Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16.
HR, 19-06-2020, nr. 20/01147
ECLI:NL:HR:2020:1088, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-06-2020
- Zaaknummer
20/01147
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1088, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑06‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:442, Contrair
ECLI:NL:PHR:2020:442, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑05‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1088, Contrair
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑03‑2020
- Vindplaatsen
NJ 2020/368 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
TvPP 2020, afl. 5, p. 177
JOR 2020/225 met annotatie van Steneker, A.
JBPr 2020/75 met annotatie van Hammerstein, A.
JOR 2020/225 met annotatie van Steneker, A.
JBPr 2020/75 met annotatie van Hammerstein, A.
FutD 2020-1438
Juridisch up to Date 2020-0108
Uitspraak 19‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verstekverlening. "Corona-betekening" aan natuurlijke persoon, waarbij niet wordt aangebeld, maar direct afschrift van het exploot in de brievenbus van het woonadres wordt gedaan. Feitelijke onmogelijkheid als bedoeld in art. 47 lid 1 Rv? RIVM-richtlijnen; wetsvoorstel "Verzamelspoedwet COVID-19".
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/01147
Datum 19 juni 2020
ARREST
In de zaak van
AEGEAN AIRLINES S.A.,gevestigd te Kifissia, Griekenland,
EISERES tot cassatie,
hierna: Aegean Airlines,
advocaat: M.E. Bruning,
tegen
1. [verweerder 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerders] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop in cassatie
1.1 Met een op 24 maart 2020 ingediende procesinleiding heeft Aegean Airlines cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te [woonplaats] van 24 december 2019 met zaaknummer 6492191\CV EXPL 17-8013 in de zaak tussen Aegean Airlines en [verweerders] In de procesinleiding wordt vermeld dat [verweerders] ten laatste kunnen verschijnen op 24 april 2020.
1.2 De griffier van de Hoge Raad heeft op 25 maart 2020 aan Aegean Airlines een oproepingsbericht doen toekomen.
1.3 Aegean Airlines heeft het oproepingsbericht en de procesinleiding op 30 maart 2020 bij exploot doen betekenen aan het woonadres van [verweerders] De deurwaarder heeft het exploot in een gesloten envelop op het woonadres van [verweerders] achtergelaten. In het exploot is met een gestempelde tekst vermeld dat de stukken zijn gelaten aan:
“voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen zoals wettelijk voorgeschreven, omdat ik wegens de door de overheid afgekondigde maatregelen in verband met het zgn. corona virus (covid-19) geen contact heb kunnen/mogen zoeken met iemand aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten;”
1.4 [verweerders] zijn in cassatie niet verschenen.
1.5 De conclusie van Advocaat-Generaal R.H. de Bock van 4 mei 2020 strekt tot het bieden van de mogelijkheid van het uitbrengen van een herstelexploot.
1.6 De advocaat van Aegean Airlines heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd en daarbij gevoegd een schriftelijke reactie op die conclusie van het bestuur van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (hierna: KBvG).
2. Beoordeling van het verstek
2.1
In deze zaak is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie.1.
2.2
Ingevolge art. 139 Rv dient, indien het oproepingsbericht is betekend, de verweerder niet in de procedure verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, tegen de verweerder verstek te worden verleend.
2.3
In deze zaak gaat het om een zogenoemde ‘corona-betekening’, gebaseerd op een richtlijn van de KBvG.2.Daarmee wordt gedoeld op de werkwijze van deurwaarders sinds de uitbraak van het COVID-19-virus, waarbij in gevallen waarin betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv, gelet op het risico van besmetting, niet verantwoord wordt geacht, direct op de voet van art. 47 Rv een afschrift van het exploot in een gesloten envelop aan de woonplaats wordt achtergelaten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.36-2.43). Beoordeeld dient te worden of deze werkwijze een gebrek in het exploot oplevert dat met nietigheid is bedreigd als bedoeld in art. 120 Rv. Daarbij gaat het erom of de overheidsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het COVID-19-virus ertoe leiden dat sprake is van een ‘feitelijke onmogelijkheid’ om op de voet van art. 46 lid 1 Rv te betekenen, als bedoeld in art. 47 Rv. Tot die overheidsmaatregelen behoort de richtlijn van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) om 1,5 meter afstand van elkaar te houden.
2.4
Art. 46 lid 1 Rv bepaalt dat de deurwaarder een afschrift van het exploot laat aan degene voor wie het is bestemd in persoon of aan de woonplaats aan een huisgenoot van deze of aan een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt. Art. 47 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de deurwaarder aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen afschrift kan laten, hij een afschrift aan de woonplaats achterlaat in een gesloten envelop. De deurwaarder maakt, onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handeling melding in het exploot. Uit deze regeling volgt dat betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv pas aan de orde is indien betekening op de wijze voorgeschreven in art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk blijkt.
2.5.1
Op 12 mei 2020 is het wetsvoorstel ‘Verzamelspoedwet COVID-19’ aanhangig gemaakt.3.Het wetsvoorstel is met algemene stemmen aangenomen, op 26 mei 2020 door de Tweede Kamer en op 16 juni 2020 door de Eerste Kamer. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding zijn beslissing op het aangenomen wetsvoorstel te baseren.
2.5.2
Art. 1 van het aangenomen wetsvoorstel luidt als volgt:
“Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van een feitelijke onmogelijkheid om aan een van de in artikel 46, eerste lid, van dat wetboek bedoelde personen afschrift te laten, steeds sprake zolang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met COVID-19.”
Art. 8 lid 2 bepaalt dat art. 1 terugwerkt tot en met 16 maart 2020. Daarmee wordt beoogd zeker te stellen dat ook de exploten die met ingang van 16 maart 2020 zijn uitgereikt rechtsgeldig zijn betekend als betekening plaatsvond overeenkomstig de richtlijnen van de KBvG.4.Art. 8 lid 3 bepaalt dat art. 1 vervalt op 1 september 2020, maar dat het tijdstip waarop art. 1 vervalt bij koninklijk besluit kan worden bepaald op een ander tijdstip, met dien verstande dat dit tijdstip steeds ten hoogste twee maanden na het tijdstip ligt waarop de wet zou vervallen.
2.5.3
In de memorie van toelichting is art. 1 als volgt toegelicht:5.
“Ook tijdens de crisis rond COVID-19 moeten deurwaarders exploten kunnen uitreiken. (…). Het gaat om tientallen duizenden exploten in de afgelopen en komende periode waarin de RIVM-richtlijnen gelden. De richtlijn van social distancing, het anderhalve meter afstand houden, verdraagt zich niet goed met de uitreiking van exploten in persoon.
(…)
Onder de huidige omstandigheden is het niet mogelijk en verantwoord op de normale manier bij mensen thuis aan te bellen om een exploot uit te reiken. Anders dan een pakketbezorger, kan de deurwaarder niet volstaan met het op de stoep achterlaten van zijn exploot. De deurwaarder moet bij de uitreiking ook een instructie geven over de aard van het exploot en de mogelijkheden van degene voor wie het bestemd is, om hierover contact op te nemen. De deurwaarder is naar de aard van zijn werk aanmerkelijk minder geliefd dan de pakketbezorger. Het risico te maken te krijgen met bewoners die hem in het gezicht spugen of fysiek te lijf gaan, is voor een deurwaarder vele malen groter dan voor een pakketbezorger. Dit risico is met het oog op het algemeen belang van de volksgezondheid – voorkomen van besmettingen – niet aanvaardbaar.
Om zo veel mogelijk bij de betekening van stukken conform de RIVM-richtlijnen social distancing in acht te nemen en toch exploten te betekenen, heeft de KBvG richtlijnen ontwikkeld. Exploten worden op basis daarvan, als uitreiking in persoon niet verantwoord mogelijk is, in de brievenbus gelaten. Dit is een invulling van de «feitelijke onmogelijkheid» om een exploot in persoon uit te reiken in artikel 47 Rv. De deurwaarder vermeldt in zijn exploot in dat geval dat door de RIVM-richtlijnen in verband met COVID-19 en het niet kunnen of mogen uitreiken in persoon, een afschrift van het exploot in de brievenbus is gelaten. De gebruikelijke aanvullende instructie verstrekt de deurwaarder dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail. (…). Waar uitreiking «in persoon» verantwoord, dus met inachtneming van de RIVM-richtlijnen, mogelijk is, wordt dit nog steeds gedaan. Bijvoorbeeld in geval van rechtspersonen en/of advocatenkantoren die nog een geopende balie hebben of als degene voor wie het exploot is bestemd, in de tuin aan het werk is en het exploot zonder gevaar voor besmetting kan worden overhandigd.”
2.5.4
In de nota naar aanleiding van het verslag,6.waarin tevens wordt gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal in deze zaak, is het volgende vermeld:
“De tijdelijke regeling voor de betekening van exploten in het voorstel legitimeert de wijze waarop deurwaarders sinds 17 maart 2020 exploten hebben betekend. De regeling bevat een tijdelijk nadere invulling van het begrip ‘feitelijk onmogelijk’ in artikel 47 Rv [en] brengt mee dat de gerechtsdeurwaarder niet steeds eerst hoeft te proberen het exploot in persoon of aan de woonplaats uit te reiken door aan te bellen als hij dit door de COVID-19 situatie niet verantwoord acht. De deurwaarder mag, als hij oordeelt dat COVID-19 in de weg staat aan een poging tot uitreiking overeenkomstig artikel 46 Rv, het exploot ook meteen door de brievenbus doen. De vermelding dat uitreiking aan een persoon overeenkomstig artikel 46 Rv door COVID-19 feitelijk onmogelijk is, volstaat in dat geval. Niet nodig is om daarvoor nog bijzondere omstandigheden te vermelden. Omgekeerd betekent dit, dat de deurwaarder moet proberen om de uitreiking in persoon te doen wanneer hij oordeelt dat dit wèl op verantwoorde wijze, met inachtneming van de RIVM-richtlijnen mogelijk is.
Maandelijks worden door gerechtsdeurwaarders circa 150.000 exploten betekend. Het gaat niet alleen om dagvaardingen maar ook om bijvoorbeeld vonnissen of stuiting van verjaring. Het is onwenselijk als voor de rechtsgeldigheid van elke betekening individueel moet worden beoordeeld of er naast COVID-19 sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de deurwaarder niet eerst probeert aan te bellen. Dit leidt tot grote rechtsonzekerheid en roept bovendien de vraag op welke omstandigheden dan wel en welke niet voldoende rechtvaardiging voor het niet-aanbellen opleveren.
Om die reden is het in het voorstel overgelaten aan de deurwaarder om vast te stellen of een verantwoorde betekening in persoon mogelijk is met inachtneming van de richtlijnen van het RIVM. Het besmettingsgevaar van COVID-19 is bij het uitreiken van het exploot, het controleren van de identiteit en het geven van de noodzakelijke toelichting zowel voor de deurwaarder als voor degene aan wie hij exploot doet, onverantwoord groot als daarbij niet de 1,5 meter afstand in acht kan worden genomen. Het zoveel mogelijk mijden van fysiek contact en tegelijkertijd het zoveel mogelijk (telefonisch) contact zoeken met de geadresseerde om het exploot toe te lichten, biedt waarborgen voor zowel de veiligheid en volksgezondheid als de belangen van de geadresseerde.
(…)
De voorgestelde tekst bepaalt dat steeds sprake is van een feitelijke onmogelijkheid zo lang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met Covid-19. Daarmee is beoogd duidelijk te maken dat de deurwaarder mag volstaan met de vermelding dat COVID-19 de reden voor de feitelijke onmogelijkheid is. Als de deurwaarder wel verantwoord, met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder besmettingsgevaar kan betekenen, doet hij dit. Dit blijkt ook uit de cijfers: nog altijd wordt in 20 % van de gevallen bij natuurlijke personen toch in persoon betekend.”
