Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.4.1
2.4.1 Inleiding / Betekenis
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590626:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 269. Anders: Abendroth 2006, p. 59 r.k.; vgl. De Serière 2003, p. 377, l.k.
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3. In de navolgende hoofdstukken zal onder meer worden ingegaan op de vraag in welke gevallen sprake zal zijn van mededeling. Zie voor een samenvatting, hierna nr. 776.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 164; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 166. Bij art. 6:34 lid 1 BW kan de schuldenaar zich erop beroepen dat hij bevrijdend heeft betaald aan de pseudoschuldeiser of hij kan het betaalde als onverschuldigd terugvorderen. Zie ook hierna nr. 576 en 587.
59. Na de overgang van de vordering als het eerste element en de uitoefening van andermans vordering als het tweede element dat de rechtsgevolgen van de stille cessie bepaalt, komt thans de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW aan bod. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW bepaalt:
"De levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen wie deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of de verkrijger."
Uit deze bepaling volgt dat tot het moment van mededeling de schuldenaar de stille cedent voor zijn schuldeiser mag houden en de stille cessionaris voor een derde. De bepaling is alleen van toepassing op de stille cessie en is het derde element dat de rechtsgevolgen van de stille cessie bepaalt.
Voor de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW is alleen het moment van mededeling beslissend. De schuldenaar kan de stille cedent daardoor als zijn schuldeiser blijven beschouwen, zelfs als de schuldenaar weet of behoort te weten dat de stille cedent zijn schuldeiser niet meer is. De goede trouw van de schuldenaar is derhalve, anders dan bij art. 6:34 BW, niet van belang.1 Alleen de mededeling aan de schuldenaar is beslissend. De mededeling dient te worden gedaan door de cedent of de cessionaris. De mededeling is vormvrij. Of van een mededeling van de cessie sprake is geweest, dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 3:33, 3:35 en 3:37 BW. Vordert de stille cessionaris bijvoorbeeld betaling, dan zal daarin een mededeling van de cessie besloten liggen.2
De bepaling dient ter bescherming van de schuldenaar. Het is ter keuze van de schuldenaar om te bepalen of hij zich op de bepaling wil beroepen of niet. De schuldenaar kan zich jegens de stille cedent of jegens de stille cessionaris erop beroepen dat de levering niet heeft plaatsgevonden totdat mededeling aan hem heeft plaatsgevonden van de cessie. De schuldenaar kan echter ook afzien van de bescherming die de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW hem biedt. Hetzelfde geldt voor vergelijkbare bepalingen, zoals art. 6:34 BW.3