RFR 2020/81
Periodiek verrekenbeding. Hoe moet worden vastgesteld of sprake is van vermogensvermeerdering door (her)belegging van overgespaard inkomen?
HR 13-03-2020, ECLI:NL:HR:2020:417
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13 maart 2020
- Magistraten
Mrs. C.A. Streefkerk, M.V. Polak, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock
- Zaaknummer
18/04213
- Conclusie
A-G mr. M.L.C.C. Lückers
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS202570:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:417, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑03‑2020
ECLI:NL:PHR:2019:919, Conclusie, Hoge Raad, 20‑09‑2019
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑10‑2018
- Wetingang
Art. 1:136, 1:141 BW
Essentie
Huwelijksvermogensrecht. Periodiek verrekenbeding.
Op welke wijze moet worden vastgesteld in hoeverre sprake is van vermogensvermeerdering door (her)belegging van overgespaard inkomen? Kan een stamrecht worden aangemerkt als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt?
Samenvatting
Man en vrouw zijn in 1990 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende een beperkte gemeenschap van inboedel en een (ruim) periodiek verrekenbeding. Verrekening van overgespaarde inkomsten heeft gedurende het huwelijk niet plaatsgevonden. De vrouw heeft onder andere ten huwelijk aangebracht een manegebedrijf met de daarbij behorende (on)roerende goederen, liquiditeiten, vorderingen en schulden. Tijdens huwelijk heeft zij voorts nieuwe hypothecaire geldleningen afgesloten, waaraan twee ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.