NJB 2025/941:Jeugdzaken en het door de rechter gelasten van een taakstraf in plaats van een last te geven tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf, 6:6:21 lid 2 Sv: het berust op een kennelijke misslag van de wetgever dat in deze bepaling de art. 77m lid 2 en 77n lid 3 Sr niet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Art. 6:6:21 lid 2 Sv moet daarom verbeterd worden gelezen. Dat brengt mee dat in zaken waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, bij de omzetting van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie in een taakstraf (bestaande uit een werkstraf), de duur van de taakstraf ten hoogste tweehonderd uren is, de vervangende jeugddetentie, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, ten hoogste vier maanden beloopt en dat voor elke twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag vervangende jeugddetentie wordt opgelegd. In toekomstige gevallen, waarin bij beslissingen over de omzetting van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, en de duur van de vervangende jeugddetentie het voorgaande wordt miskend, sprake is van een kennelijke misslag die zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf (vgl. HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478).