Vgl. HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:919, rov. 2.3.1; HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5022, rov. 3.3; HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3889, rov. 3.3; HR 16 januari 2007, ECLI:NL:2007:AZ3320, rov. 3.3; HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.24 sub b.
HR, 23-02-2016, nr. 15/01278
ECLI:NL:HR:2016:304, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-02-2016
- Zaaknummer
15/01278
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:304, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 23‑02‑2016; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2695, Contrair
ECLI:NL:PHR:2015:2695, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑11‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:304, Contrair
- Wetingang
art. 588 Wetboek van Strafvordering
- Vindplaatsen
JIN 2016/69 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2016-0117
NbSr 2016/104
JIN 2016/69 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Uitspraak 23‑02‑2016
Inhoudsindicatie
Betekeningsperikelen. Achterhaald adres in de appelakte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. T.t.v. het instellen h.b. stond verdachte ingeschreven op het in de appelakte opgegeven adres (adres 1). Vervolgens heeft verdachte zich op een ander adres (adres 2) in de BRP ingeschreven. T.t.v. de uitreiking van de appeldagvaarding was de verdachte niet meer in de BRP ingeschreven. De appeldagvaarding is uitgereikt op adres 2 aan een persoon die bereid was de brief in ontvangst te nemen en aan verdachte te doen toekomen. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat adres 2, bij gebreke aan een actuele inschrijving in de BRP, de feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte was en dat het door verdachte in de appelakte opgegeven adres 1 was achterhaald door het later in de BRP opgegeven adres 2. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt. CAG: anders.
Partij(en)
23 februari 2016
Strafkamer
nr. S 15/01278
MD/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2014, nummer 22/003497-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Lucas, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. Het middel voert daartoe aan dat getracht had moeten worden de appeldagvaarding uit te reiken op het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen.
2.2.1.
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
- een appelakte inhoudende dat de verdachte op 9 augustus 2013 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De akte houdt in als adres van de verdachte: [a-straat 1] 's-Gravenhage;
- het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2014 met daaraan gehecht:
(i) een akte van uitreiking inhoudende dat voormelde dagvaarding op 5 september 2014 is uitgereikt op het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage aan een persoon die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen;
(ii) een ID-staat SKDB van 12 september 2014 inhoudende dat de verdachte:
- van 10 februari 2011 tot 1 april 2014 op het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage in de BRP was ingeschreven;
- van 1 april 2014 tot 7 juli 2014 op het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage in de BRP was ingeschreven en
- vanaf 7 juli 2014 zonder bekende woon-of verblijfplaats is.
2.2.2.
Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat is getracht de appeldagvaarding op het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage uit te reiken zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied.
2.2.3.
De bestreden uitspraak houdt in als adres van de verdachte: [b-straat 1] te 's-Gravenhage.
2.3.
Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet in Nederland is gedetineerd, is de betekening in elk geval geldig indien de dagvaarding is aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte en - omdat hij aldaar niet werd aangetroffen - is uitgereikt aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen (art. 588, derde lid sub a, Sv) (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov 3.17).
2.4.
In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. In aanmerking genomen dat het Hof in de bestreden uitspraak als adres van de verdachte het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage heeft vermeld, heeft het kennelijk geoordeeld dat dit adres als verdachtes feitelijke woon- of verblijfplaats had te gelden bij gebreke van een inschrijving van de verdachte in een BRP en dat het door de verdachte in de appelakte opgegeven adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage was achterhaald door het later opgegeven adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage.
2.5.
Gelet op de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven stukken is dat oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
2.6.
Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2016.
Conclusie 17‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Betekeningsperikelen. Achterhaald adres in de appelakte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AD5163. T.t.v. het instellen h.b. stond verdachte ingeschreven op het in de appelakte opgegeven adres (adres 1). Vervolgens heeft verdachte zich op een ander adres (adres 2) in de BRP ingeschreven. T.t.v. de uitreiking van de appeldagvaarding was de verdachte niet meer in de BRP ingeschreven. De appeldagvaarding is uitgereikt op adres 2 aan een persoon die bereid was de brief in ontvangst te nemen en aan verdachte te doen toekomen. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat adres 2, bij gebreke aan een actuele inschrijving in de BRP, de feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte was en dat het door verdachte in de appelakte opgegeven adres 1 was achterhaald door het later in de BRP opgegeven adres 2. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt. CAG: anders.
Nr. 15/01278 Zitting: 17 november 2015 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Den Haag heeft bij arrest van 14 oktober 2014 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingestelde hoger beroep.
2. Namens de verdachte heeft mr P.T. Verweijen, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. T. Lucas, advocaat te Den Haag, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel keert zich tegen het in het arrest besloten liggende oordeel dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.
4. De stukken die op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden houden het volgende in:
- een appelakte van 9 augustus 2013 vermeldt als adres van de verdachte: [a-straat 1] ’s-Gravenhage.
- een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte identiteitsstaat uit de SKDB van 2 september 2014 houdt in dat de verdachte op dat moment ingeschreven staat aan de [b-straat 1] te ’s-Gravenhage, alsook de laatst opgegeven woon-of verblijfplaats van de verdachte, zijnde: de [a-straat 1] ’s-Gravenhage.
- een akte van uitreiking houdt in dat de appeldagvaarding op 5 september 2014 aan de [b-straat 1] te ’s-Gravenhage niet in persoon is uitgereikt, maar aan een ander persoon die zich op dat adres bevond.
- een identiteitsstaat uit de SKDB van 12 september 2014 wijst uit dat de verdachte per 7 juli 2014 is “Vertrokken Onbekend Waarheen” en niet meer staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] ‘s-Gravenhage.
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 oktober 2014 houdt in dat aldaar de verdachte noch een raadsman is verschenen en het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte.
5. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de GBA noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden.1.
6. Uit de hiervoor onder 4 weergegeven inhoud van de stukken volgt onder meer dat van de verdachte geen GBA-adres bekend is van 7 juli 2014 tot in elk geval 12 september 20142.alsmede dat de verdachte bij het instellen van hoger beroep heeft aangegeven woonachtig te zijn aan de [a-straat 1] te ‘s-Gravenhage.3.
7. Mede gelet hierop en in aanmerking genomen dat uit de stukken niet blijkt dat is getracht de appeldagvaarding uit te reiken aan het hiervoor vermelde adres,4.zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied, is het in het bestreden – bij verstek gewezen – arrest besloten liggende oordeel dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard, niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is terecht voorgesteld.
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑11‑2015
Dat betekent dat de verdachte niet stond ingeschreven in het GBA ten tijde van de uitreiking van de appeldagvaarding op 5 september.
Zie HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:919, rov. 2.3.2; HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.24 inhoudende dat het in de appelakte vermelde adres kan worden aangemerkt als feitelijke- woon-of verblijfplaats van de verdachte.
Van een achterhaalde woon- of verblijfplaats als bedoeld in HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.24 sub b, is in de onderhavige zaak geen sprake aangezien het door de verdachte bij appelakte opgegeven adres ook als woon- of verblijfplaats is opgenomen in zowel de SKDB-staat van 2 september 2014 als de aangepaste SKDB-staat van 12 september 2014. Vgl. HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5022, rov. 3.4 waarin de Hoge Raad oordeelt dat zelfs het door de verdachte opgegeven adres in de appelakte dat later niet is opgenomen als woon- of verblijfplaats in het “GBA-overzicht”, niet zonder meer als achterhaald kan worden beschouwd. Vgl. ook HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3889, rov. 3.4 en HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3320, rov. 3.4.