2.6
Uit hetgeen hiervoor in 2.5.1-2.5.4 is vermeld, volgt dat ten aanzien van exploten uitgebracht met ingang van 16 maart 2020 sprake is van ‘feitelijke onmogelijkheid’ in de zin van art. 47 lid 1 Rv indien de deurwaarder in een concreet geval constateert dat betekening van het exploot op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet verantwoord is, gelet op de richtlijn van het RIVM om afstand te houden wegens besmettingsgevaar met COVID-19. De deurwaarder kan in dat geval ermee volstaan in het exploot te vermelden dat uitreiking overeenkomstig art. 46 lid 1 Rv wegens het besmettingsgevaar met COVID-19 feitelijk onmogelijk is, dan wel in het exploot een tekst van gelijke strekking (zoals hiervoor in 1.3 weergegeven) op te nemen.7.
2.7
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de deurwaarder het onderhavige exploot van oproeping rechtsgeldig heeft uitgebracht.
2.8
Ook overigens voldoet het exploot aan de daaraan te stellen eisen. Daarbij wordt de onjuiste aanduiding van de achternaam van verweerster onder 2 in de procesinleiding, mede gelet op de juiste aanduiding daarvan in het oproepingsexploot, aangemerkt als een kennelijke vergissing.
2.9
De slotsom is dat tegen [verweerders] verstek dient te worden verleend.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- verleent verstek tegen [verweerders] ;
- bepaalt als datum waarop schriftelijke toelichting kan worden gegeven: 7 augustus 2020.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 19 juni 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑06‑2020
Zie voor deze richtlijn: https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.
Zie de in 2.5.4 weergegeven passages uit de Nota van Wijziging.
Zie HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9611, en de derde alinea van het hiervoor in 2.5.3 weergegeven citaat uit de memorie van toelichting bij de Verzamelspoedwet COVID-19.
Conclusie 04‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Verstekverlening. "Corona-betekening" aan natuurlijke persoon, waarbij niet wordt aangebeld, maar direct afschrift van het exploot in de brievenbus van het woonadres wordt gedaan. Feitelijke onmogelijkheid als bedoeld in art. 47 lid 1 Rv? RIVM-richtlijnen; wetsvoorstel "Verzamelspoedwet COVID-19".
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01147
Zitting 4 mei 2020
CONCLUSIE OP VERSTEK
R.H. de Bock
In de zaak
de vennootschap naar buitenlands recht Aegean Airlines S.A.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning
tegen
1. [verweerder 1] ,
2. [verweerster 2] ,
verweerders in cassatie
1. Procesverloop in cassatie
1.1
Met een op 24 maart 2020 bij de Hoge Raad ingediende procesinleiding heeft eiseres beroep in cassatie ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 december 2019.1.
1.2
Bij deurwaardersexploot van 30 maart 2020 zijn het oproepingsbericht en de procesinleiding betekend aan het woonadres van verweerders in cassatie, [a-straat 1] te [woonplaats] . Opgeroepen is tegen uiterlijk 24 april 2020.
1.3
Het exploot is door de deurwaarder in een gesloten envelop achtergelaten op het hiervoor genoemde adres. In het exploot is hierover het volgende vermeld:
“voormeld adres in gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik in verband met de door de overheid afgekondigde maatregelen in verband met het zgn. corona virus (covid-19) geen contact heb kunnen/mogen zoeken met iemand aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten;”
Deze tekst is met een stempel geplaatst. Het gaat dus om een standaardtekst, die kennelijk vaker wordt gebruikt.
1.4
Voor verweerders heeft zich op of voor 24 april 2020 geen advocaat gesteld. Eiseres tot cassatie heeft om verlening van verstek tegen verweerders verzocht. Tot op de dag van deze conclusie heeft zich voor verweerders geen advocaat gesteld.
2. Verstekbeoordeling
Corona-betekening
2.1
Het gaat in deze zaak om een zogenoemde ‘corona-betekening’. Daarmee wordt gedoeld op een betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv (met achterlating van een afschrift van het exploot in een gesloten envelop aan de woonplaats (het woonhuis) van degene voor wie het exploot is bestemd), zonder dat eerst getracht is te betekenen op de voet van art. 46 lid 1 Rv (in persoon). Kort gezegd: het exploot is door de brievenbus gedaan zonder dat eerst geprobeerd is het te overhandigen aan de persoon voor wie het bestemd is.
2.2
In deze conclusie bespreek ik de vraag of deze manier van betekenen in overeenstemming is met de wettelijke regels.
Betekeningsvoorschriften Rv
2.3
De artt. 45-66 Rv geven regels over de betekening van exploten. Uit art. 45 lid 1 Rv volgt dat deze regels gelden voor alle exploten, bijvoorbeeld dagvaardingsexploten, beslagexploten, een exploot tot betekening van een rechterlijke uitspraak of een exploot tot betekening van een dwangsom.
2.4
In de onderhavige zaak gaat het om de betekening van een exploot waarbij het oproepingsbericht aan verweerder wordt betekend (art. 418a jo. 112 lid 1 Rv-KEI).2.
2.5
Het belangrijkste doel van de betekeningsvoorschriften is te waarborgen dat een exploot degene voor wie het bestemd is (de geëxploteerde), daadwerkelijk bereikt.3.Dat komt ook naar voren in een recent arrest van de Hoge Raad over betekening aan het briefadres.4.De reden dat geoordeeld is dat in het geval iemand beschikt over een briefadres, exploten moeten worden betekend aan het briefadres en voor openbare betekening geen plaats is, is immers – in de woorden van de Hoge Raad (rov. 3.9) – dat betekening aan het briefadres effectiever is. Daarmee wordt klaarblijkelijk bedoeld dat betekening aan het briefadres meer waarborgen biedt dat het exploot degene voor wie het is bestemd ook daadwerkelijk bereikt, dan bij een openbare betekening. Ook de uitzondering op deze regel, die geldt in het geval dat de deurwaarder moet aannemen dat het briefadres niet (meer) juist is en de stukken de betrokkene niet zullen bereiken bij betekening aan het briefadres (rov. 3.9), houdt rechtstreeks verband met het genoemde doel van de betekeningsvoorschriften; in dat geval zou betekening aan het briefadres immers niet effectief zijn.
2.6
Het bevorderen dat de geëxploteerde een afschrift van het exploot in handen krijgt, is echter niet het enige doel van de betekeningsvoorschriften.5.Een ander doel is dat bereikt wordt dat ook de eiser wiens wederpartij onvindbaar is of weigert het exploot in ontvangst te nemen, toegang tot de rechter houdt.6.Bovendien moeten de betekeningsvoorschriften praktisch hanteerbaar zijn.7.De betekeningsvoorschriften kunnen dan ook worden gezien als een compromis van deze verschillende doelen.8.De voorschriften bieden geen zekerheid dat het exploot degene voor wie het exploot bestemd is daadwerkelijk bereikt.9.
2.7
De betekeningsvoorschriften zijn van openbare orde en moeten door de rechter ambtshalve worden toegepast.10.
Art. 46 Rv en 47 Rv
2.8
Art. 46 lid 1 Rv bepaalt het volgende:
“De deurwaarder laat een afschrift van het exploot aan degene voor wie het is bestemd in persoon of aan de woonplaats aan een huisgenoot van deze of aan een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt. (…)”
2.9
Hiermee geeft art. 46 lid 1 Rv drie mogelijkheden waarop de deurwaarder exploot kan doen, namelijk (i) aan de geëxploteerde in persoon, (ii) aan een huisgenoot van de geëxploteerde of (iii) aan een ander persoon die zich bevindt op het huisadres van geëxploteerde. De eerste mogelijkheid wordt ‘betekening in persoon’ genoemd. De tweede en derde mogelijkheid worden aangeduid als ‘betekening aan de woonplaats’.11.Ook het achterlaten van een exploot in een gesloten envelop (art. 47 lid 1 Rv) wordt ‘betekening aan de woonplaats’ genoemd (zie hierover onder 2.10 en 2.11).12.
2.10
Art. 47 Rv luidt als volgt:
“1. Indien de deurwaarder aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, laat hij een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.
2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.”
2.11
2.12
Art. 47 Rv is ingevoerd per 1 januari 2002.14.De bepaling is gelijkluidend aan art. 2 Rv (oud).15.Art. 2 Rv (oud) verving in 1985 het zogenoemde ‘burgermeestertje’, dat wil zeggen de voorgeschreven betekening aan ‘het hoofd van het plaatselijk bestuur of dienst vervanger’ in het geval betekening in persoon op de voet van art. 46 Rv niet mogelijk was. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de reden om die wijze van betekening af te schaffen en te vervangen door betekening door achterlaten van een afschrift van het exploot aan het woonadres, tweeledig was. In de eerste plaats zorgde ‘het burgermeestertje’ voor een aanzienlijke belasting van het gemeentelijk apparaat. In de tweede plaats bestond er onvoldoende waarborg dat het exploot degene voor wie het bestemd is, ook bereikt.16.Ook hieruit blijkt dat een belangrijk doel van de betekeningsvoorschriften is dat het exploot degene voor wie het bestemd is, ook daadwerkelijk bereikt.
2.13
Uit de bepalingen 46 en 47 Rv volgt dat er vijf manieren zijn om een exploot te laten aan een natuurlijk persoon:17.
1. aan degene voor wie het exploot is bestemd in persoon;
2. aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd, aan een huisgenoot;
3. aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd, aan iemand anders van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt;
4. aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd, in een gesloten envelop;
5. door toezending per post aan de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd.
2.14
Van der Putten schrijft dat de deurwaarder bij de keuze van de wijze waarop hij het afschrift van het exploot laat, deze volgorde moet hanteren, en dat betekening in persoon altijd de voorkeur heeft.18.Dat de deurwaarder altijd eerst moet proberen om een exploot in persoon te betekenen, is ook te lezen bij Hugenholtz/Heemskerk (“Betekening vindt in beginsel plaats aan de gedaagde in persoon”).19.Snijders/Klaassen/Meijer gaan daar eveneens van uit (“Vooropstaat de betekening aan de verweerder in persoon”).20.Van Mierlo schrijft dat het “waar mogelijk de voorkeur [verdient] dat de deurwaarder een afschrift van het exploot laat aan de geëxploteerde in persoon” en dat dit “in het bijzonder (…) het geval [is] bij verstekvonissen”.21.Stein/Rueb schrijven niet expliciet dat betekening in persoon altijd de voorkeur heeft.22.
2.15
Voor wat betreft de keuze tussen betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv dan wel art. 47 lid 1 Rv, volgt uit de wettekst dat betekening volgens art. 47 lid 1 Rv pas aan de orde komt als betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. De mogelijkheid om te betekenen door middel van het achterlaten van het exploot in een gesloten envelop, wordt immers gegeven indien aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen afschrift kan worden gelaten. Het is dus een mogelijkheid die geboden wordt voor het geval betekening in persoon niet mogelijk is.
2.16
De andere mogelijkheid van betekening die art. 47 lid 1 Rv biedt, het ter post bezorgen van een afschrift van het exploot, komt pas aan de orde indien achterlating van het exploot in een gesloten envelop niet mogelijk is. Dat blijkt uit de parlementaire geschiedenis (bij art. 49 Rv) (mijn onderstrepingen):23.
“Zie het huidige artikel 4, onder 2°, Rv. De redactie is iets gewijzigd. Het normale geval dat de betekening plaats vindt aan het kantoor van de rechtspersoon wordt nu vooropgesteld. Zie voor de slotzin de toelichting op artikel 48 (1.6.4). De in dit artikel gekozen volgorde heeft geen normatief karakter. Het woord «of» duidt op een vrije keuze. Zie bijvoorbeeld ook de in artikel 53 (1.6.9) genoemde alternatieven, die eveneens worden aangeduid met het woord «of», geplaatst aan het slot van onderdeel b. Wanneer geen sprake is van een vrije keuze, wordt dat in de tekst van de desbetreffende bepaling duidelijk tot uitdrukking gebracht. Zie bijvoorbeeld artikel 47 (1.6.3).”
2.17
Hoewel in deze passage zal worden gedoeld op de verschillende betekeningswijzen die in art. 47 lid 1 Rv worden genoemd (achterlating in een gesloten envelop dan wel bezorging ter post), is daarin ook een extra argument te vinden dat de woordkeuze in de eerste volzin van art. 47 lid 1 Rv niet ‘toevallig’ is, maar dat daarmee inderdaad is bedoeld dat pas aan betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv wordt toegekomen, indien betekening volgens art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is.
