Rb. Noord-Holland, 05-06-2019, nr. 96/208110-18
ECLI:NL:RBNHO:2019:8886
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
05-06-2019
- Zaaknummer
96/208110-18
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2019:8886, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 05‑06‑2019
Uitspraak 05‑06‑2019
Partij(en)
Proces-verbaal van net verhandelde op de openbare terechtzitting van 05 juni 2019.
Aanwezig zijn:
mr. T. van Muijden, politierechter,
F. Zierikzee, griffier,
mr. L. Nuy, officier van justitie.
De politierechter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
In dit proces-verbaal zijn mededelingen van de procesdeelnemers steeds zakelijk en verkort weergegeven.
Verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op vragen van de politierechter te zijn genaamd:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres ([postcode]) [woonplaats], [adres].
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. A.R.A.L. Norenburg, advocaat te Woerden.
De politierechter vermaant verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
De officier van justitie vordert een wijziging van de tenlastelegging. De politierechter — gehoord verdachte en de raadsman — wijst de vordering toe.
De griffier reikt een gewaarmerkt afschrift van de wijziging van de tenlastelegging aan de verdachte en de raadsman uit, nu de politierechter oordeelt, dat daarmee kan worden volstaan. De gevorderde en toegelaten wijziging van de tenlastelegging is in kopie als bijlage I aan dit proces-verbaal gehecht. Met toestemming van de verdachte en de raadsman wordt het onderzoek direct voortgezet.
De politierechter deelt onder meer mede de korte inhoud van de navolgende stukken uit het dossier:
- I.
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 21 december 2018 (Proces-verbaalnummer: PL 1100-2018193000-12).
- II.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 november 2018 (Proces-verbaalnummer: PL 1100-2018193000-10).
- III.
Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 6 oktober 2018 (Proces-verbaalnummer: PL 1100-2018193000-3)
- IV.
Het deskundigenrapport van het Universitair Medisch Centrum Groningen d.d. 22 november 2018 (kenmerk KFF18.0898), met de uitslag tegenonderzoek alcohol, opgemaakt door [betrokkene], ziekenhuisapotheker, klinisch farmacoloog/toxicoloog ERT (los opgenomen).
- —
het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 10 mei 2019.
De verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart als volgt.
- A.
Het klopt dat ik op 6 oktober 2018 te [a-plaats] in een auto heb gereden nadat ik 5 vaasjes bier had gedronken.
- B.
Ik heb mijn rijbewijs echt nodig voor mijn werk als managementtrainee. Het is mijn droombaan. Nu ben ik, sinds september, projectinkoper en hiervoor moet ik leveranciers en klanten bezoeken.
Ik kreeg in maart een brief van het CBR over de EMA cursus en deze heb ik in april 2019 afgerond. Ik heb ook al een psychiatrisch onderzoek gehad.
Op 6 oktober 2018 heb ik mijn rijbewijs in moeten leveren en ik kreeg deze weer terug op 22 oktober 2018. Op 13 november 2018 is mijn rijbewijs door het CBR geschorst.
Ik heb mijn rijbewijs op 20 februari 2019 weer terug gekregen, na psychiatrisch onderzoek.
Zonder mijn rijbewijs was het heel moeilijk. Ik heb het ook moeten bespreken met mijn werkgever. Naar het werk toe reed ik mee met collega's en mijn ouders brachten mij ook wel eens. Tot eind februari heb ik mijn werk niet (goed) kunnen uitvoeren, ook heb ik verlofdagen moeten opnemen.
Ik had die avond afgesproken met een vriend die ik langere tijd niet had gezien. We zouden even bijkletsen met een drankje erbij. Ik had de intentie om daar te blijven slapen, ik had mijn slaapspullen ook mee. Ineens belde mijn moeder mij dat er in de straat werd ingebroken die avond en ik had er geen goed gevoel over. Omdat mijn vader in het buitenland zat verkoos ik de paniek van mijn moeder en ging naar haar toe. Ik was mij zeker wel bewust van de risico's, zeker na de EMA cursus. Het is een emotionele en financiële klap voor mij geweest en vooral mijn baan.
Het klopt dat het één keer eerder is gebeurd. Nu is de laatste keer. Een volgende keer zou de auto niet eens meer meegaan. Dat dit een noodsituatie was is tot daar aan toe, maar ook in een volgende noodsituatie gebeurt het niet meer.
De officier van justitie voert het woord en vordert dat de politierechter:
- —
het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren;
- —
verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 850,- bij niet betalen te vervangen door 17 dagen hechtenis;
- —
verdachte een voorwaardelijke ontzegging zal opleggen van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie legt deze vordering over aan de politierechter.
De raadsman voert het woord ter verdediging overeenkomstig de inhoud van een als bijlage II aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.
