Hof Den Haag, 06-12-2023, nr. 22-003628-22
ECLI:NL:GHDHA:2023:2350
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
06-12-2023
- Zaaknummer
22-003628-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:2350, Uitspraak, Hof Den Haag, 06‑12‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:765, Bekrachtiging/bevestiging
Uitspraak 06‑12‑2023
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van twee voetgangers door met zijn auto op hen in te rijden, waarbij de verdachte bewust de confrontatie heeft gezocht. En valsheid in geschrifte, gepleegd door een brief valselijk op te maken. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-003628-22
Parketnummer: 10-111469-21
Datum uitspraak: 6 december 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortdatum] 1970,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 115 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, alsmede met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd, inhoudende, kortgezegd, een contactverbod. De rechtbank heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot zijn in eerste aanleg beslissingen genomen omtrent het beslag, de vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 23 april 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hoge snelheid met een personenauto op/tegen, althans in de richting, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is ingereden/afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 april 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een hoge snelheid met een personenauto op/tegen, althans in de richting, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in te rijden;
2.hij in of omstreeks de periode van 1 december 2020 tot en met 19 februari 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4], door - veelvuldig tekstberichten te sturen naar die voornoemde [slachtoffer 4] en/of - zich veelvuldig naar de woning van voornoemde [slachtoffer 4] te begeven en/of - veelvuldig kaarten en/of brieven in de brievenbus te deponeren van voornoemde [slachtoffer 4] en/of - veelvuldig bloemen te laten bezorgen bij voornoemde [slachtoffer 4] met het oogmerk die [slachtoffer 4], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3.hij in of omstreeks de periode van 12 april 2021 tot en met 13 april 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, in elk geval in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief d.d. 12 april 2021 van politie Eenheid Rotterdam, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op een blanco briefpapier onder meer het logo en/of het motto 'waakzaam en dienstbaar' en/of het telefoonnummer van de Politie te plaatsen en/of teksten inhoudende onder meer 'Begin dit jaar deed u melding van stalking' en/of 'Naar aanleiding hiervan hebben wij inmiddels onderzoek verricht.' en/of 'In deze eindevaluatie stellen wij u op de hoogte van onze bevindingen.' en/of 'Wij zien als politie-organisatie eigenlijk onvoldoende aanknopingspunten' en/of 'Ons advies' en/of 'Hiermee sluiten wij dit dossier af.' te plaatsen als ware het afkomstig is van een medewerker van de politie en/of de brief af te sluiten met 'Uw wijkagent [slachtoffer 5]' en/of deze brief te stoppen in een envelop voorzien van het logo en/of de letters POLITIE en/of vervolgens deze envelop te deponeren in een brievenbus van een ander, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 3]. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] alsmede het onder 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen waarvan 95 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden en de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaren zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met dien verstande dat het contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 4] komt te vervallen. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de hiervoor genoemde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en dat aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt opgelegd voor de duur van 12 maanden. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zal worden verbeurd verklaard, dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
1. poging zware mishandeling [slachtoffer 3]
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd voor wat betreft de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3], zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en zoals bepleit door de verdachte – behoort te worden vrijgesproken.
2. belaging
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen moet volgen dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed hiervan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer – naar objectieve maatstaven bezien – van zodanige aard zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster.
Gelet op de aard van de gedragingen van de verdachte, de relatief geringe frequentie en intensiteit van deze gedragingen en de omstandigheid dat niet onaannemelijk is dat de aangeefster zelf ook herhaaldelijk contact heeft gezocht met de verdachte, acht het hof niet bewezen dat de verdachte wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hoewel het hof begrijpt dat de aangeefster een aantal gedragingen van de verdachte als ongewenst heeft ervaren, leveren deze gedragingen in onderlinge samenhang onvoldoende op om van belaging te kunnen spreken.
Daarbij neemt het hof mede in aanmerking de omstandigheden waaronder de gedragingen van de verdachte hebben plaatsgevonden, te weten in het kader van de relatie tussen de verdachte en aangeefster (waarvan tevens onduidelijk is wanneer deze daadwerkelijk is beëindigd), waarbij veelvuldig contact niet ongebruikelijk is. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de aan hem onder 2 tenlastegelegde belaging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Verweer
De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet de bedoeling had om iemand daadwerkelijk aan te rijden. Hij stelt dat hij hen (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) enkel schrik wilde aanjagen.
Het hof overweegt dat naar algemene ervaringsregels het met enige snelheid met een auto (een vervoermiddel met niet te verwaarlozen massa) inrijden op voetgangers (kwetsbare verkeersdeelnemers) de aanmerkelijke kans in het leven roept dat deze daardoor zwaar lichamelijk letsel oplopen. De doelgerichte gedragingen van de verdachte waren naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel bij de [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], dat reeds hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Van concrete indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte voornoemde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Het hof neemt hierbij in overweging dat de verdachte naar eigen zeggen een waas voor zijn ogen kreeg toen hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zag lopen.
