet zijn dat de circa 650 duizend bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Een dergelijk criterium bestaat niet voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot inzage van bescheiden op de voet van art. 843a Rv, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel II.2-A voert aan dat niet zonder meer valt in te zien dat de bij selectie van de 650 duizend geselecteerde bestanden gebruikte zoektermen te ruim of te algemeen zijn, zoals het hof zegt in rov. 2.6. Subonderdeel II.2-B klaagt dat het oordeel van het hof dat Belba c.s. hun vordering, gezien de betwisting door [verweerster] , onvoldoende hebben onderbouwd, onbegrijpelijk is, gelet op de gebruikte zoektermen en het feit dat [verweerster] niet van enig specifiek bestand heeft aangevoerd dat dit niet tot de administratie van Belba c.s. behoort. Subonderdeel II.2-C veronderstelt dat het oordeel van het hof berust op toepassing van art. 149 Rv.
3.23
De klachten van de subonderdelen II.1, II.2-A en II.2-B stellen het hiervoor in 3.21 genoemde gebrek in het oordeel van het hof m.i. genoegzaam aan de orde en zijn dus gegrond. Subonderdeel II.2-C faalt omdat de veronderstelling waarvan het uitgaat, onjuist is: het oordeel van het hof berust niet op art. 149 Rv.
Bespreking onderdeel I
3.24
Subonderdeel I.1 klaagt dat het hof, na te hebben geoordeeld dat de gevorderde inzage in de bestanden op de gegevensdrager niet kan worden toegewezen op voet van art. 843a Rv, ten onrechte niet heeft onderzocht of het gevorderde op een andere rechtsgrond toewijsbaar is. De subonderdelen I.2-I.4 noemen als andere rechtsgronden waarop de gevorderde inzage zouden kunnen worden toegewezen, onrechtmatige daad (subonderdeel I.2), analoge toepassing van de regeling van revindicatie van art. 5:2 BW (subonderdeel I.3), en de verplichting van art. 3:15j BW tot openlegging van een tot administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers (subonderdeel I.4).
Subonderdeel I.5 voert aan dat, voor zover het oordeel van het hof in rov. 2.13 dat geen grond is voor toewijzing van de vordering tot revindicatie omdat Belba c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat zij eigenaar zijn van de opgevorderde (fysieke) administratie, ook ten grondslag ligt aan de afwijzing van de vordering tot inzage in de gegevensdrager, dit onjuist of onbegrijpelijk is. De beperkingen die bestaan bij revindicatie zijn volgens het subonderdeel niet van toepassing op het opeisen van gekopieerde bestanden omdat degene van wie dat wordt gevorderd de beschikking over de originele bestanden niet verliest.
Subonderdeel I.6 klaagt tot slot dat indien het hof van oordeel was dat Belba c.s. van de in subonderdelen I.2 en I.3 genoemde grondslagen afstand zouden hebben gedaan, dit onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
3.25
Gelet op het slagen van onderdeel II behoeft onderdeel I geen behandeling. Ik zal dat onderdeel desalniettemin bespreken. Voor zover het onderdeel een beroep doet op onrechtmatige daad en art. 3:15j BW (subonderdelen I.2 en I.4) kan het reeds niet tot cassatie leiden omdat het om nova in cassatie gaat. Belba c.s. hebben op deze grondslagen geen beroep gedaan in feitelijke instanties, zoals in het onderdeel wordt erkend. Omdat beide grondslagen deels van feitelijke aard zijn, kan daarop niet voor eerst in cassatie een beroep worden gedaan.33.Over de andere subonderdelen merk ik het volgende op.
3.26
De gedachte achter subonderdeel I.3 spreekt mij aan. Ieder dient tot op zekere hoogte een administratie te voeren. Voor beroepsbeoefenaren en ondernemingen geldt die plicht in uitgewerkte vorm op grond van diverse wettelijke bepalingen, die op verschillende wijzen worden gesanctioneerd (vgl. o.m. de art. 3:15i en 2:10 BW).34.Het belang bij het kunnen beschikken over de eigen administratie is dan ook zeer groot. Het zal in de praktijk lang niet altijd mogelijk zijn om de eigendom van de tot de administratie behorende stukken aan te tonen als deze zich onder een derde bevinden, zoals in dit geval. Wie revindiceert, zal immers moeten aantonen dat hij een beter recht heeft dan degene die de zaak onder zich heeft en daarvan de eigendom beweert te hebben. Vordering II is daarop bij het hof begrijpelijkerwijs stukgelopen (en het is begrijpelijk dat het middel op dit punt geen klacht bevat).
Het belang bij het kunnen beschikken over de tot een administratie behorende stukken is echter zodanig groot dat behoefte bestaat aan een aanspraak op afgifte van tenminste kopieën daarvan in het geval dat de eigendom van de stukken niet kan worden aangetoond. Die aanspraak moet dan ook in rechte worden erkend, naar ik zou menen, net zoals bijvoorbeeld recht op inzage in het eigen medisch dossier bestaat (art. 7:456 BW) of op de eigen persoonsgegevens die door een ander zijn verwerkt (art. 15 AVG).35.
Voor die aanspraak is het enkele feit dat het stuk deel uitmaakt van de administratie (daartoe redelijkerwijs te rekenen valt, bijvoorbeeld omdat het betrekking heeft op de rechtspositie of financiële positie van betrokkene), dan al voldoende te achten.
Als deze aanspraak wordt aanvaard, dan hebben Belba c.s. voor de toewijzing van vordering I op de grondslag van die aanspraak voldoende aangevoerd, zoals het onderdeel onder verwijzing naar diverse passages uit de memorie van grieven betoogt. Belba c.s. hebben namelijk de hele procedure vooral aangevoerd dat het om hún administratie gaat en zij dáárom inzage daarin (waaronder afschrift daarvan) moeten krijgen, zoals de in het onderdeel aangehaalde passages inhouden.
Als genoemde aanspraak wordt aanvaard, dan lijken de subonderdelen I.1 en I.3 mij naar hun strekking gegrond.36.
3.27
Aan de aanvaarding van die aanspraak bestaat natuurlijk niet veel behoefte als hiervoor de grondslag van art. 843a Rv kan worden gebruikt (en na 1 januari a.s. art. 194 Rv), zoals hiervoor is betoogd. Bij het hanteren van die grondslag heb ik eerlijk gezegd echter wel enige twijfel. Art. 843a Rv lijkt namelijk niet echt bedoeld voor inzage in een volledige administratie en die bepaling is daarop ook niet helemaal afgestemd, hoewel wel goed te gebruiken, zoals uit het voorgaande volgt. Art. 843a Rv ziet immers slechts op het verkrijgen van bewijs (zie hiervoor in 3.4 eerste alinea). Ik zou me daarom kunnen voorstellen dat daarnaast of zelfs in plaats daarvan genoemde aanspraak wordt erkend. Hetgeen hiervoor in 3.21 is opgemerkt, zou dan echter ook bij die aanspraak moeten worden toegepast.
3.28
Voor het geval dat aan de behandeling van het onderdeel wordt toegekomen, merk ik nog op dat de veronderstellingen waarvan de subonderdelen I.5 en I.6 uitgaan, onjuist zijn en die subonderdelen daarom falen.
