Hof Amsterdam 1 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3407.
HR, 27-05-2025, nr. 22/04531 E
ECLI:NL:HR:2025:802
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-05-2025
- Zaaknummer
22/04531 E
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:802, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑05‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3407
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:344
ECLI:NL:PHR:2025:344, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:802
- Vindplaatsen
Uitspraak 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Voorhanden hebben van 2.500 kilogram illegaal vuurwerk in loods en voorhanden hebben buiten daartoe vergunde inrichting, art. 9.2.2.1 Wet milieubeheer en art. 1.2.2.1 jo. 1.2.4.1 Vuurwerkbesluit (oud). 1. Afwijzing van de bij appelschriftuur gedane en ttz. in hoger beroep gehandhaafde getuigenverzoeken, op de grond dat verdediging de noodzakelijkheid daarvan onvoldoende heeft onderbouwd. 2. Kwalificatieklacht voorhanden van vuurwerk, onderlinge verhouding tussen art. 1.2.2.1 en 1.2.2.3 Vuurwerkbesluit (oud). Kon hof het bewezenverklaarde kwalificeren als art. 1.2.2.1 Vuurwerkbesluit (oud)? 3. Bewijsminimum t.a.v. voorhanden hebben buiten daartoe vergunde inrichting, art. 341.4 Sv. Heeft hof de bewezenverklaring uitsluitend aangenomen op opgaven van verdachte? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04531 E
Datum 27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam, economische kamer, van 1 december 2022, nummer 23-004673-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2025.
Conclusie 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art. 1.2.2 en 1.2.4 (oud) Vuurwerkbesluit. Middelen over afwijzing getuigenverzoek (M1), vermeende specialiteitsverhouding (M2) en bewijsminimumvoorschrift ex. art. 341.4 Sv (M3). Plv. AG is van mening dat alle middelen falen en wijst ambtshalve op overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt in zoverre tot vernietiging en strafvermindering en tot verwerping voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04531
Zitting 18 maart 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1 De verdachte is bij arrest van 1 december 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. en 2. “de eendaadse samenloop van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan en overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer opzettelijk begaan”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een in beslag genomen voorwerp, te weten 2.500 kilo vuurwerk, en de teruggave aan de verdachte gelast van een negental andere in beslag genomen voorwerpen.1.
1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik, advocaat in Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
2.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De verdachte is op 26 november 2015 samen met de [medeverdachte 1] aangetroffen in een loods in [plaats] waar zich op dat moment ook ruim 2.500 kilo vuurwerk bevond.
2.2 Bewezenverklaard is kort gezegd dat de verdachte dit vuurwerk voorhanden heeft gehad (feit 1) en dat hij dit voorhanden had buiten een daartoe vergunde inrichting (feit 2), hetgeen het hof heeft gekwalificeerd als overtredingen van onderscheidenlijk het bepaalde in art. 1.2.2 lid 1 en art. 1.2.4 lid 1 Vuurwerkbesluit (oud).
2.3 De verdachte heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat slechts een klein deel van het vuurwerk voor hem bestemd was. Hij zou slechts twintig ‘100 shots’ hebben besteld en deze zouden zijn bedoeld als kerstpakket voor zijn personeel. Meer in het algemeen heeft de verdachte betwist een ‘dealer’ te zijn in illegaal vuurwerk.
2.4 In cassatie worden drie middelen voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op de afwijzing van getuigenverzoeken. Het tweede middel richt zich tegen de bewezenverklaring dan wel kwalificatie van feit 1. Het derde middel is gericht tegen de bewijsvoering van feit 2.
Het eerste middel
3.1 Het middel bevat de klacht dat het hof bij de afwijzing van getuigenverzoeken een onjuiste maatstaf heeft toegepast. De steller van het middel heeft daarbij het oog op de bij appelmemorie gedane verzoeken om de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] ter zitting in hoger beroep of bij de raadsheer-commissaris te (doen) horen.
3.2 Voor een goed begrip citeer ik niet alleen de twee getuigenverzoeken waar het middel betrekking op heeft, maar alle vier getuigenverzoeken die in de tijdig ingediende appelmemorie worden gedaan:
“Onderzoekwensen in hoger beroep:
1. De [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1990 , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] ;
Toelichting:
Getuige c.q. [medeverdachte 1] is in het onderhavige onderzoek de bestuurder van de bestelbus waarmee het vuurwerk bij appellant wordt bezorgd. Dit brengt mee dat getuige [medeverdachte 1] weet welk deel van het vuurwerk voor appellant is bestemd en welk deel niet. Getuige [medeverdachte 1] kan dus in zoverre de lezing van appellant bevestigen. Voorts kan getuige [medeverdachte 1] verklaren of hij appellant kent als een ‘dealer’ en/of hij vaker vuurwerk levert aan appellant. Deze informatie zou de lezing van appellant kunnen ondersteunen en kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv.
