Anders was dat bijvoorbeeld in de zaak die leidde tot HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1118, waarin het hof voorwaardelijk opzet bewezen achtte nadat het onder meer had vastgesteld dat de verdachte de opdracht had aanvaard om een peilbaken onder de auto van het slachtoffer te plakken, terwijl hij wist dat de achtergrond van die opdracht een financieel conflict betrof tussen het slachtoffer en personen die zich bezighielden met het investeren in een cocaïnetransport en dat die verdachte had verklaard dat hij “weet dat het fout kan zijn als je een peilbaken moet plaatsen”. Zie ook HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1117, waarin het hof had vastgesteld dat de verdachte met zijn mededader “belast was met het zoeken van [slachtoffer 1], het plakken van het baken, het ervoor zorgen dat de schutters geïnformeerd zouden raken zodra [slachtoffer 1] gelokaliseerd was en het in coördinatie met de schutters weghalen van het peilbaken zodra de schutters gearriveerd zouden zijn op de plek waar [slachtoffer 1] was gelokaliseerd”. Het hof concludeerde vervolgens dat “de verdachte en zijn mededader kennis droegen van de strekking van hun handelen met het peilbaken en de bijbehorende telefoon met applicatie, te weten het voorbereiden van moord”.
HR, 13-05-2025, nr. 24/00523
ECLI:NL:HR:2025:721
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-05-2025
- Zaaknummer
24/00523
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:721, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑05‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:337
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2024:315
ECLI:NL:PHR:2025:337, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:721
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑06‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0175
NJ 2025/316 met annotatie van P.A.M. Mevis
Uitspraak 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen moord in 2019 op parkeerterrein bij sportcentrum in Amstelveen door peilbaken onder auto van slachtoffer te plakken en vlak voor moord te verwijderen, art. 289 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht opzet op dood van slachtoffer. Uit bewijsvoering van hof kan niet z.m. volgen dat opzet van verdachte was gericht op dood van slachtoffer. Bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt HR in aanmerking dat niet z.m. begrijpelijk is ’s hofs oordeel dat opzet mede steun vindt in overweging “dat het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren”. Dat baken hiervoor kan worden gebruikt doet immers niet eraan af dat baken ook gebruikt kan worden voor andere doeleinden. Volgt vernietiging en verwijzing. Samenhang met 24/00522 en 24/00620 en met HR:2024:169.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00523
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2024, nummer 23-002097-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat O.F. Qane bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De raadslieden van de verdachte hebben een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] .
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 12 december 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring overwogen:
“4.4.1.1 Overlijden van [slachtoffer] op 12 december 2019
Op 12 december 2019, omstreeks 17:15 uur, krijgen verbalisanten naar aanleiding van een melding van een schietpartij de opdracht om te gaan naar de [A] in [plaats] . Op de parkeerplaats van sportcomplex [B] zien de verbalisanten naast een donkerkleurige auto (BMW) (hierna: de BMW), een man liggen met een plas bloed rondom zijn hoofd. Het slachtoffer, naar later bleek [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), ademde niet meer en uit meerdere plekken op zijn hoofd kwam bloed. Reanimeren bleek niet meer mogelijk.
(...)
4.4.1.2 Camerabeelden parkeerterrein [B] van 12 december 2019
Op beelden, die op 12 december 2019 zijn opgenomen met beveiligingscamera’s op en rondom het parkeerterrein van sportcomplex [B] , is onder andere het volgende te zien.
15:58 uur
[slachtoffer] arriveert in de BMW en parkeert het voertuig in een parkeervak op het eerste rijpad aan de voorzijde van [B] . De BMW staat dan aan de noordzijde van het parkeerterrein, ter hoogte van de fietsenstalling. [slachtoffer] stapt uit het voertuig en loopt hand in hand met zijn vijfjarige zoontje [betrokkene 1] (hierna: zoon of zoontje) naar de hoofdingang van [B] . Zij gaan het pand binnen.
16:14 uur – 16:22 uur
Een NN-persoon rijdt op een tweewielig voertuig over de [a-straat] en parkeert zijn voertuig. Omstreeks 16:16 uur komt een persoon in donkere kleding het parkeerterrein van [B] oplopen. De NN-persoon loopt over het tweede rijpad naar de noordzijde van de parkeerplaats waar hij gedurende een korte periode rond blijft hangen. Dan op een gegeven moment, wanneer het ogenschijnlijk rustig is en er zich geen andere mensen in de nabijheid van de NN-persoon bevinden, loopt hij naar de BMW, gaat hij bij het rechterachterwiel op de grond liggen en verricht hij een handeling aan de onderzijde van de BMW. Vervolgens staat de NN-persoon na een seconde of vijf (5) weer op en loopt in een rechte lijn weer naar de uitgang van het parkeerterrein. Hij heeft een van zijn handschoenen uitgetrokken en het lijkt alsof hij een telefoon in zijn handen heeft en op het scherm daarvan tikt. De NN-persoon loopt richting de [a-straat] .
16:23 uur – 16:26 uur
Een Volkswagen Transporter, voorzien van het Nederlandse [kenteken] (hierna: de Transporter) komt omstreeks 16:23 uur in beeld. Het eerste beeld dat van de Transporter is opgenomen is het moment dat hij op de [A] rijdt in de richting van de parkeerplaats voor [B] . De NN-persoon die handelingen bij de BMW van [slachtoffer] heeft verricht loopt op dat moment net van het terrein af. Ze kruisen elkaar als het ware. De Transporter rijdt het parkeerterrein van [B] op en rijdt in verschillende richtingen over dit parkeerterrein, onder andere langs de BMW. Vervolgens parkeert de Transporter ruim één minuut in een parkeervak aan de rechterzijde van het derde rijpad. Vanaf die plek heeft de bestuurder, die oranje werkhandschoenen draagt, zicht op de BMW. Normaal gesproken is een tag benodigd om de slagboom te openen om het parkeerterrein op te rijden, maar die dag was de slagboom defect en had een servicemedewerker van [B] omstreeks 06:30 uur de slagboom omhoog gezet zodat het terrein voor iedereen toegankelijk was. Deze medewerker had rond 16:30 uur de slagboom weer naar beneden gedaan zodat het terrein weer was afgesloten. Bij het verlaten van het parkeerterrein gaat de slagboom automatisch open.
16:27 uur – 16:45 uur
De Transporter staat ongeveer zeventien minuten geparkeerd in een parkeervak aan de linkerzijde van het derde rijpad. Vervolgens gaan de remlichten aan, waarna de Transporter niet meer in het parkeervak staat.
16:45 uur
Twee personen in donkere kleding (hierna: NN1 en NN2) lopen weg vanaf de plek waar de Transporter geparkeerd stond. NN2 draagt oranje handschoenen. NN1 en NN2 lopen naar de fietsenstalling naast [B] en vervolgens naar het naastgelegen terras van ‘ [C] ’, waar zij achter een hek met reclameborden plaatsnemen. Vanaf deze plek zijn zij niet zichtbaar voor beveiligingscamera’s en voorbijgangers. Zij hebben goed uitzicht over het parkeerterrein, vanaf de hoofdingang van [B] tot aan de BMW.
De Transporter rijdt richting de uitgang van het parkeerterrein van [B] en passeert NN1 en NN2. Bij de handen van de bestuurder is op dat moment geen oranje kleur zichtbaar.
16:46 uur – 16:47 uur
De Transporter rijdt het parkeerterrein van [B] af en parkeert op de [A] ter hoogte van de uitgang (in de richting van de [a-straat] ). De Transporter blijft ongeveer zevenentwintig minuten op deze plek staan, tot na de schietpartij. De schuifdeur aan de rechterzijde staat een beetje open.
Omstreeks 17:14 uur
[slachtoffer] loopt met zijn zoontje aan de hand vanaf [B] naar de BMW. Aangekomen bij de BMW opent [slachtoffer] het rechterachterportier. NN1 en NN2, die zich tot dan toe hebben opgehouden achter het hek bij de ingang van ‘ [C] ’, komen tevoorschijn en rennen op [slachtoffer] af, terwijl [slachtoffer] het rechterachterportier voor zijn zoon openhoudt en zijn zoon plaatsneemt op de achterbank van de BMW. Zij naderen [slachtoffer] van achteren.
NN1 vuurt het eerste schot als hij ongeveer twee meter achter [slachtoffer] staat. [slachtoffer] zakt gelijk ineen. Het rechterachterportier staat nog open en het zoontje bevindt zich in de auto op of bij de achterbank.
NN2 verschijnt rechts in beeld. Hij heeft beide armen gestrekt voor zich uit gestoken, alsof hij ook een vuurwapen vasthoudt. NN2 draagt oranje handschoenen.
NN1 vuurt een tweede maal in de richting van [slachtoffer] . NN2 heeft beide armen voor zich uit gestrekt en houdt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. [slachtoffer] zakt steeds verder ineen. Het zoontje bevindt zich nog op of bij de achterbank van de BMW in de vuurlijn. Het rechterachterportier staat wijd open.
[slachtoffer] is bij het geopende rechterachterportier op de grond ineen gezakt. NN1 en NN2 staan boven [slachtoffer] en houden hun wapens op hem gericht.
NN1 lost nog vijf schoten, terwijl NN2 zijn wapen op [slachtoffer] gericht houdt. Tijdens het zesde schot is duidelijk zichtbaar dat NN2 een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft, maar nog niet heeft geschoten.
NN1 lost nog vier schoten. Op het moment dat NN1 het achtste schot vuurt lijkt het wapen van NN2 te weigeren. NN2 verricht handelingen aan zijn wapen, alsof hij probeert om de slede van het wapen naar achteren te trekken. Vervolgens houdt NN2 zijn wapen met beide handen vast en maakt slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer] . NN1 is een paar meter weggelopen, komt vervolgens weer terug en lost nog drie schoten.
NN1 heeft in totaal elf schoten gelost.
NN1 en NN2 rennen tegelijkertijd weg naar de uitgang van het parkeerterrein, waar de Transporter staat. Zij springen in de Transporter, waarna de Transporter – met gedoofde lichten – wegrijdt over de [A] , naar de [a-straat] , in de richting van de [b-straat ] .
De betreffende Transporter wordt kort daarna om 17:37 uur volledig in brand aangetroffen op een parkeerplaats aan de [c-straat] te [geboorteplaats] . De Transporter bleek in de nacht van 5 op 6 december 2019 te zijn gestolen in [plaats] en was voorzien van valse kentekenplaten. Het betreft een auto met rondom zwarte ramen.
4.4.1.3 Verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de Volkswagen Transporter heeft bestuurd. Dat heeft hij ook gedaan op 11 december 2019 en op 12 december 2019 aan het einde van de ochtend, toen de Transporter eveneens bij [A] aanwezig was. (...) [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij een paar dagen voor 11 december 2019 de sleutels van de Transporter heeft opgehaald en dat deze telkens stond geparkeerd aan de [d-straat ] , vlakbij [station] te [plaats] . Toen hij de twee jongens op 12 december 2019 in de middag ophaalde stonden ze al klaar. De jongens zaten achter in de bus. Hij is na de schietpartij naar de [c-straat] gereden en heeft daar de Transporter in opdracht van de jongens in brand gestoken. Onderweg daarnaartoe zijn de twee jongens uitgestapt.
Vóór de hiervoor genoemde aanwezigheid van de Transporter bij [A] op 11 december 2019, is eveneens te zien dat een NN-persoon op een tweewielig motorvoertuig arriveert en handelingen onder de BMW verricht. De NN-persoon van de beelden van 11 december 2019 is door meerdere verbalisanten herkend als [verdachte] . De persoon die op 12 december 2019 handelingen onder de BMW verricht is dezelfde persoon. [verdachte] heeft bevestigd dat hij de NN-persoon is op de beelden van 11 december 2019 en van 12 december 2019. Hij heeft verklaard dat hij op die data een onder de BMW geplaatst baken heeft verwijderd. Op 6 december 2019 was hij voor een opdrachtgever, door wie hij op 4 december 2019 was benaderd en van wie hij op 5 december 2019 een gebruikerstelefoon had gekregen, op zoek gegaan naar de BMW. Hij moest naar een adres van [B] in [plaats] . Dat was een andere [B] (...). De auto stond er niet en hij was bij de verkeerde [B] . Ter terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022 heeft [verdachte] verklaard dat hij hierna naar [A] is gegaan. Uit de telecomgegevens van [verdachte] was gebleken dat hij op 6 december 2019 in de omgeving van beide locaties van [B] was geweest.
4.4.2
De tijdlijn voor en op 11 december 2019
Het hof zal een chronologisch overzicht geven van de gebeurtenissen voorafgaand aan de schietpartij, waarbij ook de gebeurtenissen op de al genoemde data van 6 en 11 december 2019, alsmede die in de ochtend van 12 december 2019 worden besproken.
4.4.2.1 De gebeurtenissen voorafgaand aan 11 en 12 december 2019
Zoals hiervoor weergegeven wordt [verdachte] op 4 december 2019 benaderd door een opdrachtgever, krijgt hij op 5 december 2019 een gebruikerstelefoon en wordt in de nacht van 5 op 6 december 2019 de Transporter gestolen te [plaats] .
[verdachte] heeft het [telefoonnummer] (hierna: [telefoonnummer] ) in gebruik. De historische verkeersgegevens van dit nummer zijn nader onderzocht voor een periode van 6 maanden (van 14-7-2019 00:00 uur tot en met 14-01-2020 23:59 uur). Daaruit blijkt dat de [telefoonnummer] op 6 december 2019 vanaf 13:19 uur in [plaats] achtereenvolgens de navolgende zendmastlocaties aanstraalt; [e-straat 1] , [f-straat 1] , [g-straat 1] , [e-straat 1] , [h-straat 1] en ten slotte weer [g-straat 1] . Het is in de onderzochte periode voor het eerst dat de zendmastlocatie [g-straat 1] te [plaats] wordt aangestraald. Deze zendmast geeft dekking aan de [i-straat 1] waar [A] was gevestigd. Daarna gebeurt het aanstralen van deze zendmast ook op 7 en 11 december 2019 en ten slotte alleen nog op 5 januari 2020. De zendmast aan [e-straat ] die de [telefoonnummer] die dag twee keer aanstraalt, geeft dekking aan [j-straat] te [plaats] , waar het [slachtoffer] verbleef. In de onderzochte periode blijken dit de enige twee registraties te zijn waarop het telefoonnummer deze zendmast aanstraalt.
(...)
4.4.2.2 De gebeurtenissen op 11 december 2019
(...)
Uit de camerabeelden van de nabije omgeving van sportcomplex [B] te [plaats] volgt dat [slachtoffer] op 11 december 2019 om 13:15 uur zijn BMW parkeert en samen met zijn zoon richting de ingang van [B] loopt.
Op die beelden is ook te zien dat [verdachte] omstreeks 13:34 uur arriveert bij [B] op een tweewielig motorvoertuig. Hij plaatst zijn voertuig buiten het parkeerterrein, waarna hij het parkeerterrein oploopt en tot drie keer toe handelingen verricht bij het rechter achterwiel van de BMW van [slachtoffer] . Hij heeft bij de derde keer een voorwerp in zijn handen dat qua afmetingen gelijkenis vertoont met een volgbaken. Om 13:40 uur vertrekt hij weer.
(...)
4.4.3
Eerste tussenconclusie
Uit voornoemde bevindingen leidt het hof af dat op 11 december 2019 in ieder geval een baken onder de auto van het slachtoffer is weggenomen door [verdachte] en voorverkenningen hebben plaatsgevonden op het parkeerterrein rondom de [B] aan de [i-straat 1] te [plaats] . Daarbij is gebruik gemaakt van voornoemde gestolen Transporter die werd bestuurd door [medeverdachte 1] . Deze Transporter is (...) ook bij de moord op 12 december 2019 gebruikt en is diezelfde dag brandend aangetroffen op een parkeerplaats aan de [c-straat] te [plaats] . Gelet op het contact tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 7 december 2019, voornoemde video van die dag, de verklaring van [medeverdachte 1] dat de Transporter in de buurt van [station] geparkeerd stond, het moment waarop [medeverdachte 2] uit- en incheckt op 11 december 2019 bij [station] , de reistijd van ongeveer 10 minuten van [station] naar de [i-straat 1] te [plaats] en het tijdstip waarop de Transporter bij het parkeerterrein van voornoemde [B] aankomt en weer vertrekt, in combinatie met de hierna nog te bespreken feiten en omstandigheden, zal het hof uiteindelijk tot de conclusie komen dat [medeverdachte 2] bij de voorverkenning op 11 december 2019 met [medeverdachte 1] in de bus (met achterin geblindeerde ramen) heeft gezeten.
4.4.4
De tijdlijn op 12 december 2019
(...)
4.4.8
Eindconclusie betrokkenheid verdachten
4.4.8.1 Ten aanzien van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]
Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] schutter NN1 is en [medeverdachte 3] schutter NN2. Het doodschieten van [slachtoffer] is zorgvuldig voorbereid. [slachtoffer] werd gelokaliseerd middels een baken onder zijn BMW. Op 11 december 2019 heeft een voorverkenning plaatsgevonden bij [A] , waarbij [medeverdachte 2] zich achterin de door [medeverdachte 1] bestuurde Transporter bevond, onzichtbaar door de geblindeerde ramen rondom. [medeverdachte 1] heeft met de Transporter, die op een nabijgelegen parkeerterrein stond geparkeerd, [medeverdachte 2] opgehaald bij [station] en weer teruggebracht. Op 12 december 2019 heeft in de ochtend eveneens een voorverkenning bij [A] plaatsgevonden, waarbij [medeverdachte 1] zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] bij [station] heeft opgehaald, zij zich allebei achterin de door [medeverdachte 1] bestuurde Transporter bevonden en door [medeverdachte 1] weer zijn teruggebracht naar [station] . In de middag zijn zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] paraat in de nabije omgeving van [station] . Zij kunnen zo snel op dit station aanwezig zijn om in de Transporter te stappen waarmee [medeverdachte 1] hen komt ophalen om naar [B] te rijden teneinde [slachtoffer] dood te schieten als deze daar komt. Nadat [slachtoffer] was doodgeschoten is [medeverdachte 1] naar de [c-straat] te [geboorteplaats] gereden en heeft volgens opdracht de Transporter in brand gestoken. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren onderweg al uitgestapt.
4.4.8.2 Ten aanzien van [verdachte]
is op 6 december 2019 op zoek gegaan naar de BMW van [slachtoffer] . Hij kon de BMW toen niet vinden, hetgeen blijkt uit zijn eigen verklaring en zijn telecomgegevens. [verdachte] heeft verklaard dat hij een baken onder de BMW moest verwijderen, hetgeen dus niet lukte op 6 december 2019. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij op 11 december 2019 slechts het onder de BMW aanwezige baken heeft verwijderd. Het hof gaat er evenwel vanuit dat, nu [verdachte] op 6 december 2019 niet precies wist waar hij de BMW kon vinden, er zich nog geen baken onder de BMW bevond en dat zijn opdracht was om dit te plaatsen. Niet is vast te stellen wanneer het baken uiteindelijk is geplaatst vóór het moment dat [slachtoffer] op 11 december 2019 bij [A] arriveert, maar het hof gaat ervan uit dat [verdachte] dit toch op 6 december 2019 of in de tussenliggende periode heeft gedaan. Het hof vindt hiervoor steun in het feit dat [verdachte] op 11 december 2019 om 13:34 uur, slechts ongeveer 20 minuten nadat [slachtoffer] bij [A] arriveert, aldaar aankomt, naar de BMW gaat, daaronder zijn handelingen verricht en om 13:40 uur weer vertrekt. Dat [verdachte] op 11 december 2019 alleen het baken zou hebben verwijderd, acht het hof niet aannemelijk. Op 12 december 2019 zat er immers weer een werkend baken onder de BMW. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte] 16 minuten nadat [slachtoffer] met zijn BMW bij [A] arriveert daar ook arriveert en, na even gewacht te hebben, rechtstreeks op de BMW afloopt. [verdachte] heeft ook bevestigd dat er een baken onder de BMW zat. Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] op 12 december 2019 inderdaad het baken heeft verwijderd, nu er geen baken onder de BMW is aangetroffen, maar ook dat [verdachte] dit baken op 11 december 2019 had geplaatst. Hierbij betrekt het hof dat [verdachte] op 12 december 2019 na even rond te hebben gekeken bij het rechter achterwiel gaat liggen en in ongeveer 5 seconden klaar is. Hij weet dus precies waar het baken zit. Op 11 december 2019 heeft [verdachte] de handelingen ook bij het rechterachterwiel verricht. Hieruit, in combinatie met de handelingen van [verdachte] zoals die zijn te zien op de beelden van 11 december 2019, leidt het hof af dat [verdachte] op 11 december 2019 kennelijk het reeds door hem geplaatste baken heeft verwisseld of vervangen. De reden hiervan is onduidelijk gebleven.