Belang bij slagende klachten
3.29
De rechtbank heeft vordering I afgewezen omdat naar haar oordeel het bewijsbeslag was vervallen (zie hiervoor in 2.4 en 2.5). Het hof heeft de juistheid van dit oordeel in rov. 2.7 uitdrukkelijk in het midden gelaten, zodat de vraag rijst of vordering I niet op de juistheid van dat oordeel moet afstuiten. Daarom merk ik op dat, zoals hiervoor in voetnoot 21 al vermeld, dit oordeel onjuist is: voor de toewijzing van de inzagevordering is een voorafgaand (bewijs)beslag niet vereist. Belba c.s. hebben op dit punt in hoger beroep ook gegriefd.37.
Bespreking onderdeel III
3.30
Onderdeel III klaagt dat het hof Belba c.s. ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geoordeeld in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van 31 augustus 2022.
3.31
Dit onderdeel faalt bij gebrek aan belang. Zoals hiervoor in 2.8 vermeld, heeft het hof de zaak wat betreft de nog niet door de rechtbank besliste vorderingen, inclusief de nieuw bij de rechtbank ingestelde vorderingen, aan zich gehouden (rov. 2.10 en 2.11). Het hof heeft alle vorderingen afgewezen. Dit heeft tot (opvallend) gevolg dat het tussenvonnis van de rechtbank van 31 augustus 2022 geen betekenis meer heeft. Het onderhavige geding is immers in zijn geheel geëindigd, mede doordat het hof de zaak aan zich heeft gehouden op de voet van art. 356 Rv en deze vervolgens in zijn geheel heeft afgedaan, door alle ingestelde vorderingen bij dictum te beslissen. Voor de rechtbank valt na het arrest van het hof dus niets meer te beslissen in deze zaak. Doordat de overwegingen in het tussenvonnis van 31 augustus 2022 als het ware zijn ingehaald door het arrest van het hof – het hof heeft zijn beslissingen gebaseerd op andere gronden – en het arrest van het hof niet op dat vonnis voortbouwt, komt aan dat vonnis daarom geen kracht of gezag van gewijsde toe. Een beslissing bij dictum bevat dat vonnis (immers) niet en de rechtbank kan geen volgend vonnis meer wijzen.
Van de ‘bug’ die volgens het onderdeel zou ontstaan als geen hoger beroep van het vonnis zou openstaan, is dus geen sprake. Overigens zou normaal gesproken in een geval als dit (met een procesverloop zoals hiervoor weergegeven in 2.4-2.8) naderhand van het tussenvonnis hoger beroep hebben opengestaan met het eindvonnis dan wel met een volgend tussenvonnis, zo daarvan wel hoger beroep zou zijn opengesteld. Hier is dat anders doordat het hof de zaak geheel aan zich heeft gehouden (inclusief de later ingestelde vorderingen) én de zaak daardoor in haar geheel is afgelopen, ook bij de rechtbank. Maar dat heeft als gezegd ook tot gevolg dat geen belang meer bestaat bij bestrijding van het tussenvonnis.
Zou deze bijzonderheid zich niet hebben voorgedaan dan zou steeds genoemde route van een later beroep tegen het tussenvonnis na toestemming daarvoor of ter gelegenheid van het eindvonnis gevolgd hebben kunnen worden. Van een leemte of ‘bug’ zou in dat geval dus evenmin sprake zijn geweest.
Slotsom
3.32
De subonderdelen II.1, II.2-A en II.2-B zijn gegrond. Hetzelfde geldt denk ik voor de subonderdelen I.1 en I.3. Het beroep slaagt dus. De gegrondheid van genoemde klachten brengt mee dat ook de afwijzing van vordering IIIb door het hof niet in stand kan blijven, nu deze voortbouwt op de afwijzing van vordering I door het hof (zie rov. 2.11 van het arrest van het hof).
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing van de zaak.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑09‑2024
Vgl. voor de vaststaande feiten rov.1.2 van het arrest van het hof, waar het hof mede naar rov. 2.1 en 3.1-3.16 van het vonnis van de rechtbank van 6 juli 2022 verwijst. Niet alle feiten zijn in cassatie nog van belang. Een deel wordt hier daarom weggelaten.
Zie de vaststelling van de vorderingen en de grondslagen daarvan in rov. 2.2 en 4.1 van het vonnis van de rechtbank van 6 juli 2022. Het hof heeft alleen de vorderingen weergegeven, in verkorte vorm, in rov. 1.3.
Zie de vaststelling van het verweer van [verweerster] in rov. 5.6 van het vonnis van de rechtbank van 6 juli 2022.
Het vonnis van de rechtbank is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Ook dit vonnis is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Een en ander is nogal opvallend omdat het vonnis van 6 juli 2022 op al deze punten een eindvonnis is, waarvan de rechtbank dus niet meer kón teruggekomen, buiten de zeer beperkte mogelijkheid van art. 31 Rv (vgl. onder deel meer HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008, 553, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.3, waarin de grens van de einduitspraak duidelijk wordt vermeld). Belba c.s. (zie hun verzoek om terug te komen), noch de rechtbank lijkt dit te hebben onderkend.
Zie voor een en ander de vaststellingen van het hof in rov. 1.6.
Hof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6558.
De procesinleiding is op 1 november 2023 bij de Hoge Raad ingediend, dus binnen drie maanden na het arrest van het hof.
Zie bijv. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 3.2 (T.R.B. de Greve, actueel t/m 01-01-2024) en T&C Rv, commentaar op art. 843a Rv, aantek. 4a (L.A. Bosch, actueel t/m 01-01-2024).
Vgl. aldus ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv, aant. 1 (T.R.B. de Greve, actueel t/m 01-01-2024). Om deze reden zal met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Stb. 2024, 62) op 1 januari 2025 de regeling van art. 843a Rv (samen met die van het in deze zaak niet relevante art. 843b Rv) worden verplaatst naar de afdeling over bewijs in Rv en, in iets aangepaste vorm, terugkeren als de art. 194-195a Rv.
Zie behalve de wettekst HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4877, NJ 2001/259 m.nt. P. Vlas, rov. 4.1.3 (destijds sprak art. 843a Rv nog alleen van ‘akten’ en niet meer algemeen van ‘bescheiden’). Zie voorts de toelichting op de wijziging van art. 843a Rv in 2002 in de memorie van toelichting, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 553.
Ik noem J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017, hoofdstuk 7, J. Ekelmans, De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010, hoofdstuk 6, en B. Altena, Inzage in exhibitie van bescheiden bij derden. Over de vordering tot inzage in bescheiden onder derden en het inzagerecht naar komend recht, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2016, hoofdstuk 1. Zie voorts o.a. Pitlo/Rutgers & Krans, Bewijs, 2014/97 en E.M. Hoogervorst, ‘8. Exhibitieplicht’, in Thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst en B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn: Maklu 2020, p. 92 e.v., i.h.b. vanaf p. 98 e.v. Zie ook A-G Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2020:10, par. 2.3-2.41.
Boon e.a., Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 416.
Vgl. de uiteenzetting in de wetsgeschiedenis die te vinden is in Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 553 (nr. 2).
Zie daarover kort mijn conclusie in zaak 22/03404, ECLI:NL:PHR:2023:771, onder 3.6-3.8, met verdere verwijzingen.
Vgl. o.m. HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.6.2, en de toelichting op de nieuwe art. 194-195a Rv, Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 48.
Zie daarover opnieuw mijn conclusie in zaak 22/03404, ECLI:NL:PHR:2023:771, onder 3.10-3.11, met verdere verwijzingen.
