Zie rov. 2.1 uit het vonnis d.d. 2 juni 2008 van het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) en de rov. 3.1 en 3.6 van het vonnis d.d. 27 oktober 2009 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (GHvJ).
HR, 16-09-2011, nr. 10/00375
ECLI:NL:HR:2011:BR5468
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
16-09-2011
- Zaaknummer
10/00375
- Conclusie
Mr. Wuisman
- LJN
BR5468
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BR5468, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 16‑09‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BR5468
ECLI:NL:PHR:2011:BR5468, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑06‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BR5468
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑09‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Antillenzaak. Last en volmacht verstrekt tot inning vordering tot terugbetaling lening ten behoeve van studie?
16 september 2011
Eerste Kamer
10/00375
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende op Curaçao,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
STICHTING STUDIEFINANCIERING CURAÇAO,
gevestigd op Curaçao,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en SSC.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak AR 115/2007 van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 18 juni 2007 en 2 juni 2008,
b. het vonnis in de zaak AR 115/07 - H 476/08 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 27 oktober 2009.
Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
SSC heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor SSC mede door mr. M.S. Goeman, advocaat te Rotterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SSC begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 septmber 2011.
Conclusie 17‑06‑2011
Mr. Wuisman
Partij(en)
CONCLUSIE inzake:
[Eiser],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen
tegen
Stichting Studiefinanciering Curaçao,
gevestigd te Curaçao
(hierna: SSC)
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan1.2.:
- (i)
Het openbare lichaam Eilandgebied Curaçao (hierna: het Eilandgebied) heeft in de jaren 1989 tot en met 1994 aan eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) studieleningen toegekend voor een bedrag van US$ 78.927,22 in verband met diens studie computer science in de Verenigde Staten. [Eiser] heeft zich verbonden de geleende bedragen terug te betalen.
- (ii)
[Eiser] heeft de studie computer science in mei 1994 voltooid.
- (iii)
In 1991 is tussen het Eilandgebied, de Gezaghebber van het Eilandgebied, en de Direkteur van het Directoraat Cultureel-Educatieve Zaken enerzijds en verweerster in cassatie (hierna: SSC) anderzijds een overeenkomst van lastgeving en volmacht getekend.3. Deze overeenkomst vermeldt onder andere:
‘Artikel 1.
Het eilandgebied verleent met ingang van 1 augustus 1991 last en volmacht aan [SSC] tot het uitoefenen van de aan het eilandgebied toekomende rechten en bevoegdheden (…) betreffende het verlenen van studiefinancieringsfaciliteiten aan ingezetenen van het eilandgebied, alsmede betreffende het invorderen van de terzake deze faciliteiten ontstane schulden aan het eilandgebied. (…)’
- (iv)
Op 30 oktober 2001 heeft de deurwaarder aan [eiser] een brief van SSC van 18 oktober 200 betekend met daarin een oproep om binnen 30 dagen contact op te nemen met SSC teneinde een betalingsregeling aan te gaan.
- (v)
In een op 1 juli 2004 gedateerde en door SSC en de Gezaghebber van het Eilandgebied ondertekende akte van cessie verklaren het Eilandgebied en SSC — kort gezegd — dat alle ten tijde van de ondertekening bestaande vorderingen van het Eilandgebied wegens vóór het studiejaar 1991–1992 verleende studiefinanciering aan SSC worden gecedeerd.4.
- (vi)
Op 3 mei 2006 heeft de gemachtigde van SSC [eiser] uitgenodigd om uiterlijk 17 mei 2006 een betalingsregeling te treffen terzake van de vordering van SSC op [eiser].
- (vii)
Een betalingsregeling is niet overeengekomen. Wel heeft [eiser] op 22 mei, 5 juni en 7 juli 2006 heeft [eiser] ter aflossing van zijn studielening telkens betalingen ten bedrage van NAf. 125,- gedaan op de rekening van Stichting Derdengeldenbeheer LFFW. Hierna is [eiser] gestopt met betalen.
1.2
In een op 17 januari 2007 door SSC tegen [eiser] bij het GEA gestarte procedure vordert SSC, na eisvermindering, een veroordeling van [eiser] tot terugbetaling van een bedrag US $ 78.927,22 wegens ontvangen studieleningen, te vermeerderen met rente en kosten.
1.3
Bij vonnis d.d. 2 juni 2008 heeft het GEA de vordering toegewezen. Dit vonnis heeft het GHvJ bij vonnis d.d. 27 oktober 2009 bevestigd. Hiertoe komt het GHvJ op grond van onder meer de volgende, hierna kort en enigszins geparafraseerd weergegeven, beslissingen:
- a.
SSC is bij de in 1991 gedateerde overeenkomst van lastgeving en volmacht rechtsgeldig namens het Eilandgebied gemachtigd tot onder meer het (buiten recht) invorderen van studieschulden zoals die van [eiser] (rov. 3.6 t/m 3.9);
- b.
gezien die overeenkomst was SSC bevoegd om op 30 oktober 2001 aan [eiser] de brief te doen betekenen, die geleid heeft tot stuiting van de verjaring van de vordering op [eiser] betreffende diens studieschuld (rov. 3.9);
- c.
voor toewijzing van de vordering is niet nodig dat SSC ten tijde van de inleidende dagvaarding bevoegd was op eigen naam en voor zichzelf te innen; daartoe is voldoende dat zij die bevoegdheid ten tijde van de uitspraak heeft (rov. 3.11); dat is het geval, gelet op de akte van cessie van 1 juli 2004 waarvan aan [eiser] mededeling is gedaan (rov. 3.11).