4.4.8.3 Verklaring van [verdachte]
Het hof hecht gelet op het voorgaande geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat hij op 6 en op 11 december 2019 slechts de opdracht had om het baken te verwijderen en dat hij de (vermeende) locatie van de BMW doorkreeg via de aan hem verstrekte ‘gebruikerstelefoon’. Hiertoe verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof betrekt hier verder bij dat [verdachte] zich vanaf zijn eerste inhoudelijke politieverhoor op 2 september 2020 op zaaksinhoudelijke vragen op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst op 28 februari 2022, nadat hij kennis had kunnen nemen van het (hele) dossier, een inhoudelijke verklaring bij de politie heeft afgelegd. Hij heeft hierin een verklaring gegeven voor onderzoeksbevindingen waar hij niet omheen kon, zoals zijn aanwezigheid in de omgeving bij beide locaties van [B] op 6 december 2019 en de door hem verrichte handelingen onder de BMW, op 11 december 2019 (hij was immers al herkend van de beelden). Deze feiten en omstandigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Hierbij merkt het hof nog op dat het ook zeer onaannemelijk is dat het plaatsen van het baken telkens door (een) ander(en) dan [verdachte] zou zijn gebeurd en dat [verdachte] via een ‘gebruikerstelefoon’ de locatie van de BMW zou moeten doorkrijgen, nu het immers veel meer voor de hand ligt dat een en ander in de hand van één persoon wordt gehouden. Kennelijk heeft [verdachte] in het feit dat op de beelden van 11 december 2019 is te zien dat hij na de handelingen onder de BMW een baken in zijn handen heeft, aanleiding gezien zijn uitgekiende verklaring af te leggen. Dat hij zijn rol welbewust heeft beperkt tot het weghalen van een baken op die dag (en op 6 december 2019) blijkt uit de volgende passage in het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022: “Mijn advocaat vraagt mij of ik een onderscheid maak tussen het plakken of verwijderen van een baken. De betrokkenheid bij het strafbare feit van diegene die een baken plakt is groter dan de rol van diegene die een baken verwijdert. Ik ben van mening dat diegene die een baken plakt behulpzaam is bij het verschaffen van inlichtingen ten behoeve van het plegen van het geplande delict, terwijl diegene die het baken verwijdert slechts bewijsmateriaal vernietigt voor diegene die het risico loopt om te worden vervolgd voor het geplande delict. Diegene die een baken plakt is in geval van moord daadwerkelijk behulpzaam bij het volgen en spotten van het beoogde doelwit.” [verdachte] is verder niet ter terechtzitting van het hof verschenen om nadere vragen van het hof over zijn rol te beantwoorden. De verklaring van [verdachte] wordt, voor zover deze inhoudt dat hij op 6 december 2019 naar de BMW op zoek was om het baken te verwijderen en dat hij op 11 december 2019 slechts het baken heeft verwijderd, gelet op al het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
4.4.9
Eindconclusie ten aanzien van het tenlastegelegde
4.4.9.1 Medeplegen
Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [verdachte] bij het doden van [slachtoffer] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn de schutters en [medeverdachte 1] was de bestuurder van de Transporter. Voor [verdachte] geldt dat hij weliswaar niet lijflijk aanwezig is geweest bij het doodschieten van [slachtoffer] , maar dat er desalniettemin sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering en daarmee van een nauwe en bewuste samenwerking met de anderen. De bijdrage van [verdachte] is essentieel geweest voor het uit te voeren delict, nu het voor het doden van een slachtoffer immers noodzakelijk is om te weten waar deze zich bevindt. Door het plaatsen van het baken heeft [verdachte] het slachtoffer voor [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gelokaliseerd. Hij staat al dan niet via een derde in nauwe verbinding met (een van) hen. Immers, op 11 december 2019 komt [medeverdachte 2] ongeveer op hetzelfde moment als waarop [verdachte] bij [B] arriveert in beweging. Op 12 december 2019 komt de zich in de nabijheid van [B] bevindende Transporter onmiddellijk in beweging als [verdachte] het baken heeft verwijderd. Op de beelden is ook te zien dat [verdachte] iets op een telefoon tikt. De Transporter en [verdachte] kruisen elkaar als [verdachte] , komend vanaf het parkeerterrein over de [A] loopt en de Transporter met de daarin aanwezige schutters daar rijdt teneinde het parkeerterrein van [B] op te rijden om [slachtoffer] te doden, hetgeen ongeveer 50 minuten later, als de schutters hun kans schoon zien, gebeurt. Door het verwijderen van het baken van de BMW heeft [verdachte] de weg voor de schutters vrijgemaakt, nu de vondst van het baken door de politie tot opsporingsmogelijkheden zou leiden. De handelingen van [verdachte] zijn dermate essentieel en zitten zowel wat betreft tijd als plaats zo dicht op de handelingen van de feitelijke uitvoerders, dat naar het oordeel van het hof sprake is van medeplegen.
Dat [verdachte] geen weet zou hebben gehad van het doel om het slachtoffer te doden, zoals door hem is verklaard, acht het hof volstrekt onaannemelijk, gelet op de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Hierbij betrekt het hof nog dat het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren.”
2.3
Uit de bewijsvoering van het hof kan niet zonder meer volgen dat het opzet van de verdachte was gericht op de dood van [slachtoffer] . De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat niet zonder meer begrijpelijk is het oordeel van het hof dat het opzet mede steun vindt in zijn overweging “dat het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren”. Dat een baken hiervoor kan worden gebruikt doet er immers niet aan af dat een baken ook gebruikt kan worden voor andere doeleinden.
2.4
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen die namens de verdachte en de benadeelde partij zijn voorgesteld
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel en het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld, niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Medeplegen moord door plaatsen (en verwijderen) peilbaken op auto van slachtoffer. Kon het hof oordelen dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer? Middel slaagt. Middel namens benadeelde partij tegen niet-ontvankelijkverklaring vordering vergoeding affectieschade (art. 6:108 lid 4 BW) faalt. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00523
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is – nadat hij in eerste aanleg door de rechtbank integraal was vrijgesproken van het hem tenlastegelegde – bij arrest van 15 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens "medeplegen van moord", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het gerechtshof de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft het hof toegewezen – en daarmee samenhangend schadevergoedingsmaatregelen opgelegd – zoals nader in het arrest omschreven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00522 en 24/00620. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. Eveneens bestaat samenhang met de zaak 22/04940, waarin de Hoge Raad arrest heeft gewezen op 5 maart 2024.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft mr. O.F. Qane, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie ingediend. Namens de verdachte is op 17 januari 2025 door mr. H. Brentjes een verweerschrift ingediend.
De zaak in het kort
2. Uit de vaststellingen van het hof volgt dat op 12 december 2019 [slachtoffer] op het parkeerterrein van sportcentrum [A] in Amstelveen door twee personen is benaderd en onder vuur genomen. Daarbij zijn ten minste twaalf schoten gelost. [slachtoffer] is als gevolg daarvan overleden. Zijn vijfjarige zoontje [benadeelde 4] , die hij op dat moment zijn BMW hielp in te stappen, bleef ongedeerd. De schutters zijn door het hof geïdentificeerd als medeverdachten [medeverdachte 1] (zaak 24/00620) en [medeverdachte 2] (zaak 24/00522). Op de BMW van [slachtoffer] was een peilbaken bevestigd. Volgens het hof is dit baken geplaatst – en op de dag van het incident verwijderd – door de verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 3] (zaak 22/04940) is veroordeeld voor zijn rol als chauffeur van de vluchtauto.
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
3.1
Het middel klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] .
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 12 december 2019 te Amstelveen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
3.3
De bewijsvoering van het hof houdt – voor zover hier relevant – het volgende in (met weglating van voetnoten):
“4.4.1.2 Camerabeelden parkeerterrein [A] van 12 december 2019
Op beelden, die op 12 december 2019 zijn opgenomen met beveiligingscamera’s op en rondom het parkeerterrein van sportcomplex [A] , is onder andere het volgende te zien.
15:58 uur
[slachtoffer] arriveert uur in de BMW en parkeert het voertuig in een parkeervak op het eerste rijpad aan de voorzijde van [A] . De BMW staat dan aan de noordzijde van het parkeerterrein, ter hoogte van de fietsenstalling. [slachtoffer] stapt uit het voertuig en loopt hand in hand met zijn vijfjarige zoontje [benadeelde 4] (hierna: zoon of zoontje) naar de hoofdingang van [A] . Zij gaan het pand binnen.
16:14 uur - 16:22 uur
Een NN-persoon rijdt op een tweewielig voertuig over de [e-straat] en parkeert zijn voertuig. Omstreeks 16:16 uur komt een persoon in donkere kleding het parkeerterrein van [A] oplopen. De NN-persoon loopt over het tweede rijpad naar de noordzijde van de parkeerplaats waar hij gedurende een korte periode rond blijft hangen. Dan op een gegeven moment, wanneer het ogenschijnlijk rustig is en er zich geen andere mensen in de nabijheid van de NN-persoon bevinden, loopt hij naar de BMW, gaat hij bij het rechterachterwiel op de grond liggen en verricht hij een handeling aan de onderzijde van de BMW. Vervolgens staat de NN-persoon na een seconde of vijf (5) weer op en loopt in een rechte lijn weer naar de uitgang van het parkeerterrein. Hij heeft een van zijn handschoenen uitgetrokken en het lijkt alsof hij een telefoon in zijn handen heeft en op het scherm daarvan tikt. De NN-persoon loopt richting de [e-straat] .
16:23 uur- 16:26 uur
Een Volkswagen Transporter, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] (hierna: de Transporter) komt omstreeks 16:23 uur in beeld. Het eerste beeld dat van de Transporter is opgenomen is het moment dat hij op de [b-straat] rijdt in de richting van de parkeerplaats voor [A] . De NN-persoon die handelingen bij de BMW van [slachtoffer] heeft verricht loopt op dat moment net van het terrein af. Ze kruisen elkaar als het ware. De Transporter rijdt het parkeerterrein van [A] op en rijdt in verschillende richtingen over dit parkeerterrein, onder andere langs de BMW. Vervolgens parkeert de Transporter ruim één minuut in een parkeervak aan de rechterzijde van het derde rijpad. Vanaf die plek heeft de bestuurder, die oranje werkhandschoenen draagt, zicht op de BMW. Normaal gesproken is een tag benodigd om de slagboom te openen om het parkeerterrein op te rijden, maar die dag was de slagboom defect en had een servicemedewerker van [A] omstreeks 06:30 uur de slagboom omhoog gezet zodat het terrein voor iedereen toegankelijk was. Deze medewerker had rond 16:30 uur de slagboom weer naar beneden gedaan zodat het terrein weer was afgesloten. Bij het verlaten van het parkeerterrein gaat de slagboom automatisch open.
16:27 uur- 16:45 uur
De Transporter staat ongeveer zeventien minuten geparkeerd in een parkeervak aan de linkerzijde van de het derde rijpad. Vervolgens gaan de remlichten aan, waarna de Transporter niet meer in het parkeervak staat.
16:45 uur
Twee personen in donkere kleding (hierna: NN1 en NN2) lopen weg vanaf de plek waar de Transporter geparkeerd stond. NN2 draagt oranje handschoenen. NN1 en NN2 lopen naar de fietsenstalling naast [A] en vervolgens naar het naastgelegen terras van ‘ [C] ’, waar zij achter een hek met reclameborden plaatsnemen. Vanaf deze plek zijn zij niet zichtbaar voor beveiligingscamera’s en voorbijgangers. Zij hebben goed uitzicht over het parkeerterrein, vanaf de hoofdingang van [A] tot aan de BMW. De Transporter rijdt richting de uitgang van het parkeerterrein van [A] en passeert NN1 en NN2. Bij de handen van de bestuurder is op dat moment geen oranje kleur zichtbaar.
16:46 uur - 16:47 uur
De Transporter rijdt het parkeerterrein van [A] af en parkeert op de [b-straat] ter hoogte van de uitgang (in de richting van de [e-straat] ). De Transporter blijft ongeveer zevenentwintig minuten op deze plek staan, tot na de schietpartij. De schuifdeur aan de rechterzijde staat een beetje open.
Omstreeks 17:14 uur
[slachtoffer] loopt met zijn zoontje aan de hand vanaf [A] naar de BMW. Aangekomen bij de BMW opent [slachtoffer] het rechterachterportier. NN1 en NN2, die zich tot dan toe hebben opgehouden achter het hek bij de ingang van ‘ [C] ’, komen tevoorschijn en rennen op [slachtoffer] af, terwijl [slachtoffer] het rechterachterportier voor zijn zoon openhoudt en zijn zoon plaatsneemt op de achterbank van de BMW. Zij naderen [slachtoffer] van achteren.
NN1 vuurt het eerste schot als hij ongeveer twee meter achter [slachtoffer] staat. [slachtoffer] zakt gelijk ineen. Het rechterachterportier staat nog open en het zoontje bevindt zich in de auto op of bij de achterbank.
NN2 verschijnt rechts in beeld. Hij heeft beide armen gestrekt voor zich uit gestoken, alsof hij ook een vuurwapen vasthoudt. NN2 draagt oranje handschoenen.
NN1 vuurt een tweede maal in de richting van [slachtoffer] . NN2 heeft beide armen voor zich uit gestrekt en houdt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. [slachtoffer] zakt steeds verder ineen. Het zoontje bevindt zich nog op of bij de achterbank van de BMW in de vuurlijn. Het rechterachterportier staat wijd open.
[slachtoffer] is bij het geopende rechterachterportier op de grond ineen gezakt. NN1 en NN2 staan boven [slachtoffer] en houden hun wapens op hem gericht.
NN1 lost nog vijf schoten, terwijl NN2 zijn wapen op [slachtoffer] gericht houdt. Tijdens het zesde schot is duidelijk zichtbaar dat NN2 een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft, maar nog niet heeft geschoten.
NN1 lost nog vier schoten. Op het moment dat NN1 het achtste schot vuurt lijkt het wapen van NN2 te weigeren. NN2 verricht handelingen aan zijn wapen, alsof hij probeert om de slede van het wapen naar achteren te trekken. Vervolgens houdt NN2 zijn wapen met beide handen vast en maakt slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer] . NN1 is een paar meter weggelopen, komt vervolgens weer terug en lost nog drie schoten.
NN1 heeft in totaal elf schoten gelost.
NN1 en NN2 rennen tegelijkertijd weg naar de uitgang van het parkeerterrein, waar de Transporter staat. Zij springen in de Transporter, waarna de Transporter - met gedoofde lichten - wegrijdt over de [b-straat] , naar de [e-straat] , in de richting van de [f-straat] .
De betreffende Transporter wordt kort daarna om 17:37 uur volledig in brand staand aangetroffen op een parkeerplaats aan de [h-straat] te Amsterdam. De Transporter bleek in de nacht van 5 op 6 december 2019 te zijn gestolen in Zaandam en was voorzien van valse kentekenplaten. Het betreft een auto met rondom zwarte ramen.
4.4.1.3 Verklaringen van [medeverdachte 3] en [verdachte]
(…) Vóór de hiervoor genoemde aanwezigheid van de Transporter bij [A] op 11 december 2019, is eveneens te zien dat een NN-persoon op een tweewielig motorvoertuig arriveert en handelingen onder de BMW verricht. De NN-persoon van de beelden van 11 december 2019 is door meerdere verbalisanten herkend als [verdachte] . De persoon die op 12 december 2019 handelingen onder de BMW verricht is dezelfde persoon. [verdachte] heeft bevestigd dat hij de NN-persoon is op de beelden van 11 december 2019 en van 12 december 2019. Hij heeft verklaard dat hij op die data een onder de BMW geplaatst baken heeft verwijderd. Op 6 december 2019 was hij voor een opdrachtgever, door wie hij op 4 december 2019 was benaderd en van wie hij op 5 december 2019 een gebruikerstelefoon had gekregen, op zoek gegaan naar de BMW. Hij moest naar een adres van [A] in Amstelveen. Dat was een andere [B] (het hof begrijpt: [B] op de [g-straat] te Amstelveen). De auto stond er niet en hij was bij de verkeerde [B] . Ter terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022 heeft [verdachte] verklaard dat hij hierna naar [A] is gegaan. Uit de telecomgegevens van [verdachte] was gebleken dat hij op 6 december 2019 in de omgeving van beide locaties van [A/B] was geweest.
4.4.2
De tijdlijn voor en op 11 december 2019
Het hof zal een chronologisch overzicht geven van de gebeurtenissen voorafgaand aan de schietpartij, waarbij ook de gebeurtenissen op de al genoemde data van 6 en 11 december 2019, alsmede die in de ochtend van 12 december 2019 worden besproken.
4.4.2.1 De gebeurtenissen voorafgaand aan 11 en 12 december 2019
Zoals hiervoor weergegeven wordt [verdachte] op 4 december 2019 benaderd door een opdrachtgever, krijgt hij op 5 december 2019 een gebruikerstelefoon en wordt in de nacht van 5 op 6 december 2019 de Transporter gestolen te Zaandam.
[verdachte] heeft het telefoonnummer 06- [0001] (hierna: [telefoonnumer 1] ) in gebruik. De historische verkeersgegevens van dit nummer zijn nader onderzocht voor een periode van 6 maanden (van 14-7-2019 00:00 uur tot en met 14-01-2020 23:59 uur). Daaruit blijkt dat [telefoonnumer 1] op 6 december 2019 vanaf 13:19 uur in Amstelveen achtereenvolgens de navolgende zendmastlocaties aanstraalt; [zendmastlocaties 1 t/m 6] . Het is in de onderzochte periode voor het eerst dat de zendmastlocatie [d-straat] te Amstelveen wordt aangestraald. Deze zendmast geeft dekking aan de [b-straat 1] waar [A] was gevestigd. Daarna gebeurt het aanstralen van deze zendmast ook op 7 en 11 december 2019 en ten slotte alleen nog op 5 januari 2020. De zendmast aan de [c-straat] die [telefoonnumer 1] die dag twee keer aanstraalt, geeft dekking aan de [a-straat] te [plaats] , waar het slachtoffer [slachtoffer] verbleef. In de onderzochte periode blijken dit de enige twee registraties te zijn waarop het telefoonnummer deze zendmast aanstraalt.
(…)
4.4.2.2 De gebeurtenissen op 11 december 2019
(…) Uit de camerabeelden van de nabije omgeving van sportcomplex [A] te Amstelveen volgt dat [slachtoffer] op 11 december 2019 om 13:15 uur zijn BMW parkeert en samen met zijn zoon richting de ingang van [A] loopt.
Op die beelden is ook te zien dat [verdachte] omstreeks 13:34 uur arriveert bij [A] op een tweewielig motorvoertuig. Hij plaatst zijn voertuig buiten het parkeerterrein, waarna hij het parkeerterrein oploopt en tot drie keer toe handelingen verricht bij het rechter achterwiel van de BMW van [slachtoffer] . Hij heeft bij de derde keer een voorwerp in zijn handen dat qua afmetingen gelijkenis vertoont met een volgbaken. Om 13:40 uur vertrekt hij weer.
(…)
4.4.3
Eerste tussenconclusie
Uit voornoemde bevindingen leidt het hof af dat op 11 december 2019 in ieder geval een baken onder de auto van het slachtoffer is weggenomen door [verdachte] (…).
4.4.8
Eindconclusie betrokkenheid verdachten
(…)
4.4.8.2 Ten aanzien van [verdachte]
is op 6 december 2019 op zoek gegaan naar de BMW van [slachtoffer] . Hij kon de BMW toen niet vinden, hetgeen blijkt uit zijn eigen verklaring en zijn telecomgegevens. [verdachte] heeft verklaard dat hij een baken onder de BMW moest verwijderen, hetgeen dus niet lukte op 6 december 2019. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij op 11 december 2019 slechts het onder de BMW aanwezige baken heeft verwijderd. Het hof gaat er evenwel vanuit dat, nu [verdachte] op 6 december 2019 niet precies wist waar hij de BMW kon vinden, er zich nog geen baken onder de BMW bevond en dat zijn opdracht was om dit te plaatsen. Niet is vast te stellen wanneer het baken uiteindelijk is geplaatst vóór het moment dat [slachtoffer] op 11 december 2019 bij [A] arriveert, maar het hof gaat ervan uit dat [verdachte] dit toch op 6 december 2019 of in de tussenliggende periode heeft gedaan. Het hof vindt hiervoor steun in het feit dat [verdachte] op 11 december 2019 om 13:34 uur, slechts ongeveer 20 minuten nadat [slachtoffer] bij [A] arriveert, aldaar aankomt, naar de BMW gaat, daaronder zijn handelingen verricht en om 13:40 uur weer vertrekt. Dat [verdachte] op 11 december 2019 alleen het baken zou hebben verwijderd, acht het hof niet aannemelijk. Op 12 december 2019 zat er immers weer een werkend baken onder de BMW. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte] 16 minuten nadat [slachtoffer] met zijn BMW bij [A] arriveert daar ook arriveert en, na even gewacht te hebben, rechtsreeks op de BMW afloopt. [verdachte] heeft ook bevestigd dat er een baken onder de BMW zat. Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] op 12 december 2019 inderdaad het baken heeft verwijderd, nu er geen baken onder de BMW is aangetroffen, maar ook dat [verdachte] dit baken op 11 december 2019 had geplaatst. Hierbij betrekt het hof dat [verdachte] op 12 december 2019 na even rond te hebben gekeken bij het rechter achterwiel gaat liggen en in ongeveer 5 seconden klaar is. Hij weet dus precies waar het baken zit. Op 11 december 2019 heeft [verdachte] de handelingen ook bij het rechterachterwiel verricht. Hieruit, in combinatie met de handelingen van [verdachte] zoals die zijn te zien op de beelden van 11 december 2019, leidt het hof af dat [verdachte] op 11 december 2019 kennelijk het reeds door hem geplaatste baken heeft verwisseld of vervangen. De reden hiervan is onduidelijk gebleven.