Asser Procesrecht/Asser 3 2023/198. Zie ook Thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst en B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Apeldoorn: Maklu 2020, p. 98, met verwijzing naar de conclusie van A-G Wesseling-van Gent van 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10, onder 2.31 e.v. en B. Altena, Inzage in exhibitie van bescheiden bij derden. Over de vordering tot inzage in bescheiden onder derden en het inzagerecht naar komend recht, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2016, p. 7.
Zoals volgt uit art. 843a Rv behoeft een inzagevordering niet noodzakelijk voorafgegaan te worden door een bewijsbeslag, zoals in deze zaak is gebeurd. Kennelijk heeft de rechtbank daarover in deze zaak anders gedacht, nu zij de inzagevordering heeft afgewezen op de grond dat het bewijsbeslag is vervallen.
Zie aldus de conclusies van A-G Wesseling-Van Gent in zaak 19/00459, ECLI:NL:PHR:2020:10, onder 2.75-2.77, en in zaak 21/03969, ECLI:NL:PHR:2022:1145, onder 3.19 (dit is de conclusie voor het in de volgende voetnoot te noemen arrest).
HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830, rov. 3.1.2-3.1.4. Zie eerder al in vergelijkbare zin m.b.t. het verwante geval van een bewijsbeslag HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.6.3.
Zie hierover uitgebreid G.P. van Hooft, ‘Tien jaar Molenbeek: over het geautomatiseerde bewijsbeslag, zoektermen en zoeksoftware’, BERP 2023/4-5.
Inleidende dagvaarding onder 3-5 en memorie van grieven onder 8-9, waarnaar in onderdeel II wordt verwezen.
Vgl. haar conclusie van antwoord p. 27 e.v., de pleitnota van haar advocaat voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg p. 7-8 en haar memorie van antwoord p. 17-18.
Vgl. de spreekaantekeningen van hun advocaat voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank onder 9, en de pleitnota van dezelfde voor de mondelinge behandeling bij het hof, onder 9. Zie ook de uitlatingen van de advocaat bij laatstgenoemde behandeling die te vinden zijn op p. 18 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal.
Het gaat om de administratie tot 2013, toen [eiser 3] de gemeenschappelijke woning met [verweerster] verliet (zie hiervoor in 2.1 onder (ii)). Bij de mondelinge behandeling bij het hof is door Belba c.s. verduidelijkt dat vooral van belang zijn de duurovereenkomsten die tot 2013 door Belba c.s. zijn aangegaan en die inmiddels aflopen. Zie p. 8 e.v. van het proces-verbaal van die behandeling.
Art. 843a lid 2 Rv stamt uit het oude, in 1988 tot stand gekomen bewijsrecht. Het ontwerp van deze bepaling dateert uit 1959 en is in de parlementaire geschiedenis niet toegelicht. Vgl. Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 415-416.
Vgl. de gegevens genoemd bij T&C Rv, commentaar op art. 843a Rv, aantek. 11 (L.A. Bosch, actueel t/m 01-01-2024) en J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017, hoofdstuk 9. Zie over dit onderwerp ook J. Ekelmans, De exhibitieplicht, prft. Groningen 2010, hoofdstuk 10, die (in voetnoot 12) ook nog op HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3350, NJ 2004, 4, rov. 4.4.4-4.4.6 (Lightning Casino/Nederlandse Antillen) wijst (analoge toepassing art. 8:29 Awb).
HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt. H.B. Krans, rov. 3.7.5.
Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 53-54.
Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/207, met verdere verwijzingen.
Vgl. over de administratieplicht in het algemeen L.L.M. Prinsen, Rekenplicht en aansprakelijkheid, Over administratie, rekening en verantwoording, diss. KUB 1995, en C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019.
Ik heb geen literatuur of rechtspraak gevonden die specifiek ingaat op deze (mogelijke) aanspraak. De door mij geraadpleegde literatuur die de plicht tot het voeren van een administratie bespreekt, zegt hierover niets. Dat is denk ik wel begrijpelijk, omdat degene op wie een administratieplicht rust, zelf de administratie moet opbouwen, mede aan de hand van de stukken die hij in de loop der tijd van anderen krijgt en waarop hij veelal ook recht heeft (afschriften of originelen van overeenkomsten, rekeningen, kwitanties, enz.). Een geval zoals hier, waarin een deel van de administratie zich bij een ander bevindt die daarvan stelt eigenaar te zijn, doet zich niet veel voor.
Zie over het aanvullen van rechtsgronden op grond van art. 25 Rv mijn conclusie in zaak 21/00565, ECLI:NL:PHR:2021:931, onder 3.3-3.6, met verdere verwijzingen.
Zie hun memorie van grieven onder 60.
Beroepschrift 01‑11‑2023
PROCESINLEIDING IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD ALS BEDOELD IN ARTIKEL 407 RV
Eisers tot cassatie zijn:
- 1.
Belba B.V., die is gevestigd in Schuinesloot;
- 2.
A/b Financiën B.V., die is gevestigd in Almelo;
- 3.
[eiser 3], handelend onder de naam [A], die woont in [woonplaats];
- 4.
Belba V.O.F., die is gevestigd in Almelo;
- 5.
Stichting Kapituur, die is gevestigd in Aadorp.
Eisers tot cassatie worden verder aangeduid als ‘Belba c.s."
Eisers kiezen te dezer zake domicilie te 7521 AG Enschede aan de Hengelosestraat 571, ten kantore van Damsté advocaten-notarissen, van welk kantoor mr. J. de Jong van Lier ten deze tot advocaat bij de Hoge Raad wordt aangewezen om eisers in cassatie te vertegenwoordigen en die als zodanig wordt gesteld en deze procesinleiding indient.
Verweerster is:
[verweerster], die woont in [woonplaats] (gemeente [gemeente]), verder ook ‘[verweerster]’.
In de vorige instantie van deze zaak heeft [verweerster] domicilie gekozen ten kantore van haar advocaat mr. S.J.M. Masselink, kantoorhoudende bij Brusse & Masselink te 7604 BM Almelo aan de Wierdensestraat 122.
Belba c.s. stellen hierdoor cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) dat op 1 augustus 2023 onder zaaknummer 200.317.318 is gewezen. In die zaak is in dat arrest uitspraak gedaan tussen Belba c.s. als appellanten, oorspronkelijk eisers, en [verweerster] als geïntimeerde, oorspronkelijk gedaagde.
Verweerster wordt opgeroepen om ten laatste op vrijdag de tweeëntwintigste december tweeduizenddrieëntwintig (22-12-2023), vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, te verschijnen op de zitting van de enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad in diens gebouw aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10:00 uur.
Belba c.s. richten zich tegen het hiervoor genoemde arrest met het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en op grond daarvan te beslissen als in voormeld arrest weergegeven, zulks om de volgende, mede in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Inleiding
In hoger beroep draaide deze zaak om
- 1.
de afgifte van fysieke stukken1.
en om
- 2.
de afgifte van computerbestanden (gekopieerde computerbestanden en scans van de stukken onder 1.).
Deze cassatieprocedure heeft alleen betrekking op het oordeel van het hof over de afgifte van de computerbestanden.
