Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.5.1
2.5.1 De purchase-money security interest
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90950:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Voor de eerste uitspraak waarin voorrang werd toegekend aan een later gevestigd recht ten opzichte van een eerder gevestigd recht moet zelfs teruggegaan worden tot 1631, de zaak Nashv. Preston, Cro. Cas. 190, 79 Eng. Rep. 767 (K.B. 1631). Zie hierover Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1340-1341; Gilmore 1965, p. 743-748; Lloyd, Tennessee Law Review 1985, p. 11; Hakes, Oregon LawR eview 1993, p. 328.
Jackson & Kronman,Yale Law Journal 1979, p. 1147-1148.
Pennock v. Coe, 64 U.S., p. 117 e.v. (1860).
Hakes, Oregon Law Review 1993, p. 330.
Pennock v. Coe, 64 U.S., p. 117 e.v. (1860). Dit werd een belangrijk precedent, zie onder meer Dunham v. Railway Co., 68 U.S., p. 254 e.v. (1863); Railroad Co.v. Cowdry, 78 U.S., p. 459 e.v. (1870); Dillion v. Barnard, 88 U.S., p. 430 (1874); Fosdick v. Schall, 99 U.S., p. 235 e.v.(1878); Myer v. Car Co., 102 U.S., p. 1 (1880); Porter v. Steel Co., 122 U.S., p. 267 (1886).
U.S. v. New Orleans R.R., 79 U.S., p. 364-365 (1871).
U.S. v. New Orleans R.R., 79 U.S., p. 365 (1871).
U.S. v. New Orleans R.R., 79 U.S., p. 364-365 (1871). Zie hierover ook Lloyd, Tennessee Law Review 1985, p. 22.
Onder meer Holt v. Henley, 232 U.S., p. 637 (1914) waarin de U.S. Supreme Court de regel uit New Orleans Railroad case toepast op een conflict tussen schuldeisers in de maakindustrie. Verder: Galveston R.R. v. Cowdrey, 78 U.S., p. 459 (1871); McGourkey v. Toledo & O. Cent. Ry., 146 U.S., p. 536 (1892); Venner v. Farmers’ Loan & trust Co., 90 Fed., p. 348 (6th Cir. 1898); Harris v. Youngstown Bridge, 90 Fed., p. 322 (1898); Detroit Steel Cooperage Co. V. Sistersville Brewing Co., 233 U.S., p. 712 (1914).
In de instantaneous seisin theory wordt ervan uitgegaan dat een zaak in en uit het vermogen van de schuldenaar vloeit als een onderdeel van één transactie, zodat in de zeer korte periode waarin het recht zich in het vermogen van de schuldenaar bevindt, geen recht kan komen te rusten op de zaak ten gunste van een schuldeiser. De theorie is ontwikkeld in de zaak Nash v. Preston, Cro. Cas. 190, 79 Eng. Rep. 767 (K.B. 1631).
De pre-existing lien theory, ook wel de derivative rule of title doctrine genoemd, houdt in dat de koper/zekerheidsgever de eigendom van de zaak verkrijgt, die al bezwaard is met equity ten gunste van de verkoper/zekerheidsnemer. In de zaak Holt v. Henley, 232 U.S., p. 637 (1914) omschreef de U.S. Supreme Court deze theorie als volgt: ‘the mortgagees take just such an interest in the property as the mortgagor acquired; no more, no less.’ Hierover Lloyd, Tennessee Law Review 1985, p. 14-15; Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1337.
Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1343-1344; Lloyd, Tennessee Law Review 1985, p. 16, 37 en diens verwijzingen naar rechtspraak en literatuur.
Harris v. Youngstown Bridge, 90 Fed. 322 (1898); Holt v. Henley, 232 U.S., p. 637 (1914). Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1338-1339.
Gilmore 1965, p. 778, 785.
Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1338.
Gilmore, HarvardLawReview 1963, p. 1376; Summers, Northwestern University Law Review 1978, p. 920-923; Nickles, Arkansas Law Review 1981, p. 1172; Lloyd, Tennessee Law Review 1985, p. 16 en verwijzingen in voetnoot 72 en p. 37, 47; Beard, TennesseeLawReview 1990, p. 480-486; Hakes, OregonLawReview 1993, p. 383-384.
Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1337; Gilmore 1965, p. 74-75.
Gilmore 1965, p. 74; White & Summers 2010, p. 1285.
In hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.4 worden de termen vestiging en voltooiing van een security interest uiteengezet.
Voltooiing geschiedt kort gezegd door een zekerheidsdocument te registreren in een openbaar register of de feitelijke macht over de zaken of controle over de vordering te verschaffen aan de zekerheidsnemer.
Gilmore, Harvard Law Review 1963, p. 1333-1334.
Article 9 UCC verbindt superprioriteit aan het zekerheidsrecht dat strekt tot zekerheid voor leverancierskrediet. Deze purchase-money security interest heeft voorrang boven andere zekerheidsrechten op hetzelfde goed, ongeacht het moment van vestiging. Deze voorrangspositie voor leverancierskrediet wordt door de ontwerpers van Article 9 UCC billijk geacht. Zij sluiten voor dit resultaat en diens rechtvaardiging aan bij het recht dat gold vóór de invoering van Article 9 UCC. Dit recht kende een vergelijkbare voorrangspositie voor leverancierskrediet.
Deze voorrangspositie vindt zijn oorsprong in het New Orleans Railroad arrest van de U.S. Supreme Court van 1871.1 Voor de ontwikkeling van deze voorrangspositie moet echter verder teruggegaan worden in de tijd. Het New Orleans Railroad arrest is namelijk een reactie op het arrest Pennockv. Coe uit 1860 waarin de U.S. Supreme Court de after-acquired property clause, inhoudende dat schuldeisers zekerheidsrechten (bij voorbaat) bedingen op toekomstige goederen, sanctioneert.2
Het arrest Pennockv.Coe ging over de financieringspraktijk van spoorwegmaatschappijen, evenals de New Orleans Railroadcase.3 Deze financieringspraktijk hield kort gezegd in dat spoorwegmaatschappijen obligaties uitgaven om financiering te verkrijgen voor de aanleg van spoorlijnen en de aankoop van materialen en locomotieven. Tot zekerheid van terugbetaling van de obligaties werden zekerheidsrechten gevestigd op de spoorwegen en aangekochte zaken. Het was echter omslachtig om iedere keer zekerheidsrechten (mortgages) te vestigen ten gunste van de obligatiehouders als een spoorwegmaatschappij nieuwe rails, locomotieven of wagons verwierf. Daarom sprak een spoorwegmaatschappij met de obligatiehouders af dat het zekerheidsrecht zowel rustte op de bestaande als in de toekomst te verkrijgen – ‘after-acquired’ – zaken.4 De U.S. Supreme Court sanctioneerde het gebruik van deze after-acquired property clause in het arrest van 1860 met het argument dat de specifieke behoeften van de spoorwegfinancieringspraktijk vereisten dat de zekerheid zich automatisch uitstrekte tot de in de toekomstig te verkrijgen zaken van de spoorwegen.5
Vervolgens werd in 1871 aan de U.S. Supreme Court een conflict voorgelegd waarin zowel de bestaande kredietverstrekker met een after-acquired property clause als de kredietverstrekkende leverancier meende een eerste zekerheidsrecht te hebben op later verworven zaken. De feiten in deze New Orleans Railroad Case waren als volgt.6
De New Orleans and Ohio Railroad Company gaf obligaties uit ter verkrijging van financiering. Tot zekerheid van terugbetaling van deze obligaties vestigde deze spoorwegmaatschappij in de jaren 1858 en 1860 zekerheidsrechten, mortgages, ten gunste van de obligatiehouders. Deze mortgages bevatten een after-acquired property clause waarmee alle in de toekomst te verkrijgen zaken (after-acquired property) mede tot zekerheid van terugbetaling van de obligaties zouden strekken. Enkele jaren na de uitgifte van de obligaties raakte de spoorwegmaatschappij in verzuim met de aflossing van de obligaties. Eén van de obligatiehouders, de federale overheid, spande een zaak aan die leidde tot een executoriale verkoop van het treinmaterieel waarop een mortgage rustte. Tijdens het proces ontdekte de advocaat van de federale overheid dat een deel van dit treinmaterieel, zijnde twee locomotieven en tien auto’s, in het verleden door de federale overheid waren verkocht aan de spoorwegmaatschappij. Deze verkoop geschiedde op krediet. De spoorwegmaatschappij verstrekte een bond for the purchase-money aan de federale overheid . Tot zekerheid van terugbetaling van deze bond verkreeg de federale overheid een zekerheidsrecht (een ‘lien’) op de verkochte zaken.
