HR, 15-10-2013, nr. 13/02958
ECLI:NL:HR:2013:958
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2013
- Zaaknummer
13/02958
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:958, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑10‑2013; (Herziening)
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHARN:2012:BW3209, Afwijzing
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑06‑2013
- Vindplaatsen
NJ 2014/120 met annotatie van T.M. Schalken
Uitspraak 15‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Herziening. De enkele omstandigheid dat in een overgelegd rapport een aanvullend onderzoek wordt geadviseerd, levert niet een gegeven op a.b.i. art. 457.1ahf.c Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2013:CA1203). De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Partij(en)
15 oktober 2013
Strafkamer
nr. 13/02958 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 18 april 2012, nummer 21/000376-11, ingediend door mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort, namens:
[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Arnhem van 25 januari 2011 - de aanvrager in de zaak met parketnummer 05/900082-10 ter zake van 1. "moord", 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd", 3. "medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd" en 4. "belaging" en in de zaak met parketnummer 05/702992-10 wegens "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 jaren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.1.
Onder 1 is bewezenverklaard dat de aanvrager:
"op 20 januari 2010 te Bennekom, gemeente Ede, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, [slachtoffer] meerdere malen met een scherp voorwerp, in het lichaam heeft gestoken tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden."
3.2.2.
Het Hof heeft omtrent het bewijs van dit feit onder meer het volgende overwogen:
"Biologisch contactspoor
Van de bemonstering (AABJ4503NL#3) van materiaal van de trui van het slachtoffer rondom de steekverwonding E is een autosomaal DNA-mengprofiel verkregen met daarin autosomale DNA-kenmerken van minimaal twee personen van wie minimaal één een man is. Het hoofdprofiel kan van het slachtoffer zijn; de additionele autosomale DNA-kenmerken kunnen van verdachte zijn. Er kunnen geen statistische berekeningen worden gemaakt, dat wil zeggen dat niet gezegd kan worden hoe groot de kans is dat het materiaal afkomstig is van een ander dan verdachte. De match tussen de additionele autosomale DNA-kenmerken van de bemonstering en het autosomale DNA-profiel van verdachte vindt bevestiging in een Y-chromosomaal DNA mengprofiel dat van de bemonstering is verkregen, omdat dit overeenkomt met het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte. Er kan echter niet worden uitgesloten dat het in de bemonstering gevonden Y-chromosomale DNA-mengprofiel van [betrokkene 1] is. De getuige-deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft daarover bij de rechter-commissaris verklaard dat het gevonden Y-chromosomale DNA-profiel, gelet op de overeenkomstige allelen, sterker naar verdachte wijst (conclusie C) dan naar [betrokkene 1] (conclusie D). Bij verdachte zijn alle kenmerken op één na reproduceerbaar in het DNA-spoor terug te zien.
Ter terechtzitting in hoger beroep is de deskundige dr. A.G.M. van Gorp nogmaals gehoord. Daarbij zijn drie hypothesen naast elkaar gelegd aangaande het aangetroffen autosomale DNA-mengprofiel.
A. Het spoor is afkomstig van het slachtoffer, verdachte en een onbekende derde;
B. Het spoor is afkomstig van het slachtoffer, de broer van verdachte en een onbekende derde;
C. Het spoor is afkomstig van het slachtoffer en twee onbekende derden.
De deskundige heeft aangegeven dat de eerste hypothese vele malen waarschijnlijker is dan de andere twee, ook zonder statistische onderbouwing."
3.3.1.
In de aanvraag wordt aangevoerd dat het ernstige vermoeden bestaat dat het Hof de aanvrager van de onder 1. bewezenverklaarde moord zou hebben vrijgesproken, indien het bekend zou zijn geweest met het bij de aanvraag gevoegde onderzoeksrapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau van 29 mei 2013.
3.3.2.
Dit rapport houdt onder meer in:
"Beschouwend de complexiteit van het DNA-mengprofiel [AABJ4503NL#03], de familiaire banden tussen [aanvrager] en [betrokkene 1], het feit dat de DNA-profielen van [aanvrager], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sterke overeenkomsten vertonen, de DNA-profielen verkregen uit de overige bemonsteringen moet de verbale uitspraak van de NFI-deskundige over de DNA-match, gezien bovenstaande argumenten, met een sterke mate van terughoudendheid in beschouwing worden genomen. De gedane uitspraak is vanuit wetenschappelijk oogpunt, binnen deze feiten en omstandigheden, betwistbaar.
Om bovenstaande reden en rekening houdend met de complexiteit van de DNA-interpretatie en de door het Hof toegekende bewijswaarde is het zeer sterk aan te raden om spoor AABJ4503NL#03 te onderwerpen aan een aanvullend DNA-onderzoek, waarbij een DNA-methodiek wordt gehanteerd die meer DNA-kenmerken typeert.
Door toepassing van deze DNA-methodiek wordt een DNA-profiel verkregen dat over significant meer personen onderscheidend vermogen beschikt. Dit zal er in resulteren dat bij de interpretatie van het DNA-mengprofiel er een eenduidigere en beter onderbouwde uitspraak gedaan kan worden over de aan- of afwezigheid van het celmateriaal van specifieke [aanvrager], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Op basis van de huidige resultaten is een uitspraak hieromtrent discutabel."
3.4.
De enkele omstandigheid dat in een overgelegd rapport een aanvullend onderzoek wordt geadviseerd, levert niet een gegeven op als hiervoor onder 3.1 bedoeld (vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1203). De stelling dat één van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen "discutabel" is, kan ook niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.5.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Beroepschrift 14‑06‑2013
Verzoek tot Herziening
(Art. 457 Sv)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Tot u wendt zich:
[verzoeker], verder te noemen: ‘verzoeker’, geboren op [geboortedatum] 1967, te dezer zake woonplaats kiezende te 3811 EX Amersfoort aan het Havik 13 ten kantore van diens raadsman mr. J. Peters, die door hem bepaaldelijk gemachtigd is dit herzieningsverzoek te ondertekenen en in te dienen.
I. Inleiding
Op 20 januari 2010 is het slachtoffer, zijnde de tante van verzoeker met een mes in haar eigen woning aan de [a-straat] [1] in [a-plaats] om het leven gebracht. Zij wordt door haar man aangetroffen in de woonkamer. Sporenonderzoek wijst uit dat het slachtoffer is verwond en is overleden op de plaats waar ze gevonden is. Ook zijn er geen sporen van braak.
Verzoeker heeft altijd ontkent ook maar iets te maken te hebben met de moord en buiten een DNA-spoor wat van verdachte kan zijn (statistische berekeningen kunnen niet gemaakt worden) is er geen direct technisch bewijs.
Verzoeker is bij de rechtbank Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaren en TBS met dwangverpleging.
In hoger beroep is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 jaren (Hof Arnhem 18 april 2012, LJN BW3209) voor het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van het slachtoffer, zijnde zijn tante, zoals onder 1 primair ten laste gelegd en bewezen verklaard.
Verzoeker is nu bekend geraakt met nieuwe feiten en omstandigheden welke bij het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof niet zijn gebleken en die volgens verzoeker het ernstige vermoeden krachtens art. 457, eerste lid onder sub 2 strafvordering wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek ter zake zou hebben geleid tot vrijspraak.
II. Gehanteerde bewijsmiddelen.
De door het hof als belastend gehanteerde bewijsmiddelen voor de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde zijn:
1.
Een bemonstering van een biologisch contactspoor [AABJ4503NL#3].
Het NFI stelt op basis van hun onderzoeken vast dat de additionele autosomale DNA-kenmerken van verdachte kunnen zijn, maar dat er geen statistische berekeningen kunnen worden gemaakt. De match tussen de additionele autosomale DNA-kenmerken van de bemonstering en het autosomale DNA-profiel van verdachte vindt bevestiging in een Y-chromosomaal DNA mengprofiel dat van de bemonstering is verkregen, omdat dit overeenkomt met het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte. Er kan echter niet worden uitgesloten dat het in de bemonstering gevonden Y-chromosomale DNA-mengprofiel van [betrokkene 1] is. Maar de hypothese dat het spoor afkomstig is van het slachtoffer, verzoeker en een onbekende derde is vele malen waarschijnlijker dan dat het spoor afkomstig is van het slachtoffer, [betrokkene 1] en een onbekende derde.
2.
Een telefoongesprek d.d. 20 januari 2010 tussen verzoeker en het slachtoffer.