De vordering ten aanzien van de afgifte van de computerbestanden
In appel vorderden Belba c.s. als onderdeel I van hun petitum dat het gerechtshof zou
‘(…) bepalen dat appellanten toegang krijgen tot de bestanden beschreven op de lijst op (de digitale) bijlage C bij de dagvaarding in eerste aanleg, welke bestanden op een aparte en met nummer WDE5RHP9 gemerkte drager worden bewaard door DigiJuris BV te Amersfoort, doordat het te wijzen arrest bepaalt dat DigiJuris de bestanden op de drager ter beschikking mag stellen aan appellanten op de daar meest toe geëigende wijze, door DigiJuris aan de hand van het arrest te bepalen, althans door het gerechtshof nader te omschrijven, althans geïntimeerde te bevelen de ter beschikkingstelling van die bestanden door bedoelde bewaarder op basis van het te wijzen arrest te gedogen;’
Zowel het maken en bewaren van die scans als het maken en bewaren van die kopieën had aanvankelijk plaatsgevonden in het kader van conservatoire bewijsbeslaglegging (art. 843a Rv). Nadat de rechtbank had geoordeeld dat dat beslag was vervallen, was er opnieuw beslag gelegd op de gegevensdrager en de bestanden die daarop werden bewaard.2.
De opbouw van dit middel
Het gerechtshof heeft het in het petitum onder I gevorderde afgewezen op de voet ervan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toewijzing ex art. 843a Rv. Dat zet het hof uiteen in de dragende overwegingen 2.5 en 2.6 van het bestreden eindarrest.
Het hiernavolgende Onderdeel II verdedigt langs diverse invalshoeken dat het Hof daar de lat te hoog legde.
Maar dit middel vangt aan met dit wellicht verder strekkende Onderdeel I. Subonderdeel I.1 verdedigt dat het hof ten onrechte (namelijk met miskenning van de rechterlijke verplichting van artikel 25 Rv) heeft verzuimd te onderzoeken of het gevorderde toewijsbaar was op een andere grondslag dan de grondslag van artikel 843a Rv. Het subonderdeel heeft samenhang met de drie er op volgende subonderdelen.
Subonderdeel I.2 verdedigt dat het hof onjuist heeft geoordeeld, als het heeft geoordeeld dat het in het petitum onder I gevorderde niet toewijsbaar was op de voet van de regeling van de onrechtmatige daad.
Subonderdeel I.3 verdedigt dat het hof onjuist heeft geoordeeld, als het heeft geoordeeld dat het in het petitum onder I gevorderde niet toewijsbaar was met analoge toepassing van de revindicatie-regeling.
Subonderdeel I.4 verdedigt dat het hof ten onrechte de regeling van artikel 3:15j BW niet heeft toegepast.
Subonderdeel I.5 bepleit dat de eis van de individualisering die geldt bij een revindicatievordering niet overeenkomstig van toepassing is op het opeisen van bestanden, doordat bestanden kunnen worden vermenigvuldigd zonder enige verandering in het origineel aan te brengen. Voor het geval het arrest zo begrepen zou moeten worden dat de overwegingen van het hof over de aktes en de ordners ook toepasselijk zijn op de bestanden, is dat oordeel dan ook onjuist.
De subonderdelen van Onderdeel I worden afgesloten met subonderdeel I.6, dat een muizengaatje dicht, voor het geval het arrest zo zou kunnen worden uitgelegd dat het hof begrepen heeft dat Belba c.s. afstand deden van de grondslagen die aan de orde zijn in de middelonderdelen I.2, I.3 en I.4.
Het al genoemde Onderdeel II is voor een belangrijk deel geïnspireerd op uw recente arrest HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830.
Onderdeel III gaat over een procesrechtelijke kwestie. Het hof heeft HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR: 2017:3018 toegepast en overeenkomstig dat arrest geoordeeld dat een geoorloofd tussentijds hoger beroep zich alleen ook kan richten tegen een later tussenvonnis als daar verlof voor is verleend. Bij de bijzonderheden die er in deze zaak aan de orde waren, leidde dat tot een ongerijmde uitkomst. Het middel bepleit dat de norm in bepaalde bijzondere situaties (zoals in deze procedure aan de orde) niet toepasselijk is en dat het hof dus een rechtsfout maakte.
Onderdeel I
De feitelijke grondslag van de subonderdelen I.1 t/m I.5
Op tal van wijzen hebben Belba c.s. verdedigd dat ze aanspraak maken op de bestanden, omdat de bestanden van hen zijn. Het gaat onder meer om de volgende passages uit de Memorie van Grieven:
MvG, randnummer 60:
‘De rechtbank heeft de afwijzingen van de vorderingen onder I en III gemotiveerd met haar (onjuiste) oordeel dat het beslag zou zijn vervallen. Die gedachtegang miskent dat, zelfs als zou worden aanvaard dat het beslag zou zijn vervallen (hetgeen de rechtbank zoals hiervoor is uiteengezet ten onrechte heeft overwogen), dit niet zonder meer als gevolg behoort te hebben dat de vordering onder I zou dienen te worden afgewezen. Immers, toewijzing van de vordering is mogelijk op basis van het oordeel dat appellanten recht hebben op toegang tot digitale scans van hun eigen administratie. Een oordeel over het beslag staat in zoverre los van een oordeel over het recht op toegang tot op een gegevensdrager opgeslagen informatie die door dat beslag is verkregen: de gegevensdrager bestaat nu eenmaal, de gegevens daarop komen uit de administratie van appellanten en ongeacht het oordeel over het beslag is een toewijzing van de vordering onder I reeds op basis daarvan mogelijk.’
MvG, randnummer 33:
‘(…) De administraties van appellanten komen aan hen toe. Uit (proces)stukken die [verweerster] laat indienen blijkt dat zij beschikt over een ruime hoeveelheid stukken afkomstig uit de administraties van appellanten, zonder dat zij ([verweerster]) tot de betreffende stukken gerechtigd is. De administraties komen aan appellanten toe. ’
MvG, randnummer 40:
‘Verder dient benadrukt te worden dat appellanten recht hebben op hun administraties. [verweerster] heeft zelf de situatie gecreëerd dat na jaren een scheiding dient te worden aangebracht tussen administratieve stukken en bestanden van appellanten enerzijds en [verweerster] anderzijds op een praktische en reëel uitvoerbare manier. Haar eigen recht op en belang bij het respecteren van geheimhouding dient daarom in voorkomend geval dat er onverhoopt toch discussie mogelijk zou zijn over een in de selectie opgenomen administratief stuk te wijken voor het belang dat appellanten hebben om nu eindelijk weer toegang te krijgen tot hun administraties. (…)’
MvG, randnummer 43:
‘(…)In ieder geval hebben appellanten recht op en belang bij toegang tot en afgifte van hun eigen administraties.’
MvG, randnummer 44:
‘Nu het gaat om (kopieën van) gegevens uit de administraties van appellanten hebben zij een rechtmatig belang bij afgifte van, althans toegang tot die gegevens.’
Ook uit de stellingen van Belba c.s. bij de nummers 5, 8, 35, 79, 80 en 81 van de Memorie van Grieven blijkt dat Belba c.s. aanspraak maken op de bestanden, omdat het de bestanden zijn van de eigen administratie die aan Belba c.s. toebehoort.
I.1
I.1. Rechtsklacht (schending art 25 Rv)
Belba c.s. hebben zich in hoger beroep er nadrukkelijk op beroepen dat de digitale bestanden de aan hen toekomende administratie vormen. (Zie de hiervoor genoemde passages uit de MvG).
Nadat het hof op de voet van de redengeving in de overwegingen 2.5 en 2.6 heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden waarop het gevorderde toegewezen kan worden op de voet van de regeling van artikel 843a Rv, laat het na te onderzoeken of het gevorderde op een andere rechtsgrond toewijsbaar is. Aldus heeft het gerechtshof artikel 25 Rv miskend.
