HR, 09-11-2012, nr. 12/03821
ECLI:NL:HR:2012:BY2723
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
09-11-2012
- Zaaknummer
12/03821
- Conclusie
Mr. Huydecoper
- LJN
BY2723
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BY2723, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BY2723
ECLI:NL:HR:2012:BY2723, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑11‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BY2723
- Vindplaatsen
Conclusie 09‑11‑2012
Mr. Huydecoper
Partij(en)
Zaaknrs. 12/03818 en 12/03821
Mr. Huydecoper
Zitting van 28 september 2012
Uitlating Procureur-Generaal betreffende toepassing art. 80a RO inzake
[Verzoekster 1]
en
[Verzoeker 2]
verzoekers tot cassatie
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord
verweerster in cassatie
1.
Deze beide zaken betreffen cassatieberoepen tegen in hoger beroep genomen beslissingen, waarbij de in eerste aanleg op verzoek van de verweerster in cassatie, de Raad, uitgesproken ontheffing uit de ouderlijke macht terzake van de eerste verzoekster tot cassatie, [verzoekster 1], werd bekrachtigd. Het gaat daarbij om de kinderen [kind 1], geboren in november 2001 (zaaknr. 12/03818) en [kind 2], geboren in november 1997 (zaaknr. 12/03821).
In zaaknr. 12/03818 gaat het ook om ontheffing uit de ouderlijke macht van de tweede verzoeker tot cassatie, [verzoeker 2].
2.
In beide zaken heeft het hof aan de hand van de verkregen informatie geoordeeld, dat gronden voor ontheffing op de voet van de art. 1:266 jo 1:268 BW zich voordoen. De redenen waarop het hof dit oordeel baseert zijn in beide zaken goeddeels dezelfde; zij grijpen in beide gevallen terug op in de eerste aanleg door de rechtbank gebezigde, en eveneens inhoudelijk grotendeels eensluidende gronden, waarbij weer steun werd gezocht bij rapporten van de Raad, die eveneens in vele opzichten dezelfde informatie bevatten.
3.
De in cassatie aangevoerde klachten strekken ertoe, dat met name het feit dat verbetering in de contacten tussen [verzoekster 1] en [verzoeker 2] enerzijds, en de in beide zaken benoemde gezinsvoogd aan de andere kant, is vastgesteld; dat er regelmatig contact is tussen de verzoekers tot cassatie en de minderjarigen; en dat de minderjarigen voorkeur voor hereniging met de ouders aan de dag leggen, ertoe had moeten leiden dat het hof de voorgelegde vragen anders beoordeelde, althans zijn daarop gegeven beslissingen nader motiveerde.
De klachten vragen daarmee in de eerste plaats om herbeoordeling van gegevens die geheel of in zeer overwegende mate feitelijke waardering vergen. Aan een dergelijke herbeoordeling staan de art. 419 lid 3 jo. art. 429 lid 2 Rv. in de weg.
4.
De in de middelen geformuleerde motiveringsklachten zijn niet, of uiterst summier onderbouwd. Ik lees daarin vooral een klacht die ertoe strekt dat het hof zijn oordeel niet "ex nunc" zou hebben gevormd. Noch de beslissingen van het hof noch de dossierstukken overigens bieden echter relevante steun voor dit verwijt.
5.
Ik denk daarom dat zich in dit geval de in art. 80a RO omschreven situatie voordoet, dat de cassatieklachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Ik adviseer de Hoge Raad dan ook om in deze zaken de verzoekers dan wel de verzoekster (in zaaknr. 12/03821), met toepassing van art. 80a RO in haar cassatieberoepen niet-ontvankelijk te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak 09‑11‑2012
Inhoudsindicatie
Niet-ontvankelijkheid, art. 80a RO. Ontheffing van ouderlijk gezag.
Partij(en)
9 november 2012
Eerste Kamer
12/03821
EE/DH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.G. Groen,
t e g e n
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Raad.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
- a.
de beschikking in de zaak 400767/FA RK 11-6273 van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2011;
- b.
de beschikking in de zaak 200.101.756/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 mei 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad heeft geen verweerschrift ingediend.
De Procureur-Generaal heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard kan worden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 november 2012.