RFR 2025/34
Voogdij. Is in geval van wijziging hoofdverblijf bij moeder vervangende toestemming op de voet van art. 1:336a lid 2 BW nodig?
HR 20-12-2024, ECLI:NL:HR:2024:1895
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 december 2024
- Magistraten
Mrs. C.E. du Perron, A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/00475
- Conclusie
A-G mr. F. Ibili
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD1961:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht / Gezag en omgang
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1895, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:973, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑09‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑02‑2024
- Wetingang
Art. 1:336a BW; art. 800 lid 3, 807 Rv
Samenvatting
De minderjarigen zijn onder voogdij geplaatst van de gecertificeerde instelling (hierna GI). Met instemming van de GI woonden zij bij hun moeder in een moeder-kindhuis en werden zij door haar verzorgd en opgevoed. Op 22 mei 2023 heeft de GI de rechtbank verzocht om op grond van art. 1:336a lid 2 BW vervangende ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.