Inleiding op de subonderdelen I.2 en I.3
Hypothetische feitelijke grondslag
Zoals we hiervoor zagen, hebben Belba c.s. gesteld dat de bestanden aan hen toebehoren. Het hof heeft dat gestelde feit niet beoordeeld, zodat bij beoordeling van dit middel veronderstellenderwijs er vanuit gegaan moet worden, dat de bestanden waarvan Belba c.s. afgifte vorderden aan hen toebehoren.
Over het vorderen van de afgifte van computerbestanden
Het is een basisgedachte van het recht dat degene van wie iets is — los van de vraag hoe dat ‘iets’ juridisch moet worden gekwalificeerd — daarover de beschikking kan hebben. Voor zaken is bepaald dat de eigenaar deze kan revindiceren (art. 5:2 BW) van degene die ze zonder recht houdt.
Het belang van eigendom en zaken neemt af. Steeds meer ‘dingetjes’3. worden niet verkocht, maar verleast en lang niet alle gebruikte dingen kwalificeren nog als een zaak. Gegevensbestanden zijn een goed voorbeeld. Gegevensbestanden zijn, anders dan de drager waarop ze opgeslagen zijn (bijv, een harde schijf), onstoffelijk en om die reden geen zaak in de zin van de wet (art. 5:2 BW).
In de middelonderdelen I.2 en I.3 wordt verdedigd dat de ‘eigenaar’4. van gegevensbestanden — in dit geval een digitale administratie — het recht heeft een kopie te krijgen van degene die de gegevensbestanden (in dit geval: de digitale administratie) onder zich heeft.
In de literatuur wordt het belang van een vermogensrechtelijke benadering van data breed en sinds geruime tijd onderschreven. Bij ST zullen de opvattingen uit de literatuur en feitenrechtspraak nader worden besproken.
Met name de vraag hoe een terugvorderingsactie van digitale objecten vorm zou kunnen krijgen, heeft de pennen in beweging gebracht. Daarbij is gewezen op de maatschappelijk en economische werkelijkheid en wordt benadrukt dat digitale objecten fysieke stukken vervangen: steeds meer bedrijven bewaren hun administratie geheel of ten dele digitaal. De klassieke revindicatievordering verliest daarmee terrein, zonder dat een duidelijk aanwijsbare vordering daarvoor in de plaats lijkt te zijn gekomen.
I.2. Subonderdeel I.2 miskenning van de o.d.-grondslag
Ten onrechte heeft de rechtbank het onder I gevorderde niet geheel of ten dele toegewezen op de voet van de regeling van de onrechtmatige daad.
Data kunnen immers aan iemand toebehoren. Het niet afgeven van data of het niet bieden van de gelegenheid om een kopie van data te verkrijgen, kwalificeert als een onrechtmatige daad; indien het niet strijdt met de wet, dan strijdt het met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.5.
I.3. Subonderdeel I.3 miskenning van de analoge toepassing van de revindicatie-grondslag
Ten onrechte heeft de rechtbank het onder I gevorderde niet geheel of ten dele toegewezen met analoge toepassing van de regeling van de revindicatie (art 5:2 BW).
Data kunnen immers aan iemand toebehoren, zodat degene aan wie die data toebehoren, die data als de zijne kan vorderen.
De omstandigheid dat data niet kwalificeren als zaken maakt dat niet anders, want degene aan wie iets toebehoort, heeft altijd de bevoegdheid jegens een ieder om dat ‘iets’ als het zijne te vorderen, naar analogie van de regeling van de revindicatie. (Deze opvatting wordt in de literatuur6. door sommigen verdedigd en door anderen betwist. In de ST worden de opvattingen nader besproken).
Inleiding op subonderdeel I.4.
Artikel 3:15j BW regelt onder meer:
‘Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen, voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben, vorderen:
- b.
deelgenoten in een gemeenschap, ten aanzien van de boekhouding betreffende de gemeenschap;
- c.
vennoten, ten aanzien van de boekhouding van de vennootschap;’
Belba c.s. hebben gesteld dat [eiser 3] (één van de personen die in dit cassatiemiddel samen worden aangeduid als ‘Belba c.s.’) en [verweerster] samen (elk de helft) van de aandelen houden in Belba7. en dat Belba enig aandeelhouder is van (de eveneens van ‘Belba c.s.’ deel uitmakende) A/b Financiën.
Belba c.s. hebben ook uitgebreid gesteld dat ze belang hebben bij de bestanden.8.
De vordering onder I behelst naar de kern de in artikel 3:15j BW bedoelde ‘Openlegging van tot een administratie behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers’.
I.4. Subonderdeel I.4 rechtsklacht
Het gerechtshof heeft miskend dat het gevorderde op de voet van artikel 3:15j BW toewijsbaar was voor zover het de administraties betrof van Belba en A/b Financiën.
I.5. Subonderdeel I.5 onjuiste toepassing van regels ten aanzien van zaken op computerbestanden
Zaken en computerbestanden hebben niet alleen overeenkomsten (zoals: dat degene van wie ze zijn er afgifte van kan vorderen), maar ook een heel wezenlijk verschil: digitale bestanden kunnen met geringe kosten en moeite worden gekopieerd, aldus dat het origineel en de kopie identiek zijn, zonder ook maar enige wijziging in het origineel aan te brengen.
In jurisprudentie over revindicatie ligt besloten dat voorkomen moet worden dat degene bij wie wordt gerevindiceerd, iets kwijtraakt. (Voorbeeld: HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Texeira de Mattos)) In het bestreden arrest overweegt het hof ten aanzien van de vordering tot afgifte van de fysieke documenten (akten en ordners) in rov 2.13 dat niet kan worden vastgesteld dat Belba c.s. eigenaar zijn van bepaalde specifiek te identificeren ordners of documenten. Dat oordeel wordt in cassatie niet betwist, voor zover het betrekking heeft op de daar aan de orde zijnde vordering tot afgifte van aktes en ordners.
Voor zover het arrest echter zo moet worden begrepen dat dezelfde overweging mede ten grondslag ligt aan het afwijzen van de vordering tot afgifte van de bestanden, is die overweging onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat de beperkingen die bestaan bij revindicatie en die betrekking hebben op bescherming van de eigendom van de persoon van wie gerevindiceerd wordt niet toepasselijk zijn op het opeisen van gekopieerde bestanden, aangezien degene van wie dat wordt gevorderd de beschikking over de originele bestanden niet verliest.
Inleiding op subonderdeel I.6 geen afstand van recht
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de voorzitter aan de advocaat van Belba c.s. gevraagd:
‘Mr Knippenberg, als ik het goed zie heeft u twee vorderingen, de revindicatie en de vordering op grond van art 843a Rv. Klopt dat?’9.
Die vraag is door Mr Van Knippenberg bevestigend beantwoord.
Voor het geval het hof uit dat antwoord heeft afgeleid dat daarmee afstand is gedaan van het recht om de vordering beoordeeld te zien op een andere juridische grondslag, komt dit subonderdeel daartegen op.
Het ligt niet voor de hand dat een partij er voor kiest om er afstand van te doen dat zijn vordering op enige grondslag toegewezen wordt. Daarom is voor het aannemen ervan, dat een partij afstand heeft gedaan van enige rechtsgrondslag waarop zijn vordering toegewezen zou moeten worden, vereist dat die partij duidelijk althans ondubbelzinnig moet doen blijken van de daartoe strekkende wil.