2. De [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats] , nadere gegevens bij justitie bekend;
Toelichting:
Getuige komt in het dossier naar voren als degene die opdrachten verstrekt aan [medeverdachte 1] en die gebruikt maakt van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] . De verdediging wenst getuige derhalve in zijn hoedanigheid als mogelijk opdrachtgever van de levering aan appellant nadere vragen te stellen. Meer specifiek zou getuige kunnen bevestigen dat appellant slechts een klein deel van het vuurwerk had besteld en enkel een afnemer is en niet werkzaam is als een dealer.
3. De [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1969, Wonende aan de [b-straat 1] te [plaats] ;
Toelichting:
Getuige c.q. zoon van appellant is aanwezig geweest in de loods op het moment dat de vrachtwagen met vuurwerk kwam binnenrijden. Getuige verklaart dat hij wist toen de klep open ging dat er “iets niet goed was” en dat zijn vader "al weken in vuurwerk handelt". De, verdediging wenst de getuige hieromtrent nadere vragen stellen. Meer specifiek wenst de verdediging te vernemen hoe getuige heeft vernomen dat iets niet goed was en waaruit blijkt dat zijn vader c.q. appellant al weken in vuurwerk handelt. Heeft getuige dit bijvoorbeeld zelf gezien of enkel gehoord? Zijn er vaker ladingen bezorgd? Kent hij de klantenkring etc?
4. De [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] 1945, wonende aan de [c-straat 1] te [plaats] ;
Toelichting:
Getuige is aanwezig geweest in de loods op het moment de vrachtwagen met het vuurwerk binnen is komen rijden en op het moment dat de politie is binnengevallen. De verdediging wenst getuige derhalve nadere vragen te stellen omtrent de gebeurtenis. Zo wenst de verdediging bijvoorbeeld te vernemen of getuige heeft meegekregen of de gehele lading voor appellant was bestemd of enkel een deel en of hij weet of appellant dealt in vuurwerk. Zo ja, hoe hij dit weet.”
3.3
Het proces-verbaal van de zitting van 31 januari 2020 bevat het volgende:
“De raadsman voert het volgende aan:
Voor de reden van het hoger beroep verwijs ik naar de appelschriftuur (…). Ik persisteer ten aanzien van het verzoek de vier getuigen te horen.
(…)
De advocaat-generaal voert het volgende aan:
(…) Ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] persisteer ik bij het standpunt ingenomen in mijn reactie; ik vind het niet nodig deze getuigen te horen.
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad in raadkamer. Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mee:
(…)
Het verzoek tot het horen van de [medeverdachte 1] wordt toegewezen. Hij zal ter terechtzitting worden gehoord.
Het verzoek tot het horen van de zoon van de verdachte, [medeverdachte 3] wordt ook toegewezen. Hij zal bij de raadsheer-commissaris worden gehoord.
De verzoeken tot het horen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] worden afgewezen, omdat de verdediging de noodzakelijkheid hiervan onvoldoende onderbouwd heeft.”
3.4
Ervan uitgaande dat de getuigen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] niet in eerste aanleg bij de rechter-commissaris zijn gehoord als getuige - en er is in de kernstukken in cassatie niets te vinden wat daar op wijst - klopt de stelling van de steller van het middel dat het hof het verzoek tot het horen van deze getuigen niet had moeten beoordelen aan de hand van noodzakelijkheidscriterium.2.
3.5
Het toepassing geven aan het verkeerde criterium is als zodanig echter geen grond voor cassatie (meer),3.het gaat immers in cassatie “om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen”4..
3.6
Tevens geldt dat in het licht van het belang bij het cassatieberoep “in het geval dat de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld, van de verdediging [mag] worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen.”5.
3.7
Ik stel om te beginnen vast dat het hof op de zitting van 31 januari 2020 heeft kunnen volstaan met het oproepen van twee van de vier verzochten getuigen, nu deze getuigen gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering over dezelfde onderwerpen zouden moeten worden bevraagd - kort gezegd over de kwestie of de verdachte wel of niet een ‘dealer’ was en/of slechts een klein deel van het vuurwerk voor hem was bestemd.
3.8
Daar komt bij dat de verdediging op de latere zitting, de inhoudelijke behandeling van 17 november 2022, het verzoek tot het horen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] niet heeft herhaald en evenmin over de toepassing van het onjuiste criterium heeft geklaagd.
3.9
Het middel faalt.
Het tweede middel
4.
4.1
Het middel heeft betrekking op het onder 1 bewezenverklaarde. Het bevat twee hieronder nader te bespreken klachten die er beide op neerkomen dat het hof het bewezenverklaarde onterecht heeft gekwalificeerd als het bepaalde in art. 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit.