4.4.8.3 Verklaring van [verdachte]
Het hof hecht gelet op het voorgaande geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat hij op 6 en op 11 december 2019 slechts de opdracht had om het baken te verwijderen en dat hij de (vermeende) locatie van de BMW doorkreeg via de aan hem verstrekte ‘gebruikerstelefoon’. Hiertoe verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof betrekt hier verder bij dat [verdachte] zich vanaf zijn eerste inhoudelijke politieverhoor op 2 september 2020 op zaaksinhoudelijke vragen op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst op 28 februari 2022, nadat hij kennis had kunnen nemen van het (hele) dossier, een inhoudelijke verklaring bij de politie heeft afgelegd. Hij heeft hierin een verklaring gegeven voor onderzoeksbevindingen waar hij niet omheen kon, zoals zijn aanwezigheid in de omgeving bij beide locaties van [A] op 6 december 2019 en de door hem verrichte handelingen onder de BMW op 11 december 2019 (hij was immers al herkend van de beelden). Deze feiten en omstandigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Hierbij merkt het hof nog op dat het ook zeer onaannemelijk is dat het plaatsen van het baken telkens door (een) ander(en) dan [verdachte] zou zijn gebeurd en dat [verdachte] via een ‘gebruikerstelefoon’ de locatie van de BMW zou moeten doorkrijgen, nu het immers veel meer voor de hand ligt dat een en ander in de hand van één persoon wordt gehouden. Kennelijk heeft [verdachte] in het feit dat op de beelden van 11 december 2019 is te zien dat hij na de handelingen onder de BMW een baken in zijn handen heeft aanleiding gezien zijn uitgekiende verklaring af te leggen. Dat hij zijn rol welbewust heeft beperkt tot het weghalen van een baken op die dag (en op 6 december 2019) blijkt uit de volgende passage in het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022: “Mijn advocaat vraagt mij of ik een onderscheid maak tussen het plakken of verwijderen van een baken. De betrokkenheid bij het strafbare feit van diegene die een baken plakt is groter dan de rol van diegene die een baken verwijdert. Ik ben van mening dat diegene die een baken plakt behulpzaam is bij het verschaffen van inlichtingen ten behoeve van het plegen van het geplande delict, terwijl diegene die het baken verwijdert slechts bewijsmateriaal vernietigt voor diegene die het risico loopt om te worden vervolgd voor het geplande delict. Diegene die een baken plakt is in geval van moord daadwerkelijk behulpzaam bij het volgen en spotten van het beoogde doelwit.” is verder niet ter terechtzitting van het hof verschenen om nadere vragen van het hof over zijn rol te beantwoorden.
De verklaring van [verdachte] wordt, voor zover deze inhoudt dat hij op 6 december 2019 naar de BMW op zoek was om het baken te verwijderen en dat hij op 11 december 2019 slechts het baken heeft verwijderd, gelet op al het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
4.4.9
Eindconclusie ten aanzien van het tenlastegelegde
4.4.9.1 Medeplegen
Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] bij het doden van [slachtoffer] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn de schutters en [medeverdachte 3] was de bestuurder van de Transporter. Voor [verdachte] geldt dat hij weliswaar niet lijflijk aanwezig is geweest bij het doodschieten van [slachtoffer] , maar dat er desalniettemin sprake is geweest van een gezamenlijk uitvoering en daarmee van een nauwe en bewuste samenwerking met de anderen. De bijdrage van [verdachte] is essentieel geweest voor het uit te voeren delict, nu het voor het doden van een slachtoffer immers noodzakelijk is om te weten waar deze zich bevindt. Door het plaatsen van het baken heeft [verdachte] het slachtoffer voor [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gelokaliseerd. Hij staat al dan niet via een derde in nauwe verbinding met (een van) hen. Immers, op 11 december 2019 komt [medeverdachte 1] ongeveer op hetzelfde moment als waarop [verdachte] bij [A] arriveert in beweging. Op 12 december 2019 komt de zich in de nabijheid van [A] bevindende Transporter onmiddellijk in beweging als [verdachte] het baken heeft verwijderd. Op de beelden is ook te zien dat [verdachte] iets op een telefoon tikt. De Transporter en [verdachte] kruisen elkaar als [verdachte] , komend vanaf het parkeerterrein over de [b-straat] loopt en de Transporter met de daarin aanwezige schutters daar rijdt teneinde het parkeerterrein van [A] op te rijden om [slachtoffer] te doden, hetgeen ongeveer 50 minuten later, als de schutters hun kans schoon zien, gebeurt. Door het verwijderen van het baken van de BMW heeft [verdachte] de weg voor de schutters vrijgemaakt, nu de vondst van het baken door de politie tot opsporingsmogelijkheden zou leiden. De handelingen van [verdachte] zijn dermate essentieel en zitten zowel wat betreft tijd als plaats zo dicht op de handelingen van de feitelijke uitvoerders, dat naar het oordeel van het hof sprake is van medeplegen.
Dat [verdachte] geen weet zou hebben gehad van het doel om het slachtoffer te doden, zoals door hem is verklaard, acht het hof volstrekt onaannemelijk, gelet op de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Hierbij betrekt het hof nog dat het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren.
3.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte vóór 11 december 2019 een peilbaken heeft geplaatst op de BMW van [slachtoffer] , dit baken op 11 december 2019 heeft verwisseld of vervangen en dit op 12 december 2019 – ongeveer een uur voordat [slachtoffer] bij die BMW werd doodgeschoten – heeft verwijderd. Het hof heeft verder vastgesteld dat het plaatsen van dit peilbaken tot doel had [slachtoffer] te lokaliseren om hem te doden en dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij van dit doel geen weet had “volstrekt onaannemelijk” acht, waarbij het heeft betrokken dat “het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren”.
3.5
Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof onvoldoende feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte wist van voornoemd doel en daarmee handelde met het volle opzet waarop het hof, zo ik begrijp, het oog had. Overigens kan uit de bewijsvoering evenmin volgen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het plaatsen van het peilbaken tot doel had [slachtoffer] te lokaliseren om te doden. Ik merk daarbij op dat peilbakens niet uitsluitend voor het door het hof genoemde doeleinde worden gebruikt en dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan omtrent bij de verdachte bekende omstandigheden die maken dat in de onderhavige zaak een liquidatie (meer) voor de hand lag.1.
3.6
Het middel slaagt.
Het tweede en derde namens de verdachte voorgestelde middel
4. Omdat het eerste middel slaagt, behoeven het tweede en derde middel geen bespreking. Indien Uw Raad daarover echter anders oordeelt, word ik graag in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5.1
Het middel richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot vergoeding van affectieschade.
5.2
Bij de stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ waarin namens de benadeelde partij – kort gezegd – een bedrag ter hoogte van € 20.000,- wordt gevorderd ter vergoeding van affectieschade. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg van 21 en 22 juni heeft de advocaat van de benadeelde partij, mr. Van Egmond, aldaar een schriftelijke toelichting op deze vordering overgelegd. Die toelichting houdt onder meer het volgende in:
“ [benadeelde 1] vordering affectieschade
Voor [benadeelde 1] was [slachtoffer] haar grote liefde. Zij vertelde mij dat zij al samen waren sinds [benadeelde 1] 17 jaar oud was. Zij ging vanuit haar ouderlijk huis bij [slachtoffer] wonen.
[slachtoffer] droeg bij in alle dagelijkse kosten, waaronder de woonlasten. Dat hij zo nu en dan in het buitenland verbleef maakt niet dat er geen sprake was van een liefdesrelatie. Ze zijn zelfs in Marokko getrouwd, aldus [benadeelde 1] .
Het doet haar dan ook verschrikkelijk veel pijn dat er gesteld wordt dat zij niet aanmerking zou moeten komen voor affectieschade, omdat deze relatie niet bewezen zou zijn.
Ook omdat zij zeker weet dat nu juist deze verdachten op de hoogte moeten zijn van de relatie. Zij hebben [slachtoffer] immers geobserveerd en weten dat hij naar huis ging bij en met haar.
Met pijn in het hart zond zij mij enkele foto's die ik uw rechtbank heb doen toekomen.
Levensgezel 6:108 lid 4 sub b BW
HR 29 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1075
Doorslaggevend is volgens de Hoge Raad in het begrip “levensgezel" evenwel de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen (Kamerstukken II, 2002/03, 28484, nr. 5, p. 5).”
5.3
Blijkens datzelfde proces-verbaal heeft mr. Van Egmond aan deze schriftelijke toelichting ter zitting in eerste aanleg mondeling nog het volgende toegevoegd:
“Benadeelde partij [benadeelde 1] maakt aanspraak op vergoeding van affectieschade, omdat zij ten tijde van het tenlastegelegde met het overleden slachtoffer was gehuwd. Zij waren officieel getrouwd voor de Marokkaanse wet. [benadeelde 2] , de zus van het overleden slachtoffer, kan dit bevestigen. Ik hoor dat zij een bevestigend antwoord geeft. Indien nodig is [benadeelde 2] bereid om hierover een getuigenverklaring af te leggen.
Indien de rechtbank daar niet in meegaat kan [benadeelde 1] worden aangemerkt als de levensgezel van het overleden slachtoffer met wie hij duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerde. Het overleden slachtoffer was weliswaar naar Marokko verhuisd, maar in Nederland verbleef hij bij [benadeelde 1] en vormden zij samen met hun zoontje [benadeelde 4] een gezin.
In het geval dat de rechtbank ook dit standpunt niet volgt, komt [benadeelde 1] op basis van de hardheidsclausule (sub g van het vierde lid van artikel 6.108 van het Burgerlijk Wetboek) in aanmerking voor affectieschade. [benadeelde 1] had in ieder geval een langdurig hechte lange afstandsrelatie met het overleden slachtoffer. Namens benadeelde partij [benadeelde 1] heb ik per e-mail van 20 juni 2022 foto’s verstuurd aan de rechtbank en de verdediging in het kader van de uitoefening van het spreekrecht door [benadeelde 1] . Ook in schriftelijke toelichting ter terechtzitting op de vordering tot schadevergoeding heb ik verwezen naar deze foto’s.”
5.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15, 18 en 19 januari 2024 en 15 februari 2024 heeft de advocaat van de benadeelde partij, mr. Van Egmond, op de terechtzitting van 18 januari 2024 het volgende naar voren gebracht:
“De benadeelde partij is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van affectieschade. Dat heeft teweeggebracht dat zij, voor zover dat al kon, nog meer is ingestort. Zij is letterlijk gevlucht voor de realiteit hier en woont nu met [betrokkene 1] in Marokko. Zij vraagt zich af hoe zij kan bewijzen dat zij wel een affectieve relatie met [slachtoffer] had. Uit het dossier blijkt dat de politie het paspoort en kleding van [slachtoffer] bij haar thuis heeft gevonden. Zij waren jeugdliefdes en hebben samen een kind gekregen. Dat zij niet op traditionele wijze met elkaar samenwoonden, betekent niet dat er geen sprake was van een affectieve relatie. Zij is, mede door het feit dat het zo slecht met haar gaat, niet in staat geweest nadere stukken te achterhalen, maar doet wel een dringend beroep op het hof om gebruik te maken van de hoge uitzondering die de wetgever heeft bedacht om affectieschade toe te kennen als geen sprake is van een partnerrelatie.”
5.5
Blijkens voornoemd proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte op de terechtzitting van 18 januari 2024 het volgende opgemerkt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:
“Ik heb geen opmerkingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.”
5.6
Het bestreden arrest houdt het volgende in:
“10.2.2 Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (moeder van [benadeelde 4] )
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit stelt te hebben geleden. De gestelde immateriële schade betreft een bedrag van € 20.000,00 wegens affectieschade. De vordering is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
(…)
10.3
Hoger beroep
De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Zij hebben gevorderd de schadevergoeding hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ook hebben zij verzocht om de gevorderde bedragen als voorschot op de schade toe te wijzen.
(…)
10.5.1.2 [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij op basis van respectieve ijk sub a, b of g van artikel 6:108 BW aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade.
Affectieschade is op grond van de wet slechts toewijsbaar aan partners, ouders en kinderen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij ten tijde van het tenlastegelegde met het overleden slachtoffer was gehuwd (in formele zin) (sub a). Weliswaar is dit namens de benadeelde partij wel naar voren gebracht, maar de verdediging heeft dit betwist. Een nadere onderbouwing door middel van stukken heeft niet plaatsgevonden.
Nu uit het dossier naar voren komt dat het overleden slachtoffer zijn hoofdverblijf had in Marokko, is ook niet vast komen te staan dat de benadeelde partij als zijn levensgezel kan worden aangemerkt met wie hij duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerde (sub b).
Op grond van de hardheidsclausule (sub g) kan desalniettemin affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in de wet genoemde kring van gerechtigden behoort. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat deze hardheidsclausule in de wet is opgenomen voor uitzonderlijke gevallen, zoals een langdurige hechte lange afstandsrelatie of broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Alhoewel het hof begrijpt dat de benadeelde partij en het overleden slachtoffer als gezamenlijke ouders van hun zoon nauw met elkaar verbonden waren, is dit onvoldoende om een beroep te kunnen doen op de hardheidsclausule. De benadeelde partij heeft, in het licht van de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd dat onder meer de aard, de intensiteit, de duur en de (te verwachten) bestendigheid van haar relatie met het overleden slachtoffer zou rechtvaardigen dat zij aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit geeft haar de gelegenheid haar vordering nader te onderbouwen en voor te leggen aan de civiele rechter.”
5.7
Het middel valt in twee deelklachten uiteen.
5.8
De eerste deelklacht komt erop neer dat het hof bij zijn oordeel dat [benadeelde 1] niet als ‘levensgezel’ als bedoeld in art. 6:108 lid 4 sub b BW kan worden aangemerkt ten onrechte heeft volstaan met de overweging dat deze laatste zijn hoofdverblijf in Marokko had. Uit (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van 14 september 20212.zou immers volgen dat, om als levensgezel in vorenbedoelde zin te kunnen worden aangemerkt, het niet per se vereist is dat de betrokkenen met elkaar samenwonen.
5.9
Art. 6:108 lid 4 sub b, BW luidt als volgt:
“4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
(…)
b. de levensgezel van de overledene, die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam met deze een gemeenschappelijke huishouding voert;”
5.10
Het in het middel genoemde arrest van de Hoge Raad van 14 september 2021 houdt onder meer het volgende in:
“3.2.2
De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima) houdt onder meer in:
“Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.
Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:
- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding
- de duur van de gemeenschappelijke huishouding
- of er een relatie van affectieve aard is, en met name
- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.
Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.”(Kamerstukken II 2002/03, 28 484, nr. 5, p. 5)
3.3
Het oordeel van het hof dat [slachtoffer] als “levensgezel” in de zin van artikel 304 Sr kan worden aangemerkt is ontoereikend gemotiveerd, omdat de bewijsmiddelen onvoldoende inhouden over de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster.”
5.11
De klacht berust op de opvatting dat een ieder die aan de in dit – op art. 304 Sr betrekking hebbende – arrest weergegeven uitleg van het begrip ‘levensgezel’ voldoet, op grond van art. 6:108 lid 4 sub b BW aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade. Die opvatting is onjuist. Artikel 6:108 lid 4 sub b BW bevat immers – anders dan art. 304 Sr – het (bijkomende) vereiste dat de betrokkene ten tijde van de gebeurtenis met de overledene duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert.3.
5.12
De klacht faalt.
5.13
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij geen aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade op grond van art. 6:108 lid 4 sub g BW, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Door de benadeelde partij zou immers gesteld en onderbouwd zijn dat zij als een persoon als bedoeld in laatstgenoemd artikel moet worden aangemerkt (de benadeelde partij en [slachtoffer] waren jeugdliefdes, zij hadden samen een kind en bij de benadeelde partij thuis is kleding alsook het paspoort van [slachtoffer] aangetroffen), terwijl dit door de verdediging niet is betwist.
5.14
Art. 6:108 lid 4 sub g BW luidt als volgt:
“4. De naasten, bedoeld in lid 3, zijn:
(…)
g. een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.”
5.15
Volgens de toelichting op de wet gaat het om personen die “onder uitzonderlijke omstandigheden” een recht op vergoeding van affectieschade toekent. Daartoe dient een “hechte affectieve relatie” te worden aangetoond. De omstandigheden van het geval zijn daarvoor bepalend, waaronder “de intensiteit, de aard en de duur van de relatie”. Het gaat om “sprekende gevallen”. Een “langdurige, hechte LAT-relatie” kan zo’n geval zijn.4.Volgens Lindenbergh is de bedoeling van de wetgever dat deze ‘hardheidsclausule’ niet lichtvaardig gebruikt wordt.5.
5.16
De benadeelde partij heeft haar vordering (meer subsidiair) gebaseerd op art. 6:108 lid 4 sub g BW. Daartoe heeft zij gesteld dat sprake was van een langdurige hechte lange afstandsrelatie met [slachtoffer] , daaruit bestaande dat zij weliswaar niet op de traditionele manier samenwoonden, maar wel een affectieve relatie hadden sinds hun jeugd en samen een kind hadden. Als hij in Nederland was, verbleef [slachtoffer] bij de benadeelde partij en in haar woning zijn ook persoonlijke eigendommen van [slachtoffer] gevonden.
5.17
Het hof heeft overwogen dat de in art. 6:108 lid 4 sub g BW opgenomen grond blijkens de memorie van toelichting in de wet is opgenomen voor uitzonderlijke gevallen en dat, alhoewel het hof begrijpt dat de benadeelde partij en het overleden slachtoffer als gezamenlijke ouders van hun zoon nauw met elkaar verbonden waren, “dit onvoldoende [is] om een beroep te kunnen doen op de hardheidsclause.” Daarin ligt als zijn oordeel besloten dat hetgeen de benadeelde partij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, in het licht van het verhandelde ter zitting, niet toereikend is om aan haar stelplicht te voldoen. Dat oordeel acht ik, mede gelet op hetgeen onder 5.15 uiteen is gezet, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik mede in aanmerking dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partij naar voren is gebracht dat [benadeelde 1] “zich af[vraagt] hoe zij kan bewijzen dat zij wel een affectieve relatie met [slachtoffer] had” en dat zij “niet in staat [is] geweest nadere stukken te achterhalen”.
5.18
Ook de tweede deelklacht faalt.
Afronding
6.1
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel slaagt. De overige namens de verdachte voorgestelde middelen behoeven daardoor geen bespreking. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1251.
Zie ook Kamerstukken II 2014-2015, 34 257, 3, p. 14.
Kamerstukken II 2014/15, 34 257, nr. 3, p. 14 en 15.
S.D. Lindenbergh, Smartengeld, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 142.
Beroepschrift 10‑01‑2025
Aan de HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Verzoekster: | [benadeelde 1] |
|---|---|
Advocaat: | O.F. Qane |
Schriftuur houdende één middel van cassatie in namens de benadeelde partij in de zaak van:
- —
[verdachte], (23-002097-22)
Middel
Het recht is geschonden en/of verkeerd toegepast en/of is naleving verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen (vorm)voorschriften, doordat het Gerechtshof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Toelichting
Vaststaat dat verzoekster de moeder is van het kind van het slachtoffer. Vaststaat dat tijdens de doorzoeking de kleding van het slachtoffer en het paspoort van het slachtoffer in de woning van verzoekster werden aangetroffen. Namens verzoekster is ter zitting naar voren gebracht dat verzoekster en het slachtoffer in Marokko getrouwd waren, dat het slachtoffer de jeugdliefde was van verzoekster en zijn er foto's overgelegd waarop verzoekster en het slachtoffer samen te zien waren.
Hiertegen heeft de verdediging geen verweer gevoerd. Ter zitting van het Gerechtshof op 18 januari 2024 heeft de verdediging aan de hand van de overgelegde pleitnotities het woord gevoerd. Die pleitnotities bevatten geen opmerkingen over de vordering van de benadeelde partij. Op die zitting heeft de raadsman van de verdachte aan het hof medegedeeld geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.1. De vordering van de benadeelde partij is aldus niet betwist.
Het hof heeft daarentegen ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade overwogen:
‘De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij op basis van respectievelijk sub a, b of g van artikel 6:108 BW aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade.
Affectieschade is op grond van de wet slechts toewijsbaar aan partners, ouders en kinderen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij ten tijde van het tenlastegelegde met het overleden slachtoffer was gehuwd (in formele zin) (sub a). Weliswaar is dit namens de benadeelde partij wel naar voren gebracht, maar de verdediging heeft dit betwist. Een nadere onderbouwing door middel van stukken heeft niet plaatsgevonden.
Nu uit het dossier naar voren komt dat het overleden slachtoffer zijn hoofdverblijf had in Marokko, is ook niet komen vast te staan dat de benadeelde partij als zijn levensgezel kan worden aangemerkt met wie hij duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerde (sub b).
Op grond van de hardheidsclausule (sub g) kan desalniettemin affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in de wet genoemde kring van gerechtigden behoort. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat deze hardheidsclausule in de wet is opgenomen voor uitzonderlijke gevallen, zoals een langdurige hechte lange afstandsrelatie of broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Alhoewel het hof begrijpt dat de benadeelde partij en het overleden slachtoffer als gezamenlijke ouders van hun zoon nauw met elkaar verbonden waren, is dit onvoldoende om een beroep te kunnen doen op de hardheidsclausule. De benadeelde partij heeft, in het licht van de betwisting door de verdediging, onvoldoende onderbouwd dat onder meer de aard, de intensiteit, de duur en de (te verwachten) bestendigheid van haar relatie met het overleden slachtoffer zou rechtvaardigen dat zij aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade.
De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.’
Deelklacht 1:
1.
Het Gerechtshof heeft ten onrechte, althans onbegrijpelijk, geoordeeld dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als levensgezel van het slachtoffer met wie hij duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerde.
2.
Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad is voor de beoordeling van het begrip ‘levensgezel’ doorslaggevend de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners en dat die persoonlijke betrekking niet per se gegeven is met het enkele feit van het samenwonen en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.2.
3.
Blijkens de hiervoor aangehaald overweging van het Gerechtshof, heeft het Gerechtshof voor zijn oordeel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het slachtoffer zijn hoofdverblijf in Marokko had. Dat oordeel kan niet in stand blijven. Naar het oordeel van verzoekster kan op zo'n smalle basis de vaststelling niet worden gefundeerd dat verzoekster dan geen levensgezel van het slachtoffer kan zijn. Dat geldt nog meer gelet op hetgeen namens verzoekster naar voren is gebracht over de relatie tussen verzoekster en het slachtoffer en gelet op het gegeven dat verzoekster en het slachtoffer samen een kind hadden. Over dit laatste heeft het Gerechtshof bovendien overwogen dat het Gerechtshof begrijpt dat de benadeelde partij en het overleden slachtoffer als gezamenlijke ouders van hun zoon nauw met elkaar verbonden waren.