I.6 Subonderdeel I.6 rechtsklacht, althans motiveringsklacht
Indien het hof tot zijn oordeel is gekomen zonder de toewijsbaarheid van het gevorderde sub I te onderzoeken op basis van de grondslagen die onderwerp zijn van subonderdeel 1.2 en 1.3, menende dat Belba c.s. door het antwoord bij de mondelinge behandeling afstand van recht heeft gedaan, dan heeft het
ofwel
- 1.
miskend dat van afstand van het recht er op, dat een rechter bij onderzoek naar de toewijsbaarheid van een vordering ambtshalve de rechtsgronden aanvult, slechts sprake kan zijn indien de daartoe strekkende bedoeling duidelijk, althans ondubbelzinnig blijkt,
ofwel
- 2.
onbegrijpelijk geoordeeld dat Belba duidelijk, althans ondubbelzinnig afstand deed van zijn recht, aangezien de door de voorzitter ter zitting gestelde vraag een gesloten vraag was, zich niet toespitste op de regel van artikel 25 Rv en die naar de kern genomen betrekking had op de te behandelen vorderingen en niet op de identificatie van enige in de beoordeling daarvan aan te brengen beperking.
Onderdeel II
Inleiding
Volgens het hof (rov 2.4) is de vordering onder I niet toewijsbaar op de grondslag van art 843a Rv. Het bestreden arrest onderbouwt dat in de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 met meer dan één dragende grond. In omgekeerde volgorde:
- 1.
de gehanteerde zoekvragen om de grofweg 650 duizend bestanden te selecteren zijn zodanig ruim, dat het hof niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s.
- 2.
a.
Belba c.s. hebben volgens hetgeen daar wordt overwogen onvoldoende concreet gemaakt welke rechtsbetrekkingen waar zij partij bij zijn hier aan de orde zijn; wie van Belba c.s., en op welke manier, bij die rechtsbetrekking betrokken zijn. Daardoor is ook niet duidelijk hoe deze bestanden aan die rechtsbetrekkingen gerelateerd zijn (dit oordeel wordt in cassatie niet betwist) en
b.
Voor zover Belba c.s. met hun vordering willen bewerkstelligen dat zij toegang krijgen tot hun administratie wordt de vordering afgewezen omdat het hof er niet van is overtuigd dat de geselecteerde bestanden allemaal tot de administratie van Belba c.s. behoren. Het hof overweegt dat de vordering dan ook gezien de betwisting door [verweerster] onvoldoende is onderbouwd. (Zie onderdeel II.1 en (rijmend op HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:830) onderdeel II.2)
II.1. Subonderdeel II.1.
Ten onrechte heeft het hof voor de toewijsbaarheid van het gevorderde de eis gesteld dat het er van overtuigd moet zijn dat de grofweg 650 duizend bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s.
Een dergelijk criterium bestaat namelijk niet voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot inzage van bescheiden op de voet van art. 843a Rv.
Inleiding op snderdeel II.2
Inleiding; feitelijke grondslag
Belba c.s. hebben aan hun inzagevordering in deze procedure onder meer ten grondslag gelegd dat zij hun administratie hielden in het huis (en op de daar aanwezige computersystemen) waarin [eiser 3] en [verweerster] gehuwd samenleefden, maar waarin [verweerster] (met al die administratie) is achtergebleven toen [eiser 3] in de aanloop naar een vechtscheiding die woning verliet.10.
In rechtsoverweging 2.6 oordeelt het hof dat (geparafraseerd gezegd) Belba c.s, diverse rechtsbetrekkingen hebben genoemd die relevant zouden kunnen zijn voor de toepassing van artikel 843a Rv, maar dat (nog steeds: geparafraseerd) onvoldoende concreet is gemaakt om welke rechtsbetrekking het hier gaat.
Verderop in rov 2.6 ziet het hof onder ogen dat Belba c.s. ‘verder’ stellen dat zij met hun vordering willen bewerkstelligen dat zij toegang krijgen tot hun administratie en dat met de gehanteerde zoektermen zo zorgvuldig mogelijk een selectie is gemaakt.
Dan vervolgt het hof:
‘Zelfs als hiermee voldoende concreet een rechtsbetrekking is geïdentificeerd, geldt dat de gehanteerde zoekvragen om de grofweg 650 duizend bestanden te selecteren zodanig ruim zijn, dat het hof niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Belba c.s. hebben hun vordering gezien de betwisting door [verweerster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering tot inzage (vordering I) moet daarom afgewezen worden.’
Door aldus te overwegen, laat het hof in het midden of voldoende concreet een rechtsbetrekking is geïdentificeerd doordat Belba c.s. verder stellen dat zij met hun vordering I willen bewerkstelligen dat zij toegang krijgen tot hun administratie. In cassatie dient er daardoor veronderstellenderwijs van uitgegaan te worden, dat zij voldoende concreet een rechtsbetrekking hebben geïdentificeerd.11.
Zoektermen
Bij een bewijsbeslag op en een vordering tot inzage van bescheiden op de voet van art. 843a Rv, kan in voorkomend geval (mede) aan de hand van (een combinatie van) zoekwoorden worden afgebakend welke bescheiden voldoen aan de eisen van bepaaldheid en rechtmatig belang bij inzage, als bedoeld in art. 843a Rv.
De in conservatoir bewijsbeslag te nemen bestanden zijn afgebakend door te zoeken op zoektermen en combinaties op de wijze die blijkt uit de als Bijlage B bij dagvaarding in eerste aanleg, onder 2., waarvan dan weer zijn uitgesloten de bestanden waarin de ‘negatieve zoektermen’ voorkomen, die in die zelfde bijlage zijn genoemd onder 3.
Belba c.s. hebben toegelicht dat de zoekwoorden zo zijn gekozen dat de op basis daarvan beslagen bescheiden onderdeel zullen zijn van de aan hen toebehorende administraties.12.
De door Belba c.s. opgegeven selectie is tot stand gekomen door een voorselectie op basis van zoektermen en combinaties van zoektermen.
Die zoektermen bestaan uit
- •
De namen van verzoekers;
- •
De stukken als omschreven in § 21 sub a van het verzoekschrift
- •
De stukken als omschreven in § 21 sub b van het verzoekschrift
- •
De stukken als omschreven in § 21 sub e van het verzoekschrift
- •
Bankafschriften die zijn gevonden door te zoeken op rekeningnummers, gecombineerd met bepaalde periodes’;
- •
‘DNB’ of ‘De Nederlandse Bank’, ‘AFM’ of ‘Autoriteit Financiële Markten’,
- •
‘[naam 10]’ of ‘[naam 10] ’;
- •
bankrekeningen met de nummers [002], [003], [004], [005], [006], [007] (Belba, A/B Financiën en [eiser 3]), alsmede de door Belba gebruikte rekeningen met de nummers [008], [009], [010], [011] en [012] (productie 11 verzoekschrift);
Die combinaties van zoektermen bestaan uit:
- •
‘29 oktober 2000’ met ‘overeenkomst’ of ‘notulen’;
- •
‘borgstellingovereenkomst’ of ‘pandakte’ met anderzijds ‘Belba BV’, ‘16 juni 1995’, ‘30 december 1999o, ‘H. [verweerster]’ of ’ [eiser 3]",
- •
‘Belba’ met ‘[verweerster]’, ‘[eiser 3]’, ‘[A] ’, ‘[B] ’ of ‘onderpand levensverzekering’
- •
‘borg’ met ‘[naam 1]’ en/ of ‘[naam 2]’ ;
- •
‘[naam 2]’ met ‘[001]’
- •
‘3 september 2013’ met ‘[naam 1]’ en/of ‘[naam 2]’;
- •
‘overeenkomst’ of ‘notulen’ en ‘[eiser 3]’, ‘Belba,’, ‘A/b financiën’, ‘[naam 3]’ en ‘[verweerster]’
- •
‘de ondergetekenden’ met ‘[naam 4]’, ‘[naam 5]’, ‘[eiser 3]’, ‘[naam 6]’, ‘[naam 7]’, ‘[naam 8]’ of ‘[naam 9]’.