Op 20 januari belt het slachtoffer om 12.04 uit naar verzoeker en om 13.24 uu belt verzoeker het slachtoffer terug. In dit gesprek zou zijn gesproken over de mogelijk bemiddelende rol van het slachtoffer tussen verzoeker en zijn moeder en zijn geldproblemen.
3.
De aanwezigheid van verzoeker in de directe nabijheid van de woning van het slachtoffer rond het tijdstip van overlijden.
Verzoeker is rond 14.30 uur bij het tankstation in Breukelen en heeft ook verklaard door Bennekom te zijn gereden.
III. Novum
Novum: Een Onderzoeksrapportage c.q. contra-expertise van 29 mei 2013 van het NFO, opgesteld door Ing. J.R. ten Hove, met betrekking tot een onderzoek naar de bemonstering [AABJ4503NL#03], waarvan de uitkomst als essentieel en doorslaggevend bewijs is gehanteerd door het hof.
Eindconclusie van het rapport: vanwege de complexiteit van het DNA-mengprofiel [AABJ4503NL#03], de familiaire banden tussen verzoeker en [betrokkene 1], het feit dat de DNA-profielen van verzoeker, [betrokkene 1] en het slachtoffer sterke overeenkomsten vertonen, de DNA-profielen verkregen uit de overige bemonsteringen moet de verbale uitspraak van de NFI-deskundige over de DNA-match met en sterke mate van terughoudendheid in beschouwing worden genomen. De gedane uitspraak is vanuit wetenschappelijk oogpunt, binnen deze feiten en omstandigheden betwistbaar.
Uit de conclusies van het gepresenteerde novum kan redelijkerwijs niets anders worden afgeleid dan dat de door het NFI gestelde conclusie ‘dat het spoor afkomstig is van het slachtoffer, verzoeker en een onbekende derde vele malen waarschijnlijker is dan dat het spoor afkomstig is van het slachtoffer, [betrokkene 1] en een onbekende derde’, op basis van het beschikbare spoor en gedane onderzoek niet gesteld kan worden, zonder aanvullend onderzoek.
Kortom het novum doet het ernstige vermoeden rijzen dat ware dit het hof bekend geweest, dit zou hebben geleid tot vrijspraak van verzoeker.
Daarnaast verdient in deze zaak, waar het gaat om het aangetroffen DNA en de rapporten en conclusies van het NFI, de conclusie van advocaat-generaal Prof. dr. mr. G. Knigge in de herzieningszaak van [naam] bijzondere aandacht.
Hierin stelt Knigge onder andere:
‘Ik doel op de fouten die de rechter kan maken bij de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal. Die selectie en die waardering is mede afhankelijk van de kennis en de kunde van de rechter. En daarmee kan van alles mis zijn. De gevolgtrekking die de rechter maakt, kunnen onlogisch zijn en de veronderstellingen waarvan hij uitgaat niet deugen. Zijn kennis kan tekortschieten om de relevantie van bepaalde feiten te doorgronden. De rechter kan ook gegevens eenvoudig over het hoofd zien, hetgeen ook bij de meest zorgvuldige bestudering van het dossier kan gebeuren. Mogelijk is ook dat de rechter feiten negeert, juist doordat de bestudering van het dossier tot een ‘tunnelvisie’ heeft geleid waarin die feiten niet passen. De rechter is tenslotte ook maar een mens, en daarmee een bron van fouten.’
en
‘Hoe dunner het bewijs en hoe zwakker de bewijsvoering hoe eerder nieuwe gegevens het vermoeden zullen wekken dat de beslissing niet deugt.’
Verzoeker legt daarnaast in het verlengde van de gezaghebbende annotatie van Knigge uw Hoge Raad de vraag voor of er in casu sprake geweest is van een rechterlijke dwaling op grond van informatie uit het dossier dat de rechters van het hof ter beschikking stond maar zij over het hoofd hebben gezien dan wel informatie uit dat dossier dat door de rechters destijds niet op waarde is geschat (of in casu: waar juist ten onrechte (teveel) waarde is toegedicht aan de conclusies van het NFI) hetgeen (ook) tot herziening kan leiden.
Verzocht wordt derhalve onderhavig verzoekschrift gegrond te verklaren en te komen tot herziening van het door het gerechtshof te Arnhem gewezen arrest, althans een beslissing te nemen die uw Raad in goede in justitie zal vermenen te behoren.
14 juni 2013,
mr. J. Peters