4.
Daar komt bij dat de verdediging de vordering van verzoekster niet heeft betwist, terwijl het Gerechtshof — aldus ten onrechte — heeft overwogen dat de verdediging de vordering heeft betwist.
5.
Uw Raad heeft in het zogeheten Overzichtsarrest vordering benadeelde partij bepaald dat:
‘In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.’3.
6.
Nu de verdediging de vordering van verzoekster niet heeft betwist en het Gerechtshof overigens ook niet heeft geoordeeld dat de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt en evenmin heeft geoordeeld dat nadere partijendebat een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, is het oordeel van het Gerechtshof dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als levensgezel van het slachtoffer met wie hij duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerde zonder nadere motivering — die ontbreekt — onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Deelklacht 2:
7.
Het Gerechtshof heeft ten onrechte, althans onbegrijpelijk, geoordeeld dat verzoekster geen beroep kan doen op de hardheidsclausule.
8.
In het vierde lid van artikel 6:108 BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van personen genoemd die voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen. Een categorie personen die voor vergoed van affectieschade in aanmerking kan komen zijn personen die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staan dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naasten worden aangemerkt (artikel 6:108 lid 4 onder g BW, de zogeheten hardheidsclausule). Voor het bewijs van het bestaan van zo'n nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
9.
Namens verzoekster is gesteld en onderbouwd dat sprake was van een bijzondere en hechte affectieve relatie tussen verzoekster en het slachtoffer, welke relatie uitging boven de ‘gewone’ relatie die het Gerechtshof heeft aangenomen. Het slachtoffer was de jeugdliefde van verzoekster en samen hadden zij een kind. Het paspoort en de kleding van het slachtoffer lagen in de woning van verzoekster. Dat verzoekster en het slachtoffer niet op de traditionele manier met elkaar samenwoonden, maakte hun nauwe persoonlijke relatie niet minder of illusoir. Juist voor onder meer dit soort situaties is de hardheidsclausule in het leven geroepen.
10.
Verzoekster en het slachtoffer hadden een reële relatie en hadden regelmatig contact met elkaar. Indien het slachtoffer niet was overleden, dan zou hij nog steeds zijn vaderrol hebben vervuld en zou hij nog steeds de geliefde zijn van verzoekster.
11.
Daar komt bij dat het Gerechtshof bij de beoordeling van de vraag of verzoekster aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade op grond van de hardheidsclausule heeft overwogen dat verzoekster, ‘in het licht van de betwisting door de verdediging’, onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij aanspraak dient te maken op vergoeding van affectieschade.
12.
Als gezegd, de verdediging heeft geen enkel verweer gevoerd tegen de vordering van de benadeelde partij. Gelet hierop en gelet op de onder punt 5 aangehaalde overweging is verzoekster van oordeel dat de beslissing van het Gerechtshof dat verzoekster geen aanspraak kan maken op de hardheidsclausule zonder nadere motivering — die ontbreekt — onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Ook ten aanzien van de hardheidsclausule geldt dat het Gerechtshof ook niet heeft geoordeeld dat de vordering op dit punt onrechtmatig of ongegrond voorkomt en evenmin heeft het Gerechtshof geoordeeld dat nadere partijendebat op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.
Verzoekster heeft belang bij cassatie, daar het volgen van haar standpunten meebrengt dat zij aanspraak maakt op vergoeding van affectieschade.
Verzoekster verzoekt Uw Edelhoogachtbaar College derhalve het door haar bestreden onderdeel van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 15 februari 2024 te vernietigen en betreffende de verdere afhandeling te beslissen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. O.F. Qane, kantoor houdende te (1011 RK) Amsterdam aan de Nieuwe Herengracht 15H, die hierbij verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster.
Amsterdam, 10 januari 2025
O.F. Qane, advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑01‑2025
Proces-verbaal terechtzitting 15, 18 en 19 januari en 15 februari 2024, p. 29.
Bijv. Hoge Raad 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1251.
Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.3.
Beroepschrift 13‑06‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE DRIE MIDDELEN VAN CASSATIE
van: mr. N. van Schaik
inzake:
de heer [verdachte], geboren d.d. [geboortedatum] 1997, requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Amsterdam, op 15 februari 2024, onder parketnummer 23-002097-22, gewezen arrest.
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, althans zulke nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder schending van de artikelen 289 Wetboek van Strafrecht (Sr) in verbinding met artikel 301 en/of 359 jo. 415 Wetboek van Strafvordering (Sv)
doordat het bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat requirant met zijn handelen opzet had op de dood van [slachtoffer], van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, dan wel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is,
- —
nu deze bewezenverklaring in zoverre steunt op 's Hofs onjuiste dan wel onbegrijpelijke opvatting dat het een ‘feit van algemene bekendheid’ is dat peilbakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren en dit ‘feit van algemene bekendheid’ voorts niet ter terechtzitting ter sprake is gebracht;
en/of
- —
nu het Hof het bewijs van opzet kennelijk afleidt uit de vaststelling dat requirant een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd over — kort gezegd — de mate van zijn betrokkenheid bij de plaatsing van het peilbaken onder de auto van het slachtoffer, hetgeen voor het bewijs van dat opzet evenwel niet (zonder meer) redengevend is.
Het arrest lijdt daarom aan nietigheid en kan derhalve niet in stand blijven.
Toelichting:
1.
Requirant wordt in deze zaak vervolgd wegens vermeende betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer]. Die vermeende betrokkenheid zou er in de kern uit hebben bestaan dat hij een peilbaken onder de auto van [slachtoffer] heeft geplaatst en kort vóór de moord heeft verwijderd. Dit is primair tenlastegelegd als het ‘medeplegen’ van moord en subsidiair als medeplichtigheid daaraan.
2.
In eerste aanleg werd requirant integraal vrijgesproken. De voor die vrijspraak dragende overweging luidde als volgt (onderstrepingen onzer hand — NvS & HB):
‘3.4. Oordeel van de rechtbank
Op basis van de onder 3.1 genoemde feiten en omstandigheden kan de rechtbank vaststellen dat verdachte tweemaal (op 11 en 12 december 2019) een baken onder het voertuig van [slachtoffer] heeft verwijderd. Dat verdachte ook een baken zou hebben geplaatst (op 6 december 2019) en verwisseld (op 11 december 2019) kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld.
Over zijn wetenschap kan alleen worden vastgesteld dat verdachte wist dat het betreffende voertuig door middel van het baken werd gevolgd. Het dossier bevat geen harde aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte wist van een plan om [slachtoffer] of een ander te liquideren. Dat verdachte vol opzet op de moord had, kan dus niet worden bewezen.
Ook voor opzet in voorwaardelijke zin is onvoldoende bewijs, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het peilbaken een rol zou spelen bij een moord. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij er niet vanuit ging dat de persoon voor wie hij het baken moest verwijderen zich met moord bezig zou houden. Dat verdachte ruim anderhalf jaar een beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht en deelneemt aan chatgroepen waarin volgens de officier van justitie ernstige criminele delicten worden voorbereid, is onvoldoende om het tegendeel aan te nemen, te meer nu niet vast staat dat het in die chatgroepen ook om levensdelicten gaat. Verdachte wordt van het tenlastegelegde vrijgesproken.’1.
3.
Het OM is van deze vrijspraak in hoger beroep gekomen. Anders dan de rechtbank is het Hof wél tot een bewezenverklaring gekomen, te weten het door requirant medeplegen van de moord op [slachtoffer]. Die bewezenverklaring luidt dat requirant:
‘(…) op 12 december 2019 te [b-plaats], tezamen en in vereniging met andere, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.’2.
4.
De voor die bewezenverklaring relevante overwegingen geven wij hieronder weer (met weglating voetnoten):
‘4.4.1.2. Camerabeelden parkeerterrein [B] van 12 december 2019
Op beelden, die op 12 december 2019 zijn opgenomen met beveiligingscamera's op en rondom het parkeerterrein van sportcomplex [B], is onder andere het volgende te zien.
15:58 uur
[slachtoffer] arriveert in de BMW en parkeert het voertuig in een parkeervak op het eerste rijpad aan de voorzijde van [B]. De BMW staat dan aan de noordzijde van het parkeerterrein, tér hoogte van de fietsenstalling. [slachtoffer] stapt uit het voertuig en loopt hand in hand met zijn vijfjarige zoontje [benadeelde 4] (hierna: zoon of zoontje) naar de hoofdingang van [B]. Zij gaan het pand binnen.
16:14 uur – 16:22 uur
Eén-NN-persoon rijdt op een tweewielig voertuig over de [e-straat] en parkeert zijn voertuig. Omstreeks 16:16 uur komt een persoon in donkere kleding het parkeerterrein van [B] oplopen. De NN-persoon loopt over het tweede rijpad naar de noordzijde van de parkeerplaats waar hij gedurende een korte periode rond blijft hangen. Dan op een gegeven moment, wanneer het ogenschijnlijk rustig is en er zich geen andere mensen in de nabijheid van de NN-persoon bevinden, loopt hij naar de BMW, gaat hij bij het rechterachterwiel op de grond liggen en verricht hij een handeling aan de onderzijde van de BMW. Vervolgens staat de NN-persoon na een seconde of vijf (5) weer op en loopt in een rechte lijn wéér naar de uitgang van het parkeerterrein. Hij heeft een van zijn handschoenen uitgetrokken en het lijkt alsof hij een telefoon in zijn handen heeft en op het scherm daarvan tikt. De NN-persoon loopt richting de [e-straat].
16:23 uur- 16:26 uur
Eén Volkswagen Transporter, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] (hierna: de Transporter) komt omstreeks 16:23 uur in beeld. Het eerste beeld dat van de Transporter is opgenomen is het moment dat hij op de [A] rijdt in de richting van de parkeerplaats voor [B]. De NN-persoon die handelingen bij de BMW van [slachtoffer] heeft verricht loopt op dat moment net van het terrein af. Ze kruisen elkaar als het ware. De Transporter rijdt het parkeerterrein van [B] op en rijdt in verschillende richtingen over dit parkeerterrein, onder andere langs de BMW. Vervólgens parkeert de Transporter ruim één minuut in een parkeervak aan de rechterzijde van het derde rijpad. Vanaf die plek heeft de bestuurder, die oranje werkhandschoenen draagt, zicht op de BMW. Normaal gesproken is een tag benodigd om de slagboom te openen om het parkeerterrein op te rijden, maar die dag was de slagboom defect en had een servicemedewerker van [B] omstreeks 06:30 uur de slagboom omhoog gezet zodat het terrein voor iedereen toegankelijk was. Deze medewerker had rond 16:30 uur de slagboom weer naar beneden gedaan zodat het terrein weer was afgesloten. Bij het verlaten van het parkeerterrein gaat de slagboom automatisch open.
16:27 uur – 16:45 uur
De Transporter staat ongeveer zeventien minuten geparkeerd in een parkeervak aan de linkerzijde van de het derde rijpad. Vervolgens gaan de remlichten aan, waarna de Transporter niet meer in het parkeervak staat.
16:45 uur
Twee personen in donkere kleding (hierna: NN1 en NN2) lopen weg vanaf de plek waar de Transporter geparkeerd stond. NN2 draagt oranje handschoenen. NN1 en NN2 lopen naar de fietsenstalling naast [B] en vervolgens naar het naastgelegen terras van ‘[C]’, waar zij achter een hek met reclameborden plaatsnemen. Vanaf deze plek zijn zij niet zichtbaar voor beveiligingscamera's en voorbijgangers. Zij hebben goed uitzicht over het parkeerterrein, vanaf de hoofdingang van [B] tot aan de BMW.
De Transporter rijdt richting de uitgang van het parkeerterrein van [B] en passeert NN1 en NN2. Bij de handen van de bestuurder is op dat moment geen oranje kleur zichtbaar.
16:46 uur – 16:47 uur
De Transporter rijdt het parkeerterrein van [B] af en parkeert op de [A] ter hoogte van de uitgang (in de richting van dé [e-straat]). De Transporter blijft ongeveer zevenentwintig minuten op deze plek staan, tot na de schietpartij. De schuifdeur aan de rechterzijde staat een beetje open.
Omstreeks 17:14 uur
[slachtoffer] loopt met zijn zoontje aan de hand vanaf [B] naar de BMW. Aangekomen bij de BMW opent [slachtoffer] het rechterachterportier. NN1 en NN2, die zich tot dan toe hebben opgehouden achter het hek bij de ingang van ‘[C]’, komen tevoorschijn en rennen op [slachtoffer] af, terwijl [slachtoffer] het rechterachterportier voor zijn zoon open houdt en zijn zoon plaatsneemt op de achterbank van de BMW. Zij naderen [slachtoffer] van achteren.
NN1 vuurt het eerste schot als hij ongeveer twee meter achter [slachtoffer] staat. [slachtoffer] zakt gelijk ineen. Het rechterachterportier staat nog open en het zoontje bevindt zich in de auto op of bij de achterbank.
NN2 verschijnt rechts in beeld. Hij heeft beide armen gestrekt voor zich uit gestoken, alsof hij ook een vuurwapen vasthoudt. NN2 draagt oranje handschoenen.
NN1 vuurt een tweede maal in de richting van [slachtoffer]. NN2 heeft beide armen voor zich uit gestrekt en houdt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. [slachtoffer] zakt steeds verder ineen. Hét zoontje bevindt zich nog op of bij de achterbank van de BMW in de vuurlijn. Het rechterachterportier staat wijd open
[slachtoffer] is bij het geopende rechterachterportier op de grond ineen gezakt. NN1 en NN2 staan boven [slachtoffer] en houden hun wapens op hem gericht.
NN1 lost nog vijf schoten, terwijl NN2 zijn wapen op [slachtoffer] gericht houdt. Tijdens het zesde schot is duidelijk zichtbaar dat NN2 een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft, maar nog niet heeft geschoten.
NN1 lost nog vier schoten. Op het moment dat NN1 het achtste schot vuurt lijkt het wapen van NN2 te weigeren. NN2 verricht handelingen aan zijn wapen, alsof hij probeert om de slede van het wapen naar achteren te trekken. Vervolgens houdt NN2 zijn wapen met beide handen vast en maakt slaande bewegingen in de richting van [slachtoffer]. NN1 is een paar meter weggelopen, komt vervolgens weer terug en lost nog drie schoten.
NN1 heeft in totaal elf schoten gelost.
NN1 en NN2 rennen tegelijkertijd weg naar de uitgang van het parkeerterrein, waar de Transporter staat. Zij springen in de Transporter, waarna de Transporter — met gedoofde lichten — wegrijdt over de [A], naar de [e-straat], in de richting van de [f-straat].’
De betreffende Transporter wordt kort daarna om 17:37 uur volledig in brand staand aangetroffen op een parkeerplaats aan de [h-straat] te Amsterdam.De Transporter bleek in de nacht van 5 op 6 december 2019 te zijn gestolen in Zaandam en was voorzien van valse kentekenplaten. Het betreft een auto met rondom zwarte ramen.
Verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de Volkswagen Transporter heeft bestuurd. Dat heeft hij ook gedaan op 11 december 2019 en op 12 december 2019 aan het einde van de ochtend, toen de Transporter eveneens bij [A] aanwezig was. Het hof zal hierna op deze gebeurtenissen ingaan. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij een paar dagen voor 11 december 2019 de sleutels van de Transporter heeft opgehaald en dat deze telkens stond geparkeerd aan de Nieuwersluishof, vlakbij station [station] te [a-plaats]. Toen hij de twee jongens op 12 december 2019 in de middag ophaalde stonden ze al klaar. De jongens zaten achter in de bus. Hij is na de schietpartij naar de [h-straat] gereden en heeft daar de Transporter in opdracht van de jongens in brand gestoken. Onderweg daarnaartoe zijn de twee jongens uitgestapt.
Vóór de hiervoor genoemde aanwezigheid van de Transporter bij [A] op 11 december 2019, is eveneens te zien dat een NN-persoon op een tweewielig motorvoertuig arriveert en handelingen Onder de BMW verricht. De NN-persoon van de beelden van 11 december 2019 is door meerdere verbalisanten herkend als [verdachte]. De persoon die op 12 december 2019 handelingen onder dé BMW verricht is dezelfde persoon. [verdachte] heeft bevestigd dat hij de NN-persoon is op de beelden van 11 december 2019 en van 12 december 2019. Hij heeft verklaard dat hij op die data een onder de BMW geplaatst baken heeft verwijderd. Op 6 december 2019 was hij voor een opdrachtgever, door wie hij op 4 december 2019 was benaderd en van wie hij op 5 december 2019 een gebruikerstelefoon had gekregen, op zoek gegaan naar de BMW. Hij moest naar een adres van [B] in [b-plaats]. Dat was een andere [B] (het hof begrijpt: [B] op de [g-straat] te [b-plaats]). De auto stond er niet en hij was bij de verkeerde [B]. Ter terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022 heeft [verdachte] verklaard dat hij hierna naar [A] is gegaan.18 Uit de telecomgegevens van [verdachte] was gebleken dat hij op 6 december 2019 in de omgeving van beide locaties van [B] was geweest.
4.4.2. De tijdlijn voor en op 11 december 2019
Het hof zal een chronologisch overzicht geven van de gebeurtenissen voorafgaand aan de schietpartij, waarbij ook de gebeurtenissen op de al genoemde data van 6 en 11 december 2019, alsmede dié in de ochtend van 12 december 2019 worden besproken.
4.4.2.1. De gebeurtenissen voorafgaand aan 11 en 12 december 2019
Zoals hiervoor weergegeven wordt [verdachte] op 4 december 2019 benaderd door een opdrachtgever, krijgt hij op 5 december 2019 een gebruikerstelefoon en wordt in de nacht van 5 op 6 december 2019 de Transporter gestolen te Zaandam.
[verdachte] heeft het telefoonnummer 06-[0001] (hierna: [telefoonnumer 1]) in gebruik. De historische verkeersgegevens van dit nummer zijn nader onderzocht voor een periode van 6 maanden (van 14-7-2019 00:00 uur tot en mét 14-01-2020 23:59 uur). Daaruit blijkt dat de [telefoonnumer 1] op 6 december 2019 vanaf 13:19 uur in [b-plaats] achtereenvolgens de navolgende zendmastlocaties aanstraalt; [e-straat 01], [f-straat 01], [g-straat 01], [e-straat 01], [h-straat 01] en ten slotte weer [g-straat 01]. Het is in de onderzochte periode voor het eerst dat de zendmastlocatie [g-straat 01] te [b-plaats] wordt aangestraald. Deze zendmast geeft dekking aan de [i-straat 1 ] waar [A] was gevestigd. Daarna gebeurt het aanstralen van deze zendmast ook op 7 en 11 december 2019 en ten slotte alleen nog op 5 januari 2020. De zendmast aan [e-straat 01] die de [telefoonnumer 1] die dag twee keer aanstraalt, geeft dekking aan de [a-straat] te [b-plaats], waar het slachtoffer [slachtoffer] verbleef. In de onderzochte periode blijken dit de enige twee registraties te zijn waarop het telefoonnummer deze zendmast aanstraalt.
(…)
4.4.3. Eerste tussenconclusie
Uit voornoemde bevindingen leidt het hof af dat op 11 december 2019 in ieder geval een baken onder de auto van het slachtoffer is weggenomen door [verdachte] en voorverkenningen hebben plaatsgevonden op het parkeerterrein rondom de [B] aan de [ i-straat 1] te [b-plaats]. Daarbij is gebruik gemaakt van voornoemde gestolen Transporter die werd bestuurd door [medeverdachte 1]. Deze Transporter is, zoals hiervoor al weergegeven, ook bij de moord op 12 december 2019 gebruikt en is diezelfde dag brandend aangetroffen op een parkeerplaats aan de [h-straat] te Amsterdam. Gelet op het contact tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 7 december 2019, voornoemde video van die dag, de verklaring van [medeverdachte 1] dat de Transporter in de buurt van station [station] geparkeerd stond, het moment waarop [medeverdachte 2] uit- en incheckt op 11 december 2019 bij station [station], de reistijd van ongeveer 10 minuten van station [station] naar de [ i-straat 1] te [b-plaats] en het tijdstip waarop de Transporter bij het parkeerterrein van voornoemde [B] aankomt en weer vertrekt, in combinatie met de hierna nog te bespreken feiten en omstandigheden, zal het hof uiteindelijk tot de conclusie komen dat [medeverdachte 2] bij de voorverkenning op 11 december 2019 met [medeverdachte 1] in de bus (met achterin geblindeerde ramen) heeft gezeten.
