RvdW 2012/419:Verzoeker is veroordeeld wegens diefstal met de verzwarende omstandigheid dat het slachtoffer is gedood om straffeloosheid te verzekeren. Daartoe is overwogen dat de moord een objectieve en intrinsieke verzwarende omstandigheid is bij de diefstal als hoofdfeit, die weerslag heeft op allen die hebben meegewerkt aan de diefstal zonder dat van elk van de mededaders de rechtstreekse en persoonlijke betrokkenheid bij de moord hoeft te worden bewezen. EHRM: De wijze waarop de bestanddelen van de verzwarende omstandigheid op de verzoeker zijn toegepast is een met een strafrechtelijk vermoeden te vergelijken redenering. Het EVRM verbiedt feitelijke en juridische vermoedens niet, maar verplicht Lidstaten rekening te houden met de belangen die op het spel staan en de rechten van de verdediging in stand te houden. Geoordeeld is dat daadwerkelijke medewerking van de verzoeker aan de moord niet bewezen is. De verzoeker is echter schuldig bevonden terzake van de feiten die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid, nadat het bestanddeel opzet op het niveau van de verzwarende omstandigheid alsmede het gedrag van de verzoeker en de door hem gespeelde rol met grote aandacht zijn onderzocht. De verzwarende omstandigheid is aldus gesubjectiveerd. Geen schending van art. 6 lid 2 EVRM.