4.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 26 november 2015 te [plaats] ,
opzettelijk,
3474 stuks vuurwerk (lijst 3), te weten:
2400 stuks Super Cobra 6, en/of
40 stuks Cobra 8. en/of
600 stuks Butterfly Crackers, en/of
200 stuks Thunderkings (BBC01) en/of
200 stuks Thunderkings, en/of
20 stuks Thunderkings, en/of
2 flowerbeds (Triplex 2 36S Koncesja RO1236), en/of
1 flowerbed (Triplex TXb196/UMC150-1,2), en/of
1 flowerbed (Triplex 1.2 150S combined cake D), en/of
1 flowerbed (Triplex TXB201 150's Cakes), en/of
2 flowerbeds (Triplex TXB921), en/of .
1 flowerbed (Triplex TXB201 150's Cakes), en/of
1 flowerbed (Triplex TXB 196/UMC150-1,2), en/of .
3 flowerbeds (Triplex TXB868D), en/of
2 flowerbeds (Royal Fireworks RFC 13103 All Seasons), en/of
ongeveer 1888 kilogram vuurwerk (lijst 2) bestaande uit onder meer flowerbeds en Chinese rollen en nitraten [FP3 Jorge] en Jumbocrackers,
voorhanden heeft gehad;”
4.3
De bewezenverklaring van feit 1 is toegesneden op art. 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit jo. art. 9.2.2.1 Wet milieubeheer en art. 1a, onder 1°, en art. 2 Wet op de Economische Delicten. Eerstgenoemde bepaling luidde ten tijde van de bewezenverklaring (en luidt nog steeds):
“Het is verboden professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik, indien bestemd voor particulier gebruik, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, op te slaan, te vervaardigen, voorhanden te hebben of aan een ander ter beschikking te stellen.”
4.4
Lid 3 van datzelfde artikel luidde en luidt:
“Het is verboden als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis professioneel vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik op te slaan, voorhanden te hebben of tot ontbranding te brengen.”
4.5
De tweede deelklacht berust op de rechtsopvatting dat lid 3 in een specialiteitsverhouding zou staan tot lid 1. Die opvatting is onjuist.6.Daarom faalt de tweede deelklacht.
4.6
De eerste deelklacht berust op de rechtsopvatting dat strafbaarheid op grond van lid 1 van art. 1.2.2 Vuurwerkbesluit slechts mogelijk zou zijn ten aanzien van personen met gespecialiseerde kennis van professioneel vuurwerk (of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik). Deze opvatting, die door de steller van het middel verdedigd wordt met een a contrario-redenering - omdat lid 3 enkel een voorschrift bevat voor de persoon zonder dergelijke kennis, heeft lid 1, ondanks dat dit niet volgt uit de bewoordingen, uitsluitend betrekking op personen met gespecialiseerde kennis), berust in wezen op dezelfde onjuiste opvatting over de onderlinge verhouding tussen lid 1 en lid 3. Ook de eerste deelklacht faalt.
Het derde middel
5.
5.1
Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2 en bevat een zogenoemde unus testis-klacht, omdat de bewezenverklaring van dit feit uitsluitend zou zijn aangenomen “op de opgaven van den verdachte” als bedoeld in art. 341 lid 4 Sv.
5.2
Over dit middel kan ik kort zijn. Het hof heeft de eendaadse samenloop aangenomen tussen feit 1 en feit 2. Feit 2 is toegesneden op art. 1.2.4 Vuurwerkbesluit (oud).7.Het verschil met feit 1 bestaat erin dat feit 1 het enkele voorhanden hebben betreft en feit 2 het voorhanden hebben buiten een inrichting waarvoor, kort gezegd, een toereikende omgevingsvergunning is verleend. Voor dat laatste onderdeel zou de bewezenverklaring enkel steunen op de verklaring van de verdachte, aldus de steller van het middel. Voor de andere onderdelen van de tenlastelegging zijn wel meer bewijsgronden gebruikt door het hof.
5.3
Het middel stuit af op het bekende gegeven dat het bewijsminimumvoorschrift betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op alle afzonderlijke onderdelen daarvan. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat dit anders zou zijn omdat “[o]p sec [het] voorhanden hebben (…) echter reeds (…) feit 1 toe[ziet]” (onder punt 22 van de schriftuur), geldt dat deze opvatting geen steun vindt in het recht.
Afronding
6.
6.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 5 december 2022. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑03‑2025
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.39-2.48.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.75.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.76.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rov. 2.75.
HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:941
Bij besluit van 16 september 2020, Stb. 2020, 400 (Invoeringsbesluit Omgevingswet) en besluit van 20 juni 2022, Stb. 2022, 291 (tot wijziging van het Vuurwerkbesluit), beide in werking getreden op 1 januari 2024, is het hier aan de orde zijnde verbod verplaatst van art. 1.2.4 lid 1 onder b Vuurwerkbesluit, naar art. 1.2.4 lid 1 en 2 onder e Vuurwerkbesluit.