4.4.4. De tijdlijn op 12 december 2019
(…)
4.4.8. Eindconclusie betrokkenheid verdachten
(…)
4.4.8.2. Ten aanzien van [verdachte]
[verdachte] is op 6 december 2019 op zoek gegaan naar de BMW van [slachtoffer]. Hij kon de BMW toen niet vinden, hetgeen blijkt uit zijn eigen verklaring en zijn telecomgegevens. [verdachte] heeft verklaard dat hij een baken onder de BMW moest verwijderen, hetgeen dus niet lukte op 6 december 2019. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij op 11 december 2019 slechts het onder de BMW aanwezige baken heeft verwijderd. Het hof gaat er evenwel vanuit dat, nu [verdachte] op 6 december 2019 niet precies wist waar hij de BMW kon vinden, er zich nog geen baken onder de BMW bevond en dat zijn opdracht was om dit te plaatsen. Niet is vast te stellen wanneer het baken uiteindelijk is geplaatst vóór het moment dat [slachtoffer] op 11 december 2019 bij [A] arriveert, maar het hof gaat ervan uit dat [verdachte] dit toch op 6 december 2019 of in de tussenliggende periode heeft gedaan. Het hof vindt hiervoor steun in het feit dat [verdachte] op 11 december 2019 om 13:34 uur, slechts ongeveer 20 minuten nadat [slachtoffer] bij [A] arriveert, aldaar aankomt, naar de BMW gaat, daaronder zijn handelingen verricht en om 13:40 uur weer vertrekt. Dat [verdachte] op 11 december 2019 alleen het baken zou hebben verwijderd, acht het hof niet aannemelijk. Op 12 december 2019 zat er immers weer een werkend baken onder de BMW. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte] 16 minuten nadat [slachtoffer] met zijn BMW bij [A] arriveert daar ook arriveert en, na even gewacht te hebben, rechtsreeks op de BMW afloopt. [verdachte] heeft ook bevestigd dat er een baken onder de BMW zat Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] op 12 december 2019 inderdaad het baken heeft verwijderd, nu er geen baken onder de BMW is aangetroffen, maar ook dat [verdachte] dit baken op 11 december 2019 had geplaatst. Hiérbij betrekt het hof dat [verdachte] op 12 december 2019 na even rond te hebben gekeken bij het rechter achterwiel gaat liggen en in ongeveer 5 seconden klaar is. Hij weet dus precies waar het baken zit. Op 11 december 2019 heeft [verdachte] de handelingen ook bij het rechterachterwiel verricht. Hieruit, in combinatie met de handelingen van [verdachte] zoals die zijn te zien op de beelden van 11 december 2019, leidt het hof af dat [verdachte] op 11 december 2019kennelijk het reeds door hem geplaatste baken heeft verwisseld of vervangen. De reden hiervan is onduidelijk gebleven.
4.4.8.3. Verklaring van [verdachte]
Het hof hecht gelet op het voorgaande geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dat hij op 6 en op 11 december 2019 slechts de opdracht had om het baken te verwijderen en dat hij de (vermeende) locatie van de BMW doorkreeg via de aan hem verstrekte ‘gebruikerstelefoon’. Hiertóe verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof betrekt hiér verder bij dat [verdachte] zich vanaf zijn eerste inhoudelijke politieverhoor op 2 september 2020 op zaaksinhoudelijke vragen op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst op 28 februari 2022, nadat hij kennis had kunnen némen van het (hele) dossier, een inhoudelijke verklaring bij de politie heeft afgelegd. Hij heeft hierin een verklaring gegeven voor onderzoeksbevindingen waar hij niet omheen kon, zoals zijn aanwezigheid in de omgeving bij beide locaties van [B] op 6 december 2019 en de door hem verrichte handelingen onder de BMW op 11 december 2019 (hij was immers al herkend van de beelden). Deze feiten en omstandigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Hierbij merkt het hof nog op dat het ook zeer onaannemelijk is dat het plaatsen van het baken telkens door (een) ander(en) dan [verdachte] zou zijn gebeurd en dat [verdachte] via een ‘gebruikerstelefoon’ de locatie van de BMW zou moeten doorkrijgen, nu hét immers veel meer voor de hand ligt dat een en ander in de hand van één persoon wordt gehouden. Kennelijk heeft [verdachte] in het feit dat op de beelden van 11 december 2019 is te zien dat hij na de handelingen onder de BMW een baken in zijn handen heeft aanleiding gezien zijn uitgekiende verklaring af te leggen. Dat hij zijn rol welbewust heeft beperkt tot het weghalen van een baken op die dag (en op 6 december 2019) blijkt uit de volgende passage in het proces-verbaal tér terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022:
‘Mijn advocaat vraagt mij of ik een onderscheid maak tussen het plakken of verwijderen van een baken. De betrokkenheid bij het strafbare feit van diegene die een baken plakt is groter dan de rol van diegene die een baken verwijdert. Ik ben van mening dat diegene die een baken plakt behulpzaam is bij het verschaffen van inlichtingen ten behoeve van het plegen van het geplande delict, terwijl diegene die het baken verwijdert slechts bewijsmateriaal vernietigt voor diegene die het risico loopt om te worden vervolgd voor het geplande delict. Diegene die een baken plakt is in geval van moord daadwerkelijk behulpzaam bij het volgen en spotten van het beoogde doelwit.’
[verdachte] is verder niet ter terechtzitting van het hof verschenen om nadere vragen van het hof over zijn rol te beantwoorden.
De verklaring van [verdachte] wordt, voor zover deze inhoudt dat hij op 6 december 2019 naar de BMW op zoek was om het baken te verwijderen en dat hij op 11 december 2019 slechts het baken heeft verwijderd, gelet op al het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
4.4.9. Eindconclusie ten aanzien van het tenlastegelegde
4.4.9.1. Medeplegen
Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] bij het doden van [slachtoffer]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn de schutters en [medeverdachte 1] was de bestuurder van de Transporter. Voor [verdachte] geldt dat hij weliswaar niet lijflijk aanwezig is geweest bij het doodschieten van [slachtoffer], maar dat er desalniettemin sprake is geweest van een gezamenlijk uitvoering en daarmee van een nauwe en bewuste samenwerking met de anderen. De bijdrage van [verdachte] is essentieel geweest voor het uit te voeren delict, nu het voor het doden van een slachtoffer immers noodzakelijk is om te weten waar deze zich bevindt. Door het plaatsen van net baken heef [verdachte] het slachtoffer voor [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gelokaliseerd. Hij staat al dan niet via een derde in nauwe verbinding met (een van) hen. Immers, op 11 december 2019 komt [medeverdachte 2] ongeveer op hetzelfde moment als waarop [verdachte] bij [B] arriveert in beweging. Op 12 december 2019 komt de zich in de nabijheid van [B] bevindende Transporter onmiddellijk in beweging als [verdachte] het baken heef verwijderd. Op de beelden is ook te zien dat [verdachte] iets op een telefoon tikt. De Transporter en [verdachte] kruisen elkaar als [verdachte], komend vanaf het parkeerterrein over de [A] loopt en de Transporter met de daarin aanwezige schutters daar rijdt teneinde het parkeerterrein van [B] op te rijden om [slachtoffer] te doden, hetgeen ongeveer 50 minuten later, als de schutters hun kans schoon zien, gebeurt. Door het verwijderen van het baken van de BMW heeft [verdachte] de weg voor de schutters vrijgemaakt, nu de vondst van het baken door de politie tot opsporingsmogelijkheden zou leiden. De handelingen van [verdachte] zijn dermate essentieel en zitten zowel waf betreft tijd als plaats zo dicht op de handelingen van de feitelijke uitvoerders, dat naar het oordeel van het hof sprake is van medeplegen.
Dat [verdachte] geen weet zou hebben gehad van het doel om het slachtoffer te doden, zoals door hem is verklaard, acht het hof volstrekt onaannemelijk, gelet op de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Hierbij betrekt het hof nog dat net een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren.’3.
5.
De verdediging had (ook) in hoger beroep evenwel betoogd dat requirant geen wetenschap droeg van het doel waarvoor hij het peilbaken onder de auto plaatste — te weten de tenlastegelegde moord op [slachtoffer] — en dat daar zijn opzet aldus niet op was gericht. Wij citeren uit de ter zitting voorgedragen pleitnota:
‘Daarbij moet evenwel in het oog worden gehouden dat het Openbaar Ministerie nog altijd heeft te bewijzen. Daar ziet men dan weer dat het OM het scenario dat haar het beste past, op basis van hetzelfde dossier omarmd en als het ware met oogkleppen op voor andere scenario's een verdachte als volstrekt onbetrouwbaar neersabelt.
Zo stelt het OM in de schriftuur:
‘Uit het dossier valt vervolgens af te leiden dat vlak na de moord er geen baken is aangetroffen onder de auto van [slachtoffer]. Hieruit, alsmede uit de verklaring van de verdachte, kan worden vastgesteld dat er in ieder geval op de 12e een baken is verwijderd onder de auto van het slachtoffer. Dit kan enkel gedaan zijn met het doel om geen sporen achter te laten VAN DE LIQUIDATIE, (hoofdletter door de raadsman).’
Van dit laatste staat allerminst vast dat [verdachte] enige wetenschap had over het uiteindelijke doel c.q. hiervan géén snipper bewijs voorhanden is. Laat dat volstrekt duidelijk zijn.’4.
En:
‘Met betrekking tot het opzet merk ik nog op dat, ook al is mijn cliënt behulpzaam geweest door het baken te verwijderd, geen bewezenverklaring kan volgen vanwege het ontbreken van dubbel opzet.’5.
6.
Wij herhalen wat het Hof in reactie op dit verweer heeft overwogen en lichten daarna onze (deel)klachten toe:
‘Dat [verdachte] geen weet zou hebben gehad van het doel om het slachtoffer te doden, zoals door hem is verklaard, acht het hof volstrekt onaannemelijk, gelet op de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Hierbij betrekt het hof nog dat het een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren.’6.
Feit van algemene bekendheid
7.
Bij de bewijsvoering voor requirants opzet op moord betrekt het Hof aldus een vermeend van algemene bekendheid zijnd feit. Zo een feit van algemene bekendheid is elk gegeven dat ‘ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen.’7. Het gaat daarbij in de regel om feiten waarvan ‘de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is.’8. Bijvoorbeeld feiten die te doen hebben met topografie,9. basale feiten over het functioneren van apparaten,10. basale kennis over de werking van verdovende middelen11. en feiten over grote internationale merken.12. Ook van algemene bekendheid is dat het voorhanden hebben van 25 blanco rijbewijzen niet anders dan door misdrijf kan zijn gebeurd.13. Feiten van algemene bekendheid zijn aldus vaak feitelijkheden die iedereen wel kent of in ieder geval met behulp van enkele zoekwoorden in zijn voorkeurszoekmachine of TomTom-applicatie kan vinden. Niet van algemene bekendheid is daarom dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft zonder sleutel,14. dat met 10 liter plantenvoeding 200 hennepplanten geteeld kunnen worden,15. dat een contactslot van een scooter met bouten is vastgemaakt en eerst kan worden verwijderd door de plastic kap van het voertuig los te schroeven16. of dat de bruto winstmarge van cocaïne en heroïne elkaar niet veel plegen te ontlopen.17.
8.
Terug naar de onderhavige zaak. De vraag is hier hoe het door het Hof gestelde ‘feit van algemene bekendheid’ precies moet worden begrepen. Dat kan ons inziens namelijk op twee manieren.
9.
Als het Hof dit feit aldus bezigt dat van algemene bekendheid is dat peilbakens exclusief worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren, dan is dat oordeel niet begrijpelijk. De band tussen peilbakens en liquidaties is helemaal niet zo vanzelfsprekend. Er kunnen immers legio redenen zijn om iemands bewegingen in kaart te brengen. Denk aan een volgapplicatie om de pols van een kind om het terug te vinden wanneer het wegloopt. Of een ‘tag’ in de handtas van de partner die vermoedelijk vreemdgaat. Of een peilbaken onder een auto om de stashlocatie van de rivaliserende drugshandelorganisatie te achterhalen. In de ene situatie is het peilen van iemands locatie misschien ethischer en/of rechtmatiger dan in de andere, maar wat daar verder ook van zij; niet algemeen bekend is dat peilbakens exclusief worden gebruikt om subjecten van liquidaties te lokaliseren.
10.
Als het niet zonder meer duidelijk is of een feit van algemene bekendheid is, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen op de zitting, opdat de verdediging zich daarover kan uitlaten.18. Dat is hier echter niet gebeurd. Het moge duidelijk zijn dat, gelet op de functie die het feit van algemene bekendheid in deze benadering vervult, de verdediging zich hier graag (nader) over had uitgelaten. Daarbij nemen wij in aanmerking dat de rechtbank in eerste aanleg — ter motivering van de gegeven vrijspraak — juist overwoog dat requirant niet de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het peilbaken een rol zou spelen bij een moord. Dit impliceert dat de rechtbank niet van algemene bekendheid achtte dat het plaatsen van een peilbaken onder een auto altijd het doel heeft een beoogd liquidatieslachtoffer te traceren.
11.
Dat oordeel van de rechtbank is overigens in lijn met andere feitenrechtspraak. Te wijzen valt bijvoorbeeld op het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8688.19. Het ging in die zaak ook om de plaatsing van een peilbaken onder de auto van een liquidatieslachtoffer. Het Hof was — met eerder de rechtbank in de eerste aanleg — van oordeel dat het geplaatste peilbaken een bijdrage moet hebben geleverd aan de liquidatie, maar kon op basis van de bewijsmiddelen echter niet vaststellen dat de verdachte ook wist of moest weten dat het plaatsen van het peilbaken uiteindelijk de liquidatie van het slachtoffer tot doel had, zulks ondanks het feit dat de verdachte daarover zelf had gezwegen. Het Hof overwoog:
‘In verband met het voor bewezenverklaring vereiste opzet op de dood van het slachtoffer is vervolgens de — cruciale — vraag of verdachte wist of voldoende reden had te vermoeden dat het plaatsen van een peilbaken en een daarop volgende afspraak met [slachtoffer] zou leiden tot diens liquidatie. Naar het oordeel van het hof moet die vraag ontkennend beantwoord worden nu niet is vast te stellen welke wetenschap verdachte had omtrent de bedoeling van het plaatsen van het peilbaken en welke gevolg hier uiteindelijk uit voort zou vloeien. Ook overigens is niet duidelijk geworden of verdachte op de hoogte was van de door medeverdachte [medeverdachte] met het slachtoffer gemaakte afspraak op de bewuste avond van de liquidatie. De PGP-telefoon van medeverdachte [medeverdachte] (waarmee [slachtoffer] communiceerde) is niet aangetroffen en verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben geen verklaring willen afleggen. Onder die omstandigheden kan het opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer] niet worden bewezen.’
12.
In deze benadering kan het gestelde ‘feit van algemene bekendheid’ derhalve om twee redenen niet bijdragen aan het bewijs van requirants opzet; (a) het kwalificeert niet als zodanig en (b) het is niet ter zitting ter sprake gebracht.
13.
De tweede benadering van dit onderdeel van de bewijsvoering is dat het Hof bedoeld heeft te zeggen dat het een feit van algemene bekendheid is dat peilbakens kunnen worden gebruikt bij (onder meer) liquidaties. In dat geval is deze vaststelling op zichzelf echter niet redengevend voor het bewijs van requirants opzet.
14.
Daarom komt het in beide gevallen aan op de vraag of het bewijs van opzet met weglating van het vermeende ‘feit van algemene bekend’ toereikend is gemotiveerd. Alsdan resteert de overweging van het Hof dat de verklaring van requirant dat hij geen weet zou hebben gehad van het doel om het slachtoffer te doden, volstrekt onaannemelijk wordt geacht ‘gelet op de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaring’. Daarover het volgende.
Ongeloofwaardigheid verklaring requirant
15.
Het Hof wijst in dit verband aldus terug naar hetgeen is overwogen omtrent ‘de betrouwbaarheid van de verklaring van requirant’. Kennelijk heeft het Hof dan het oog op hetgeen in paragraaf 4.4.8.3 (‘verklaring [verdachte]’) van het arrest is overwogen. In die overwegingen wijst het Hof ook weer terug naar ‘het voorgaande.’ Wij begrijpen het Hof daarom zo dat het voor de vaststelling van het bewijs van opzet, óók het overwogene in paragraaf 4.4.8.2. betrekt. Volledigheidshalve herhalen wij wat het Hof in die beide paragrafen heeft vastgesteld:
‘4.4.8.2. ten aanzien van [verdachte]
[verdachte] is op 6 december 2019 op zoek gegaan naar de BMW van [slachtoffer]. Hij kon de BMW toen niet vinden, hetgeen blijkt uit zijn eigen verklaring en zijn telecomgegevens. [verdachte] heeft verklaard dat hij een baken onder de BMW moest verwijderen, hetgeen dus niet lukte op 6 december 2019. Verder heeft [verdachte] verklaard dat hij op 11 december 2019 slechts het onder de BMW aanwezige baken heeft verwijderd. Het hof gaat er evenwel vanuit dat, nu [verdachte] op 6 december 2019 niet precies wist waar hij de BMW kon vinden, er zich nog geen baken onder de BMW bevond en dat zijn opdracht was om dit te plaatsen. Niet is vast te stellen wanneer het baken uiteindelijk is geplaatst vóór het moment dat [slachtoffer] op 11 december 2019 bij [A] arriveert, maar het hof gaat ervan uit dat [verdachte] dit toch op 6 december 2019 of in de tussenliggende periode heeft gedaan. Het hof vindt hiervoor steun in het feit dat [verdachte] op 11 december 2019 om 13:34 uur, slechts ongeveer 20 minuten nadat [slachtoffer] bij [A] arriveert, aldaar aankomt, naar de BMW gaat, daaronder zijn handelingen verricht en om 13:40 uur weer vertrekt. Dat [verdachte] op 11 december 2019 alleen het baken zou hebben verwijderd, acht het hof niet aannemelijk. Op 12 december 2019 zat er immers weer een werkend baken onder de BMW. Dit blijkt uit het feit dat [verdachte] 16 minuten nadat [slachtoffer] met zijn BMW bij [A] arriveert daar ook arriveert en, na even gewacht te hebben, rechtsreeks op de BMW afloopt. [verdachte] heeft ook bevestigd dat er een baken onder de BMW zat. Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] op 12 december 2019 inderdaad het baken heeft verwijderd, nu er geen baken onder de BMW is aangetroffen, maar ook dat [verdachte] dit baken op 11 december 2019 had geplaatst. Hierbij betrekt het hof dat [verdachte] op 12 december 2019 na even rond te hebben gekeken bij het rechter achterwiel gaat liggen en in ongeveer 5 seconden klaar is. Hij weet dus precies waar het baken zit. Op 11 december 2019 heeft [verdachte] de handelingen ook bij het rechterachterwiel verricht. Hieruit, in combinatie met de handelingen van [verdachte] zoals die zijn te zien op de beelden van 11 december 2019, leidt het hof af dat [verdachte] op 11 december 2019 kennelijk het reeds door hem geplaatste baken heeft verwisseld of vervangen. De reden hiervan is onduidelijk gebleven
4.4.8.3. verklaring van [verdachte]
Het hof hecht gelet op het voorgaande geen geloof aan de verklaring van [verdachte] dot hij op 6 en op 11 december 2019 slechts de opdracht had om het baken te verwijderen en dat hij de (vermeende) locatie van de BMW doorkreeg via de aan hem verstrekte ‘gebruikerstelefoon’. Hiertoe verwijst het hof naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof betrekt hier verder bij dat [verdachte] zich vanaf zijn eerste inhoudelijke politieverhoor op 2 september 2020 op zaaksinhoudelijke vragen op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst op 28 februari 2022, nadat hij kennis had kunnen nemen van het (hele) dossier, een inhoudelijke verklaring bij de politie heeft afgelegd. Hij heeft hierin een verklaring gegeven voor onderzoeksbevindingen waar hij niet omheen kon, zoals zijn aanwezigheid in de omgeving bij beide locaties van [B] op 6 december 2019 en de door hem verrichte handelingen onder de BMW op 11 december 2019 (hij was immers al herkend van de beelden). Deze feiten en omstandigheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Hierbij merkt het hof nog op dat het ook zeer onaannemelijk is dat het plaatsen van het baken telkens door (een) ander(en) dan [verdachte] zou zijn gebeurd en dat [verdachte] via een ‘gebruikerstelefoon’ de locatie van de BMW zou moeten doorkrijgen, nu het immers veel meer voor de hand ligt dat een en ander in de hand van één persoon wordt gehouden. Kennelijk heeft [verdachte] in het feit dat op de beelden van 11 december 2019 is te zien dat hij na de handelingen onder de BMW een baken in zijn handen heeft aanleiding gezien zijn uitgekiende verklaring afte leggen. Dat hij zijn rol welbewust heeft beperkt tot het weghalen van een baken op die dag (en op 6 december 2019) blijkt uit de volgende passage in het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 21 juni 2022:
‘Mijn advocaat vraagt mij of ik een onderscheid maak tussen het plakken of verwijderen van een baken. De betrokkenheid bij het strafbare feit van diegene die een baken plakt is groter dan de rol van diegene die een baken verwijdert. Ik ben van mening dat diegene die een baken plakt behulpzaam is bij het verschaffen van inlichtingen ten behoeve van het plegen van het geplande delict, terwijl diegene die het baken verwijdert slechts bewijsmateriaal vernietigt voor diegene die het risico loopt om te worden vervolgd voor het geplande delict. Diegene die een baken plakt is in geval van moord daadwerkelijk behulpzaam bij het volgen en spotten van het beoogde doelwit.’
[verdachte] is verder niet ter terechtzitting van het hof verschenen om nadere vragen van het hof over zijn rol te beantwoorden.
De verklaring van [verdachte] wordt, voor zover deze inhoudt dat hij op 6 december 2019 naar de BMW op zoek was om het baken te verwijderen en dat hij op 11 december 2019 slechts het baken heeft verwijderd, gelet op al het voorgaande als ongeloofwaardig terzijde geschoven.20.
16.
Het Hof heeft hier aldus geoordeeld dat requirant ergens tussen 6 en 11 december 2019 een baken heeft geplaatst, op 11 december 2019 het baken heeft omgewisseld en op 12 december 2019 het tweede baken heeft verwijderd.
17.