Van die voorselectie zijn vervolgens uitgezonderd de bestanden waarin ‘negatieve zoektermen’ voorkomen.
II.2. Subonderdeel II.2-A gemengde klacht
In het licht van het voorgaande is hetzij onjuist, hetzij onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov 2.6 dat ‘Belba c.s. stellen verder dat zij met hun vordering I willen bewerkstelligen dat zij toegang krijgen tot hun administratie en dat met de gehanteerde zoektermen zo zorgvuldig mogelijk een selectie is gemaakt. Zelfs als hiermee voldoende concreet een rechtsbetrekking is geïdentificeerd, geldt dat de gehanteerde zoekvragen om de grofweg 650 duizend bestanden te selecteren zodanig ruim zijn, dat het hof niet overtuigd is dat de daarmee geselecteerde bestanden allemaal behoren tot de administratie van Belba c.s. Belba c.s. hebben hun vordering gezien de betwisting door [verweerster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering tot inzage (vordering I) moet daarom afgewezen worden.’
De zoektermen zijn typisch termen die in de administraties voorkomen;
Meer algemene zoektermen waarvan voor de hand ligt dat ze ook in andere bestanden dan de tot de administratie behorende bestanden zouden kunnen voorkomen hebben alleen maar tot selectie geleid in combinatie met andere onderscheidende zoektermen en van de aldus gemaakte voorselectie zijn vervolgens de bestanden uitgesloten met de zoektermen die voorkomen in correspondentie met de advocaat van [verweerster].
In dergelijke omstandigheden valt niet zonder meer in te zien dat deze zoekwoorden in dit geval te ruim of te algemeen zijn en dat daarom (zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld) de vordering tot inzage in de beslagen bescheiden waarin deze zoekwoorden voorkomen, niet voldoet aan de eis van bepaaldheid, als bedoeld in art. 843a Rv.
Subonderdeel II.2-B motiveringsklacht
In het licht van het voorgaande valt ook niet in te zien hoe het hof aan het eind van rov 2.6 tot het oordeel heeft kunnen komen, dat Belba c.s. hun vordering gezien de betwisting door [verweerster] onvoldoende hebben onderbouwd, nu Belba c.s. een lijst13. hebben bijgevoegd van alle ruim 650.000 (uit een aanvankelijk totaal van ongeveer tien miljoen) langs deze wijze geselecteerde bestanden, die als excel-bestand aan [verweerster] — die zelf ook over al die bestanden beschikte — is afgegeven, terwijl [verweerster] van niet één specifiek genoemd bestand gemotiveerd heeft gesteld dat het bestand niet tot de aan Belba c.s. toebehorende administraties behoorde.
Subonderdeel II.2-C rechtsklacht
Dat oordeel aan het eind van rov 2.6, dat Belba c.s. hun vordering gezien de betwisting door [verweerster] onvoldoende hebben onderbouwd, is ook onjuist, aangezien het hof kennelijk met toepassing van artikel 149 Rv tot dat oordeel is gekomen. Dat is onjuist. De vraag ernaar of de gemaakte selectie van bescheiden wel of niet voldoet aan de eisen van bepaaldheid en rechtmatig belang is namelijk een kwestie van kwalificatie, die zich dus niet laat vaststellen aan de hand van het klaarblijkelijk door het hof gehanteerde systeem van artikel 149 Rv.
Onderdeel III (Nuancering van HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR: 2017:3018)
Inleiding; chronologie
6 juli 2022 | De rechtbank wijst een deelvonnis |
|---|---|
31 augustus 2022 | Na een daartoe strekkend verzoek van Belba c.s. kwam de rechtbank terug op bindende eindbeslissingen die ten grondslag lagen aan het eindvonnisdeel van het tussenvonnis.14. Maar dat leidde niet tot een ander dictum. |
30 september 2022 | Belba c.s. stelden hoger beroep in tegen het deelvonnis van 6 juli 2022 en tegen het vonnis van 31 augustus 2022. Er was niet verlof verleend voor tussentijds hoger beroep. |
1 augustus 2023 | Het gerechtshof wijst het eindarrest, waartegen dit cassatieberoep zich richt. |
In rov 2.3 kwalificeert het hof het vonnis van 31 augustus 2022 als een tussenvonnis.15. Dat geldt in dit cassatieberoep als uitgangspunt.
Met toepassing van uw arrest van HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR: 2017:3018 oordeelde het gerechtshof in rov 2.3 dat het deelvonnis het toegangsbiljet was tot de procedure in hoger beroep, maar dat tegen het latere tussenvonnis geen hoger beroep openstond, zodat het beroep -voor zover het zich tegen dat latere tussenvonnis richtte- niet ontvankelijk was. Vervolgens hield het hof de zaak aan zich en oordeelde het dus ook over de materie die onderwerp was van het latere tussenvonnis.
Dat is een ongerijmde gang van zaken. Bij deze bug die zich kan voordoen indien er in de appeltermijn die begint te lopen met het wijzen van een deelvonnis een tussenvonnis wordt gewezen, heeft uw raad bij het wijzen van het arrest van HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3018 wellicht niet stilgestaan.
Het gevolg van deze gang van zaken is
- •
Dat er een rechtbankbeslissing bestaat met bindende eindbeslissingen d.d. 31 augustus 2023 die tot stand is gekomen na een partijdebat dat zich bij de rechtbank voltrok na het deelvonnis;
- •
Dat er een eindarrest bestaat, waarin ook is geoordeeld over hetzelfde ‘tussenvonnisdeel’ waarover gedurende de appeltermijn een tussenvonnis was gewezen;
- •
Dat het eindarrest het tussenvonnis niet vernietigt, zodat er nu ten aanzien van elkaar bindende eindbeslissingen bestaan van de rechtbank en (indien het arrest van het gerechtshof onherroepelijk wordt) bindende eindbeslissingen ten aanzien van hetzelfde van het gerechtshof.
- •
Dat er geen mogelijkheid bestaat om tegen de bindende eindbeslissingen uit het tussenvonnis een rechtsmiddel aan te wenden.
Bovenal is deze gang van zaken nodeloos complicerend. Er is geen belang dat zich ertegen verzet dat bij een ontvankelijk beroep tegen een deelvonnis in dat beroep betrokken moet kunnen worden een gedurende de appeltermijn in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis.
Bij vernietiging van het arrest op de voet van één van de voorgaande onderdelen kan in het geding na verwijzing al snel de vraag aan de orde komen wat de grenzen van de rechtsstrijd zijn, als deze twee uitspraken waarvan de overwegingen naast elkaar gezag van gewijsde hebben of kunnen krijgen elk gelding houden. Ook in andere situaties is het complicerend dat er naast elkaar uitspraken bestaan die elk gezag van gewijsde hebben (of nog kunnen krijgen) over dezelfde geschilpunten.
