HR, 19-03-2013, nr. 12/00551
ECLI:NL:HR:2013:BZ4488
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-03-2013
- Zaaknummer
12/00551
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BZ4488
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ4488, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑03‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4488
ECLI:NL:PHR:2013:BZ4488, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑01‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ4488
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑03‑2013
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
19 maart 2013
Strafkamer
nr. S 12/00551
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 23 januari 2012, nummer 21/002057-11, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij de Hoge Raad is een geschrift van de verdachte ingekomen. Omdat volgens art. 437, tweede lid, Sv uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen, kan de Hoge Raad dit geschrift niet beschouwen als een schriftuur houdende middelen van cassatie.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 19 maart 2013.
Conclusie 22‑01‑2013
Mr. Aben
Partij(en)
Nr. 12/00551
Mr. Aben
Zitting 22 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1.
Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 23 januari 2012, met vrijspraak van het primair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van: "verduistering" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2.
Namens de verdachte heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1.
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans zonder deugdelijke motivering een zwaardere straf heeft opgelegd dan is geëist.
3.2.
Het hof heeft overwogen (a) dat de verdachte zich reeds eerder aan vermogensdelicten heeft schuldig gemaakt en onherroepelijk tot straffen, waaronder vrijheidsbenemende straffen, is veroordeeld, (b) dat thans geen andere straf meer in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf, en (c) dat gelet op de recidive anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, thans niet meer passend is voor afdoening van het onderhavige delict. Aldus heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het een zwaardere straf heeft opgelegd dan is geëist. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het derhalve.
Voor zover blijkens de toelichting wordt geklaagd over de in de strafmotivering opgenomen overweging dat het hof er weinig vertrouwen in heeft dat de verdachte een taakstraf bestaande uit een werkstraf, tot een goed einde zal brengen, geldt het volgende. De steller van het middel wijst er terecht op dat onduidelijk is waarop het hof dat oordeel baseert. Het hof geeft dat niet aan, terwijl ook overigens niet duidelijk is op grond waarvan het hof dit oordeel is toegedaan. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden nu die overweging van ondergeschikte betekenis is in de strafmotivering, en ook zonder die overweging voldoende en niet onbegrijpelijk is gemotiveerd waarom het hof in plaats van de gevorderde werkstraf een gevangenisstraf heeft opgelegd.
3.3.
Het middel faalt dus en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.
4.
Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.
5.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak 12/00552 waarin ik heden eveneens concludeer.