Vooropgesteld wordt dat, zover de vaststelling dat requirant de eerste plaatsing tussen 6 en 11 december 2019 heeft gedaan aan de bewijsvoering bijdraagt, de bewezenverklaring reeds daarom ontoereikend gemotiveerd is. Het Hof heeft namelijk niet met voldoende precisie aangegeven waaraan het die omstandigheid heeft ontleend.21. Het enkele feit dat requirant op 11 december 2019 het baken snel wist te verwijderen, vormt immers onvoldoende grond voor de vaststelling dat hij dat baken op 6 december 2019 of in de tussenliggende periode ook onder de auto geplaatst heeft. Dit punt behoeft dus nadere motivering.
18.
Maar wat er van het punt in het vorige randnummer verder zij, zien wij in de hiervoor geciteerde overwegingen overigens ook geen enkel aanknopingspunt om requirants wetenschap omtrent het (achterliggende) doel van zijn handelen vast te kunnen stellen. Op de keper beschouwd worden er enkel vaststellingen gedaan over het feitelijke gebruik van het peilbaken en wordt aan de hand daarvan de verklaring van requirant — inhoudende dat hij op 11 december 2019 het baken slechts verwijderd heeft — ongeloofwaardig geacht, in die zin dat hij eerder het baken al ‘geplakt’ heeft en hij op 11 december 2019 ook weer een nieuw baken onder de auto zou hebben aangebracht. De verklaring van requirant wordt door het Hof daarom als ongeloofwaardig terzijde geschoven.
19.
Het is zo dat in bepaalde gevallen het uitblijven van een geloofwaardige verklaring — c.q. het afleggen van een ongeloofwaardige verklaring — gelijkgesteld kan worden met het uitblijven van een aannemelijke verklaring. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betreft dan een omstandigheid die in de bewijsredenering van de rechter van belang is voor de redengevende betekenis die in het concrete geval aan de gebruikte bewijsmiddelen kan worden toegekend en om die reden in de bewijsmotivering wordt betrokken.22.
20.
Het probleem is hier dus echter dat het Hof geen (andere) bewijsmiddelen heeft aangewezen die redengevend zijn voor het bewijs van wetenschap van requirant over het doel van het peilbaken. Immers is de vaststelling dat requirant — anders dan hij zelf heeft verklaard — het baken ook onder de auto heeft geplakt (en dus niet alleen heeft verwijderd), niet zonder meer redengevend voor het bewijs van zijn opzet op de dood van [slachtoffer]. Het Hof heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat requirant wist met welk doel hij zijn handelingen verrichtte.
21.
Nu, zoals hiervoor al aan de orde kwam, peilbakens in ieder geval niet exclusief plegen te worden gebruik voor liquidaties — en daaruit dus evenmin (zonder meer) het bewijs van opzet kan worden afgeleid — is het bewezenverklaarde in zoverre ontoereikend gemotiveerd. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
22.
Wij grijpen in dit verband — ten overvloede — nogmaals terug op het hiervoor al aangehaalde arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 28 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8688. In die zaak probeerde het Openbaar Ministerie het zwijgen van de verdachte — en dus het uitblijven van een (ontzenuwende) verklaring — in de bewijsvoering te doen betrekken. Het Hof ging daar echter niet in mee (onderstreping onzer hand — NvS & HB):
‘De advocaat-generaal heeft gesteld dat aan het zwijgen van verdachte de conclusie moet worden verbonden dat hij als medeplichtige betrokken was bij de moord.
Het hof stek voorop dat niet buiten redelijke twijfel kan worden uitgesloten dat (verdachte meende dat) de plaatsing van het baken te maken had met iets anders dan de moord op het slachtoffer, bijvoorbeeld een drugstransactie en dat er andere redenen zijn waarom verdachte heeft gezwegen, waarbij het hof in aanmerking neemt dat het bij de moord kennelijk om een liquidatie ging. De betrokkenheid van verdachte bij de plaatsing van het baken is naar het oordeel van het hof onvoldoende om daaruit en uit het zwijgen van verdachte buiten redelijke twijfel af te leiden dat hij als medepleger bij de moord betrokken was.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het zwijgen van verdachte enkel in de bewijsoverwegingen kan worden betrokken indien de verdachte voor een voor hem bezwarende, voor het bewijs redengevende omstandigheid geen redelijke verklaring geeft, die deze redengevendheid ontzenuwt. Van omstandigheden die zozeer redengevend zijn te achten voor het bewijs van hetgeen verdachte wordt verweten dat het zwijgen wegens gebrek aan uitleg bij het bewijs kan worden betrokken, is geen sprake.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van de moord op [slachtoffer] en verdachte van het primair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken.
Medeplichtigheid vereist van de dader opzet op de eigen bijdrage en opzet op het misdrijf dat hij ondersteunt. Niet is komen vast te staan dat verdachte wist van de afspraak die medeverdachte [medeverdachte] had gemaakt, laat staan dat [slachtoffer] zou worden doodgeschoten dan wel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou worden doodgeschoten. Om die reden kan het subsidiair tenlastegelegde feit evenmin worden bewezenverklaard en zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.’
23.
In de onderhavige zaak is dus in wezen hetzelfde aan de hand. Alle mogelijke bedenkingen bij het vermeend ongeloofwaardig door requirant verklaren ten spijt; van omstandigheden die zozeer redengevend zijn te achten voor het bewijs van hetgeen hem wordt verweten dat dit ongeloofwaardig verklaren wegens gebrek aan uitleg bij het bewijs kan worden betrokken, is hier in het geheel geen sprake. Zoals de raadsman van requirant het bij pleidooi treffend verwoordde:
‘er is geen snipper bewijs voorhanden dat requirant wist wat het doel van het peilbaken was’.
Dat had ook voor het Hof in casu de eindconclusie moeten zijn. Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt of zulke nietigheid volgt uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder schending van de artikelen 47 jo. 289 Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 350 en 359 jo. 415 Wetboek van Strafvordering (Sv)
doordat het bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat requirant de moord op [slachtoffer] heeft ‘medegepleegd’, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend gemotiveerd is,
nu het Hof in dit verband in de kern niet meer heeft vastgesteld dan dat requirant (daags vóór de moord) een peilbaken onder de auto van het slachtoffer heeft geplakt en op de dag van de moord dat peilbaken onder die auto vandaan heeft gehaald, hetgeen — opzet aangenomen — hooguit medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer] oplevert.
Het arrest lijdt mitsdien aan nietigheid en kan niet in stand blijven.
Toelichting:
24.
Zoals in de toelichting op het vorige middel al aan de orde kwam, heeft het Hof bewezenverklaard dat requirant:
‘(…) op 12 december 2019 te [b-plaats], tezamen en in vereniging met andere, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.’23.
25.
Het Hof heeft dit door requirant ‘medeplegen’ van de moord op [slachtoffer] doen steunen op de volgende overwegingen (onderstreping onzer hand — NvS & HB):
‘Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] bij het doden van [slachtoffer]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn de schutters en [medeverdachte 1] was de bestuurder van de Transporter. Voor [verdachte] geldt dat hij weliswaar niet lijflijk aanwezig is geweest bij het doodschieten van [slachtoffer], maar dat er desalniettemin sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering en daarmee van een nauwe en bewuste samenwerking met de anderen. De bijdrage van [verdachte] is essentieel geweest voor het uit te voeren delict, nu het voor het doden van een slachtoffer immers noodzakelijk is om te weten waar deze zich bevindt. Door het plaatsen van net baken heeft [verdachte] het slachtoffer voor [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gelokaliseerd. Hij staat al dan niet via een derde in nauwe verbinding met (een van) hen. Immers, op 11 december 2019 komt [medeverdachte 2] ongeveer op hetzelfde moment als waarop [verdachte] bij [B] arriveert in beweging. Op 12 december 2019 komt de zich in de nabijheid van [B] bevindende Transporter onmiddellijk in beweging als [verdachte] het baken heef verwijderd. Op de beelden is ook te zien dat [verdachte] iets op een telefoon tikt. De Transporter en [verdachte] kruisen elkaar als [verdachte], komend vanaf het parkeerterrein over de [A] loopt en de Transporter met de daarin aanwezige schutters daar rijdt teneinde het parkeerterrein van [B] op te rijden om [slachtoffer] te doden, hetgeen ongeveer 50 minuten later, als de schutters hun kans schoon zien, gebeurt. Door het verwijderen van het baken van de BMW heeft [verdachte] de weg voor de schutters vrijgemaakt, nu de vondst van het baken door de politie tot opsporingsmogelijkheden zou leiden. De handelingen van [verdachte] zijn dermate essentieel en zitten zowel wat betreft tijd als plaats zo dicht op de handelingen van de feitelijke uitvoerders, dat naar het oordeel van het hof sprake is van medeplegen.
Dat [verdachte] geen weet zou hebben gehad van het doel om het slachtoffer te doden, zoals door hem is verklaard, acht het hof volstrekt onaannemelijk, gelet op de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van zijn verklaring. Hierbij betrekt het hof nog dat net een feit van algemene bekendheid is dat bakens worden gebruikt om doelwitten van liquidaties te lokaliseren.24.
26.
Met betrekking tot het leerstuk medeplegen stellen wij het volgende voorop. In de arresten HR 2 december 2014, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, NJ 2016/411 heeft Uw Raad algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde bijdrage aan het delict van de verdachte — die intellectueel en/of materieel van aard kan zijn — van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering — dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging — dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal daarbij dan moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Gezamenlijke uitvoering?
27.
Blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat in casu sprake was van gezamenlijke uitvoering door requirant en zijn medeverdachten en zodoende van een nauwe en bewuste samenwerking. Dat oordeel is echter onbegrijpelijk. Het Hof stelt immers vrijwel gelijktijdig vast dat requirant niet ‘lijflijk’ aanwezig was bij de feitelijke uitvoering van de moord (die bijna een uur ná de verwijdering van het peilbaken plaatsvond).
28.
Dat zijn geleverde bijdrage essentieel zou zijn geweest voor het uit te voeren delict — wat daar verder van zij, zie verderop — zegt niets voor de gezamenlijkheid van de uitvoering. Dat requirant na het verwijderen van het baken ‘iets op een telefoon tikte’ is evenmin afdoende om tot een gezamenlijke uitvoering te komen. Wij wijzen in dat verband op 14 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9945, NJ 2014/510. In het in die zaak gecasseerde arrest leidde het Hof uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte in kwestie actief betrokken was geweest bij het plannen en het uitvoeren van de daar tenlastegelegde overval, nu die verdachte:
- —
[betrokkene 5] en later ook [betrokkene 3] had benaderd met de vraag of zij geld wilden verdienen door bij het huis van de oom en tante van zijn vriendin, van wie hij wist dat zij veel geld in huis hadden, geld te halen of dat zij jongens wisten die dat wilden doen;
- —
de informatie die hij had over de woning en over (de aanwezigheid van) de bewoners, had doorgegeven aan [betrokkene 5];
- —
met [betrokkene 3] en [betrokkene 7] naar [c-plaats] was gereden en had laten zien waar het betreffende huis stond;
- —
tijdens de overval verdachte met [betrokkene 5] had gebeld;
- —
verdachte had gedeeld in de buit.
Op grond hiervan was het Hof van oordeel dat de verdachte als medepleger betrokken was geweest bij de overval. Anders dan het Hof aldus had geoordeeld, kon volgens Uw Raad uit de gebezigde bewijsmiddelen echter niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte ‘actief betrokken is geweest bij het plannen en uitvoeren van de tenlastegelegde overval’ en ‘dusdanig betrokken is geweest bij zowel de planning als de uitvoering van het tenlastegelegde dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering’, nu het Hof ten aanzien van die actieve betrokkenheid bij die uitvoering niet méér had vastgesteld dan dat de verdachte tijdens de overval met [betrokkene 5] had gebeld.
29.
Telefonisch contact met de pleger kan wel medeplegen opleveren wanneer de verdachte instructies aan de pleger geeft tijdens het uitvoeren van het feit (zie randnummer 6.6 van de conclusie van Spronken vóór HR 5 april 2016, NJ 2016/411, met verwijzing naar HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1761). Daarvan lijkt in het onderhavige geval evenwel geen sprake te zijn. Het Hof heeft immers niet vast kunnen stellen wat requirant enige tijd vóór de moord op zijn telefoon tikte, laat staan dat vastgesteld is kunnen worden dat hij toen of tijdens de daadwerkelijke uitvoering van de moord aan (een van) de medeverdachte(n) relevante informatie over de te plegen aanslag heeft verschaft. Van een gezamenlijke uitvoering blijkt derhalve niet (zonder meer) uit de gebezigde bewijsvoering, zodat het bestreden arrest reeds om die onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd is.
Bijdrage van voldoende gewicht?
30.
Ook voor het overige — de vaststelling van een gezamenlijke uitvoering weggedacht — is het oordeel van het Hof dat sprake is van medeplegen echter onbegrijpelijk.
31.
Daarbij stellen wij voorop te onderkennen dat lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling aan het aannemen van medeplegen niet noodzakelijkerwijs in de weg hoeft te staan.25. Het gaat dan — in de woorden van Hofstee — ‘om situaties waarbij de verdachte weliswaar niet deelneemt aan de daadwerkelijke uitvoering van het delict, maar wel een sturende of leidende rol heeft in de voorbereiding en de uitvoering ervan, daartoe het initiatief neemt of kennelijk het ‘brein’ is achter de feiten’?26.
32.
Dat requirant zo een sturende of leidende rol heeft in de voorbereiding heeft gehad, daartoe het initiatief heeft genomen of het kennelijke ‘brein’ is achter de feiten, heeft het Hof niet vastgesteld. De handelingen die het Hof requirant in dit kader toeschrijft, zijn slechts het op 11 december 2019 aanbrengen en op 12 december 2019 (voorafgaand aan de moord) verwijderen van een peilbaken onder de auto van het slachtoffer. Deze handelingen zijn volgens het Hof ‘dermate essentieel en zitten zowel wat betreft tijd als plaats zo dicht op de handelingen van de feitelijke uitvoerders’, dat naar het oordeel van het Hof (toch) sprake is van medeplegen.
33.
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dat oordeel om meerdere redenen echter niet begrijpelijk.
34.
Ten eerste ziet Hof kennelijk over het hoofd dat het verschaffen van inlichtingen — zoals over de locatie van een slachtoffer door plaatsing van een peilbaken — een gedraging oplevert die in de regel met medeplichtigheid in verband pleegt te worden gebracht. Medeplichtigheid onderscheidt zich van het medeplegen in die zin dat bij medeplichtigheid sprake is van hulp bij het plegen van een misdrijf en de medeplichtige niet — zoals de medepleger dat wel heeft — een min of meer gelijkwaardige positie bij het plegen van een misdrijf heeft. Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf. Zo een medeplichtigheidsdaad kan onder omstandigheden tot medeplegen worden ‘opgewaardeerd’, maar dat behoeft dan wel een nauwkeurige motivering.
35.
Vellinga noemt in dat verband bijvoorbeeld de situatie dat de verdachte bij het maken van de plannen tot het plegen van het misdrijf betrokken is geweest en hem louter uit een oogpunt van goede taakverdeling het faciliteren van de mogelijkheid om te vluchten is toegedacht dan wel anderszins uit de feiten kan worden opgemaakt dat hij een rol heeft gespeeld gelijkwaardig aan die van zijn mededaders, zoals bijvoorbeeld kan blijken uit verdeling van de buit tussen de verdachte en de mededaders in gelijke parten.27. Feitelijk is dan sprake geweest van vergelijkbare, inwisselbare rollen van de verdachten en is het om het even wie de uitvoerder wordt en wie hem daarbij faciliteert. De verdachten handelen volgens een vooringenomen plan, ter verwezenlijking van het gezamenlijk doel van de gemeenschappelijke onderneming.28.
36.
In de onderhavige zaak heeft het Hof evenwel niets vastgesteld over de planvorming, laat staan dat is vastgesteld dat requirant bij het maken van die plannen betrokken is geweest. Zijn vastgestelde rol in de voorbereiding is en blijft aldus beperkt tot (een vorm van) het verschaffen van inlichtingen over de locatie van het slachtoffer door de plaatsing van een peilbaken. Niet gezegd kan worden dat deze faciliterende rol in de voorbereiding van een zodanig gewicht is geweest dat hiermee het ontbreken van een rol in de uitvoering wordt gecompenseerd. Het Hof overweegt weliswaar dat de bijdrage van requirant essentieel is geweest voor het uit te voeren delict, nu het voor het doden van een slachtoffer immers noodzakelijk is om te weten waar deze zich bevindt, maar dat gaat voor bijna iedere medeplichtigheidshandeling op. Een moordwapen, bijvoorbeeld, is ook heel essentieel voor een uit te voeren moord, doch (ook) de degene die dit wapen opzettelijk levert aan de uitvoerder transformeert niet zonder meer van medeplichtige tot medepleger. Dergelijke faciliterende gedragingen scheppen randvoorwaarden voor het uit te voeren misdrijf, maar daardoor is de kwalificatie medeplegen nog niet gerechtvaardigd.29. Het Hof heeft dat miskend.
37.
Voor zover het Hof requirant in dit verband niet alleen de plaatsing van het baken toedicht, maar tevens vaststelt dat hij ‘al dan niet via een derde in nauwe verbinding stond met de uitvoerders’, is dat (eveneens) onbegrijpelijk. Dat die uitvoerders in beweging kwamen zodra requirant het baken had verwijderd, zegt enkel dat de opdrachtgever (c.q. tussenpersoon) kennelijk op de hoogte is van de verwijdering van het baken en daarop de uitvoerders aanstuurt. Hoe daaruit enig (nauw) contact — middellijk of onmiddellijk — tussen requirant en die uitvoerders kan worden afgeleid, is ons niet duidelijk. Wij wijzen er in dat verband bovendien op dat de verdediging ook heeft aangevoerd dat requirant geen informatie met de opdrachtgever heeft gedeeld, doch slechts degene was die het baken telkens verwijderde, waarna dit baken door de opdrachtgever niet meer te benaderen was, nu requirant logischerwijs — om zelf niet te kunnen worden gevolgd — de simcard verwijderde.30. Met andere woorden: de opdrachtgever hoefde helemaal niet door requirant te worden ingelicht over de verwijdering van het baken om te weten wanneer dit verwijderd was en de uitvoerders aan de gang konden gaan.
38.
Verder is ook 's Hofs overweging dat de handelingen van requirant ‘zowel wat betreft tijd als plaats zo dicht op de handelingen van de feitelijke uitvoerders zitten dat sprake is van medeplegen’, onbegrijpelijk. Als het gaat om de voor het bewijs redengevende handeling — het plaatsen van het peilbaken — kan het Hof immers evident niet worden gevolgd in de opvatting dat deze ‘qua tijd en plaats’ dicht op de uitvoering zit. Het bewuste peilbaken is naar de vaststelling van het Hof immers een reeds een dag voor de moord onder de auto van het slachtoffer geplaatst, terwijl niet is vastgesteld dat requirant degene was die de gegevens van het baken uitlas en deze gegevens (kort vóór de moord) aan de uitvoerders heeft verstrekt. De hem wél verweten handeling — het ‘plakken’ van het baken — ligt aldus juist ver vóór de uitvoering van de moord.
39.
Dat ligt anders voor de verwijdering van het baken, maar die handeling — en dat is de volgende onbegrijpelijkheid — kan bezwaarlijk aan het bewijs van medeplegen bijdragen. Het Hof overweegt dat hiermee de weg voor de schutters vrij is gemaakt doordat de opsporing wordt bemoeilijkt. Dat laatste kan zo zijn, maar deze gedraging bevordert de uitvoering van het feit natuurlijk niet (ergo: maakt voor de schutters ‘de weg niet vrij’). Het schieten op het slachtoffer wordt hierdoor immers niet makkelijker. Deze gedraging — die overigens met artikel 189 Sr een eigen strafbaarstelling kent — had in wezen ook (kort) ná de uitvoering van de moord kunnen plaatshebben. Om handelingen na de voltooiing van een feit tot medeplegen te transformeren gelden echter nóg zwaardere motiveringseisen.
40.
Wij wijzen in dat verband op de casus in de zogeheten Rioolputmoord. Uw Raad vernietigde de veroordeling van een van de verdachten wegens medeplegen, omdat het Hof in de kern enkel had vastgesteld dat de verdachte een gesprek met het slachtoffer had aangeknoopt en hem had misleid over het doel van dat gesprek waartoe het slachtoffer naar een bepaalde plaats was gelokt, waardoor het voor de medeverdachte mogelijk was om het slachtoffer neer te schieten.31. A-G Harteveld meende in zijn voorafgaande conclusie echter dat het Hof de veroordeling wegens medeplegen voldoende had gemotiveerd. Hij wees er daarbij op dat het misleidende gesprek dat de verdachte met het slachtoffer voerde noodzakelijk was om de moord uiteindelijk te kunnen plegen. Aldus verstaan zou in de overwegingen van het Hof besloten liggen dat de gedragingen van de verdachte onderdeel uitmaakte van het vooringenomen moordplan, zodat vaststaat dat zij een wezenlijke bijdrage aan het delict heeft geleverd. Daarbij nam hij in aanmerking dat de verdachte wist van de hoed en de rand betreffende de verhoudingen en spanningen tussen de verschillende personen en de gemaakte plannen, alsook dat de verdachte na afloop van de moord had meegeholpen met het wissen van de sporen door het lijk van de plaats delict weg te voeren en dat zij zich op geen enkel moment van de gedragingen van de medeverdachten had gedistantieerd.32. Deze handelingen ná het strafbare feit achtte Uw Raad kennelijk evenwel niet voldoende zwaarwegend om aan te nemen dat er sprake was geweest van een bewuste en nauwe samenwerking. Dit dus ondanks het feit dat degene die de uitvoering van de moord opzettelijk faciliteerde, ook ná de moord nog inspanningen leverde om de opsporing ervan te bemoeilijken.
41.