Na de ontdekking van de bond for the purchase-money die was gesecureerd met een lien werd de executieverkoop gestaakt en sprak de federale overheid met de overige obligatiehouders af dat de twee locomotieven en tien auto’s niet executoriaal verkocht zouden worden. De executieverkoop van de overige zaken bracht echter onvoldoende op om de openstaande vorderingen van de crediteuren volledig te voldoen. De overige obligatiehouders wilden zich daarom alsnog verhalen op de twee locomotieven en tien auto’s. De federale overheid stelde echter een eerste zekerheidsrecht te hebben op deze zaken op grond van de purchase-money lien. De obligatiehouders brachten daartegenin dat hun mortgage de hoogste rang had, omdat het eerder in tijd was gevestigd op grond van de after-acquired property clause.
De U.S. Supreme Court oordeelde unaniem en in lijn met het vonnis van de lagere rechter dat een recht dat strekt tot zekerheid van purchase-moneysuperpriority heeft. Deze uitkomst werd technisch-juridisch onderbouwd met de regel:
“It [the mortgage] only attaches to such interest as the mortgagor acquires.”7
Het zekerheidsrecht van de obligatiehouders wordt met andere woorden gevestigd op de zaken zoals zij in het vermogen van de schuldenaar komen. Aangezien de koper zaken in zijn vermogen verkrijgt die reeds bezwaard zijn met een eerste zekerheidsrecht ten gunste van de federale overheid, de verkoper, kunnen de obligatiehouders nog slechts een tweede zekerheidsrecht verkrijgen.
Daarnaast werd door de U.S. Supreme Court overwogen dat dit de billijke uitkomst was. Rechter Bradley schreef dat after-acquired property clauses zijn toegestaan, maar dat dit niet betekent dat zij altijd een eerste zekerheidsrecht verkrijgen, want:
“Such an application of [the after-acquired property clause] (…) would often result in gross injustice.”8
Deze uitkomst in de New Orleans Railroad Case wordt een belangrijk precedent.9 In latere rechtspraak worden verschillende technisch-juridische theorieën ontwikkeld om tot een vergelijkbaar resultaat te komen, zoals de instantaneous seisin theory10 en de pre-existing lien theory11. De uitkomst is steeds dezelfde: het zekerheidsrecht voor purchase-money verkrijgt superprioriteit.
Dit resultaat achtte de U.S. Supreme Court billijk. De New Orleans Railroad Caseis beslist met dit resultaat in gedachten.12 In latere rechtspraak wordt eveneens opgemerkt dat de voorrangspositie voor purchase-money is gebaseerd op het argument dat de leverancier die de zaken op krediet levert, ‘equity’ (billijkheid) aan zijn zijde heeft.13 Deze leverancier heeft namelijk de verkrijging van deze specifieke zaken voor de koper mogelijk gemaakt. Er is een nauwe band tussen de geleverde zaken en het krediet.14 Het zou onbillijk zijn als andere zekerheidsnemers van de koper zich met voorrang vóór de leverancier kunnen verhalen op deze zaken, terwijl de leverancier het risico loopt dat hij de koopprijsvordering voor deze zaken niet voldaan krijgt.
In de jaren twintig van de twintigste eeuw ontwikkelde zich op basis van deze rechtspraak een financieringspraktijk waar financiers die gedurende een langere periode krediet verstrekten, zekerheid verkregen op de onroerende zaken en de roerende zaken die eigendom waren van de koper ten tijde van de vestiging van de zekerheid. Deze financiers maakten echter geen aanspraak op de roerende zaken en vorderingen die later werden verkregen door de koper .15 Op deze after-acquired property konden leveranciers die deze zaken op krediet hadden geleverd zich met voorrang verhalen door middel van zekerheidsinstrumenten als de conditional sale, trust receipt en security lease.