2.18
Uit de geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis zou ook kunnen worden afgeleid dat voor de in art. 46 lid 1 Rv opgesomde betekeningswijzen géén volgorde geldt. In art. 46 lid 1 Rv wordt immers het woord ‘of’ gebruikt. In de literatuur is dan ook wel te lezen dat de deurwaarder een vrije keuze heeft om in persoon te betekenen dan wel aan een huisgenoot of een ander persoon die zich daar bevindt.24.De meeste auteurs zijn echter toch van mening dat eerst moet worden getracht in persoon te betekenen en dat pas als dat niet mogelijk is, betekening kan geschieden aan een huisgenoot of aan een ander persoon die zich daar bevindt.25.
2.19
In sommige gevallen heeft de deurwaarder wel een vrije keuze tussen verschillende mogelijkheden om exploot te laten. Dat is bijvoorbeeld het geval als degene voor wie het exploot bestemd is, weigert het exploot in ontvangst te nemen; in dat geval kan op de voet van art. 46 lid 3 Rv worden gekozen voor het laten van een afschrift van het exploot aan de woonplaats of voor verzending van een afschrift van het exploot per post. Als de deurwaarder kan kiezen tussen verschillende betekeningsmogelijkheden, zal moeten worden gekozen voor die wijze die de grootste kans biedt dat het exploot degene voor wie het bestemd is, bereikt.26.
2.20
Als de wet dwingend voorschrijft dat een bepaalde wijze van betekening pas aan de orde is als een andere betekeningswijze niet mogelijk is, zal de deurwaarder in het exploot moeten vermelden waarom niet betekend kon worden op de eerst voorgeschreven manier. Dat volgt uit de derde volzin van art. 47 lid 1 Rv, waarin het volgende staat: De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot. Het ‘ene geval’ is, zo begrijp ik, het geval dat de deurwaarder aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen afschrift kan laten, en het ‘andere geval’ is het geval dat het feitelijk onmogelijk is om een afschrift van het exploot ter post te bezorgen.
2.21
Vergelijk ook de parlementaire geschiedenis bij art. 47 Rv:27.
“Nieuw is de regeling van het geval waarin het voor de deurwaarder
onmogelijk is afschrift achter te laten. Te denken valt aan natuurrampen als
overstromingen, maar ook aan georganiseerde weerstand of bedreiging
met geweld. De postbode kan dan wel eens doordringen waar de deurwaarder niet wordt toegelaten. De deurwaarder moet in het exploit melding
maken van de wijze van betekening en in geval van verzending per post
tevens van de reden waarom het onmogelijk was, het afschrift ter plaatse
achter te laten.”
2.22
Met andere woorden, als de deurwaarder betekent op de voet van art. 47 lid 1 Rv zal in het exploot moeten worden vermeld waarom betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. Zie ook Knigge & Zilinsky:28.
“Indien de deurwaarder het afschrift op de in art. 47 Rv voorgeschreven wijze laat, dient hij een aantal voorschriften in acht te nemen die de rechter bij een mogelijke verstekverlening in staat stellen de naleving van het voorschrift te controleren. Deze voorschriften behelzen voorts een aansporing voor de geadresseerde van de inhoud kennis te nemen en de deurwaarder om nadere informatie te verzoeken. Ten eerste zal de deurwaarder in overeenstemming met het bepaalde in lid 1 in het exploot melding moeten maken van de reden van de feitelijke onmogelijkheid. Daarbij zal hij mijns inziens ook – hoewel dit
niet met zoveel woorden is bepaald – melding dienen te maken van de omstandigheid dat hij ter plaatse niemand aantrof die het afschrift kon of wilde aannemen. Ten tweede zal hij melding moeten maken van de omstandigheid dat hij het afschrift heeft gelaten in een gesloten envelop dan wel dat het afschrift terstond ter post is bezorgd. (…)”
2.23
De ratio van deze regel is dat de rechter kan beoordelen of de betekeningsvoorschriften op juiste wijze in acht zijn genomen, zodat zoveel mogelijk gewaarborgd is dat het exploot betrokkene ook daadwerkelijk heeft bereikt.29.Zie hierover ook Teekens (in verband met de betekeningsmogelijkheden die art. 46 lid 1 Rv biedt):30.
“Bij de beoordeling, of de betekening als rechtsgeldig kan worden beschouwd, zal de rechter o.i. er goed aan doen, de hierboven vermelden, door Cleveringa gegeven leidraad voor ogen te houden. Steeds moet hij nagaan of aan de bedoeling van de wetgever, welke hierin bestaat, dat het betekende stuk in handen komt van degene, voor wie het bestemd is, voldoende recht is wedervaren.”
2.24
Uiteraard geldt ook dat de deurwaarder naar waarheid moet verklaren over de inspanningen die hij heeft gericht om in persoon te betekenen.31.
2.25
De conclusie tot zover is dat uit het wettelijke systeem volgt dat het laten van exploot op de voet van art. 47 lid 1 Rv pas aan de orde komt als betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. De reden hiervoor is dat betekening in persoon of aan het woonadres meer waarborgen biedt dat het exploot daadwerkelijk degene bereikt voor wie het bestemd is.
Niet naleven betekeningsvoorschriften
2.26
De rechtsgevolgen van gebreken in de inhoud en betekening van exploten zijn geregeld in art. 65 e.v. Rv (voor exploten in het algemeen) en 120 e.v. Rv (voor het exploot van dagvaarding of het exploot van betekening van een oproepingsbericht). Het wettelijk systeem gaat ervan uit, zo is vermeld in de wetsgeschiedenis, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de vraag of zich als gevolg van het gebrek een nietigheidsgrond voordoet (art. 65 Rv), en de vraag of nietigheid op die grond moet worden uitgesproken, respectievelijk of herstel nog mogelijk is (art. 66 Rv).32.
2.27
Het niet naleven van de in art. 46 e.v. Rv neergelegde betekeningsvoorschriften bedreigt het exploot met nietigheid.33.Of inderdaad sprake is van nietigheid van het exploot, hangt op grond van art. 66 lid 1 Rv ervan af of aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek ‘onredelijk is benadeeld’. Bovendien geldt op grond van art. 66 lid 2 Rv dat een gebrek in een exploot dat nietigheid meebrengt, in beginsel kan worden hersteld.
2.28
Voor gebreken aan een exploot van dagvaarding bevatten de artikelen 120-122 Rv een bijzondere regeling.34.De artikelen 120-122 Rv-KEI bevatten een vrijwel gelijkluidende regeling voor gebreken aan een exploot van betekening van een oproepingsbericht (zoals in deze cassatieprocedure aan de orde is). Die regeling gaat vóór de regeling van art. 66 Rv.35.Uitgangspunt is dat de voorschriften van art. 111 e.v. Rv op straffe van nietigheid in acht moeten worden genomen (art. 120 lid 1 Rv voor dagvaardingsprocedures en art. 120 lid 1 Rv-KEI voor digitale vorderingsprocedures).36.Gebreken in een exploot van dagvaarding of in een exploot van betekening van een oproepingsbericht kunnen echter bij exploot worden hersteld. Zo’n herstelexploot moet in dagvaardingszaken worden uitgebracht voor de roldatum (art. 120 lid 2 Rv); in digitale vorderingsprocedures moet het herstelexploot worden uitgebracht voor de datum van verschijning van verweerder (art. 120 lid 2 Rv-KEI), worden hersteld. Maakt de eiser van die herstelmogelijkheid geen gebruik en verschijnt de gedaagde niet, dan verleent de rechter geen verstek (art. 121 lid 1 Rv in dagvaardingszaken en art. 121 lid 1 Rv-KEI in digitale vorderingsprocedures). De rechter beveelt de eiser het gebrek (alsnog) te herstellen door middel van een herstelexploot (art. 121 lid 2 Rv en art. 121 lid 2 Rv-KEI).
2.29
Alleen indien aannemelijk is dat het exploot van dagvaarding of het exploot van betekening van het oproepingsbericht de verweerder als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt, spreekt de rechter de nietigheid van het exploot uit (art. 121 lid 3 Rv en art. 121 lid 3 Rv-KEI). Een beroep op nietigheid van het exploot door een in het geding verschenen gedaagde, wordt verworpen indien het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad (art. 122 lid 1 Rv en art. 122 lid 1 Rv-KEI). Doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of een exploot van betekening van een oproepingsbericht wegens een daaraan klevend gebrek nietig moet worden verklaard, is dus het verdedigingsbelang van de gedaagde.
2.30
Art. 66 lid 1 Rv en art. 122 lid 1 Rv berusten volgens de Hoge Raad op hetzelfde beginsel, namelijk:37.
“het beginsel dat indien een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan leidt, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is indien en voor zover dat gewenst is in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft (Memorie van Toelichting op art. 66 (1.6.20) Rv., Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 76). Daarvan is sprake ingeval degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd.”
2.31
De benadelingstoetsing, die doorslaggevend is bij het al dan niet aannemen van nietigheid van het exploot, moet dus plaatsvinden met inachtneming van de beschermingsstrekking van de geschonden norm.
2.32
Als op de voet van art. 47 lid 1 Rv exploot is gelaten in een gesloten envelop terwijl niet gebleken is dat voldaan is aan het vereiste dat geen afschrift kon worden gelaten aan één van de in art. 46 lid 1 Rv bedoelde personen, en verweerder verschijnt niet in het geding, dan lijdt het exploot in beginsel aan een gebrek dat nietigheid meebrengt en kan geen verstek worden verleend. De rechter moet dan gelegenheid bieden voor een herstelexploot op kosten van de eiser (art. 121 lid 2 Rv). In de regel zal er geen aanleiding zijn om aan te nemen dat in de situatie dat betekend is volgens art. 47 lid 1 Rv zonder dat eerst geprobeerd is te betekenen volgens de voorschriften van art. 46 lid 1 Rv, het exploot verweerder ten gevolge van dit gebrek niet heeft bereikt, zodat er in beginsel geen reden is om de nietigheid van het exploot uit te spreken (art. 121 lid 3 Rv voor dagvaardingsprocedures en art. 121 lid 3 Rv-KEI voor digitale vorderingsprocedures).38.
2.33
Aan de orde is thans of de betekening zoals die in deze zaak heeft plaatsgevonden, door achterlating van het exploot in een gesloten envelop in de brievenbus, zonder dat geprobeerd is in persoon te betekenen, een gebrek aan het exploot van betekening van het oproepingsbericht oplevert, gegeven de huidige Corona-crisis. Als dat niet het geval is, moet worden beoordeeld of gelegenheid moet worden gegeven voor het uitbrengen van een herstelexploot.
RIVM-adviezen in verband met Covid-19 virus
2.34
De op de website van het RIVM geplaatste adviezen in verband met het Covid-19 virus houden onder meer het volgende in:39.
“Wat kan ik doen om verspreiding van het nieuwe coronavirus te voorkomen?
o Blijf zoveel mogelijk thuis.
o Ontvang zo min mogelijk bezoek (maximaal 3 bezoekers) en
o Houd dan 1,5 meter afstand tot elkaar.
o Ga alleen naar buiten als dat nodig is.
(…)
o Zorg voor goede hygiënemaatregelen:
o Was je handen 20 seconden lang met water en zeep, daarna handen goed drogen
(…)
o Schud geen handen
o Houd 1,5 meter afstand (2 armlengtes) van anderen
o Dit geldt voor iedereen, bijvoorbeeld op straat, in winkels, met collega’s, behalve thuis en binnen het gezin/huishouden.
Door 1,5 meter afstand te houden is de kans kleiner dat mensen elkaar besmetten.”
En op de website van de Rijksoverheid:40.
“Wat betekent ‘afstand houden’?
Afstand houden betekent dat u minstens 1,5 meter uit elkaar staat. Zo kunt u uzelf en anderen beschermen tegen infectie met het coronavirus. Door hoesten en niezen komen kleine druppeltjes met het coronavirus in de lucht. De druppels komen zelden verder dan 1,5 meter. Als u dichterbij staat kunt u deze druppeltjes inademen en besmet raken. Als u deze afstand in acht neemt kunt u nog boodschappen doen, wandelen, fietsen en eten afhalen.”
2.35
Uit deze informatie leid ik af dat de reden om minstens 1,5 meter afstand te houden tot andere mensen erin gelegen is dat op die afstand hoest- en niesdruppeltjes van een besmet persoon zelden kunnen worden ingeademd.
Standpunten Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG)
2.36
In een document getiteld ‘KBvG adviezen aan de gerechtsdeurwaarders’ van 23 maart 2020 is onder meer het volgende te lezen:41.
“De Corona‐uitbraak heeft gevolgen voor ons allemaal. De overheid legt maatregelen op die diep ingrijpen in het dagelijks leven. Ook de gerechtsdeurwaarders moeten in deze uitzonderlijke situatie het belang van de volksgezondheid voorop stellen. Daarom heeft de KBvG de volgende maatregelen afgekondigd.
‐ (…)
‐ (…)
- Bij het betekenen van gerechtelijke stukken moet fysiek contact zoveel mogelijk worden voorkomen.
(…)
De gerechtsdeurwaarders hebben een werkwijze ontwikkeld voor het in persoon overhandigen van dagvaardingen en andere zogenaamde exploten. Ook bij deze handelingen is het lastig social distancing in acht te nemen. De gerechtsdeurwaarders nemen de RIVM‐richtlijnen in acht en zo nodig wordt het exploot in de brievenbus gelaten. De gebruikelijke toelichting wordt dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail verstrekt. De beroepsgroep vertrouwt erop dat rechters deze werkwijze t.z.t. coulant zullen benaderen.
(…)”
2.37
Kennelijk hebben deurwaarders ervoor gekozen om de door de KBvG geadviseerde werkwijze te volgen en worden op dit moment exploten op de voet van art. 47 lid 1 Rv door de brievenbus gedaan. Het is mij niet bekend of alle deurwaarders dit doen en ook niet of zij er steeds voor kiezen deze werkwijze te volgen, of in welke gevallen zij dat wel of niet doen. In ieder geval is wel te constateren dat er ook nog steeds exploten in persoon worden betekend.42.
2.38
Ik merk nog op dat in het KBvG-advies staat dat het exploot zo nodig in de brievenbus wordt gelaten. Wanneer dit aan de orde is, is verder niet toegelicht.
2.39
Eveneens op 23 maart 2020 heeft de KBvG een brief gezonden aan de vaste Kamercommissies voor J&V en SZW waarin, voor zover van belang, het volgende staat:43.
“De Corona‐uitbraak heeft gevolgen voor ons allemaal. De overheid legt maatregelen op die diep ingrijpen in het dagelijks leven. Ook de gerechtsdeurwaarders moeten in deze uitzonderlijke situatie het belang van de volksgezondheid voorop stellen. Daarom kondigt de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders, de KBvG, de volgende maatregelen af.
‐ (…)
‐ (…)
‐ Bij het betekenen van gerechtelijke stukken moet fysiek contact zoveel mogelijk worden voorkomen
(…)
De KBvG heeft een werkwijze ontwikkeld voor het in persoon overhandigen van dagvaardingen en andere zogenaamde exploten. Ook bij deze handelingen is het lastig social distancing in acht te nemen. De gerechtsdeurwaarders nemen de RIVM‐richtlijnen in acht en zo nodig wordt het exploot in de brievenbus gelaten. De gebruikelijke toelichting wordt dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail verstrekt. De beroepsgroep vertrouwt erop dat rechters deze werkwijze t.z.t. coulant zullen benaderen.”
2.40
Verder is de KBvG de campagne “Bellen is oplossen” gestart. Op de website van de KBvG is het volgende te lezen over deze campagne:44.
“Over de campagne ‘bellen is oplossen’
Door het coronavirus raken veel mensen hun baan kwijt en komen ondernemers in de problemen door weggevallen inkomsten. Dat vergroot de kans groot dat zij in de financiële problemen terechtkomen.
Via de campagne ‘bellen is oplossen’ willen we mensen stimuleren om op tijd te bellen met de gerechtsdeurwaarder, wanneer zij van hem of haar een brief ontvangen over een onbetaalde rekening. Deurwaarders zijn er namelijk ook om te helpen bij het voorkomen van nieuwe schulden. Door de situatie samen te bespreken helpen ze het probleem op te lossen!”
2.41
Met deze campagne wordt dus getracht mensen te stimuleren om na ontvangst van een aanmaning tot betaling telefonisch contact op te nemen met de deurwaarder.
2.42
Ik heb telefonisch navraag gedaan bij de voorzitter van de KBvG over de achtergrond van de adviezen van de KBvG. Daaruit kwam het volgende naar voren. Een deurwaarder weet nooit wie hij achter de voordeur zal aantreffen. Daarom wordt het als een groot risico gezien om aan te bellen, de envelop op de grond te leggen en vervolgens zelf naar achteren te stappen (de werkwijze van bijvoorbeeld pakket- en maaltijdbezorgers). Er moet namelijk steeds rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat degene die de deur opent, vervolgens naar voren stapt en op die manier toch dichter bij de deurwaarder komt dan de door het RIVM geadviseerde 1,5 meter. Maar anders dan ik veronderstelde, gaat het niet om het specifieke gevaar van het spugen naar de deurwaarder door degene voor wie het exploot is bestemd; het gaat om het risico dat de ontvanger van het exploot naar de deurwaarder toe loopt. Daarbij wees de voorzitter van de KBvG erop dat, anders dan geldt voor een pakket- of maaltijdbezorger, de ontvanger in het algemeen niet blij is met de uitreiking van een exploot door een deurwaarder. Deurwaarders moeten rekening houden met onvoorspelbaar gedrag van de ontvanger en hebben regelmatig te maken met agressie. Als een deurwaarder besmet zou raken met het virus, zou dat bovendien aanzienlijke risico’s op verdere verspreiding met zich brengen; een deurwaarder belt dagelijks bij zo’n veertig tot vijftig personen aan.
2.43
Verder vertelde de voorzitter mij het volgende. De normale gang van zaken is dat de deurwaarder bij de uitreiking van een exploot betrokkene mondeling een toelichting geeft. Nu dat niet mogelijk is als niet wordt aangebeld, wordt zoveel mogelijk getracht om telefonisch contact te leggen met degene voor wie het exploot is bestemd. De informatie kan dan telefonisch worden doorgegeven. Nodig is dan wel dat de deurwaarder over een telefoonnummer beschikt. Ook wordt bij het afschrift van het exploot soms een begeleidend briefje gevoegd ten behoeve van degene voor het exploot is bestemd. Op dit punt is geen sprake van een uniforme werkwijze; de individuele deurwaarder bepaalt zelf wat hij doet om informatie te verschaffen aan degene voor wie het exploot is bestemd. Als wel zou worden aangebeld, zou het geven van een mondelinge toelichting op 1,5 meter afstand van de voordeur inbreuk kunnen maken op de privacy van degene voor wie het exploot is bestemd.
Feitenrechtspraak
2.44
De rechtbank Amsterdam heeft in een tweetal uitspraken geoordeeld dat de door de KBvG geadviseerde wijze van betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv niet zonder meer kan worden aanvaard. In een uitspraak van 7 april 2020 is het volgende overwogen:45.
“De dagvaarding vermeldt dat in verband met het coronavirus is betekend op de manier als omschreven in artikel 47 lid 1 Rv. In de dagvaarding is geen afdoende toelichting gegeven waarom in deze zaak de noodzaak daartoe aanwezig was en waarom dus niet is betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 46 lid 1 Rv. Daarom is sprake van een gebrek in de betekening dat nietigheid meebrengt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door de regering uitgevaardigde maatregelen in verband met het coronavirus op zichzelf niet beletten dat een exploot in persoon of aan een huisgenoot wordt betekend (artikel 46 lid 1 Rv). Onder bijzondere omstandigheden kan daartoe wel een belemmering aanwezig zijn, maar deze feitelijke omstandigheden zullen op grond van artikel 47 lid 1, laatste volzin, in het exploot moeten worden vermeld.
Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Eisende partij dient gedaagde partij, onder meebetekening van dit vonnis en aanhechting aan het exploot van de eerder uitgebrachte dagvaarding, opnieuw op te roepen en wel voor de zitting van dinsdag 12 mei 2020 te 10:00 uur, onder aanzegging dat zal worden voortgeprocedeerd op de oorspronkelijke dagvaarding. Bij het uitbrengen van het herstelexploot dient eisende partij de wettelijke dagvaardingstermijn in acht te nemen.”
Een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2020 bevat gelijkluidende overwegingen.46.
2.45
De uitspraken houden dus in dat de deurwaarder moet motiveren waarom in een concreet geval betekening in persoon niet mogelijk is, en wordt gekozen voor betekening op de voet van art. 47 lid 1 Rv. Deze feitelijke omstandigheden moeten in het exploot worden vermeld. Een standaardtekst ‘dat niet in persoon kan/mag worden betekend’, volstaat dus niet volgens de rechtbank. Verder is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde gebrek in de naleving van de betekeningsvoorschriften kan worden hersteld. Eiser wordt dan ook in de gelegenheid gesteld een herstelexploot te doen uitbrengen.
2.46
Volgens de voorzitter van de KBvG, met wie ik telefonisch contact heb gehad, hebben de andere tien rechtbanken wel geaccepteerd dat dagvaardingsexploten worden betekend op de voet van art. 47 Rv, zonder dat eerst is getracht in persoon te betekenen en zonder dat is toegelicht waarom betekening in persoon niet mogelijk is.
Kamervragen en wetsvoorstel
2.47
Op 24 maart 2020 is door leden van de vaste Kamercommissie J&V de minister voor Rechtsbescherming gevraagd te reageren op de brief van de KBvG van 23 maart 2020.47.
2.48
In een brief van 17 april 2020 heeft minister Dekker het volgende geschreven (mijn onderstrepingen):48.
“(…)
Reactie op de brief van de KBvG
Naast het verzoek om te reageren op de berichtgeving over het opstellen van een testament via digitale en audiovisuele middelen heeft u mij verzocht te reageren op de brief van de Koninklijke Beroepsorganisatie Gerechtsdeurwaarders (KBvG) van 23 maart 2020. De coronacrisis raakt ook het ambtelijk werk van de gerechtsdeurwaarder. (…)
Ten slotte wil ik nog ingaan op de werkwijze die de KBvG in haar brief beschrijft voor het betekenen van dagvaardingen en andere zogenaamde exploten. Om zo veel mogelijk bij de betekening van stukken conform de RIVM–richtlijnen social distancing in acht te nemen, zullen exploten als dat niet anders kan in de brievenbus worden gelaten. De beroepsgroep maakt met deze wijze van betekenen gebruik van de mogelijkheid die artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering biedt in gevallen waarin betekening door overhandiging in persoon (art 46 Rv) feitelijk onmogelijk is. De gebruikelijke aanvullende toelichting verstrekt de gerechtsdeurwaarder dan via alternatieve contactvormen als telefoon of mail. Daar waar de gerechtsdeurwaarder beschikt over de contactgegevens, doet de gerechtsdeurwaarder dit op eigen initiatief. Daarnaast – en ook daar waar de gegevens niet voorhanden zijn – doet de KBvG er nu alles aan om schuldenaren te stimuleren vooral contact op te nemen. Ik noemde hiervoor al de campagne «bellen is oplossen».49. De KBvG laat weten dat hieraan op grote schaal gehoor wordt gegeven. Om misverstanden te voorkomen wordt benadrukt dat, waar mogelijk, nog steeds «in persoon» wordt betekend, zo verzekert de KBvG mij, bijvoorbeeld in geval van rechtspersonen en/of advocatenkantoren die nog een geopende balie hebben. Inmiddels heb ik kennisgenomen van de vorige week gepubliceerde uitspraken van kantonrechters te Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2020:2153) en (ECLI:NLRBAMS:2020:2229). Daarin stellen de kantonrechters de bijzondere omstandigheden waaronder een belemmering daartoe aanwezig kan zijn, voorop. De KBvG gaat er vanuit dat bij de betekening aan een huisadres van een natuurlijk persoon die bijzondere omstandigheden door de maatregelen van het RIVM zich steeds zullen voordoen. Het gaat daarbij vooral om de combinatie tussen het verplicht afstand houden en de instructie die de deurwaarder geacht wordt te geven bij het uitreiken van het exploot. Over de reikwijdte van het voorschrift dat de deurwaarder in het exploot de reden van de feitelijke onmogelijkheid vermeldt, zijn de KBvG en de rechtspraak nog met elkaar in gesprek. Bij de betekening van exploten, waaraan de wet rechtsgevolgen verbindt voor bijvoorbeeld het verlenen van verstek of het stuiten van verjaring, is het voor justitiabelen en voor de beroepsgroep van groot belang dat er zekerheid bestaat over de rechtsgeldigheid van een betekening. Ik acht het in het algemeen belang van de volksgezondheid – voorkomen van besmettingen –, de continuïteit van de wezenlijke toegang tot het recht gedurende de coronacrisis en de rechtszekerheid dat voor deurwaarders duidelijk is wat in het relaas van de betekening moet staan. Voor een aantal losse punten van verschillende departementen is op dit moment een tweede spoedwet in voorbereiding. Van de gelegenheid wordt gebruikt gemaakt om daarin ook dit punt mee te nemen, door te regelen dat van een «feitelijke onmogelijkheid» in de zin van artikel 47 Rv om in persoon te betekenen steeds sprake is zolang de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand moet worden gehouden. Dit betekent dat de deurwaarder niet steeds eerst hoeft aan te bellen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De inschatting van de situatie of zonder gevaar voor besmetting en met inachtneming van de RIVM-richtlijnen in persoon kan worden betekend, wordt overgelaten aan de deurwaarder.”
2.49
Uit deze brief blijkt dus dat gestreefd wordt naar wetgeving waarin wordt geregeld dat zolang de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand moet worden gehouden, de deurwaarder mag betekenen op de voet van art. 47 lid 1 Rv en een afschrift van het exploot in een gesloten envelop door de brievenbus kan doen. Anders dan in de wet staat, hoeft de deurwaarder niet eerst te proberen om op de voet van art. 46 lid 1 Rv in persoon te betekenen. Het wordt overgelaten aan de deurwaarder om in te schatten of (toch) in persoon kan worden betekend.
2.50
Verder blijkt uit de brief dat de KBvG heeft gezegd dat bij een kantoorbetekening op de voet van art. 63 Rv wel in persoon zal worden betekend (ik neem aan: indien mogelijk).
2.51
Uit informatie die op 24 april 2020 op de website van de Rijksoverheid is geplaatst, blijkt dat voor de bedoelde spoedwet inmiddels een conceptwetsvoorstel voor advies naar de Raad van State is gezonden:50.
“Deurwaarders mogen tijdelijk stukken afgeven via brievenbus
Nieuwsbericht | 24-04-2020 | 16:00
Gerechtsdeurwaarders mogen gedurende de coronacrisis hun stukken afgeven door deze in iemands brievenbus te doen, zonder dat het ten koste gaat van de rechtsgeldigheid van deze stukken. De Rijksministerraad heeft op voorstel van minister Dekker voor Rechtsbescherming ingestemd met deze maatregel die via een spoedwet wordt ingevoerd.
Deurwaarders hoeven niet steeds eerst aan te bellen om hun stukken – de zogenoemde exploten, bijvoorbeeld een dagvaarding of een vonnis – aan iemand persoonlijk in handen te geven, als zij oordelen dat dit door de RIVM-richtlijnen niet verantwoord en zonder besmettingsgevaar kan.
Gezien de rechtsgevolgen die de wet aan het ‘betekenen’ van de exploten verbindt, is het zowel voor personen voor wie het stuk bestemd is als voor deurwaarders van groot belang dat er zekerheid bestaat over de rechtsgeldigheid van deze manier van stukken overhandigen.
De Rijksministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State van het Koninkrijk te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State van het Koninkrijk worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.”
2.52
De precieze inhoud van het concept-wetsvoorstel is mij niet bekend.
Beschouwing
2.53
2.54
Naar mijn mening kan niet worden gezegd dat op dit moment, als gevolg van het Covid-19 virus, per definitie geldt dat betekening op de voet van art. 46 lid 1 Rv niet mogelijk is. Zoals gezegd is dat trouwens ook niet het advies van de KBvG. Dat luidt immers dat een exploot zo nodig in de brievenbus wordt gelaten (zie onder 2.36- 2.38).
2.55
Uit de RIVM-richtlijnen volgt weliswaar dat geadviseerd wordt 1,5 meter afstand te houden tot andere mensen, maar ook met inachtneming van dit advies zou het in beginsel mogelijk moeten zijn voor de deurwaarder om bij iemand aan te bellen, het exploot voor de deur op de grond te leggen, naar achteren te stappen (zekerheidshalve enkele meters), af te wachten of er wordt opengedaan en ten slotte af te wachten of degene voor wie het exploot is bestemd het exploot van de grond oppakt en in ontvangst neemt.
2.56
Dit is ook de werkwijze die op dit moment wordt gehanteerd door pakketbezorgers, maaltijdbezorgers, boodschappendiensten en ieder ander die genoodzaakt is bij een ander aan te bellen. Zie bijvoorbeeld wat er is vermeld op de website van Post NL over de huidige werkwijze:51.
“Corona en onze bezorging
Het coronavirus houdt ons allemaal bezig. De gezondheid en veiligheid van onze medewerkers, klanten en partners staan voorop. Daarom houden we de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. We hebben maatregelen getroffen waar dat nodig is en volgen daarbij de algemene richtlijnen en aanwijzingen van het RIVM en andere autoriteiten.
Bezorging
Het bezorgen van post, pakketten en andere zendingen is in deze moeilijke omstandigheden belangrijk voor het maatschappelijk verkeer. Zolang dat veilig en gezond kan, blijven we op verantwoorde wijze bezorgen. Volgens het RIVM is de kans klein dat je ziek wordt als je spullen of oppervlakken aanraakt of vastpakt, zoals post of pakketten. Ze geven aan dat de kans nog kleiner wordt als je regelmatig de handen wast en voorkomt dat je na het aanraken met de handen in het gezicht komt. Zie ook de informatie op de website van het RIVM.
Toename post en pakketten
Online bestellen is tijdens de coronacrisis een veilige en makkelijke manier om producten in huis te halen. De hoeveelheid pakketten en brievenbuspakjes die we verwerken is daarom enorm toegenomen. Dat geldt ook voor de hoeveelheid post. Hierdoor kan de bezorging wat later zijn dan je van ons gewend bent. Dat geldt ook voor internationale zendingen. We vragen hiervoor begrip.
Hoe wij werken
We volgen de RIVM-richtlijnen en nemen hygiënemaatregelen om verdere verspreiding van het virus te voorkomen. We zorgen ervoor dat onze medewerkers weten wat ze moeten doen om gezond te blijven en zo hygiënisch mogelijk te werken. We bezorgen al onze zendingen contactloos en houden 1,5 meter afstand. Bekijk de video om te zien hoe het contactloos bezorgen werkt. Bekijk ook het overzicht van onze maatregelen om veilig te werken tijdens de coronacrisis.
We bezorgen al onze zendingen contactloos en houden 1,5 meter afstand. Bekijk de video om te zien hoe het contactloos bezorgen werkt.
(…)”
Op de in het citaat genoemde video is te zien hoe een postbezorger aanbelt, een pakket op de stoep legt en vervolgens op enige afstand van de voordeur gaat staan in afwachting van het openen van de deur.
2.57
Naar mijn mening kan in beginsel ook van de deurwaarder worden gevergd dat een dergelijke handelwijze wordt gevolgd. Dat sluit aan bij wat er in andere beroepsgroepen wordt gedaan en levert naar de huidige inzichten geen reëel risico op besmetting op. Hierbij merk ik op dat een risico op besmetting niet reeds ontstaat op het moment dat degene die de deur opent naar de deurwaarder toeloopt, maar (pas) wanneer deze persoon óók gaat hoesten, niesen of spugen in het gezicht van de deurwaarder.
2.58
Ik realiseer mij dat deurwaarders meer risico lopen op een agressieve bejegening dan andere personen die zich aan de voordeur melden, zoals postbezorgers. In dit opzicht bevinden deurwaarders zich in een positie die enigszins vergelijkbaar is met die waarin politieagenten of boa’s zich bevinden, of, zij het op een wat andere manier, met die waarin personeel in zorginstellingen (psychiatrie, psychogeriatrie) of een penitentiaire inrichting of een azc verkeert. Dat zal wellicht een reden zijn voor deurwaarders om veiligheidshalve steeds méér dan de 1,5 meter afstand aan te houden. Ook zou de deurwaarder een mondkapje kunnen opdoen. Als ik de adviezen van het RIVM goed begrijp, is dat een zinvolle manier voor mensen om zich te beschermen, zij het dat er op deskundige wijze mee moet worden omgegaan en dat mondkapjes vanwege een schaarste probleem niet aan iedereen ter beschikking kunnen worden gesteld.52.
2.59
In de brief van de Minister genoemd onder 2.43 wordt overigens niet gerefereerd aan mogelijk agressief gedrag van personen aan wie de deurwaarder een exploot moet uitbrengen.
2.60
Dit leidt mij tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat er onder de huidige omstandigheden bij de betekening aan een huisadres van een natuurlijk persoon vanuit moet worden gegaan dat steeds voldaan is aan de voorwaarde van art. 47 lid 1 Rv, omdat betekening van het exploot in persoon niet mogelijk is. Met inachtneming van risicobeperkende maatregelen als hiervoor vermeld, kan naar mijn mening ook onder de huidige omstandigheden in beginsel van de deurwaarder worden gevergd dat hij eerst probeert om een exploot in persoon te betekenen. Er is onvoldoende reden om aan te nemen dat in de huidige omstandigheden steeds sprake is van een feitelijke onmogelijkheid om op de voet van art. 46 lid 1 Rv in persoon te betekenen (zolang de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand moet worden gehouden).
2.61
Hierbij is nogmaals op te merken dat het geen twijfel lijdt dat een betekening in persoon méér waarborgen biedt dat het exploot degene voor wie het bestemd is daadwerkelijk bereikt, dan wanneer het exploot in een gesloten envelop door de brievenbus wordt gedaan. Dit geldt nog meer voor woningen waarin achter één voordeur meerdere personen wonen.
2.62
Voor de volledigheid merk ik op dat zich ook niet voordoet dat de deurwaarder een exploot niet in persoon mag betekenen. Dat dat zich naar het standpunt van de deurwaarder wellicht voordoet, is af te leiden uit de standaardtekst die op exploten is afgedrukt (mijn onderstreping): “… omdat ik in verband met de door de overheid afgekondigde maatregelen in verband met het zgn. corona virus (covid-19) geen contact heb kunnen/mogen zoeken met iemand aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten).
2.63
Dit alles laat onverlet dat in een concrete situatie wél aan de orde kan zijn dat het niet verantwoord is voor de deurwaarder om in persoon te betekenen, omdat dat – gelet op het Covid-19 virus – meer of andere risico’s met zich meebrengt dan hiervoor omschreven. In dat geval zal de deurwaarder in het exploot moeten vermelden dat en waarom dat het geval is (zie hiervoor onder 2.20-2.24). Dit is ook de benadering van de rechtbank Amsterdam in de hiervoor besproken uitspraken.
2.64
Ik merk nog op dat het geven van mondelinge informatie aan degene voor wie het exploot is bestemd bij het aanbieden van het exploot, niet de ratio is van de in Rv opgenomen betekeningsvoorschriften. Die ratio is, zoals gezegd, dat zoveel mogelijk wordt bereikt dat het exploot daadwerkelijk degene bereikt voor wie het exploot is bestemd. Dit betekent dat de omstandigheid dat het (in verband met de privacy van betrokkene) in de huidige omstandigheden niet mogelijk zou zijn voor de deurwaarder om op een veilige afstand van de deur mondeling informatie te verschaffen, naar mijn mening verder niet relevant is.
2.65
De informatieplicht van de deurwaarder berust op art. 7 van de Verordening ‘Normen voor Kwaliteit’ van de KBvG.53.De deurwaarder kan ook aan die informatieplicht voldoen door op andere wijze informatie te verstrekken, zoals kennelijk in de huidige omstandigheden ook door de KBvG wordt voorgestaan (zie onder 2.38).
2.66
De slotsom is dat in het onderhavige geval niet op juiste wijze toepassing is gegeven aan de betekeningsvoorschriften van Rv, omdat betekend is op de voet van art. 47 lid 1 Rv zonder dat vaststaat dat de deurwaarder aan geen van de in art. 46 lid 1 Rv genoemde personen afschrift kon laten van het exploot. Dit betekent dat geen verstek kan worden verleend tegen verweerders (art. 121 lid 1 Rv-KEI).
2.67
Het geconstateerde gebrek is vatbaar voor herstel, nu niet aannemelijk is dat het exploot van betekening van het oproepingsbericht verweerders als gevolg van het gebrek niet heeft bereikt. Derhalve dient op de voet van art. 121 lid 2 Rv-KEI gelegenheid te worden geboden voor herstel van het gebrek.
2.68
Daarbij dient ook nog aandacht te worden besteed aan enkele andere punten.
2.69
In de eerste plaats zal het herstelexploot de juiste achternaam van verweerster sub 2 moeten vermelden. In het uitgebrachte exploot is dat een andere naam dan vermeld is in de procesinleiding en het bestreden vonnis. Onduidelijk is welke achternaam de juiste is.54.
2.70
In de tweede plaats zal het herstelexploot een doorlopende en aansluitende tekst moeten bevatten. Het exploot zoals dat op 9 april 2020 door de cassatieadvocaat via het digitale portaal en per post ter griffie van de Hoge Raad is ingediend, telt – zowel in de digitale als de originele, per post ingediende versie – twee pagina’s. De tekst op de eerste pagina wordt afgebroken na “BETEKEND (…) het oproepingsbericht van 25 maart 2020 van de griffier van de Hoge Raad (…),alsmede de daarbij behorende procesinleiding van 24 maart 2020, (…), waarin beroep in cassatie is ingesteld tegen het door de Rechtbank Noord-”. Daarna volgt een tweede pagina die begint met “Totaal € 105,03”, waarna een verklaring over ‘de bijkomende kosten (verschotten) en de btw’ en de handtekening van de deurwaarder volgen. De tekst op de eerste en de tweede pagina sluiten dus niet op elkaar aan.
2.71
Na constatering van deze onvolkomenheid, is door de griffie van de Hoge Raad op 30 april 2020 telefonisch contact opgenomen met de cassatieadvocaat. De door de cassatieadvocaat vervolgens ingediende scan van het exploot, die ook twee pagina’s telt, heeft wel een doorlopende tekst, maar de tekst op de tweede pagina van dit exploot komt niet overeen met de tekst op de tweede pagina van het exploot dat op 9 april 2020 is binnengekomen.
2.72
Als er toch een herstelexploot moet worden uitgebracht, kan ook deze discrepantie worden hersteld door het uitbrengen van een op dit punt volledig herstelexploot.
2.73
Ten slotte merk ik nog het volgende op. Als de Hoge Raad mijn advies zou volgen, ligt het in de rede dat in het belang van de rechtszekerheid een regel van overgangsrecht wordt getroffen. Die regel zou kunnen inhouden dat de beslissing van de Hoge Raad geen gevolgen heeft voor de geldigheid van exploten die voor de uitspraak reeds zijn betekend.55.Hierbij is aan te tekenen dat de voorschriften voor exploten, neergelegd in de artikelen 45-66 Rv, gelden voor alle exploten (zie onder 2.3).
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het bieden van de mogelijkheid van het uitbrengen van een herstelexploot.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑05‑2020
Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, sector kanton, locatie Assen, 24 december 2019 (zaak-/rolnummer 6492191 \ CV EXPL 17-8013).
Zie nader Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/221.
HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052.
Dit is af te leiden uit HR 12 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC2296, NJ 1979/290, m.nt. W.H. Heemskerk (Bosschart/De Jong c.s.).
J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 240; J. Nijenhuis e.a., Openbare exploten en ambtelijke publicaties (preadvies KBvG), 2011, p. 13 en 22.
De betekeningsvoorschriften moeten voldoen ‘aan de behoeften van de praktijk’, zie onder meer Kamerstukken II, 1982-1983, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 1.
Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/5.4.1.
Aldus (toegespitst op exploten van dagvaarding) HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1929 (Big Apple/Ontvanger), rov. 3.4.2.
Zie HR 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1929 (Big Apple/Ontvanger), rov. 3.4.7.
J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 256.
Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/5.4.1.
Het woonplaatsbegrip van art. 47 Rv heeft betrekking op hetzij de woonplaats ex art. 1:10 BW hetzij de gekozen woonplaats (art. 1:15 BW). Zie A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 1 jo. art. 46 Rv (2020), aant. 2b alsmede A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 2 jo. art. 46 Rv (2020), aant. 4 en 6. Zie over het woonplaatsbegrip in art. 46 en 47 Rv uitvoerig mijn conclusie voor HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, onder 4.1-4.13.
Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (wetsvoorstel 26 855), in werking getreden op 1 januari 2002.
Kamerstukken II, 1982-1983, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 8. De eveneens in 1985 ingevoerde mogelijkheid om een exploot te betekenen aan het kantooradres van de advocaat bij wie degene voor het exploot is bestemd laatstelijk woonplaats heeft gekozen (art. 63 Rv), had ook tot doel om een grotere waarborg te scheppen dat de dagvaarding ook werkelijk tijdig degene bereikt, voor wie zij is bestemd. Zie Kamerstukken II, 1982/83, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 12 en HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9611, NJ 2003/568.
J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 252.
J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 252. Vgl. ook reeds onder het oude recht Van Rossem/Cleveringa I (1972), art. 2, aant. 3; M. Teekens, De deurwaarder, Leiden 1964, p. 98 met historische verwijzingen.
W. Heemskerk en K. Teuben, Hugenholtz/Heemskerk. Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht 2018/53.
Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/136.
Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2018/5.4.
Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p 202.
J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 254.
Kamerstukken II, 1982-1983, 18 052, nr. 3 (MvT), p. 9.
A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 47 Rv (2020), aant. 5. Zie ook A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 61 Rv (2013), aant. 3. Voorts J.H. Rutten, ‘Betekenen van exploten’, in: S.J.W. van der Putten en M.R. van Zanten (red.), Compendium Beslag- en executierecht, Den Haag 2018, p. 239-291, p. 259.
M. Teekens, De deurwaarder, Leiden 1964, p. 105.
Zie in dit verband een tuchtuitspraak van de Kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam van 24 januari 2017, ECLI:NL:TGDKG:2017:7. In het geval dat daar aan de orde was, had de deurwaarder in het exploot van betekening verklaard dat hij niemand had aangetroffen. Uit beelden van een op de voordeur gerichte bewakingscamera bleek echter dat de deurwaarder een brief in de brievenbus stopt en weer wegloopt.
Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht 2002, p 216.
Zie bijv. A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 66 Rv (2020), aant. 1; A. Knigge en M. Zilinsky, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 7; en A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 46 Rv (2020), aant. 2g (m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 46 Rv). Zie voorts bijv. HR 23 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3980, NJ 2001/693 (Van Goozen/Verhoef c.s.), rov. 2.3 (m.b.t. het betekeningsvoorschrift van art. 63 Rv).
Zie voor een toepassing bijvoorbeeld HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8362, NJ 2003/469 (Solleveld/G.M.L. c.s.), rov. 2.2-2.3; en HR 28 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF5283, NJ 2009/514, m.nt. H.J. Snijders (Bogers/Prop), rov. 2. Zie voorts bijv. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 120 Rv (2019), aant. 6.
HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2593, NJ 2007/118 (X./Ontvanger), rov. 3.5.3.
Het document is te vinden op de website van de KBvG, https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.
Dat leid ik af uit de exploten van betekening van een oproepingsbericht, zoals die zijn ingediend bij de Hoge Raad.
Het document is te vinden op de website van de KBvG, https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.
Rb. Amsterdam 7 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2153.
Rb. Amsterdam 8 april 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:2229.
Zie https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2020Z05560&did=2020D11572 (documentnr. 2020D11572). Zie ook https://www.kbvg.nl/8155/coronavirus.html.
Brief minister Dekker van 17 april 2020, Kamerstukken II 2019-2020, 29 279, nr. 587.
In de tekst wordt verwezen naar www.bellenisoplossen.nl.
Verordening KBvG Normen voor Kwaliteit van 31 maart 2010, Stcrt. 2010 nr. 4928.
Deze onduidelijkheid wordt versterkt door een door de cassatieadvocaat overgelegd exploot van betekening van (Griekse vertalingen van) de grosse van een verstekvonnis van de rechtbank Noord-Nederland (locatie Assen) van 27 september 2016, gewezen tussen verweerders in cassatie als eisers en eiseres tot cassatie als verweerster, en “een afschrift van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 1 december 2016, [waarbij] de waarneming van voormeld vonnis als Europese executoriale titel is toegewezen en waaraan is gehecht het formulier “bijlage 1” als bedoeld in art 53 van de Verordening EU 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad d.d. 1 december 2016 afgegeven door de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen”. Zowel het exploot, het verstekvonnis als het genoemde formulier vermelden ‘ [verweerster 2] ’ als achternaam van verweerster sub 2.
Vgl. HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1052, rov. 3.10.
Beroepschrift 24‑03‑2020
PROCESINLEIDING IN CASSATIE
BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN ALS BEDOELD IN ART. 407 LID 1 (NIEUW) RV
Eiseres tot cassatie is de vennootschap naar buitenlands recht AEGEAN AIRLINES S.A., gevestigd te Kifissia, Griekenland (hierna te noemen: AEGEAN), te dezer zake woonplaats gekozen hebbende te (2514 JL) 's‑Gravenhage aan Alexanderstraat nr. 10, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. Bruning, die eiseres als haar advocaat aanwijzen om in dit geding in cassatie als zodanig op te treden en haar te vertegenwoordigen.
Verweerders in cassatie zijn:
- 1.
de heer [verweerder 1],
- 2.
mevrouw [verweerster 2],
beiden wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan [adres];
die te dezer zake laatstelijk woonplaats hebben gekozen ten kantore van hun gemachtigde uit de vorige instantie mevrouw mr. A.L. Snippe te (1101 EE) Amsterdam aan De Entree nr. 222 (DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.).
Aegean stelt door de indiening van deze procesinleiding, op de voet van art. 407 (nieuw) Rv, cassatieberoep in tegen het door de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, sector kanton, locatie Assen, op 24 december 2019 gewezen en uitgesproken vonnis met nr. 6492191 \ CV EXPL17-8013 in het geding tussen Aegean en verweerders, als oorspronkelijke eisers.
Verweerders in cassatie kunnen (ieder) ten laatste verschijnen op VRIJDAG 24 APRIL 2020, (niet in persoon maar) door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (STCRT. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 (2511 EK) te 's‑Gravenhage.
Essentie van deze zaak in cassatie
In deze, bij de kantonrechter in eerste aanleg gevoegd behandelde luchtvaartzaken zijn aan verweerders1. tickets voor ‘voorgenomen’ chartervluchten van Aegean tussen Nederland (Eelde) en Griekenland (Corfu) verkocht door een voor Aegean onbekende reisorganisatie Hellas Travel B.V. te Geleen (hierna: Hellas). Hellas heeft de door verweerders via haar website gemaakte ‘boekingen’ voor een ‘pakketreis’ bevestigd met door haar zelf, zonder toestemming van Aegean, gefabriceerde boekingbevestigingen en ‘e-tickets’ (waarop niet bestaande vluchtnummers staan vermeld die niet bekend zijn in het reserveringssysteem van Aegean). Vanwege de voor Hellas tegenvallende boekingen heeft zij verweerders en alle overige kopers van haar ‘e- tickets’ bij brief van 13 juli 2015 gemeld dat zij genoodzaakt was om alle bij haar ‘geboekte vluchten’ te ‘annuleren’ wegens stilstand in boekingen en annuleringen door onduidelijkheden en onzekerheden over de financiële situatie van Griekenland in die periode. Daarna is Hellas failliet verklaard.