In lijn met dit arrest menen wij dat aan de verwijdering van het baken — dat dus slechts de opsporing heeft bemoeilijkt en niet de uitvoering van het feit heeft bevordert — voor het bewijs van medeplegen geen redengevende betekenis kan worden toegekend, althans dat deze gedraging geen materiele bijdrage aan het delict geleverd die (gecombineerd met de plaatsing van het baken) van een zodanig gewicht is dat alsnog van medeplegen kan worden gesproken.
Conclusie
42.
Voor zover het Hof aldus bedoeld heeft te oordelen dat requirant, ondanks zijn lijfelijke afwezigheid tijdens de uitvoering, toch een zodanige bijdrage van gewicht aan de moord op [slachtoffer] heeft geleverd dat van medeplegen kan worden gesproken, is dat oordeel gezien het voorgaande onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt of zulke nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder schending van artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
doordat het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel het proces als geheel in overeenstemming is met de vereisten die daaraan door artikel 6 EVRM worden gesteld, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is,
nu aan de beraadslaging in raadkamer is deelgenomen door mw. A.E. Harteveld, forensisch adviseur bij het gerechtshof Amsterdam, zodat gelet op de kennelijke rol van zo een forensisch adviseur bij die beraadslaging:
- a)
het recht van requirant op tegenspraak en/of het recht op gelijke proceskansen is geschonden;
en/of
- b)
door het laten deelnemen van deze forensisch adviseur aan de beraadslaging de schijn is ontstaan dat requirant aan een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, zodat niet gezegd kan worden dat requirant is berecht door eenindependentofimpartial tribunal,
Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid en kan derhalve niet in stand blijven.
Toelichting:
Inleiding
43.
De laatste alinea van het bestreden arrest luidt als volgt:
‘Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk en A.E. Harteveld, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 februari 2024.’33.
44.
Ondergetekenden sloegen om twee redenen aan op de naam ‘A.E. Harteveld’ in deze passage. In de eerste plaats vanwege de gelijknamigheid van een Advocaat-Generaal bij het Parket bij Uw Raad. In de tweede plaats omdat deze griffier op geen enkele terechtzitting aanwezig was geweest,34. doch kennelijk wel bij de beraadslaging in raadkamer.
45.
Een zoekslag op internet wees vervolgens uit dat er een ‘Anne Harteveld’ als forensisch adviseur bij het Hof werkzaam is.35. Op 1 mei 2024 hebben wij via het portaal van de Hoge Raad de vraag gesteld of de in het arrest genoemde A.E. Harteveld deze adviseur betreft en of zij in die hoedanigheid betrokken is geweest bij de beraadslaging. De Griffier bij Uw Raad heeft ons voor de beantwoording van die vraag verwezen naar het Hof. Daarop hebben wij conform de als bijlage aan deze schriftuur gehechte mailwisseling contact met het Hof gehad. Onze vraag is bij mail van 15 mei 2024 van mr. L. van Dijk, gerechtsjurist — in wiens tegenwoordigheid het arrest eveneens gewezen is — als volgt beantwoord:
‘Het is juist dat mw. A.E. Harteveld, die als griffier beëdigd is, werkzaam is als forensisch medewerker bij het gerechtshof Amsterdam.’
46.
Aan deze schriftuur is ook al het voorafgaande mailcontact met het Hof gehecht. Aan de authenticiteit en integriteit van die stukken hoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld (vgl. conclusie A-G Aben vóór HR 16 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:592 (HR: verwijzing naar die conclusie A-G).
47.
Bij ons kwam vervolgens de vraag op hoe de (niet duidelijk kenbare) betrokkenheid van een forensisch adviseur bij de totstandkoming van een arrest zich verhoudt tot (met name) artikel 6 EVRM. Daarover gaat dit middel. Tot onze verbazing is er over deze kwestie — voor zover wij konden nagaan — nog geen jurisprudentie van Uw Raad.
48.
Wij vinden het belangrijk om op voorhand te vermelden dat dit middel zich niet in zijn algemeenheid richt op de praktijk dat (al dan niet juridisch) medewerkers in rechtbanken uiteenlopende administratieve, adviserende of voorbereidende rollen vervullen.36. Evenmin richt dit middel de pijlen op eventuele voorlichting van de zittingscombinatie door interne adviseurs voorafgaand aan de zitting. Dit middel richt zich zuiver op de (kennelijk) bestaande praktijk dat in de raadkamer, tussen de sluiting van het onderzoek en het wijzen van het vonnis/arrest, beraadslaagd wordt in aanwezigheid van en met ondersteuning door een persoon die in een adviserende rol nadere duiding geeft (of kan geven) aan de voorhanden bewijsmiddelen. Vanwege het feit dat deze persoon uitdrukkelijk een adviserende rol blijkt/schijnt te hebben, menen wij dat diens bijdrage van andere aard is dan de onderlinge, horizontale beraadslaging door rechters en hun griffier(s).37.
Forensisch medewerkers c.q. adviseurs
49.
De rol van forensische medewerkers c.q. adviseurs38. in dit verband — en de invulling van die rol — leiden wij met name af uit het volgende artikel: R. de Roo e.a., ‘Forensisch adviseurs actief bij alle gerechten in Nederland: tijd voor een terugblik,’ EeR 2021/6, p. 234–239. Dit artikel is geschreven door zeven (al dan niet gewezen) forensisch adviseurs.
50.
De auteurs omschrijven de rol van de forensisch adviseur aldus dat deze als generalist bij rechtbanken en gerechtshoven werkt, waar zij rechters en juridisch medewerkers in (complexe) strafzaken adviseert bij het begrijpen en logisch correct interpreteren van forensische rapporten. Hiervoor is een wetenschappelijke achtergrond (academische natuurwetenschappelijke bachelor met een master in de forensische wetenschappen) vereist.
51.
Die adviserende rol wordt vervuld in de voorbereiding van strafzaken, gedurende de looptijd van het onderzoek ter terechtzitting — bijvoorbeeld het helpen met formuleren van vragen aan (als zodanig opgeroepen) getuigen-deskundigen — maar ook (tijdens de beraadslaging) in raadkamer. Daar ‘adviseert [zij] desgevraagd op forensisch gebied.’39. Eveneens kan zij ‘meelezen en adviseren over de correcte formuleringen van de forensische aspecten in het vonnis of arrest?’40.
52.
Hoe ver dit advies kennelijk gaat (of kan gaan) blijkt uit de derde voorbeeldcasus die de auteurs in hun artikel schetsen:
‘voorbeeldcasus 3
In een zaak wordt op zitting door de officier van justitie gesteld dat er vanuit een bepaalde hoek en vanaf een bepaalde afstand met een vuurwapen is geschoten op het slachtoffer. Deze stelling wordt betwist door de verdediging. De forensisch adviseur doorzoekt het dossier op relevante forensische rapporten. De Forensische Opsporing van de politie heeft een verschoten huls en kogel aangetroffen op de plaats delict. Het NFI heeft onderzoek verricht naar de schootafstand op basis van het patroon van de schotrestdeeltjes op de kleding van de politie heeft een verschoten huls en kogel aangetroffen op de plaats delict. Het NFI heeft onderzoek verricht naar de schootafstand op basis van het patroon van de schotrestdeeltjes op de kleding van het slachtoffer. De forensisch adviseur verwijst de rechters naar deze stukken en adviseert hen in hoeverre deze bevindingen informatie geven over de betwiste stelling. Zij attendeert de rechters ook op de aannames die in de rapporten zijn gedaan, de bewijskracht van de conclusies en op eventueel gevaar voor denkfouten. De rechters bepalen uiteindelijk — door een combinatie van forensisch én overig bewijs — in hoeverre zij meegaan met de zienswijze van de officier’41.
53.
Wij begrijpen deze casus aldus dat de forensisch adviseur ná de inhoudelijke behandeling advies geeft aan de zittingscombinatie over de interpretatie van forensisch bewijs. Immers; het gaat hier niet om nader te verrichten onderzoek omdat de zaaksofficier wil weten óf er inderdaad is geschoten vanuit een bepaalde hoek, maar het gaat om de stelling dat het zo is. Die stelling wordt dan betwist door de verdediging, vermoedelijk bij pleidooi. De forensisch adviseur attendeert de rechters in raadkamer vervolgens op de aannames die in rapporten zijn gedaan, de bewijskracht van de conclusies en op eventueel gevaar voor denkfouten. De rechters bepalen uiteindelijk — door een combinatie van forensisch én overig bewijs — in hoeverre zij meegaan met de zienswijze van de officier.
54.
Deze casus wordt in genoemd artikel besproken onder de tussenkop ‘grenzen aan forensische advisering’ Deze subparagraaf wordt afgesloten met de volgende slotsom:
‘De grenzen aan forensische advisering zijn niet voor elk soort zaak en situatie concreet beschreven. Dat vraagt van zowel de forensisch adviseur als de rechters dat zij deze grens actief bewaken door middel van continue monitoring en regelmatige evaluaties. De ervaring in de praktijk leert dat deze grenzen goed herkenbaar zijn en dat daarbinnen voldoende ruimte is voor gepaste en doeltreffende ondersteuning.’42.
55.
Er zouden uiteraard geen ‘grenzen’ ‘bewaakt’ hoeven te worden als het zou gaan om advies voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling. Als de forensisch adviseur zou aangeven dat er een bepaalde dubieuze slotsom wordt getrokken in een proces-verbaal of deskundigenverslag, of dat bepaalde forensische onderzoeksresultaten op een bepaalde manier geïnterpreteerd dienen te worden, kan de rechter dit simpelweg aan de orde stellen tijdens de inhoudelijke behandeling, zodat ook de andere partijen zich daarover kunnen uitlaten.
56.
Deze — ons inziens: verstrekkende — rol van forensische adviseurs kunnen wij overigens uit weinig meer afleiden dan uit voornoemd artikel, waarin zij — in de kern genomen — hun eigen functie uitleggen. Die ‘functie’ wordt verder nog omschreven en besproken in een WODC-rapport over het College van Gerechtelijke Deskundigen43., maar slechts terloops. Uit dat rapport blijkt dat zij per gerecht anders gepositioneerd kunnen zijn. Hun rol wordt als ‘informerend’ geduid. Zij ‘helpen misverstanden voorkomen,’44. aldus het rapport.
57.
Uit dat rapport blijkt wel waarom het toch niet geheel verbazingwekkend is dat Uw Raad kennelijk nog niet eerder de kans heeft gehad om zich uit te laten over de rol en positie van forensisch medewerkers in het strafproces. Deze ‘functie’ is in 2012 ontstaan, als proef, maar uit het WODC-rapport, dat van 2020 dateert, blijkt dat overige procespartijen niet altijd van het bestaan ervan op de hoogte zijn. Wij citeren een door het WODC geïnterviewde officier van justitie (onze nadruk — NvS & HB):
‘De forensische medewerkers zijn een vreemde partij in het strafproces. Ik kwam bij toeval achter het bestaan van deze partij toen ik zag dat in een zaak opeens ambtshalve door de rechtbank een benoemingen [sic] van een deskundige had plaatsgevonden. Uit de toelichting op de benoeming bleek dat de rechtbank daarin door een forensische medewerker was geadviseerd. Nog afgezien van het feit dat die benoeming afgaat van de deskundige capaciteit van het OM is het raar dat een partij advies uitbrengt over deskundigen zonder dat het OM hiervan weet heeft. De officier van justitie mag niet zonder de verdediging daarbij te betrekken afstemmen met de rechter-commissaris over een benoeming. Een forensische medewerker mag dat kennelijk wel.’45.
Deelklacht A)
58.
Feitelijk in lijn met de hiervoor geciteerde bezwaren tegen het ‘interne gebruik’ van forensisch adviseurs door gerechten, is onze eerste deelklacht. Duidelijk is dat in de onderhavige zaak mw. A.E. Harteveld deelgenomen heeft aan, c.q. tegenwoordig is geweest bij, de beraadslaging in raadkamer in haar ‘hoedanigheid’ van forensisch medewerker. Immers is het arrest in haar tegenwoordigheid gewezen. Daarbij merken wij op dat ook de ‘echte’ zittingsgriffier46. bij het wijzen van het arrest en/of de beraadslaging in raadkamer tegenwoordig was. Er is geen reden om aan te nemen dat mw. A.E. Harteveld slechts als tweede griffier is ingevlogen voor het doen van zittingsaantekeningen en verder geen (adviserende) rol heeft vervuld.
59.
De praktijk van inzet van forensisch adviseur tijdens de beraadslaging is wat ons betreft in strijd met (onder meer) artikel 6 EVRM, waaronder het recht op tegenspraak en het recht op gelijke proceskansen. Wij lichten dat hierna verder toe door eerst de bezwaren tegen deze praktijk te bespreken zoals die uit de (beperkte) literatuur over dit onderwerp blijken.
Bezwaren vanuit de literatuur
60.
In het eerder al besproken artikel van De Roo e.a., onderkennen de auteurs dat er kritische geluiden opgaan over de positie die de forensische adviseur inneemt in het strafproces. Zij schrijven in dit verband:
‘Er worden in de literatuur ook kritische geluiden geuit over de positie die de forensische adviseur inneemt in het strafproces. De forensisch adviseur wordt door sommigen bijvoorbeeld ervaren als een ‘vreemde partij’ zonder formele rol in het strafproces, die de forensische deskundigheid van het Openbaar Ministerie tekortdoet. Daarnaast merken wij in de praktijk dat niet alle procesdeelnemers (volledig) bekend zijn met de rol van de forensisch adviseur binnen het strafproces.
De forensisch adviseur is intern werkzaam bij de Rechtspraak en is in die zin dan ook geen formele partij binnen het strafproces. Zij is, net als de juridisch medewerker, een onderdeel van de zittingscombinatie. Aan haar (adviserende) rol zitten heldere grenzen die zowel door haar als door de rechters bewaakt worden. Zij levert geen adviezen waarvoor deskundigenkennis of een juridisch oordeel is vereist. Haar adviezen zijn dan ook grotendeels signalerend (bijvoorbeeld: ‘let op: hier een risico op een logische denkfout’) of faciliterend (bijvoorbeeld: ‘een deskundige zou dit kunnen ophelderen’) van aard. Met haar adviezen streeft de forensisch adviseur ernaar dat de forensische wetenschap ten volste kan worden benut ten behoeve van het strafproces.
Een ander kritische geluid richt zich op het gegeven dat de adviezen van de forensisch adviseur niet toegankelijk zijn voor de overige partijen en geen onderdeel zijn van het dossier. Er wordt gesteld dat de forensische adviezen in een specifieke zaak voor de procespartijen controleerbaar moeten zijn, waarbij onder andere kan worden getoetst of de verstrekte informatie juist is en of de forensisch adviseur niet op de stoel van de rechter is gaan zitten. In de literatuur wordt gesteld dat de rechter de overtuiging bekomt mede door het stuk van de forensisch adviseur en dat dit daarmee een processtuk is. Verder wordt naar voren gebracht dat de informatie van de forensisch adviseur verschilt van de informatie van de juridisch medewerker. De analyse van de juridisch medewerker werpt namelijk geen nieuw licht op de zaak, terwijl de analyse van de forensisch adviseur dat wel kan doen.
Wij zien het (voor de Rechtspraak) interne karakter van onze adviezen niet als problematisch en ervaren dat het binnen de Rechtspraak ook niet als dusdanig wordt gezien. De forensisch adviseur voegt geen nieuwe informatie toe aan het dossier. Zij waarborgt enkel dat de rechter de bestaande informatie compleet en (logisch) correct interpreteert, al dan niet met behulp van openbare bronnen zoals vakbijlagen en/of andere openbare publicaties en literatuur. Hiernaast zorgt zij ervoor dat de rechter de kennis beschikbaar heeft om deze inbrengt zelf te interpreteren, of zo nodig de weg weet te vinden naar een forensisch deskundige. Zij doet, met andere woorden, niets anders dan het verduidelijken van de al aanwezige forensische informatie voor de rechter. Wij zien hierin een parallel met de juridisch medewerker, die de juridische informatie in een dossier verduidelijkt voor de rechter en ook regelmatig inhoudelijk advies biedt. Vergelijkbaar met deze juridische voorbereiding en adviezen, kunnen ook de forensische adviezen buiten het strafdossier plaatsvinden.’47.
61.
Uit het voorgaande blijkt dat de forensische adviseurs zelf — ‘wij van WC-eend’ — van mening zijn dat de ‘heldere’ grenzen goed bewaakt worden. Wie die grenzen heeft vastgesteld — en waar die exact liggen — is ons echter niet duidelijk geworden. Het is in ieder geval niet de/een formele regelgever geweest en deze grenzen zijn, voor zover wij kunnen vaststellen, dan ook niet krachtens recht in de zin van artikel 79 RO vastgesteld.
62.
Wanneer de schrijvers van dit artikel het hebben over de ‘kritische literatuur’, hebben zij het oog op welbeschouwd één — blogachtig — artikel van Rolf Hoving, ten tijde van het schrijven promovendus aan de RUG, dat is gepubliceerd op de thans niet meer bestaande website ivorentoga.nl.48. Het relevante punt dat hij hierin maakt is het volgende:49.
‘Omdat de informatie en adviezen van een forensisch medewerker van belang zijn voor de bewijsbeslissing, moeten de officier van justitie en de verdediging toegang hebben tot deze informatie. Zowel officier van justitie als de verdediging moeten de gelegenheid krijgen om te reageren op hetgeen de forensisch medewerker zegt. Voor de verdediging valt dit onder het recht op tegenspraak, zoals dat is erkend door het EHRM. Het recht op tegenspraak ‘means in principle the opportunity for parties to a civil or criminal trial to have knowledge of and comment on all evidence adduced or observations filed with a view to influencing the Court's decision’.’50.
Hoedanigheid forensisch adviseur
63.
Wij sluiten ons dus aan bij deze visie. Of deze deelklacht terecht wordt voorgesteld — ergo: of binnen de beschreven praktijk sprake is van een schending van het recht op tegenspraak — zal met name af van de duiding van de hoedanigheid waarin de ‘functionaris’ in kwestie optreedt.
64.
Wij stellen ons op het standpunt dat door forensisch medewerkers in raadkamer verschafte informatie en/of hun duiding van de beschikbare bewijsmiddelen, begrepen moet(en) worden als ‘evidence adduced or observations filed with a view to influencing the Court's decisions.’ Dat brengt met zich mee dat zo een forensisch medewerker een expert witness is in de autonome betekenis die het EHRM aan de term ‘witness’ in het verdrag geeft.
65.
Puur formalistisch gezien is de forensisch medewerker kennelijk (ook) als griffier beëdigd. Uit het voornoemde artikel van de forensisch medewerkers blijkt ook waarom:
‘De forensisch adviseur […] controleert als tweede griffier of de antwoorden correct worden weergegeven in het proces-verbaal […].’
De forensisch medewerker kan bezwaarlijk controleren of antwoorden correct worden weergegeven als zij die antwoorden niet aanhoort ter terechtzitting.
66.
Opnieuw puur formalistisch zou dan ook gezegd kunnen worden dat er slechts door een extra griffier mee wordt gedaan aan de beraadslaging en dat dit standaardpraktijk is. Evenwel menen wij dat over dat formalistische punt heengestapt moet worden. De vraag die beantwoord moet worden is of deze persoon een deskundige (c.q. (expert) witness) is in de zin van artikel 6 EVRM. De nationaalrechtelijke duiding van deze persoon kan daaraan niet in de weg staan. Immers (onze onderstreping):
‘The Court reiterates that the term ‘witness’ has an ‘autonomous’ meaning in the Convention system. Thus, where a deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction, then, irrespective of whether it was made by a witness in the strict sense or by a co-accused, it constitutes evidence for the prosecution to which the guarantees provided by Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention apply (see Lucà, cited above, § 41, and Rudnichenko v. Ukraine, no. 2775/07, § 102, 11 July 2013)’51.
67.
De autonome benadering van getuigen in de rechtspraak van het EHRM staat er dan ook aan in de weg dat Uw Raad er hier (slechts) op wijst dat A.E. Harteveld als griffier betrokken is geweest bij de beraadslaging. Daarbij merken wij ook op dat deze kwestie pas eerst in cassatie aan de orde gesteld kon worden.52.
68.
De forensisch adviseurs maken in hun artikel zelf de gelijkschakeling (c.q. ‘zien een parallel’) met de aan het gerecht verbonden juridisch medewerker. Wij herhalen:
‘Zij doet, met andere woorden, niets anders dan het verduidelijken van de al aanwezige forensische informatie voor de rechter. Wij zien hierin een parallel met de juridisch medewerker, die de juridische informatie in een dossier verduidelijkt voor de rechter en ook regelmatig inhoudelijk advies biedt. Vergelijkbaar met deze juridische voorbereiding en adviezen, kunnen ook de forensische adviezen buiten het strafdossier plaatsvinden.’53.
69.
Indien forensisch adviseurs materieel gelijk te schakelen zijn met de juridisch medewerker c.q. ‘gewone’ griffier, zou er natuurlijk geen probleem zijn. Wij menen echter dat deze redenering niet opgaat.
70.
De functie van de rechter is — uiteraard — het plegen van rechtspraak. De rechter heeft daarin — indien hij dat wil — ondersteuning in de vorm van zijn juridisch medewerker c.q. gerechtsjurist. Deze kan het dossier voor de rechter voorbereiden, de knelpunten aanwijzen, eventueel te verwachten verweren voorbereiden en/of daar (juridisch) onderzoek naar verrichten.54. Mogelijk speelt de gerechtsjurist soms een doorslaggevende rol wanneer de rechters er bij de beraadslaging in een meervoudige kamer onderling niet uitkomen. De positie van deze gerechtsjurist blijft echter altijd ondergeschikt en die ondergeschiktheid kenmerkt zich doordat de gerechtsjurist, grosso modo, dezelfde opleidingsachtergrond heeft — een studie in de rechten — maar een formeel lagere functie heeft, zonder (uiteindelijke) beslisverantwoordelijkheid.
