HR, 05-12-2023, nr. 22/00764
ECLI:NL:HR:2023:1697
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-12-2023
- Zaaknummer
22/00764
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1697, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑12‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:800
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:869
ECLI:NL:PHR:2023:869, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1697
- Vindplaatsen
Uitspraak 05‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit witwassen. Mocht meervoudige kamer hof beslissing Pr bevestigen, nu inhoud van bewijsmiddelen ontbreekt in stempelvonnis Pr, terwijl zich bij stukken ook uitgewerkt schriftelijk vonnis Pr bevindt en raadsman in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd t.a.v. ontnemingsvordering? Art. 378a en 379 jo. 367 Sv. O.g.v. art. 367 Sv vindt op rechtsgeding voor Pr onder meer titel IIIb van Boek IV van WvSv (welke titel is genaamd "Strafvordering t.z.v. ontneming van w.v.v." en die art. 511b - 511i Sv bevat) overeenkomstige toepassing. Dit brengt met zich dat, als mondeling vonnis Pr naar aanleiding van vordering tot ontneming van w.v.v. niet hoeft te worden aangetekend in p-v van tz. en geen schriftelijk vonnis is gewezen, o.g.v. art. 378a.1 Sv kan worden volstaan met een door Pr gewaarmerkte aantekening van mondeling vonnis (stempelvonnis). Als Pr alsnog schriftelijk vonnis a.b.i. art. 379.1 Sv wijst, moet worden aangenomen dat stempelvonnis gelet op art. 378a.5 jo. 378a.1 Sv komt te vervallen. Hof heeft uitspraak Pr wat betreft schatting van w.v.v. en opgelegde betalingsverplichting bevestigd. Gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, heeft die bevestiging betrekking op schriftelijk vonnis van Pr. Dat schriftelijk vonnis bevat verwijzing naar b.m. waaraan het op geld waardeerbare w.v.v. is ontleend. Middel, dat kennelijk tot uitgangspunt neemt dat Pr uitsluitend heeft voorzien in stempelvonnis en dat bevestiging door hof op dat stempelvonnis zou zien, is daarom tevergeefs voorgesteld. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 22/00772.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00764 P
Datum 5 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 maart 2022, nummer 20-001583-20, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de door het hof wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting bevestigde uitspraak van de politierechter niet de inhoud van de bewijsmiddelen of een verwijzing naar de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend, zodat het hof die uitspraak ten onrechte zonder aanvulling van gronden heeft bevestigd.
2.2.1
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich zowel een door de politierechter gewaarmerkte aantekening van het mondeling vonnis (stempelvonnis) als een – aanvankelijk abusievelijk niet in het webportaal van de Hoge Raad geplaatst maar, na het nemen van de conclusie door de advocaat-generaal, alsnog daarin opgenomen – (uitgewerkt) schriftelijk vonnis van de politierechter. Dit schriftelijk vonnis houdt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting het volgende in:
“3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen. [betrokkene] heeft een caravan gestolen, dan wel verduisterd, en deze vervolgens aan een ander verkocht voor € 15.500,-. Daarmee heeft [betrokkene] zich schuldig gemaakt aan witwassen en hij heeft daarmee wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van voornoemd bedrag genoten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting dienen dan ook te worden gesteld op het in de vordering genoemde bedrag van € 15.500,-.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
3.3
Het oordeel van de politierechter
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis d.d. 17 juli 2020 is [betrokkene] onder andere veroordeeld wegens witwassen, gepleegd op 19 september 2018.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [betrokkene] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs
De getuige [betrokkene 1] , werkzaam bij [A] te [plaats] , heeft tegenover de politie verklaard dat een man die zich [betrokkene] noemde op woensdag 19 september 2018 bij haar een caravan te koop heeft aangeboden met het kenteken [kenteken] . De man liet de getuige onder andere het kentekenbewijs van de caravan en een brief van de RDW inhoudende de tenaamstellingscode voor de caravan zien. Beide documenten stonden op naam van [betrokkene] . De caravan is uiteindelijk verkocht voor € 15.500,-. De koopsom is deels contant en deels via een bankoverschrijving aan [betrokkene] voldaan.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de politierechter van oordeel dat [betrokkene] door middel van of uit de baten van voormeld feit voordeel heeft gekregen. Zoals in voornoemd vonnis d.d. 17 juli 2020 is overwogen heeft [betrokkene] zich door de verkoop van voornoemde caravan namelijk schuldig gemaakt aan witwassen nu deze afkomstig was uit enig misdrijf.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De politierechter zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 15.500,-. Dit betreft het gehele bedrag dat [betrokkene] heeft verkregen door witwassen van de caravan met het kenteken [kenteken] .