Het hof acht dan ook bewezen de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair, alsmede het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op of omstreeks 23 april 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een hoge snelheid met een personenauto op/tegen, althans in de richting, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] is ingereden/afgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
subsidiair
hij op of omstreeks 23 april 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een hoge snelheid met een personenauto op/tegen, althans in de richting, van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in te rijden;
3. hij in of omstreeks de periode van 12 april 2021 tot en met 13 april 2021 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, in elk geval in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een brief d.d. 12 april 2021 van politie Eenheid Rotterdam, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door op een blanco briefpapier onder meer het logo en/of het motto 'waakzaam en dienstbaar' en/of het telefoonnummer van de Politie te plaatsen en/of teksten inhoudende onder meer 'Begin dit jaar deed u melding van stalking' en/of 'Naar aanleiding hiervan hebben wij inmiddels onderzoek verricht.' en/of 'In deze eindevaluatie stellen wij u op de hoogte van onze bevindingen.' en/of 'Wij zien als politie-organisatie eigenlijk onvoldoende aanknopingspunten' en/of 'Ons advies' en/of 'Hiermee sluiten wij dit dossier af.' te plaatsen als ware het afkomstig is van een medewerker van de politie en/of de brief af te sluiten met 'Uw wijkagent [slachtoffer 5]' en/of deze brief te stoppen in een envelop voorzien van het logo en/of de letters POLITIE en/of vervolgens deze envelop te deponeren in een brievenbus van een ander, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair en subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling,
meermalen gepleegd.
En
bedreiging met zware mishandeling.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
valsheid in geschrift.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en een poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd door met zijn auto in de richting van een voetganger te rijden respectievelijk in/af te rijden op twee andere voetgangers. Eerstgenoemde voetganger was een onschuldige bijstander en met laatstgenoemde voetgangers zocht de verdachte bewust de confrontatie. Door aldus te handelen, moet de verdachte een voor de slachtoffers (en omstanders) zeer angstige en intimiderende situatie in het leven hebben geroepen. Daarnaast is het niet aan de verdachte te danken dat zij niet zwaar(der) gewond zijn geraakt. Het hof rekent de verdachte dit dan ook zwaar aan, temeer nu hij naar eigen zeggen rijinstructeur en vrachtwagenchauffeur is (geweest) en zich dus als geen ander had moeten realiseren dat het gebruik van een voertuig als wapen volstrekt onacceptabel is.
Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, gepleegd door een brief valselijk op te maken. De brief was voorzien van het logo en het telefoonnummer van de politie, sloot af met ‘de wijkagent [slachtoffer 5]’ en zat in een envelop met daarop het logo van de politie. De verdachte heeft deze brief in de brievenbus van een ex-partner gedeponeerd. Met het handelen van de verdachte is niet alleen geprobeerd om het slachtoffer op het verkeerde been te zetten, maar is ook misbruik gemaakt van het vertrouwen in en inbreuk gemaakt op de integriteit van de politie en de betreffende wijkagent. Het hof rekent de verdachte dit zwaar aan.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 november 2023 niet eerder wegens het plegen van soortgelijke feiten als de onderhavige is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft tevens acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 12 oktober 2022 en het reclasseringsrapport d.d. 12 oktober 2021. Uit eerstgenoemd rapport volgt het advies om het onder 1 en 3 tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte vanwege de duidelijke relatie tussen zijn bipolaire stoornis en de waanachtige overtuiging dat zijn ex-vriendin werd misbruikt. Tevens volgt uit dit rapport het advies om de verdachte als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel (ambulante) behandeling bij Antes en toezicht door de reclassering op te leggen.
Uit voornoemd reclasseringsrapport volgt – gelet op de omstandigheid dat het recidiverisico als gemiddeld wordt ingeschat – het advies om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod (met en [slachtoffer 2]).
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair en subsidiair bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.- Personenauto, kenteken: [kenteken], merk: Daihatsu (bouwjaar 2006), omschrijving: G5941161.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.500,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 800,00, met de wettelijke rente vanaf 23 april 2021 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 400, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 400,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 50,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 50,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij nu deze niet nader is onderbouwd.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.
Het hof is van oordeel dat de vordering van [slachtoffer 5] dient te worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Dit neemt niet weg dat het hof begrip heeft voor het gevoel van [slachtoffer 5] dat zijn goede naam en die van de politie door dit delict worden geraakt.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 3] zoals onder 1 primair is tenlastegelegd en verklaart evenmin bewezen de onder 2 tenlastegelegde belaging en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de bedreiging van [slachtoffer 3] zoals onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd alsmede de valsheid in geschrift zoals onder 3 is tenlastegelegd.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 55 (vijfenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] ([geboortedatum slachtoffer 1] 1961) en [slachtoffer 2] ([geboortedatum slachtoffer 2] 1951) en beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan deze maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Personenauto, kenteken: [kenteken], merk: Daihatsu (bouwjaar 2006), omschrijving: G5941161.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 april 2021.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] tot schadevergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. TH.W.H.E. Schmitz, mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffiers A. van der Schalk en mr. E. Wouters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 december 2023.