1.4
Van het vonnis van het GHvJ is [eiser] tijdig in cassatie gekomen. SSC heeft voor antwoord tot verwerping van het beroep van [eiser] geconcludeerd. Partijen hebben ieder hun standpunt in cassatie schriftelijk doen toelichten door hun cassatieadvocaat, SSC mede door mr. M.S. Goeman.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel is aldus te begrijpen dat het omvat de onderdelen A, B en C en dat in ieder onderdeel meer klachten voorkomen.
onderdeel A
2.2
In onderdeel A wordt bestreden dat in de overeenkomst van lastgeving en volmacht uit 1991 aan SSC last en volmacht is verstrekt tot het terugvorderen van studieleningen, die zijn verstrekt voordat SSC bestond en de overeenkomst was opgesteld.
2.3
Deze klacht treft reeds hierom geen doel omdat zij een feitelijk punt, nl. uitleg van de overeenkomst van lastgeving en volmacht, aansnijdt, dat niet eerder ter sprake is gebracht en in cassatie niet voor het eerst aan de orde kan worden gesteld.
Afgezien daarvan, vormt de uitleg een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Van een onbegrijpelijk oordeel is geen sprake. Het hierboven in 1.1 sub (iii) geciteerde artikel 1 uit de overeenkomst laat ruimte voor de door het GHvJ gegeven uitleg. Artikel 2 van de overeenkomst, waarnaar in de klacht wordt verwezen, stelt in tijdmatig opzicht geen beperkingen aan de incasso door SSC van vorderingen die met verleende studiefinanciering verband houden.
2.4
Aan het slot van onderdeel A wordt ook nog een opmerking gemaakt van de strekking dat ook in de oprichtingsakte van SSC niet valt te lezen dat SSC ook oude, d.w.z. voor de oprichting al bestaande vorderingen zou moeten innen. Voor deze opmerking geldt niet alleen dat zij ook een ongeoorloofd novum betreft, maar bovendien dat zij dusdanig onuitgewerkt is dat daarin niet een klacht is te lezen die voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen.
onderdeel B
2.5
In onderdeel B wordt als eerste klacht aangevoerd dat het GHvJ de bevoegdheid van SSC om de brief van 30 oktober 2001 aan [eiser] te doen betekenen mede ten onrechte op de overeenkomst van lastgeving en volmacht heeft gebaseerd, omdat aan de ondertekening van die overeenkomst door de gezaghebber geen besluit van het bestuurscollege van het Eilandgebied ten grondslag heeft gelegen, zodat de overeenkomst voor nietig moet worden gehouden.
2.6
De klacht kan reeds bij gebrek aan belang geen doel treffen. In de rov. 3.72 en 3.7.3 vermeldt het GHvJ twee gronden, die ieder een succesvol beroep op het ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid van SSC uit hoofde van de overeenkomst van lastgeving en volmacht. Deze gronden blijven in cassatie onbestreden in de weg staan. Dit betekent dat het oordeel van het GHvJ omtrent de bevoegdheid van SSC om de brief van 30 oktober 2001 aan [eiser] te doen betekenen in stand blijft, wat er ook zij van de in 2.5 vermelde klacht.
2.7
In onderdeel B komt ook de klacht voor (blz. 4, eerste volle alinea van het verzoekschrift tot cassatie), dat het GHvJ ten onrechte in rov. 3.9 overweegt dat door [eiser] in appel geen grief heeft aangevoerd tegen het oordeel van het GEA dat de brief een ondubbelzinnige mededeling inhoudt dat SSC zich het recht op nakoming voorbehoudt. Gesteld wordt dat die klacht wel is aangevoerd, maar nagelaten wordt om met vindplaatsen aan te geven waar dat is gebeurd. Een grief als gesteld is ook niet aangetroffen. Hierop strandt de klacht en daarmee ook de vervolgklacht dat aan de brief van 30 oktober 2001 bij gebreke van een ondubbelzinnige mededeling geen stuitende werking kan worden toegekend. Omdat het oordeel van het GEA van die inhoud in appel onbestreden is gebleven, moet van de stuitende werking van de brief van 30 oktober 2001 ook in cassatie worden uitgegaan.
onderdeel C
2.8
Hier wordt de in de laatste alinea van blz. 4 van het verzoekschrift opgenomen klacht gerekend tot onderdeel C, omdat deze klacht nauw verband houdt met hetgeen in dat onderdeel wordt aangevoerd.
2.9
De zojuist genoemde klacht en het betoog in onderdeel C strekken ertoe, dat het hof niet heeft mogen oordelen dat voor toewijzing van de vordering aan SSC niet nodig is dat zij reeds bij het aanvangen van de procedure in eerste aanleg rechthebbende van de vordering was, maar dat daartoe voldoende is dat zij ten tijde van de uitspraak van het hof die bevoegdheid heeft.
2.10
De klacht en het betoog treffen geen doel. De toewijsbaarheid van een vordering moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden, zoals die naar het oordeel van de rechter ten tijde van de beslissing zijn. Vanwege de cessie van 1 juli 2004 en de mededeling daarvan aan [eiser] — mogelijk pas in de loop van de procedure — heeft het GHvJ aangenomen en kunnen aannemen dat SSC in ieder geval ten tijde van de eindbeslissing van het GHvJ rechthebbende van de vordering op [eiser] was en dat de vordering bijgevolg aan haar kon worden toegewezen als op haar naam staande en voor zichzelf inbaar. Welk belang aan de kant van [eiser] zich ertegen verzet aldus te oordelen, wordt ook niet uit de doeken gedaan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden