HR, 17-06-2016, nr. 16/01175
ECLI:NL:HR:2016:1232
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
17-06-2016
- Zaaknummer
16/01175
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:1232, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 17‑06‑2016; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:502, Gevolgd
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBDHA:2015:15261
ECLI:NL:PHR:2016:502, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑04‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1232, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑06‑2016
Partij(en)
17 juni 2016
Eerste Kamer
16/01175
EE/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1] ,wonende te Ghana,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/377949/HA RK 10-565 van de rechtbank Den Haag van 3 december 2015.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 17 juni 2016.
Conclusie 22‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Nationaliteitsrecht. Vaststelling Nederlanderschap (art. 17 RWN). Erkenning van Ghanees huwelijk (art. 1 lid 1, onder d, in verbinding met art. 3 lid 1 RWN).
Zaak 16/01175
Mr. P. Vlas
Zitting, 22 april 2016
Conclusie inzake art. 80a RO:
[de moeder], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1]
(hierna: [de moeder])
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. Voor zover in cassatie van belang gaat het om de volgende feiten. [de moeder] heeft zich als wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1] op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van [betrokkene 1]. [de moeder] heeft daartoe aangevoerd dat zij op 15 januari 2008 in Ghana op gewoonterechtelijke wijze is gehuwd met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), maar dat daarvan nooit een huwelijksakte is opgemaakt. [betrokkene 1] is op [geboortedatum] 2008 te Prampram (Ghana) geboren. In de geboorteakte staat [de moeder] vermeld als de moeder en [betrokkene 2] als de vader; de geboorte is op 17 februari 2009 op aangeven van [de moeder] geregistreerd. Bij Koninklijk Besluit van 14 juli 1992 heeft [betrokkene 2] de Nederlandse nationaliteit verkregen. [betrokkene 2] is op 26 januari 2010 te Utrecht overleden.
2. Bij beschikking van 3 december 2015 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het voor de vaststelling van het Nederlanderschap van [betrokkene 1] van belang is of sprake is van een geldig huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2]. Een in Ghana gesloten gewoonterechtelijk huwelijk kan onder voorwaarden als rechtsgeldig worden aangemerkt en het bestaan daarvan kan door alle middelen rechtens worden bewezen (rov. 5.8). De rechtbank acht de door [de moeder] overgelegde bewijsmiddelen (verklaringen van haarzelf en haar ouders, alsmede een aantal foto’s die de huwelijksdag in beeld zouden brengen) onvoldoende en is van oordeel dat het bestaan van een Ghanees huwelijk met [betrokkene 2] niet is aangetoond (rov. 5.9), zodat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] is geboren uit een in Ghana rechtsgeldig gesloten huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 1] (rov. 5.10).
3. [de moeder] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen en is gericht tegen rov. 5.8, 5.9 en 5.10 van de bestreden beschikking.
4. De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Onderdeel 1 betoogt dat de rechtbank niet de vraag aan de orde had moeten stellen of sprake is van een geldig (voor erkenning in Nederland vatbaar) huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2], maar de vraag of [betrokkene 1] een kind is van [betrokkene 2]. Krachtens art. 1 lid 1, aanhef en onder d, juncto art. 3 lid 1 RWN is Nederlander het kind waarvan ten tijde van de geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Het onderdeel faalt, omdat het miskent dat ten einde na te gaan of [betrokkene 1] in een familierechtelijke betrekking tot [betrokkene 2] staat (zie art. 1 lid 1, aanhef en onder d, RWN) een onderzoek naar de grondslag waarop die betrekking berust noodzakelijk is. Nu [de moeder] heeft gesteld dat die grondslag moet worden gevonden in het huwelijk van haar met [betrokkene 2], heeft de rechtbank terecht onderzocht of ten tijde van de geboorte van [betrokkene 1] sprake was van een geldig, in Nederland te erkennen huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2]. Onderdeel 2 bevat motiveringklachten tegen rov. 5.10. Het oordeel van de rechtbank is in het licht van rov. 5.8 en 5.9 niet onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt. Onderdeel 3 betoogt dat de rechtbank ten onrechte het Ghanese huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2] niet heeft erkend. Het onderdeel faalt, omdat de rechtbank heeft overwogen dat een dergelijk huwelijk onder voorwaarden wel degelijk kan worden erkend en met alle middelen rechtens kan worden bewezen. De rechtbank heeft in rov. 5.9 de overgelegde bewijsmiddelen (drie verklaringen: van [de moeder] en van haar ouders, alsmede een aantal foto’s) als onvoldoende beoordeeld. Hierop stuit het onderdeel af. In onderdeel 4 wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat het bestaan van het Ghanese huwelijk niet is aangetoond en dat de rechtbank bij weging van de bewijsmiddelen de door [de moeder] aangevoerde andere argumenten en bewijsmiddelen heeft miskend. Ook dit onderdeel faalt. Het is aan de rechter het bewijs te waarderen (art. 152 lid 2 Rv) en een dergelijke waardering is, als overwegend van feitelijke aard, voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie verder niet op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 en 5.10 is overigens niet onbegrijpelijk.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G