Vervolgens werd in 1942 begonnen met het ontwerpen van de UCC. De ontwerpers van Article 9 UCC onderschreven de rechtspraak, de daaraan ten grondslag gelegde argumenten en de daaruit ontstane praktijk met betrekking tot de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Gilmore, de meest vooraanstaande ontwerper van Article 9 UCC, schreef dat:
“The result achieved under the pre-Code law was recognized [by the drafters] as sound.”16
De ontwerpers vonden het billijk dat de purchase-money financier een eerste zekerheidsrecht verkreeg op door hem gefinancierde zaken. Doordat hij de zaken op krediet levert, wordt de koper namelijk in staat gesteld om de zaken te verwerven. Het wordt rechtvaardig gevonden dat hij dan een eerste zekerheidsrecht verkrijgt op deze zaken. Er bestaat een ‘close nexus’ tussen de zaken en de gesecureerde vordering.17 Het zou onbillijk zijn als een bestaande kredietgever zich met voorrang vóór de leverancier kon verhalen op deze zaken. Deze kredietgever heeft immers geen nieuw krediet verstrekt en ook niet in het bijzonder vertrouwd op het bestaan van dit onderpand. Deze windfall ten koste van de leverancier is onbillijk.18
Verder is de gedachte dat de toekenning van superprioriteit (in beginsel) geen afbreuk doet aan de positie van de bestaande zekerheidsnemers. De leverancier verkrijgt namelijk een zekerheidsrecht met voorrang op zaken die nog niet tot het vermogen van de koper behoorden. De bestaande zekerheidsnemers van de debiteur worden niet benadeeld. Met andere woorden: it doesn’t hurt them.19
Ook wordt het economische belang van leverancierskrediet voor ondernemingen onderkend door de ontwerpers. De aankoop van (nieuwe) installaties, apparatuur en voorraden is een steeds weer terugkerende kwestie voor ondernemingen. Zij kunnen de koopprijs voor deze zaken niet steeds direct voldoen. Een leverancier wil deze zaken op krediet verstrekken, indien hij hiervoor zekerheid verkrijgt dat niet in rang komt na een eerder gevestigd zekerheidsrecht. Het recht moet dit faciliteren. Dit heeft een positief effect op de verstrekking van zaken op krediet, de handel en in het verlengde hiervan ook de groei van de ondernemingen van de koper en de leverancier. Uiteindelijk draagt het bij aan de economische groei.20 Tot slot voorkomt superprioriteit dat een eerdere zekerheidsnemer een financieringsmonopolie verkrijgt, omdat hij een eerste zekerheidsrecht op alle goederen van de koper heeft en zal verkrijgen, zodat de koper geen krediet van andere schuldeisers meer kan aantrekken.21
Deze argumenten werden onderschreven door de ontwerpers van Article 9 UCC. Zij wilden hierom dat in Article 9 UCC eenzelfde billijk resultaat bereikt kon worden voor de kredietverstrekkende leverancier als onder het oude recht.22 Dit kon evenwel niet op dezelfde wijze als onder het oude recht worden bereikt. Met de invoering van Article 9 UCC werden namelijk de functionele benadering en het paraplu-begrip security interest ingevoerd. Alle instrumenten die de functie hebben om zekerheid te verschaffen, worden door Article 9 UCC gekwalificeerd als een security interest en vallen onder het toepassingsbereik van Article 9 UCC. Daarmee worden in feite alle verschillende zekerheidsrechten en –constructies afgeschaft. De tot dan toe bestaande financieringspraktijk die vele verschillende rechtsfiguren kende waarmee een leverancier eerste zekerheidsrecht kon verkrijgen, hield daarmee op te bestaan.
Wil de leverancier zekerheid verkrijgen voor zijn koopprijsvordering, dan dient hij een security interest te vestigen en voltooien.23 Voor een geldkredietverstrekker geldt hetzelfde. De security interests nemen in beginsel rang naar het moment van voltooiing op grond van de prioriteitsregel first-in-time, first-in-right.24 Vanwege het risico dat de leverancier loopt om een tweede zekerheidsrecht te verkrijgen als gevolg van een latere voltooiing van zijn zekerheidsrecht, bedachten de ontwerpers van Article 9 UCC een nieuw concept: de purchase-money security interest. Dit is een Article 9 UCC-zekerheidsrecht (security interest) dat wordt gevestigd op de door de koper nieuw verworven zaken (purchase-money collateral) tot zekerheid van het verstrekte krediet voor de aankoop van deze zaken (purchase-money obligation). Aan dit zekerheidsrecht wordt super-prioritytoegekend. Dit houdt in dat de purchase-money security interest in rang komt boven andere zekerheidsrechten op dezelfde zaken, ongeacht het tijdstip van voltooiing van de purchase-money security interest. Het is een uitzondering op deprioriteitsregel. Gilmore zegt hierover:
“No previous statute has so sternly insisted on the priority for purchase-money interests [as Article 9 UCC].”25