3.3 4
De op te leggen betalingsverplichting
De politierechter zal aan [betrokkene] de verplichting opleggen tot betaling van € 15.500,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2022 heeft de raadsman van de betrokkene daar het volgende aangevoerd:
“De raadsman krijgt het woord tot verdediging en heeft geen verweer gevoerd.
(...)
Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De raadsman geeft te kennen daarvan geen gebruik te willen maken.”
2.2.3
De meervoudige kamer van het hof heeft bij schriftelijke uitspraak het vonnis van de politierechter wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting bevestigd. Deze uitspraak houdt onder meer het volgende in:
“Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene door diens raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de uitspraak waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van het aantal dagen waarop de gijzeling is bepaald en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, het aantal dagen op 310 zal bepalen.
De raadsman van de betrokkene heeft geen verweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met de uitspraak en met de redengeving waarop dit berust, met uitzondering van de door de politierechter bepaalde duur van de gijzeling.
(...)
Het hof:
Vernietigt de uitspraak waarvan beroep ten aanzien van de duur van de gijzeling en doet in zoverre opnieuw recht.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 310 dagen.
Bevestigt de uitspraak waarvan beroep voor het overige.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
- Artikel 367 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Op het rechtsgeding voor de politierechter, bedoeld in artikel 51 van de Wet op de rechterlijke organisatie, vinden titels V en VI van Boek II en titel IIIb van boek IV overeenkomstige toepassing, voor zover in deze Titel niet anders is bepaald, en met dien verstande dat de politierechter de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de meervoudige kamer toekomen.”
“1. Behoudens het bepaalde in artikel 378, tweede lid, en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan de kopie van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de politierechter gewaarmerkt.
5. Wordt alsnog aan artikel 378, tweede lid, onder b of c, toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.”
- Artikel 379 lid 1 Sv:
“De politierechter is bevoegd een schriftelijk vonnis te wijzen. Op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman of van de benadeelde partij is hij daartoe verplicht, tenzij naar zijn oordeel daarmee geen redelijk belang is gediend.”
- Artikel 423 lid 1 Sv:
“Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.”
- Artikel 511g Sv:
“1. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld.
2. Titel II van het derde Boek is van overeenkomstige toepassing (...)”
2.4
Op grond van artikel 367 Sv vindt op het rechtsgeding voor de politierechter onder meer titel IIIb van Boek IV van het Wetboek van Strafvordering – welke titel is genaamd “Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel” en die de artikelen 511b - 511i Sv bevat – overeenkomstige toepassing. Dit brengt met zich dat, als het mondeling vonnis van de politierechter naar aanleiding van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet hoeft te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting en geen schriftelijk vonnis is gewezen, op grond van artikel 378a lid 1 Sv kan worden volstaan met een door de politierechter gewaarmerkte aantekening van het mondeling vonnis (stempelvonnis). Als de politierechter alsnog een schriftelijk vonnis als bedoeld in artikel 379 lid 1 Sv wijst, moet worden aangenomen dat het stempelvonnis gelet op artikel 378a lid 5 in samenhang met artikel 378a lid 1 Sv komt te vervallen.
2.5
Het hof heeft de uitspraak van de politierechter wat betreft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de opgelegde betalingsverplichting bevestigd. Gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld, heeft die bevestiging betrekking op het schriftelijk vonnis van de politierechter. Dat schriftelijk vonnis bevat een verwijzing naar bewijsmiddelen waaraan het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Het cassatiemiddel, dat kennelijk tot uitgangspunt neemt dat de politierechter uitsluitend heeft voorzien in een stempelvonnis en dat de bevestiging door het hof op dat stempelvonnis zou zien, is daarom tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 22/00772, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. Die zaak wordt onder meer wat betreft de strafoplegging teruggewezen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Dat hof zal in die zaak beoordelen of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2023.