Verweerders hebben hun vordering tot restitutie van de door hen aan Hellas betaalde ‘ticketprijs’ ingediend2. ter verificatie bij de curator van Hellas, die hun vorderingen voorlopig heeft erkend. In dit geding hebben verweerders vervolgens Aegean als luchtvaartmaatschappij onder Verordening nr. 261/2004 aangesproken tot terugbetaling van deze ‘tickets’ van Hellas en tot compensatie vanwege de ‘annulering van hun vluchten’.
De kantonrechter heeft deze gedingen behandeld samen met andere zaken waarin Hellas gedupeerde kopers vluchten als onderdeel van ‘pakketreizen’ of individuele vluchten verkocht. In die zaken zijn vragen gesteld aan het HvJEU, in welke procedure het Hof in zijn uitspraak van 10 juli 2019 (C-163/18) heeft uitgemaakt, kort gezegd, dat aan die kopers onder Verordening nr. 261/2004 geen recht op restitutie van hun ticketprijs bestaat en zij die terugbetaling niet kunnen vorderen van Aegean als luchtvaartmaatschappij die de vluchten uitvoerde, ook niet omdat Hellas niet over financiële draagkracht beschikte om deze tickets terug te betalen en niet de wettelijk vereiste garantiemaatregelen heeft getroffen om de terugbetaling te verzekeren. In lijn met deze uitspraak van het HvJEU, heeft de kantonrechter vervolgens de vorderingen van verweerders tot restitutie van de ticketprijs afgewezen. De kantonrechter wees daarentegen hun gevorderde compensatie op grond van art. 5 lid 1 onder c in verbinding met art. 7 lid 1 onder b van de Verordening nr. 261/2004 toe.
Omdat in het eindvonnis de kantonrechter het Unierecht onjuist heeft uitgelegd en daarvoor ten onrechte ook niet op de voet van art. 267 derde alinea VWEU prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJEU, wordt eerst in cassatie ervoor gepleit om de cassatiegronden van art. 80 RO uit te breiden zodat de Hoge Raad, in het kader van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling, toezicht kan houden op de juiste uitleg en toepassing van het Unierecht om te voorkomen dat in Nederland kantonrechtspraak zich ontwikkelt die niet strookt met de regels van het Unierecht. Vanwege de appelgrens in art. 332 Rv en beperkte gronden van art. 80 RO kan de kantonrechtspraak nu niet in hoger beroep en in cassatie worden gecontroleerd en zonodig hersteld, wat strijd oplevert met de verplichting van Nederland tot naleving c.q. juiste toepassing van het Unierecht. Naast rechtsklachten over onjuiste uitleg door de kantonrechter van bepalingen in Verordening nr. 261/2004, worden in deze gedingen thans motiveringsklachten aangevoerd over de onbegrijpelijkheid van de vonnissen.
Uitgangspunten en klachten in cassatie
In cassatie kan worden uitgegaan van de door de kantonrechter in rubriek 2 van het vonnis van 24 december 2019 vastgestelde feiten, die zij voor haar beoordeling tot uitgangspunt nam.
Aegean voert op grond van art. 407 lid 2 Rv tegen respectievelijk elk bestreden vonnis aan als
Middel tot cassatie
schending van het recht en/of tot nietigheid leidend verzuim van (wezenlijke) vormen, doordat de kantonrechter heeft overwogen en beslist op de wijze als vermeld in het bestreden vonnis, en op die gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dit vonnis is omschreven, welk dictum als hier herhaald en ingelast moet(en) worden beschouwd, ten onrechte zulks om één of meer van de volgende, voor zover nodig (mede)
IN ONDERLINGE VERBAND EN SAMENHANG te lezen en te beoordelen, redenen.
Vanwege de volgende rechts- en motiveringsklachten kan Aegean zich niet verenigen met wat de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft geoordeeld en, voortbouwend, in het dictum van het vonnis heeft beslist, op de wijze en gronden waarop de kantonrechter heeft gedaan.
Daartoe voert Aegean de volgende twee middelonderdelen aan. Het eerste middelonderdeel strekt ertoe om de in art. 80 RO vermelde cassatiegronden (verder) uit te breiden3. tot klachten over schendingen van het Unierecht in gevallen waar tegen een vonnis van de kantonrechter op de voet van art. 332 lid 1 Rv geen hoger beroep en slechts beperkt cassatieberoep openstaat, zodat de Hoge Raad toezicht kan uitoefenen op de juiste toepassing en volle werking van het Unierecht, door in deze gevallen de beperking in art. 80 van de cassatiegronden van art. 79 RO buiten toepassing te verklaren (art. 93 en 94 Grw) althans als grond voor cassatie te aanvaarden dat het Unierecht is geschonden of dat de kantonrechter heeft verzuimd een voor haar gerezen, voor de beslissing van het geding relevante, vraag over het Unierecht naar het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) te verwijzen overeenkomstig art. 267 derde alinea VWEU waar juiste toepassing van het Unierecht niet zo voor de hand ligt dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan en het Hof de bewuste bepaling(en) van het Unierecht nog niet heeft uitgelegd.
Met de uitbreiding onder art. 80 RO4. kan de Hoge Raad als cassatierechter, rekening houdend met de eigen kenmerken van het Unierecht, controleren of en herstellen dat de uitlegging van het Unierecht zodanige vragen oproept, moeilijkheden oplevert en gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie meebrengt dat het Hof op grond van art. 267 VWEU moet worden verzocht om een prejudiciële beslissing, teneinde het gevaar voor onjuiste uitlegging van het Unierecht af te wenden5. en te voorkomen dat zich nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van het Unierecht strookt.6. Alsdan doet de Hoge Raad wat de kantonrechter had moeten doen. Voorts voert het tweede middelonderdeel diverse motiveringsklachten aan.
ONDERDEEL 1: kantonrechter past het Unierecht onjuist toe en schendt art. 267, derde alinea, VWEU
1
In haar vonnis heeft de kantonrechter om hierna vermelde redenen de Verordening nr. 261/20047. (in de voorliggende gevallen) ten onrechte van toepassing geoordeeld of de verordening onjuist uitgelegd en toegepast c.q. heeft de kantonrechter, in strijd met art. 267 derde alinea VWEU, ten onrechte niet voor de uitlegging van deze verordening zich gewend tot het Hof van Justitie EU om haar de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig had om de voorliggende gedingen te beslechten.
1.1
Immers, anders dan de kantonrechter in de vonnissen vooropstelde en ten onrechte verder tot uitgangspunt van de beoordeling nam,8. is de bedoeling van de Verordening nr. 261/2004 niet alleen om ‘een hoge en effectieve mate van bescherming van de rechten van passagiers te realiseren’. Enerzijds is het algemeen doel van deze verordening om, door een ruime uitlegging van de aan passagiers toegekende rechten, een hoog niveau van bescherming van de passagiers te waarborgen door de overlast en het ongemak voor hen als gevolg van het annuleren van vluchten te verminderen. Volgens de rechtspraak van het HvJEU heeft echter de verordening anderzijds ook als doel, waarmee terdege dient te worden rekening gehouden, ‘het waarborgen van een evenwicht tussen de belangen van passagiers en die van luchtvaartmaatschappijen’ (zie m.n. HvJEU 19 november 2009, C-402/07 en C-432/07, Sturgeon tegen Böck, ECLI:EU:C:2009:716, NJ 2010/137; HvJEU 23 oktober 2012, C-581/10 en C-629/10, Nelson tegen Lufthansa, ECLI:EU:C:2012:657, NJ 2013/4 en HvJEU 12 september 2018, C-601/17, Harms tegen Vueling Airlines, ECLI:EU:C:2018:702). Dit andere doel brengt mee dat, anders dan de kantonrechter tot uitgangspunt nam, ‘de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ in het kader van financiële compensatie en bijstand waarop passagiers recht hebben, in het bijzonder bij annulering van een vlucht, niet in alle gevallen als enige financiële lasten moet dragen. Aldus ging de kantonrechter ten onrechte ervan uit dat de luchtvaartmaatschappij na compensatie van passagiers, ongeacht of zij (al dan niet rechtstreeks) een overeenkomst van vervoer zijn aangegaan, in voorkomende gevallen steeds zelf verhaal moet zoeken bij de reisorganisatie en/of haar contractuele wederpartij (zie hierna SUB 1.2.a en b).
De kantonrechter heeft vorenstaand miskend door te oordelen en hier tot uitgangspunt te nemen dat in het kader van het door de kantonrechter genoemde beschermingsdoel (volledig) is c.q. dient te worden ‘geabstraheerd’ van contractuele rechtsverhoudingen.
1.2
- a.
Daarmee, of daarnaast, heeft de kantonrechter in rov. 4.5 en 4.6 voor beantwoording van de vraag of sprake was van een bevestigde ‘boeking’ in de zin van de definitie van art. 2, onder g, Verordening nr. 261/2004, als ‘het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door de lucht- vaartmaatschappij’, ten onrechte beslissend geacht de door Hellas (niet door Aegean erkende agent) aan verweerders verzonden ‘bevestiging van de boeking en de e-tickets’. Kennelijk en ten onrechte was in de onjuiste uitlegging door de kantonrechter van de bepaling van art. 2 onder g en f niet relevant dat Aegean als luchtvaartmaatschappij de boeking niet zelf aan verweerders heeft bevestigd en Hellas bij de uitgifte van deze ‘e- tickets’ zonder toestemming van Aegean haar logo gebruikte, omdat verweerders een ‘geldig of gelijkwaardig document’ hadden dat door G.S. Charter als ‘door haar erkende agent is (…) toegestaan’, zoals vermeld in art. 2 onder f, en Aegean zich dan er niet op kan beroepen dat de boekingen niet door de juiste partij of op de juiste wijze zijn bevestigd. De kantonrechter heeft vorenstaand miskend en is daarmee uitgegaan van een onjuiste, te ruime, uitlegging c.q. toepassing van art. 2 onder f en onder g van de verordening.
- b.
Bovendien, of althans, heeft de kantonrechter in het kader van de beantwoording van de vraag of verweerders ‘wegens de annulering van zijn vlucht’ Aegean op grond van art. 5, 7 en art. 8 lid 1 Verordening nr. 261/2004 kunnen aanspreken tot compensatie in rov. 4.5 en 4.6 ten onrechte reeds beslissend geacht dat de door verweerders geboekte vlucht niet door Aegean zijn uitgevoerd en blijkens de berichten van Hellas (rov. 2) ‘de vlucht van de passagiers niet is doorgegaan omdat Aegean slechts bereid was deze uit te voeren indien Hellas voordien de vaste vluchtprijs aan haar zou voldoen’. De kantonrechter miskent dat aan het niet uitvoeren van de geplande vluchten vóórafging de ‘annulering’ door Hellas van de door verweerders aan haar betaalde ‘boekingen’ van die vluchten9. en in deze situatie niet kan worden gesproken van een ‘annulering van een vlucht’ (in de zin van art. 1 onder 1 en art. 5 lid 3 van de verordening) door Aegean als luchtvaart- maatschappij, die aan verweerders recht geeft op compensatie onder art. 5 en 7 en op terugbetaling van tickets onder art. 8 lid 1 onder a van de verordening. Hieraan doet niet af dat na deze ‘annulering’ van de boekingen door Hellas Aegean heeft besloten om de (charter)vluchten niet (meer) uit te voeren.
1.3
- a.
