NJ 2021/131
Verweer als bedoeld in art. 359a Sv onvoldoende onderbouwd.
HR 23-01-2018, ECLI:NL:HR:2018:78
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
23 januari 2018
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma, A.L.J. van Strien
- Zaaknummer
16/00262
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS263500:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2018:78, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 23‑01‑2018
ECLI:NL:PHR:2017:1356, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑10‑2017
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑08‑2016
- Wetingang
Essentie
Verweer als bedoeld in art. 359a Sv onvoldoende onderbouwd.
Samenvatting
Raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv (verdachte kon vóór het verhoor niet met zijn voorkeursadvocaat spreken) en dat dit tot strafvermindering dient te leiden. Reeds omdat uit niets blijkt dat bij de behandeling van de zaak door of namens de verdachte iets is aangevoerd over het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel, had het hof het verweer slechts kunnen verwerpen.
Partij(en)
Arrest op het ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.