Conclusie 03‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Artt. 378 en 378a Sv. Middel 1 klaagt dat het hof het mondelinge vonnis van de politierechter ten onrechte heeft bevestigd, nu het (stempel)vonnis geen wettige bewijsmiddelen bevat waaraan het op geld waardeerbare voordeel is ontleend. Middel 2 klaagt over overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Beide middelen slagen. Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00764 P
Zitting 3 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 maart 2022 het (mondelinge) vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 17 juli 2020 bevestigd, behalve ten aanzien van de door de politierechter bepaalde duur van de gijzeling, het vonnis in zoverre vernietigd en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 310 dagen.
2. De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, had het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bij op tegenspraak gewezen vonnis vastgesteld op een bedrag van € 15.500,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. Tegen dit vonnis is tijdig hoger beroep ingesteld.
3. Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene (22/00772). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
5. Het eerste middel klaagt dat het hof het mondelinge vonnis van de politierechter ten onrechte heeft bevestigd. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
De hoofdzaak
6. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof met de rechtbank de betrokkene veroordeeld wegens:
- ten aanzien van de zaken met parketnummers 03-147562-19, onder 1 en onder 2, subsidiair en 03-050848-20, onder 1 “verduistering”,
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 03-147562-19, onder 3 primair “witwassen”,
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 03-218095-19, onder 1 “mishandeling, meermalen gepleegd”,
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 03-218101-19, onder 1 “belaging”, en
- ten aanzien van de zaak met parketnummer 03-218105-19, onder 1 “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.
Het eerste middel
7. Het eerste middel klaagt dat het hof het vonnis van de politierechter niet zonder enige aanvulling van gronden had mogen bevestigen, nu het vonnis geen wettige bewijsmiddelen bevat waaraan het op geld waardeerbare voordeel is ontleend.
De bewijsvoering
8. Het hof heeft het mondelinge vonnis van de politierechter, met uitzondering van de duur van de gijzeling, bevestigd. Het arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – het volgende in:
“Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met de uitspraak en met de redengeving waarop dit berust, met uitzondering van de door de politierechter bepaalde duur van de gijzeling.
(…)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de uitspraak waarvan beroep ten aanzien van de duur van de gijzeling en doet in zoverre opnieuw recht. Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 310 dagen. Bevestigt de uitspraak waarvan beroep voor het overige.”
9. In het dossier bevindt zich een aantekening mondeling vonnis van de politierechter (stempelvonnis). Dit houdt – voor zover relevant – het volgende in:
“aantekening mondeling vonnis
RECHTBANK Limburg
Locatie Maastricht
(…)
Uitspraak van de politierechter, mr. R. Verkijk, van vrijdag 17 juli 2020, in de zaak tegen verdachte
(…)
Tegenspraak (art. 279 Sv)
BESLISSING:
Legt aan [betrokkene] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van 15.500,00 euro (voluit vijftienduizend vijfhonderd euro), ter ontneming van hel geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 112 dagen.
De politierechter”
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter van 17 juli 2020 houdt onder meer het volgende in (onderstrepingen mijnerzijds):
“De politierechter deelt mondeling mede de korte inhoud van het proces-verbaal van de politie Limburg-Noord, Districtsrecherche Noord-midden Limburg, registratienummer 2018144326 / 2018189512, gesloten d.d. 28 januari 2019 en doorgenummerd van pg. 1 t/m pg. 99.
De raadsman en de officier van justitie hebben geen vragen en achten de stukken voldoende voorgehouden.
De officier van justitie voert het woord en legt de vordering na voorlezing aan de politierechter over. Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering dient te worden toegewezen en voert daartoe het volgende aan:
Het is aannemelijk dat [betrokkene] gelden heeft verkregen die hem niet toebehoren. Hij heeft namelijk wederrechtelijk voordeel verkregen door de verkoop van de caravan voor € 15.500.- Ik verzoek de politierechter dan ook om de betalingsverplichting op € 15.500 te stellen.
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord tot verdediging te voeren. Hij maakt daarvan geen gebruik.
Aan de raadsman wordt het recht gelaten namens [betrokkene] het laatst te spreken. Hij maakt daarvan geen gebruik.
De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling uitspraak te zullen doen. Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.”
Dit proces-verbaal bevat géén aantekening van het mondelinge vonnis.
Het beoordelingskader
11. Voor de beoordeling van het middel acht ik de volgende bepalingen van belang. Artikel 378a Sv, dat ook van toepassing is op de behandeling van een vordering tot ontneming die bij de politierechter is aangebracht,1.bepaalt onder meer (onderstrepingen mijnerzijds):
“1. Behoudens het bepaalde in artikel 378, tweede lid, en indien schriftelijk vonnis wordt gewezen, blijft het opmaken van het proces-verbaal der terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen tweemaal vier en twintig uur op een aan de kopie van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de politierechter gewaarmerkt.