Daarmee, of daarnaast, heeft de kantonrechter in de vonnissen ten onrechte op grond van art. 5, 7 en art. 8 lid 1 onder a Verordening nr. 261/2004 de verantwoordelijkheid voor de ‘annulering van de vlucht’ en de daaraan verbonden kosten volledig en alleen gelegd bij Aegean. De kantonrechter miskende dat naar doel en strekking van deze verordening (zie hiervóór SUB 1.1) Aegean als luchtvaartmaatschappij in het kader van compensatie voor ongemak van verweerders niet kan opdraaien voor financiële risico's van het onbevoegde handelen van Hellas. Hieraan doet niet af dat Hellas failliet is en geen verhaal kan bieden, nu ook in een geval als het onderhavige er geen rechtsgrond of objectieve reden bestaat om de garantie voor het faillissement van Hellas (volledig) ten laste te brengen van Aegean en haar te verplichten om verweerders te compenseren nu Hellas daartoe financieel niet in staat is en geen garantiemaatregelen heeft getroffen.
- b.
Bovendien, of althans, oordeelde de kantonrechter in het vonnis rechtens onjuist in de gegeven situatie waarin Hellas zelf de voor Aegean onbekende ‘boekingen’ van verweerders eerst had ‘geannuleerd ’waarna de geplande vluchten niet zijn uitgevoerd, dat de betalingsmoeilijkheden van Hellas niet worden gezien als een ‘buitengewone omstandigheid’ in de zin van art. 5 lid 3 Verordening nr. 261/2004, welke ‘ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen’ door Aegean ‘niet voorkomen’ kon worden. Immers, als Hellas de ‘boekingen’ van verweerders niet had ‘geannuleerd’ maar hen had doorverwezen naar Aegean om de ‘geboekte’ vluchten na betaling van de ticketprijs door Aegean te laten bevestigen/registreren en uitvoeren zoals Aegean Hellas heeft voorgehouden,10. zouden hun vluchten nog zijn uitgevoerd (c.q. niet zijn geannuleerd). In díe situatie zou Aegean als ‘luchtvaartmaatschappij die de vluchten uitvoert’ (in de zin van art. 2 onder b) op de voet van art. 5 lid 3 van deze verordening daarom dan ook niet verplicht zijn om verweerders compensatie te betalen, als bedoeld in art. 7.
1.4
Nu, om de hiervóór aangevoerde redenen, de juiste toepassing van het Unierecht c.q. uitlegging van de in de vonnissen toegepaste bepalingen uit Verordening nr. 261/2004, in het licht van het Unierecht met inbegrip van de rechtspraak van het HvJEU en alle doelstellingen van deze verordening, niet zo voor de hand ligt dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de wijze waarop de gerezen vragen moeten worden opgelost en die oplossing niet even ‘evident’ zou zijn voor rechterlijke instanties van andere lidstaten en het HvJEU, heeft de kantonrechter ten onrechte niet op grond van art. 267, 3e alinea, VWEU deze zaak verwezen naar het Hof voor uitlegging van het Unierecht.
ONDERDEEL 2: onbegrijpelijke oordelen over boekingen, constructie met Hellas en vluchtannulering
2
Bovendien, of althans, heeft de kantonrechter in de vonnissen oordelen heeft gegeven die in het licht van de hierna te vermelden stellingen van Aegean nadere motivering behoefden om (voldoende) begrijpelijk te (kunnen) zijn, wat volgens vaste rechtspraak meebrengt dat de vonnissen niet de gronden inhouden waarop deze berusten (art. 80 lid 1 onder a RO). Deze algemene motiveringsklacht wordt als volgt nader uitgewerkt.
2.1
Vooreerst is het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.5 en 4.6 dat de aan verweerders door Hellas verzonden bevestiging van de ‘boeking’ (en van haar ontvangen ‘e-tickets’) kunnen worden aangemerkt als een bevestigde boeking c.q. een bewijs dat de boeking is aanvaard en geregistreerd door Aegean als luchtvaartmaatschappij in de zin van art. 2 onder g Verordening nr. 261/2004, zonder nadere motivering (die echter ontbreekt) onbegrijpelijk in het licht van het verweer van Aegean11. dat zij de boeking niet zelf had bevestigd, de op de boeking van verweerders vermelde vluchtnummers niet bestaande vluchtnummers zijn althans niet bekend binnen de reserveringssystemen van Aegean en Hellas bij de uitgifte van de ‘e-tickets’ van verweerders zonder haar toestemming haar logo heeft gebruikt terwijl Aegean tot de zomer van 2015 nog nooit van Hellas gehoord had en zij van haar ook nooit betalingen heeft ontvangen.
2.2
Bovendien, of althans, is het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.5 dat er wel sprake was van een ‘annulering’ in de zin van art. 5 Verordening nr. 261/2004 die verweerders recht geeft op de in art. 7 lid 1 onder b genoemde compensatie, nu de door verweerders (bij Hellas) geboekte vluchten niet door Aegean zijn uitgevoerd en dit een beslissing van Aegean is geweest omdat zij slechts bereid was deze uit te voeren indien voordien de vaste vluchtprijs aan haar zou worden voldaan, onbegrijpelijk in het licht van het verweer van Aegean.12. Zij heeft immers ook in deze zaak aangevoerd dat er sprake was van een charterovereenkomst met G.S. Charter voor de verkoop van vliegtuigstoelen voor de ‘voorgenomen’ chartervluchten, die pas werden uitgevoerd als G.S. Charter voldoende capaciteit aan stoelen/tickets had verkocht om de vlucht van Aegean te kunnen afnemen na betaling van de volledig verschuldigde charterprijs, en dat Hellas daarbuiten onbevoegd tickets op die ‘voorgenomen’ chartervluchten met de door haar gefabriceerde ‘tickets’ heeft verkocht en aan verweerders reeds als ‘geboekte vluchten’ heeft bevestigd, zulks terwijl op grond van de charterovereenkomst met G.S. Charter pas 48 uur voor aanvang van de geplande chartervlucht ‘boeking’ van passagiers door de afhandelaar van Aegean zou (kunnen) plaatsvinden na ontvangst van de volledig verschuldigde charterprijs inclusief airport taxen en charges en aanlevering van de lijst met alle passagiers en hun PNR-gegevens.
Tegen deze achtergrond voerde Aegean aan dat daarom nog geen sprake kon zijn van een ‘annulering’ van de geplande (charter)vlucht in de zin van de verordening nu voor verweerders alleen recht bestond op de vlucht als de volledige charterprijs aan Aegean zou zijn betaald en op de vlucht hun plaats was geboekt en bevestigd door Aegean of namens haar door G.S. Charter als door haar erkende agent. Dat Aegean heeft moeten besluiten om de ‘voorgenomen’ (charter)vlucht niet uit te voeren, betekent dan ook niet dat, zoals de kantonrechter overweegt, zij de door Hellas (onbevoegd) aan verweerders verkochte ‘gehoekte vluchten’ niet heeft uitgevoerd en geannuleerd. Zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, zijn de oordelen in rov. 4.5 niet-concludent en aldus in zoverre dan ook onbegrijpelijk. Daarvoor is ontoereikend dat, zoals de kantonrechter in rov. 4.5 vaststelde, Aegean aan Hellas de voorwaarde heeft gesteld dat zij voordien de vaste vluchtprijs aan Aegean zou voldoen en de vlucht dan vermoedelijk doorgang had kunnen vinden, nu die voorwaarde juist uit vorenbedoeld ‘charter’-systeem volgt.
2.3
- a.
In het licht van het onder 2.1 vermelde verweer van Aegean is dan ook onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 4.5 heeft kunnen oordelen dat gesteld noch gebleken was dat er andere redenen voor Hellas waren om de passagiers te melden dat de pakketreis werd geannulleerd dan het bericht van Aegean dat zij de vlucht niet zou uitvoeren als betaling uitbleef.
- b.
In het licht van de onder 2.1 en 2.2 vermelde verweren is verder onbegrijpelijk dat de kantonrechter in rov. 4.6 heeft kunnen concluderen dat in de door Aegean bedoelde omstandigheden van de voorliggende situatie ‘de betalingsmoeilijkheden van Hellas’ niet kunnen worden gezien als ‘buitengewone omstandigheid’ die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen door Aegean niet voorkomen kon worden (als bedoeld in art. 5 lid 3 van de Verordening nr. 261/2004). Immers, in deze situatie had Aegean niet in de hand onder welke (betalings)condities zij de onbekende ‘boekingen’ bij Hellas voor haar vlucht had kunnen bepalen en beïnvloeden en zij de ‘annulering’ daarvan door Hellas wegens bij deze ontstane betalingsmoeilijkheden had kunnen voorkomen.
Gegrondbevinding van (één of meer klachten van) deze middelonderdelen betekent dat al wat in de vonnissen de kantonrechter, op daarin bestreden oordelen voortbouwend, verder heeft geoordeeld en beslist, en het daarop voortbouwende dictum, dan ook niet in stand kan blijven.
Mitsdien
het de Hoge Raad behage om het tussen partijen op 24 december 2019 onder nr. 6492191 \CV EXPL 17-8013 gewezen en uitgesproken vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, sector kanton, locatie Assen te vernietigen, met zodanige verdere voorziening, mede ten aanzien van de proceskosten in alle instanties, zoals de Hoge Raad in goede justitie geraden voorkomt.
Den Haag, 24 maart 2020
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑03‑2020
In het bestreden vonnis worden de verweerders ‘passagiers’ genoemd maar zijn in deze zaken strikt genomen ‘pakketreizigers’ in de zin van de Pakketreizenrichtlijn en Boek 7 BW. Hierna zullen verweerders verder als passagiers worden aangemerkt.
De door verweerders aan Hellas betaalde ‘ticketprijs’ vormde een gedeelte van een totale reissom voor een ‘pakketreis’ waarvan de in de door Hellas zelf gefabriceerde ‘e-ticket’ vermelde ‘vlucht’ bij Aegean een onderdeel zou zijn (geweest).
Zie ook HR 16 maart 2007, NJ 2007/637; HR 21 januari 2011, RvdW 2011/145; HR 21 september 2012, NJ 2013/351 (art. 6 EVRM).
Zie eerder in deze zin HR 15 juni 2012, NJ 2012/395 (KLM); HR 3 maart 2013, NJ 2013/276 (Martinair) en NJ 2013/277 (Transavia).
Zie o.m. HvJEU 9 september 2015, C-160/14, Ferreira da Silva e Brito tegen Estado português, ECLI:EU:C:2015:565, rov. 43–44.
Zie in deze zin HvJEU 15 september 2005, C-495/03, Intermodal Transports BV tegen Nederland, ECLI:EU:C:2005:552, rov. 29; HvJEU 15 maart 2017, Aquino tegen België, ECLI:EU:C:2017:209, rov. 33 en HvJEU 4 oktober 2018, C-416/17, Europese Commissie tegen Frankrijk, ECLI:EU:C:2018:811, rov. 109 en 113.
Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1 gerectificeerd in PB 2006, L 365, blz. 89).
Zie rov. 4.3 Rb-vonnis in alle hier voorgelegde gedingen.
Zie o.m. de verzetdagvaarding nrs. 4.3, 5.6 en 5.7, 6.1 t/m 6.7, 6.8 t/ 6.10; CvR nrs. 1.22 en 1.23, 2.1 t/m 2.12, 2.13 t/m 2.15. Zie ook de pleitnotities mr. J.J. Croon van 1 november 2018, blz. 5 en nr. 2.9.
Zie o.m. de verzetdagvaarding nrs. 5.6, 6.4 en 6.5, 6.11,; CvR nrs. 1.16, 1.22 en 1.23, 2.4 t/m 2.11, 2.13 t/m 2.15.
Zie o.m. de verzetdagvaarding nrs. 4.3, 5.1 t/m 5.5, 6.6, 6.9 en 6.11; CvR nrs. 1.1 t/m 1.12, 1.19, 1.21, 1.23, 2.7 en 2.9. Zie ook de pleitnotities mr. J.J. Croon van 1 november 2018, nr. 1.11.
Zie o.m. de verzetdagvaarding nrs. 4.1 t/m 4.3, 5.5 t/m 5.7; CvR nrs. 1.10 t/m 1.15, 1.22 en 1.23, 2.1 t/m 2.12, 2.13 t/m 2.15. Zie ook de pleitnotities mr. J.J. Croon van 1 november 2018, nrs. 1.1–1.5, 2.1–2.4, 2.7.