71.
Hiermee wil gezegd zijn dat de rechters de input van de gerechtsjurist kunnen vragen en ongetwijfeld waarderen, maar dat de gerechtsjurist nooit op een hoger niveau meepraat dan de rechter(s) zelf. De rechters staat het steeds vrij om de opinie van de juridisch medewerker naast zich neer te leggen. Het is immers des rechters om recht te spreken door vonnissen of arresten te schrijven en beslissingen op onderzoekswensen, etc., te nemen. Deze verhouding gaat niet zo op met de forensisch adviseur. Wij herhalen:
‘Zij attendeert de rechters ook op de aannames die in de rapporten zijn gedaan, de bewijskracht van de conclusies en op eventueel gevaar voor denkfouten. De rechters bepalen uiteindelijk — door een combinatie van forensisch én overig bewijs — in hoeverre zij meegaan met de zienswijze van de officier’55.
72.
De forensisch adviseur attendeert rechters op bewijskracht. Met andere woorden: zij duidt het bewijs. In haar hoedanigheid als forensisch adviseur komt zij daarin niet een ondergeschikte positie toe. Weliswaar is zij institutioneel ondergeschikt — zij is immers formeel gezien een griffier en heeft geen beslisbevoegdheid — maar haar input wordt niet gevraagd om te sparren of impasses te doorbreken, maar op een punt waar de rechter het zelf niet (goed) weet. Hoewel de rechter uiteindelijk het laatste woord heeft, is het veel minder goed denkbaar dat de rechter zal zeggen dat de input van de forensisch adviseur over, laten we zeggen, de betekenis van complex DNA-bewijs in een specifieke casus fout is, of dat hij het met die input oneens is. Het is nu immers juist de rechter die deze forensisch adviseur erbij roept omdat deze rechter daar kennelijk vragen over heeft. Of het gerecht als zodanig dat de rechters laat controleren op ‘forensische’ denkfouten. Het gaat om advies vanuit een andere discipline.
73.
Dit laat een fundamenteel onderscheid zien tussen de situatie waarin een gerechtsjurist in raadkamer bijvoorbeeld betoogt dat het voorwaardelijke verzoek om een belastende getuige in dit geval toch afgewezen kan worden omdat er voldoende compenserende maatregelen zijn geweest — een ‘gemengd’ oordeel, waar de rechter zelf de nodige expertise in heeft en zelf zijn beslissing ook zonder advies over kan nemen — en de situatie anderzijds waarin de forensisch medewerker bijvoorbeeld zou beweren dat een bepaalde kansberekening door de raadsman aan de hand van DNA-bewijs onjuist is. De autoriteit van die stelling van die forensisch medewerker vloeit voort uit diens professionele (forensische) expertise en de achtergrond van die medewerker. Dat de rechter hier langsheen zal stappen ligt ons inziens niet erg voor de hand. Het is immers juist in complexe strafzaken dat de expertise van forensisch medewerkers hiervoor wordt ingeroepen.56.
74.
De strijd van deze praktijk met artikel 6 EVRM volgt ons inziens ook uit EHRM 7 juni 2001, appl. no. 39594/98, ECLI:CE:ECHR:2001:0607JUD003959498 (Kress t. Frankrijk). Het EHRM overweegt:
- ‘82.
Since the Delcourt judgment the Court has noted on numerous occassions that while the independence and impartiality of the Advocate-General or similar officer at certain supreme courts were not open to criticism, the public's increased sensitivity tot he fair administration of justice justitified the growing importance attached to appearances (See the Borgers judgment cited above, 24).
It is for that reason that the Court has held that regardless of the acknowledged objectivity of the Advocate-General or his equivalent, that officer, in recommending that an appeal on points of law should be allowed or dismissed, became objectively speaking the ally or opponent of one of the parties and that his presence at teh deliberations afforded him, if only to outward appearances, an additional opportunity to bolster his submissions in private, without fear of contradiction (see the Borgers, Vermeluen en Lobo Machado judgments cited above, 26, 34 and 32 respectively)’
75.
De duiding die de forensisch adviseur in raadkamer geeft, kan leiden tot de conclusie dat hij ‘objectively speaking’ de ‘opponent’ van requirant werd. Zijn formele neutraliteit, waar immers ook bij de commissaire du gouvernement — en ook bij het door het EHRM in bovenstaande uitspraak aangehaalde Borgers-arrest — sprake van was, ten spijt. Het voorgaande geldt te meer in een inquisitoir strafproces. Een inquisitoir strafproces kenmerkt zich immers door onderzoek van de rechtbank ‘tegen’ de verdachte.
76.
In het verlengde hiervan wijzen wij erop dat Uw Raad in het arrest HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2397 (wraking gehele Strafkamer Hoge Raad) aanleiding zag te verduidelijken dat de zogenaamde ‘reservisten’ bij de Hoge Raad tijdens de beraadslaging slechts rechtskundige inbreng leveren, dat zij de hoedanigheid van raadsheer bezitten en dat hun ‘deelname’ bovendien noodzakelijk is in het licht van de op Uw Raad rustende rechtsplicht tot consistentie van cassatierechtspraak.57. Uw Raad wees precies deze omstandigheden aan als het verschil tussen de situatie van deelname door reservisten enerzijds en de situatie in EHRM Kress t. Frankrijk anderzijds. Volgens Uw Raad dient Kress t. Frankrijk in de sleutel van equality of arms geplaatst te worden.
77.
Forensisch medewerkers zijn echter noch beperkt tot rechtskundige inbreng, noch noodzakelijk vanwege een op de rechtbank of gerechtshof rustende rechtsplicht. De rechtsplicht tot het (laten) doen van volledig forensisch onderzoek kan de feitenrechter immers heel goed effectueren middels het aanwijzen van deskundigen via de daartoe door de wetgever aangereikte route.
78.
Aan het een en ander kan niet afdoen dat de forensisch medewerker ‘slechts’ het forensische bewijs ‘duidt’ en het eindoordeel aan de rechter laat. Dit forensisch advies kan immers decisive zijn in de zin van artikel 6, derde lid onder d EVRM (zoals het EHRM bedoelt in o.a. EHRM Schatschaschwili t. Duitsland). Voorts; een fundamenteel onderscheid tussen het ‘duiden’ van beschikbare informatie en het voorzien in informatie, zien wij niet. Informatie bestaat niet in een vacuüm. Iets is pas ‘informatie’ te noemen beschouwd in het licht van waartoe het dient, i.e., in zijn context. Het ‘duiden’ van informatie is het vormgeven van gegevens met het oog op een bepaald doel. Als informatie (zoals bewijsmateriaal) door de inbreng van een forensisch medewerker informatie in het licht van het doel — waarheidsvinding — van kleur verschiet, heeft deze forensisch medewerker een materiële invloed op de inhoud van het dossier. Ook is denkbaar dat de rechter die twijfelt aan de respons op een DNA-gevoerd verweer normaal gesproken via de wettelijke route het onderzoek zou heropenen en een DNA-deskundige zou oproepen, maar daar nu van afziet omdat hij het ook gewoon even aan zijn forensisch medewerker kan vragen.
79.
Dat in cassatie niet kan blijken welke inbreng de forensisch medewerker hier precies heeft geleverd, kan requirant bij dit middel niet worden tegengeworpen. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt immers dat gelet op het geheim van de raadkamer, dat er aan in de weg staat om te controleren óf een potentieel suspecte rechter inbreng heeft geleverd in een zaak, niet aan een verdachte kan worden tegengeworpen dat de suspecte rechter misschien wel geen (doorslaggevende) of een beperkte rol heeft gespeeld.58. Wij zien geen reden waarom aan requirant de onzekerheid over de concrete inbreng van forensisch adviseur in kwestie hier wél tegengeworpen kan worden.
Slotsom deelklacht a)
80.
Gelet op het getuigt het in de bewezenverklaring besloten liggende oordeel dat het proces als geheel in overeenstemming is met de vereisten die daaraan door artikel 6 EVRM worden gesteld van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk. Het bestreden arrest kan hierdoor niet in stand blijven.
Deelklacht b)
81.
Voor zover Uw Raad van oordeel is dat de werkwijze rond forensisch medewerkers op zichzelf wel toelaatbaar is, of het voorgaande om andere redenen niet tot cassatie kan leiden, stellen wij ons verder nog op het standpunt dat het Hof in ieder geval de schijn heeft doen ontstaan dat requirant niet een eerlijke behandeling van zijn zaak heeft gehad c.q. dat er (daardoor) geen sprake was van een impartial and/or independent tribunal in de zin van artikel 6 EVRM. Dat berust — kort gezegd — op de opvatting dat het Hof, door in het arrest niet weer te geven wat voor invloed de forensisch medewerker heeft gehad op de uitkomst van de zaak, ernstig de schijn wekt dat deze betrokkene mogelijk ontoelaatbare invloed heeft gehad op de uitkomst van de zaak. De — objectief gerechtvaardigde — schijn van dependence kan evenzeer als de schijn van partiality leiden tot de conclusie dat artikel 6 EVRM geschonden is.59.
Independent Tribunal
82.
Onafhankelijkheid bestaat, in de rechtspraak van het EHRM, met name uit onafhankelijkheid van executieve en wetgevende staatsmachten.60. Evenwel ziet het, aldus de Procureur-Generaal bij Uw Parket, ook op beïnvloeding binnen het gerecht, gelet op de relatie tussen rechters onderling of hun relatie met het gerechtsbestuur.61. De Procureur-Generaal verwijst daarbij naar de uitspraak van het EHRM van 22 december 2009, appl. no. 24810/06, Parlov-Tkalcic t. Kroatië, waarin het Europees Hof diep in gaat op de interne onafhankelijkheid binnen een gerecht. In EHRM (Grote Kamer) 1 december 2020, appl. no. 26374/18, Gudmundur Andri Astradsson t. Ijsland, par. 226, laat het Europees
Hof het bij de opmerking dat niet ‘uitgesloten’ kan worden dat ‘such unlawful interference may also emanate […] from within the judiciary itself.’ Het voorziet dit niet van nadere overwegingen, zodat verondersteld worden dat het EHRM in Parlov-Tkalcic t. Kroatië geen uitputtende beschrijving van ontoelaatbare interne afhankelijkheid heeft geschetst.
83.
Met betrekking tot de samenhang van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en het ingesteld zijn bij wet, overweegt het EHRM als volgt:
- ‘234.
The Court takes the view, against this background, that the examination under the ‘tribunal established by law’ requirement must not lose sight of this common purpose and must systematically enquire whether the alleged irregularity in a given case was of such gravity as to undermine the above-mentioned fundamental principles and to compromise the independence of the court in question. ‘Independence’ refers, in this connection, to the necessary personal and institutional independence that is required for impartial decision-making, and it is thus a prerequisite for impartiality. It characterises both (i) a state of mind, which denotes a judge's imperviousness to external pressure as a matter of moral integrity and (ii) a set of institutional and operational arrangements — involving both a procedure by which judges can be appointed in a manner that ensures their independence and selection criteria based on merit — which must provide safeguards against undue influence and/or unfettered discretion of the other State powers, both at the initial stage of the appointment of a judge and during the exercise of his or her duties (see, mutatis mutandis, Khrykin v. Russia, no. 33186108, §§ 28–30, 19 April 2011).’
84.
Onze stelling is niet dat er in casu sprake is van een tribunal not established by law,62. maar wel dat de ‘set of institutional and operational arrangements’ (of Never, het gebrek daaraan) in casu niet voldoende ‘safeguards against undue influence’ biedt, ‘during the exercise of [the judges] duty’, althans de objectieve schijn geeft dat er undue influence is. Het gebrek aan institutionele waarborgen schuilt dan niet in de waarborgen met betrekking tot externe factoren, maar interne factoren. Het is niet duidelijk welke grenzen er gesteld worden aan de inbreng van de gewraakte ‘functionaris’ in kwestie.
85.
Een gebrek aan kenbare regelgeving omtrent de toedeling van rechters over bij het gerecht binnenkomende zaken is reeds in zichzelf problematisch in het licht van artikel 6 EVRM. Dit moet naar objectieve criteria beslist kunnen worden. Een gebrek daaraan levert de schijn op dat misbruik gemaakt zou kunnen worden van de discretionaire bevoegdheid in voorkomende gevallen.63. Indien een ‘forensisch adviseur’ als vaste functionaris met bestaansrecht beschouwd kan worden — en de titel 'griffier’ mag dragen — moet verondersteld worden dat het niet minder geldt dat voor de verdachte helder moet zijn of en, zo ja, wanneer zo een functionaris een rol zou kunnen spelen bij zijn vonnis/arrest en daarop invloed zou kunnen hebben. Op dit moment is immers niet helder of de zittingscombinatie er zelf voor gekozen heeft om een — ontoelaatbare — interne (informele) autoriteit (op forensisch gebied) de raadkamer in uit te nodigen, of dat — bijvoorbeeld — het gerechtsbestuur beslist heeft dat de complexiteit of gevoeligheid van deze zaak daartoe noopt.64.
86.
Voor zover EHRM Kress t. Frankrijk, voornoemd, niet begrepen moet worden in de sleutel van de equality of arms, moet die uitspraak zeker wel begrepen worden in het kader van de schijn van partijdigheid. Hetgeen onder deelklacht a) is uitgewerkt over Kress t. Frankrijk is mutatis mutandis van toepassing op de schijn van partijdigheid en/of afhankelijkheid. De deelname in raadkamer van derde partijen leidt op zijn minst genomen tot de indruk dat een opponent van requirant deel heeft genomen aan de beraadslaging, hetgeen de indruk van afhankelijkheid en/of partijdigheid wekt.
Slotsom deelklacht b)
87.
Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd worden dat de bewezenverklaring in de onderhavige zaak in strijd komt met de eisen die artikel 6 EVRM aan (de interne regels van) dat Hof stelt. De bewezenverklaring is gedaan door een gerecht dat tijdens de beraadslaging daarover de ernstige schijn van partijdigheid en/of afhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM heeft gewekt. Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
Opmerking positionering middel
88.
Wij hebben dit middel bewust als laatste geformuleerd. Dat is qua volgorde, gelet op de aard van het middel, wellicht niet helemaal juist. Niettemin hebben wij hiervoor gekozen, omdat — mocht dit middel terecht voorgesteld zijn — een inhoudelijk oordeel over de bewijsklachten voor requirant zinvoller is dan vernietiging op basis van (enkel) dit middel. Wij verzoeken Uw Raad daarom in de voorgestane volgorde op de middelen te beslissen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. N. van Schaik & H. Brentjes, advocaten te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 13 juni 2024
N. van Schaik
H. Brentjes
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑06‑2024
Vonnis rechtbank, p. 4.
Arrest Hof, p. 21.
Arrest Hof, p. 4–21.
Pleitnota hoger beroep, p. 4.
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, d.d. 15, 18 en 19 januari 2024 en 15 februari 2024, p. 28.
Arrest Hof, p. 21.
Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2021:BP0291.
HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, r.o. 2.4.
HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6374; HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1125.
HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:746 (81.1 RO). Dit arrest ziet op de vraag of een PIN van een Blackberry een uniek nummer is. De A-G is vrij stevig in zijn verwijt aan de steller van het middel, in die zin dat hij de verdachte ‘adviseert’ om eens een zoekmachine op het internet te gebruiken.
HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6787. Zij opgemerkt dat Uw Raad in dit arrest nog overwoog dat de verdachte niet had aangevoerd niet op de hoogte te zijn van de effecten van bepaalde middelen op de rijvaardig.
HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:20112:BU2868 (van algemene bekendheid is dat Louis Vuitton, Prada, Dior (dure) kledingmerken betreffen).
HR 27 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4047.
HR 25 januari 2022, ECLI:NLHR:2022:44.
HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6555.
HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:916.
HR 15 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8229.
HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6555.
Telefonische navraag bij het Hof leerde ons dat dit arrest onherroepelijk is.
Arrest Hof, p. 19–21.
Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858.
Vgl. HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, r.o. 3.2.2.-4.
Arrest Hof, p. 21.
Arrest Hof, p. 21.
Zie het Containerarrest, HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983 m.nt Van Veen en HR 15 april 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC4107
Zie randnummer 4.14 van zijn conclusie voorafgaand aan 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 (ECLI:NL:PHR:2016:233)
Zie conclusie vóór HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 (ECLI:NL:PHR:2014:480, randnummer 12).
Vergelijk HR 20 september 2016, NJ 2016/420, m.nt. Rozemond.
In NJ 2016/415 had de verdachte, een werkneemster van een filiaal van het reisbureau D-reizen, aan de medeverdachten informatie verstrekt over de beveiliging van het reisbureau en over de plaats van de sleutels van de kluis. Ook had ze foto's van het reisbureau aan de medeverdachten verzonden. Deze gedragingen zijn aan te duiden als medeplichtigheidsgedragingen (het verschaffen van inlichtingen). Daarvoor heeft zij € 1700 ontvangen (de buit bedroeg € 9500). Volgens Uw Raad had het Hof op ontoereikende wijze gemotiveerd dat hier sprake was van medeplegen. Dat de verdachte met haar bijdrage de randvoorwaarden had geschapen voor de inbraak, maakt dat niet anders, nu ook medeplichtigheid kan bestaan uit het verrichten van handelingen die dergelijke randvoorwaarden scheppen.
Pleitnota hoger beroep, p. 16.
HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886.
Zie randnummer 7.5 van de conclusie voorafgaand aan genoemd arrest (ECLI:NL:PHR:2015:1263).
Arrest Hof, p. 32.
Hetgeen blijkens het door het Hof op 8 mei 2024 opgemaakte aanvullende proces-verbaal thans voor onjuist gehouden moet worden.
Er bestond een Linkedin-profiel met deze naam. Inmiddels is de achternaam op dat profiel afgekort tot ‘H.’ (Zie: https://www.linkedin.com/in/anne-harteveld).
Vgl. in dat kader, N.L. Holvast, ‘De betrokkenheid van juridisch medewerkers in de strafrechtspraak: administratieve ondersteuners of invloedrijke adviseurs?’, TPWS 2018/39.
‘Griffier’ hier in de klassieke zin des woords begrepen.
Hierna kortheidshalve forensisch medewerker of forensisch adviseur genoemd.
R. de Roo e.a., ‘Forensisch adviseurs actief bij alle gerechten in Nederland: tijd voor een terugblik,’ EeR 2021/6, p. 235.
Ibid, p. 235.
Ibid, p. 236.
Ibid, p. 236.
O. Nauta, M. Abraham & N. Piepers, Evaluatie College gerechtelijk deskundigen, DSP-groep 2020.
Ibid, p. 51. e.v.
Zie: Ibid, p. 52.
Althans, één van de twee griffiers die meermaals als zodanig optreden hebben.
R. de Roo e.a., ‘Forensisch adviseurs actief bij alle gerechten in Nederland: tijd voor een terugblik,’ EeR 2021/6, p. 237–238.
R. Hoving, ‘Forensische ondersteuning strafrechters is niet vanzelfsprekend,’ ivorentoga.nl, 30 juni 2015. Het artikel is nog raad te plegen via bijvoorbeeld de volgende URL: https://web.archive.org/web/20210413015503/http://ivorentoga.nl/archieven/3759
De door Hoving aangehaalde arresten van het EHRM zijn: Ruiz-Mateos t. Spanje, EHRM 23 juni 1993, appl.no. 129952/87, par. 63; Mantovanelli t. Frankrijk, EHRM, 18 maart 1997, NJ 1998, 278, m. nt. Snijders, par. 33
R. Hoving, ‘Forensische ondersteuning strafrechters is niet vanzelfsprekend,’ ivorentoga.nl, 30 juni 2015.
EHRM 17 oktober 2019, appl, nos. 26581/17 en 31024/17 (Oddone & Pecci v. San Marino), par. 93.
Nu immers pas bij eindarrest zichtbaar werd dat er een forensisch medewerker betrokken was bij de totstandkoming van dat arrest.
R. de Roo e.a., ‘Forensisch adviseurs actief bij alle gerechten in Nederland: tijd voor een terugblik,’ EeR 2021/6, p. 238.
Althans, het is algemeen bekend onder togadragers dat dit de feitelijke praktijk is.
Ibid, p. 236.
R. de Roo e.a., ‘Forensisch adviseurs actief bij alle gerechten in Nederland: tijd voor een terugblik,’ EeR 2021/6, p. 235.
HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2397 (wraking gehele Strafkamer Hoge Raad), r.o. 2.3.1.
Vgl. EHRM (GK) 23 april 2015, appl. no. 29369/10 (Morice t. Frankrijk), par. 89.
Vgl. EHRM 25 september 2001, appl. no. 29279/95 (Sahiner t. Turkije), par. 58. Hoewel wij ons niet expliciet op het standpunt stellen dat het gerechtshof in deze kwestie niet onafhankelijk was, zou die slotsom, indien gerechtvaardigd, in casu natuurlijk wel leiden tot de a fortiori conclusie dat de schijn daarvan ook gewekt is en daarmee artikel 6 EVRM geschonden is.
Vgl. conclusie PG vóór HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438 (ECLI:NL:PHR:2022:819), par. 9.3.
Ibid.
Deze stelling nemen wij als zodanig niet in, omdat het arrest formeel gezien enkel gewezen is door de raadsheren, slechts ‘in tegenwoordigheid’ van A.E. Harteveld.
Vgl. EHRM 12 januari 2016, appl. no. 57774/13 (Miracle Europe KFT t. Hongarije) par. 58.
Een zoekslag op rechtspraak.nl leert dat A.E. Harteveld — als het om gepubliceerde zaken gaat — enkel in onderzoek Barago aan de beraadslaging heeft deelgenomen (3 hits in deze zaak). Andere arresten met haar naam erin (als griffier) zijn er niet of zijn niet gepubliceerd.