NJB 2025/2470
Ontijdige (Keskin-)getuigenverzoeken, art. 6 EVRM: de Hoge Raad gaat in op gevallen waarin de verdediging pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting verzoekt een getuige te horen, terwijl de verdediging al in een eerder stadium van de procedure bij de betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad zo’n verzoek te doen. Specifiek gaat het daarbij om a) gevallen waarin de verdediging desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld geen getuigenverzoeken (meer) te hebben, en b) gevallen waarin de verdediging eerder uitdrukkelijk is gevraagd of zij getuigen wil horen, waarbij er duidelijk op is gewezen dat het niet verzoeken van getuigen wordt opgevat als het niet hebben van getuigenverzoeken, en op die vraag door de verdediging niet is gereageerd. - Als zich een van deze gevallen voordoet en de verdediging daarna toch een getuigenverzoek doet, kan van de verdediging worden gevergd dat zij toelicht waarom zij terugkomt van haar eerder ingenomen standpunt. De rechter kan het verzoek afwijzen als die toelichting uitblijft. - Als de verdediging wel zo’n toelichting geeft, moet de rechter beoordelen of de opgegeven redenen van voldoende gewicht zijn. Als dat volgens de rechter niet het geval is, kan hij het verzoek eveneens afwijzen. - Bij die beoordeling is onder meer van belang of er na het hiervoor onder a) of b) bedoelde moment sprake is van relevante nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot (het verloop van de procedure en de mogelijke uitkomst van) de strafzaak. - Ook in de hier aangeduide gevallen rust op de rechter de taak om – conform het door de Hoge Raad geformuleerde stappenplan – na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces. - In casu kan de omstandigheid ‘dat de verdediging niet op het geëigende moment heeft gevraagd om deze personen als getuigen te horen’ niet zonder meer de afwijzende beslissing om de getuigen op te roepen dragen, maar ligt in het oordeel van het hof in voldoende mate besloten dat ‘the proceedings as a whole were fair’. - Zie over deze kwestie ook HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1555 en ECLI:NL:HR:2025:1556 (zie NJB 2025/2471 en NJB 2025/2472). Vernieling van trams door daarop spuiten van graffiti art. 350 Sr en vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering art. 10 en 11 EVRM: toepassing EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius/Litouwen). EHRM benadrukt dat ‘a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty’. Aandacht voor chilling effect en verder voor situatie waarin private property in het geding is. In casu kon het hof oordelen dat de verdachte ook zonder de trams te bekladden en daarbij inbreuk te maken op het eigendomsrecht van GVB Exploitatie B.V. haar door art. 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten had en heeft kunnen uitoefenen en zich had en heeft kunnen uitspreken tegen beperkingen van het recht op abortus, en dat de door de verdachte gepleegde strafbare vorm van vernieling een opzettelijke meer ingrijpende ordeverstoring oplevert dan een normale vreedzame uitoefening van de door art. 10 en 11 EVRM gewaarborgde rechten. Het strafrechtelijke optreden tegen dit strafbare feit was niet zo ingrijpend dat daarvan een chilling effect uitgaat. Het hof kon oordelen dat de verdachte laakbaar gedrag vertoonde waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Daarbij is mede van belang dat de verdachte is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 200.
HR 14-10-2025, ECLI:NL:HR:2025:1519
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14 oktober 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, C. Caminada en T. Kooijmans
- Zaaknummer
24/00524
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1519, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:630, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑06‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑10‑2024
- Wetingang
Essentie
Ontijdige (Keskin-)getuigenverzoeken, art. 6 EVRM: de Hoge Raad gaat in op gevallen waarin de verdediging pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting verzoekt een getuige te horen, terwijl de verdediging al in een eerder stadium van de procedure bij de betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad zo’n verzoek te doen. Specifiek gaat het daarbij om a) gevallen waarin de verdediging desgevraagd uitdrukkelijk heeft gesteld geen getuigenverzoeken (meer) te hebben, en b) gevallen waarin de verdediging eerder uitdrukkelijk is gevraagd of zij getuigen wil horen, waarbij er duidelijk op is gewezen dat ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.