Belba c.s. hebben er een belang bij dat de onzekerheid die het gevolg is van het naast elkaar kunnen bestaan van bindende eindbeslissingen met gezag van gewijsde wordt beëindigd.
III. Onderdeel III (rechtsklacht:)
Ten onrechte heeft het hof in rov 2.3 geoordeeld dat tegen het tussenvonnis van 31 augustus 2022 zonder verleend verlof niet hoger beroep kon worden ingesteld. De regel waarop dat oordeel was gebaseerd (HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR: 2017:3018) is namelijk niet toepasselijk indien het tussenvonnis is gewezen voordat tijdig hoger beroep is ingesteld tegen het eerdere tussenvonnis of deelvonnis, althans niet indien het gerechtshof bij de beoordeling van dat hoger beroep de zaak aan zich houdt, zoals in deze zaak gebeurde.
Mitsdien:
het de Hoge Raad der Nederlanden behage het bestreden arrest te vernietigen, met zodanige verdere voorziening als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met veroordeling van verweerster in de kosten van het geding in cassatie, en met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Enschede, 1 november 2023
J. de Jong van Lier
Advocaat bij de Hoge Raad
[A NUMMER: A12801]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑11‑2023
Een enkel woord over de vordering met betrekking tot de afgifte van de fysieke stukken: Belba c.s. vorderden (als onderdeel II van hun petitum in hoger beroep) dat het gerechtshof geïntimeerden zou‘(…) veroordelen tot afgifte van de administraties van appellanten aan appellanten, bestaande uit (niet limitatief)a) de ordners waarvan de identiteit kan worden vastgesteld omdat (bepaalde) stukken in de ordner beantwoorden aan de omschrijving in bijlage C bij de dagvaarding in eerste aanleg, in voorkomend geval vast te stellen door vergelijking met een bestand als te verkrijgen uit de vordering onder I,b) alle (afschriften van) akten, waarbij (één of meer van) appellanten en/of één van de op bijlage B bij de dagvaarding in eerste aanleg genoemde klanten van (één of meer van) appellanten partij zijn;c) alle ordners die zich op 5 maart 2021 op het adres [a-straat 01] te [a-plaats], gemeente [gemeente], hebben bevonden, waar op de buitenzijde één of meer van de namen ‘Belba’, ‘A/b’, ‘Kapituur’, ‘[eiser 3]’, en/of één of meer van de klanten vermeld in de bijlage B bij de dagvaarding in eerste aanleg bij de dagvaarding, is en/of op 5 maart 2021 was weergegeven;deze hier in dit onderdeel II voorwaardelijk gevorderde afgifte op straffe van een dwangsom van eenmalig EUR 25.000 indien afgifte niet geheel plaatsvindt binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis en vervolgens een dwangsom van EUR 250 per ordner of (afschrift van) akte per dag of gedeelte daarvan dat afgifte van één of meer ordners of (afschriften van) akten uitblijft, tot een maximum van EUR 1.025.000; De vordering was voorwaardelijk ingesteld (namelijk ‘onder de voorwaarde dat het gerechtshof het hoger beroep mede ontvankelijk acht ten aanzien van de vordering sub I in eerste aanleg). Zij is door het gerechtshof inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Dragend daarvoor is rechtsoverweging 2.13 uit het arrest, waartegen in cassatie niet wordt opgekomen.
Memorie van Grieven, nr. 3.
Naar C.E. Drion, 'Homo Digitalis Civilis. Een brede blik en de dialectiek van toe- en aanpassing van oude concepten op of aan nieuwe ‘zaken’, NJB 2016/1074.
Het huidige begrippenkader schiet hier een beetje te kort. In het middel zal kortweg van ‘eigendom’ (met aanhalingstekens) worden gesproken, omdat dit begrip duidelijk is en omdat Belba c.s. dit ook zo hebben gedaan in feitelijke instanties. Omdat data geen zaken in de zin van art. 5:2 BW zijn en eigendom in strikte zin een recht is dat een persoon op een zaak kan hebben (art. 5:1 BW) zijn de aanhalingstekens toegevoegd.
Bij ST wordt jurisprudentie en literatuur ten aanzien van deze kwestie besproken, waaronder de volgende bijdragen: E.F. Verheul, ‘Revindicatie van data in de cloud’, AA20180578; J.L. Naves, ‘Data in de rechtspraktijk’, Computerrecht 2018/2; T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Privaatrecht voor de homo digitalis: eigendom, gebruik en handhaving’ voor de Jaarvergadering van de Nederlandse Juristen-Vereniging, 10 juni 2016 te Haarlem, Handelingen NJV, 146e jaargang, 2016-1, Deventer: Wolters Kluwer 2016;
C.E. Drion, ‘Homo Digitalis Civilis. Een brede blik en de dialectiek van toe- en aanpassing van oude concepten op of aan nieuwe ‘zaken’, NJB 2016/1074;S.E. Bartels & A.A. van Velten, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 5. Zakenrecht, Eigendom en beperkte rechten, Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 7a;A.C. van Schalk, ‘Digitalisering en vermogensrecht’, in: Digitalisering, vermogensrecht, de platformeconomie en grondrechten, Preadviezen Nederlandse Vereniging voor Burgerlijk Recht 2019, Zutphen: Paris 2019;L. van der Laan ‘De implicaties van de digitalisering voor het recht. Een impressie van de NJV-jaarvergadering 2016’, NJB 2016/1398;J.H.M. van Erp & W. Loof, ‘Eigendom in het algemeen; eigendom van digitale inhoud (titel 1)’, in: L.C.A. Verstappen (red.), Boek 5 BW van de toekomst, Preadviezen KNB, Den Haag: SDU 2016;V. Tweehuysen, ‘Digitaal goederenrecht — een introductie’, in: C.J.H. Jansen, B.A. Schuijling & I.V. Aronstein, Onderneming & Digitalisering, Deventer; Wolters Kluwer 2019.HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:687, NJ 2022/249, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.6.I. Koumans, ‘Goederenrechtelijke kwalificatie van (onder andere) Instagramaccounts’, NTBR 2022/41.
Memorie van Grieven, nr 11.
Memorie van Grieven, nrs 21, 22, 29, 31, 32, 34, 41, 42 en 46.
Zie PV van de mondelinge behandeling, bovenaan p. 8.
Onbetwiste vaststelling in het eindarrest, rov 1.2
Met de stelling ‘De in beslag genomen bestanden behoren tot mijn administratie’ is overigens daadwerkelijk voldaan aan de eis dat er voldoende concreet een rechtsbetrekking wordt aangeduid. Dat (rechts)personen er belang bij hebben over hun eigen administratie te kunnen beschikken is zonder concrete toelichting in het algemeen volstrekt evident. Belba c.s. hebben ook aangeduid welke problemen zij concreet hebben, zolang ze niet over de administratie beschikken; daarmee hebben zij ook hun belang gesteld.
Memorie van Grieven ,nrs 8, 9, 37, 38, 39. Ook de ‘Bijlage B’ bij de dagvaarding in eerste aanleg licht toe wat de betekenis en relevantie is van de daar voor de selectie gehanteerde zoekcriteria.
De in het petitum genoemde Bijlage C.
De juistheid van die kwalificatie is twijfelachtig: als de rechtbank, toen hij terugkwam op zijn bindende eindbeslissing, daardoor tot een ander dictum was gekomen dan het dictum van het vonnis van 6 juli 2022, dan was duidelijk geweest dat er hier van een (onterecht tot stand gekomen) eindvonnis sprake was geweest.