RTL heeft zich (eerst) in hoger beroep aan de zijde van SENA gevoegd onder aanvoering van zes grieven. AMP c.s. menen dat de grieven van RTL zich niet kunnen uitstrekken tot buiten het door de grieven van SENA ontsloten gebied en dat daarom RTL's grieven grotendeels buiten beschouwing moeten worden gelaten. De regel van het arrest van de HR van 9 april 2010 inzake ‘[naam 1]’ (ECLI:NL:HR:2010:BK4549), die er op neerkomt dat de partij (in die zaak: de SGP), die zich in de voorgaande instantie had gevoegd zelfstandig en op zelfstandig aangevoerde gronden een rechtsmiddel tegen de uitspraak in die instantie kan aanwenden om te voorkomen dat die uitspraak jegens hem gezag van gewijsde verkrijgt, is in de visie van AMP c.s. niet van toepassing op het onderhavige geval, aangezien RTL zich niet in de voorgaande instantie, bij de rechtbank, bad gevoegd. AMP c.s. merken op dat, omdat RTL geen partij in de rechtbankprocedure was, het Vonnis geen gezag van gewijsde jegens RTL kan verkrijgen en verbinden daaraan, zo begrijpt het hof, de conclusies dat de ratio achter voormelde regel van de HR hier ontbreekt en dat daarentegen de regel van het arrest van de HR van 14 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC6692), dat degene die zich voor het eerst in cassatie voegt niet zelf middelen tegen de bestreden uitspraak kan aanvoeren, in dit geval (overeenkomstige) tospassing moet vinden. Met deze redenering zien AMP c.s. echter over het hoofd dat het HR-arrest van 14 maart 2008 specifiek ziet op de situatie in cassatie en, onder meer omdat in cassatie geen plaats is voor nieuwe stellingen en weren, de daarin neergelegde regel niet past bij de situatie in hoger beroep — in dat arrest is ook beslist dat, anders dan in hoger beroep, tussenkomst in cassatie niet mogelijk is en voorts dat indien, zoals AMP c.s. voorstaan, RTL, nadat zij zich in hoger beroep had gevoegd, niet op zelfstandige gronden tegen het Vonnis zou kunnen opponeren, het in deze zaak te wijzen arrest gezag van gewijsde jegens haar kan krijgen zonder dat zij haar standpunten ten volle naar voren heeft kunnen brengen. Hierdoor zou voeging voor het eerst in hoger beroep zo onaantrekkelijk worden gemaakt dat daarmee het nuttig effect zou worden ontnomen aan de van toepassing verklaring in artikel 353 lid 1 Rv van de voegingsregeling van artikel 217 e.v. Rv in hoger beroep, waarbij van belang is dat het nuttig effect van voeging zich juist voordoet in de situatie dat de partij aan wiens zijde voeging plaatsvindt in de ogen van zich voegende partij niet al het mogelijke heeft aangevoerd. De regel uit HR 14 maart 2008 leent zich kortom niet voor overeenkomstige toepassing op de situatie dat in hoger beroep wordt gevoegd. Dit een en ander brengt naar het oordeel van het hof met zich, dat de partij die zich voor het eerst in hoger beroep heeft gevoegd zelfstandig stellingen kan aanvoeren ten betoge dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven, met dien verstande evenwel dat deze stellingen niet strijdig mogen zijn aan die van de partij aan wiens zijde wordt gevoegd (zie rov. 3.5 van HR 22 juni 2012 ‘Zeedijk/Heineken’, ECLI:NL:HR:2012:BW9067).