Hof Arnhem, 24-01-2012, nr. 104.002.396
ECLI:NL:GHARN:2012:BV3335
- Instantie
Hof Arnhem
- Datum
24-01-2012
- Zaaknummer
104.002.396
- LJN
BV3335
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARN:2012:BV3335, Uitspraak, Hof Arnhem, 24‑01‑2012; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BZ9963, Bekrachtiging/bevestiging
Uitspraak 24‑01‑2012
Inhoudsindicatie
Vordering wordt afgewezen na bezwaren tegen benoeming deskundige.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM
sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 104.002.396
(zaaknummer rechtbank 201633)
arrest van de derde civiele kamer van 24 januari 2012
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. E.F.E. van Essen,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde] Financiële Adviesgroep B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 15 november 2011 verwijst het hof naar zijn tussenarresten van 12 februari 2008, 7 september 2010 en 15 november 2011. In het tussenarrest van 15 november 2011 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hetgeen in rechtsoverweging 2.7 en 2.8 is overwogen - kort gezegd - omtrent het uitblijven van medewerking van [appellant] aan de voorgenomen benoeming van een deskundige en het voornemen van het hof daaruit de gevolgtrekkingen te maken, die het geraden acht.
1.2
Op de roldatum 13 december 2011 hebben zowel [appellant] als [geïntimeerde] een akte uitlaten genomen.
1.3
Ten slotte heeft het hof wederom arrest bepaald.
2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Het hof verwijst naar en volhardt bij hetgeen in zijn tussenarrest van 15 november 2011 is overwogen en beslist. Zoals in dat arrest is overwogen (en anders dan opgenomen in overweging 2.15 van het tussenarrest van 7 september 2010) bedraagt de thans nog ter verdere beoordeling voorliggende vordering € 13.174,11.
2.2
Het hof blijft bij zijn oordeel dat voor de beoordeling van - de toewijsbaarheid van - de vordering van [appellant] met betrekking tot de debitering door Nationale Nederlanden, Aegon en Delta Lloyd, de benoeming van een deskundige noodzakelijk is. [appellant] heeft gepersisteerd bij zijn bezwaren tegen de benoeming van een deskundige. Voorts heeft [appellant] aangegeven niet in staat te zijn een voorschot van € 3.500,- ter zake de benoeming van de deskundige te voldoen en daarom genoodzaakt te zijn af te zien van zijn vordering in reconventie met betrekking tot de debitering door Nationale Nederlanden, Aegon en Delta Lloyd. Gelet op het bovenstaande zal het hof de vordering van [appellant] op deze onderdelen afwijzen.
Slotsom
2.3
De grieven van [appellant] slagen deels. Omwille van de duidelijkheid zal het hof het bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen geheel vernietigen en een nieuw dictum in reconventie formuleren.
2.4
Gelet op het bovenstaande en hetgeen in de tussenarresten van dit hof is overwogen, wordt de vordering van [appellant] toegewezen voor zover het betreft de no-claim restitutie van Nationale Nederlanden ad € 6.946,26, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 november 1999 en de vordering terzake autokosten ad € 1.862,04, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 oktober 2002. Overeenkomstig in eerste aanleg is beslist zullen de gevorderde telefoonkosten ad € 300,- en de salariskosten en vakantiegeld ad € 1.423,05 bruto worden toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 november 1999. De overige vorderingen van [appellant] worden afgewezen.
2.5
Nu het hoger beroep slaagt, maar de vordering van [appellant] in reconventie slechts deels wordt toegewezen, zal [geïntimeerde] in de helft van de kosten van de procedure in reconventie in beide instanties worden veroordeeld. De vordering van [appellant] tot vergoeding van de kosten van het gelegd beslag op zijn onroerende zaak en zijn loon, heeft hij niet onderbouwd en deze zal gelet daarop worden afgewezen.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) van 5 april 2006, voor zover in reconventie gewezen en doet opnieuw recht;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van:
- -
€ 6.946,26, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 november 1999;
- -
€ 1.423,05, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 november 1999;
- -
€ 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 november 1999;
- -
€ 1.862,04, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 3 oktober 2002;
veroordeelt [geïntimeerde] in de helft van de kosten van beide instanties in reconventie, deze helft begroot het hof aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg tot aan de bestreden uitspraak op € 525,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en wat betreft het hoger beroep tot aan deze uitspraak op € 4.893,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, op € 124,- voor griffierecht en op € 42,43 voor kosten exploot;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, G.P.M. van den Dungen en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2012.