(…)
5. Wordt alsnog aan artikel 378, tweede lid, onder b of c, toepassing gegeven, dan komt de in de vorige leden van dit artikel bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door.”
12. Het eveneens op ontnemingsprocedures toepasselijke artikel 378 lid 2, aanhef en onder c, Sv houdt in (onderstrepingen mijnerzijds):
“Het vonnis wordt in het proces-verbaal der terechtzitting aangetekend op de wijze door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen (…)
c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a, eerste lid.”
13. Uit voorgaande maak ik het volgende op. Als hoofdregel heeft te gelden dat de politierechter na het wijzen van mondeling vonnis in een ontnemingszaak kan volstaan met een aantekening daarvan op een aan de kopie van de “dagvaarding” (vordering) te hechten stuk, ook wel ‘stempelvonnis’ genoemd (artikel 378a lid 1 Sv). Dit stempelvonnis komt evenwel (van rechtswege) te vervallen en dient door de griffier te worden doorgehaald indien alsnog toepassing wordt gegeven aan artikel 378 lid 2 onder b of c Sv (artikel 378a lid 5 Sv). De politierechter maakt dan alsnog een proces-verbaal van de zitting op met daarin de aantekening van het mondelinge vonnis.2.Hij is daartoe verplicht indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in artikel 410a lid 1 Sv (artikel 378 lid 2 onder c Sv).
14. Hoewel niet toegesneden op ontnemingsprocedures, acht de Hoge Raad de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep, Stcrt. 1996, 197 (hierna: de Regeling), en dus ook artikel 1 daarvan in ontnemingsprocedures voor de politierechter (mutatis mutandis) van toepassing op de aantekening van het mondelinge vonnis die op de wijze als bedoeld in artikel 378 lid 2 Sv is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.3.
De bespreking van het middel
15. De politierechter heeft de betrokkene op 17 juli 2020 (op tegenspraak) veroordeeld tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 15.500,00 euro ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen dit vonnis is tijdig hoger beroep ingesteld. De politierechter heeft niettemin volstaan met een aantekening mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378a Sv (stempelvonnis). Het stempelvonnis bevat géén schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en evenmin een bewijsvoering waaraan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel van € 15.500,00 euro is ontleend. Noch verwijst het vonnis – op de voet van artikel 1 van de Regeling – naar andere processtukken dienaangaande. Ook overigens is niet voldaan aan de voorschriften van artikel 1 van de Regeling.
16. In cassatie is enkel aan de orde de vraag of het arrest van het hof voldoet aan de wettelijke vereisten. Het hof kan gebruikmaken van de mogelijkheid om een vonnis in eerste aanleg te bevestigen, zo nodig met de in artikel 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling of verbetering van gronden. In het onderhavige geval heeft het hof het stempelvonnis van de politierechter (behalve voor wat betreft de duur van de gijzeling) zonder enige aanvulling bevestigd, terwijl dit vonnis niet voldoet aan de daaraan gestelde voorschriften. Bij die stand van zaken mocht het hof de aantekening van het mondelinge vonnis niet zonder aanvulling van gronden bevestigen.4.Voor zover het middel daarover klaagt, doet het dat terecht.
17. Het middel slaagt.
Het tweede middel
18. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
19. Namens de verdachte is op 4 maart 2022 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 januari 2023 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met twee en een halve maand is overschreden.
20. Consequenties behoeven daaraan op dit moment nog niet te worden verbonden, gelet op hetgeen ik hiervoor heb geconcludeerd ten aanzien van het eerste middel en de gevolgen die ik daaraan hierna verbind voor wat betreft de vernietiging en de terugwijzing.
21. Het middel is terecht voorgesteld.
Slotsom
22. Beide middelen slagen.
23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑10‑2023
Uiteraard is het de politierechter toegestaan om sowieso een proces-verbaal van de zitting op te maken, ongeacht of hij toepassing geeft aan art. 378a Sv. Indien in dat proces-verbaal (alsnog) aantekening wordt gedaan van het mondelinge vonnis, komt het stempelvonnis te vervallen. Zie HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:237, NJ 2017/108.
HR 12 juni 2018, ECL1:NL:HR:2018:908, rov. 2.4.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1576.