De officier van justitie repliceert.
Het klopt dat de minister voornemens is om de recidiveregeling te laten vervallen. maar ten dele. Daarnaast is er dan ook nog overgangswetgeving. De huidige recidiveregeling geldt voor iedereen tot dat deze is afgeschaft. Ik acht mij derhalve ontvankelijk in de vervolging. Verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol en heeft de grens fors overschreden.
De raadsman dupliceert.
De pijn zit hem niet zozeer in de regelingen van het CBR en de recidiveregeling op zich. Hier gaat het erom dat de uitkomst al vast staat, aangezien mijn cliënt het psychiatrisch onderzoek al succesvol heeft afgerond en hij reeds geschikt is bevonden, terwijl de recidiveregeling erop ziet dat er een vermoeden is dat hij niet geschikt is. Voor het overige persisteer ik.
Verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De politierechter sluit het onderzoek ter terechtzitting en doet direct mondeling uitspraak.
Van dit uitgesproken vonnis is aantekening gehouden op de wijze als hieronder vermeld.
Aantekening van het mondeling vonnis
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 oktober 2018 te [a-plaats], gemeente [gemeente 1] als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,31 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
2. Voorvragen
2.1
De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
2.2. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting is namens de verdachte bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging omdat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met beginselen van een goede procesorde en geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing had kunnen komen, één en ander zoals uiteengezet in de pleitnotitie.
Aan de hand van na te noemen feiten, die de politierechter vaststelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting, overweegt de politierechter het volgende.
De politierechter stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).
De politierechter stelt vast dat in deze zaak:
- —
verdachte wordt verweten dat hij op 6 oktober 2018 onder invloed van alcohol heeft gereden, hetgeen hij ook bekent;
- —
verdachte op 10 mei 2017 een strafbeschikking van € 300.- wegens het rijden onder invloed met een AAG van 275 Ug/l opgelegd heeft gekregen. Daarbij is hem niet medegedeeld dat bij daarmee een eerste strafpunt in het kader van de recidiveregeling van 123b WvW 1994 opliep;
- —
verdachte op 6 oktober 2018 heeft gereden met een BAG dat na tegenonderzoek 1,31 promille bleek te zijn. Omdat de grens voor het tweede strafpunt bij 1,3 promille ligt, wordt het rijbewijs van verdachte bij een onherroepelijke veroordeling ten gevolge van de recidiveregeling van rechtswege ongeldig;
- —
1,3 promille eveneens de grens is waarbij na een melding ex artikel 130 WvW 1994 het CBR besluit tot een psychiatrisch onderzoek naar de rijgeschiktheid. Verdachte heeft dat onderzoek ex artikel 131 WvW 1994 reeds ondergaan, met als uitkomst dat hij door het CBR rijgeschikt is verklaard. Verdachte heeft zijn rijbewijs op 20 februari 2019 teruggekregen op de voorwaarde dat hij een EMA cursus zou volgen. De EMA cursus heeft verdachte op 24 april 2019 gevolgd.
Op zich levert het feit dat een bestuurder zich zowel bestuursrechtelijk aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid door het CBR moet onderwerpen als strafrechtelijk vervolgd wordt, geen vervolgingsbeletsel op. In casu is echter het onderzoek naar de rijgeschiktheid al geheel succesvol afgerond voordat het Openbaar Ministerie besluit tot vervolging dan wel deze voortzet, terwijl daarbij vaststaat dat die vervolging, zonder dat daarbij door het Openbaar Ministerie of de rechter rekening kan worden gehouden met de omstandigheid dat betrokkene reeds onderzocht en geschikt verklaart is, van rechtswege zal leiden tot verval van de geldigheid van het rijbewijs.
Bovendien gaat het om een overschrijding met slechts 0,01 promille waardoor verdachte binnen het bereik van de recidiveregeling valt, is het evident dat toepassing van de recidiveregeling geen toegevoegde waarde heeft omdat immers de rijgeschiktheid van verdachte reeds is vastgesteld en is er sprake van een groot persoonlijk belang voor behoud van zijn rijbewijs in verband met zijn baan. Namens verdachte is dan ook verzocht een alternatieve afdoening door middel van een transactie of een (voorwaardelijk) sepot, hetgeen door het Openbaar Ministerie is afgewezen.
De politierechter is gelet op bovenstaande omstandigheden van oordeel dat in casu de vervolging van de verdachte is ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In deze zaak is naar het oordeel van politierechter — alles overwegende — sprake van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur.
Gelet op het voorgaande, is de politierechter van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte behoort te worden verklaard
3. Beslissing
De politierechter:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging.
Dit proces-verbaal is door de politierechter en de griffier vastgesteld en ondertekend.