Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207. Zie ook HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:15 (art. 81 lid 1 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Spronken (PHR 13 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1142).
HR (Parket), 31-10-2023, nr. 22/01497
ECLI:NL:PHR:2023:969
- Instantie
Hoge Raad (Parket)
- Datum
31-10-2023
- Zaaknummer
22/01497
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2023:969, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1736
Conclusie 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op geldbedragen van € 18.000,- en € 2.300,-. Heeft de behandeling van het klaagschrift in het openbaar plaatsgevonden (M1)? Overige middelen over afwijzing getuigenverzoek en schending van de beginselen van behoorlijke procesorde (M2) en over oordeel dat klaagster niet buiten redelijke twijfel als eigenaresse kan worden aangemerkt (M3). De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01497 B
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de klaagster.
Inleiding
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 15 april 2022 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv strekkende tot opheffing van het beslag op geldbedragen van € 18.000,00 en € 2.300,00 met last tot teruggave aan de klaagster, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.
2.1
Het middel klaagt dat de behandeling in raadkamer op 15 april 2022 niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
2.2
Het proces-verbaal van de behandeling door de raadkamer van 15 april 2022 houdt niet in dat die behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden. Wel vermeldt de beschikking dat “de rechtbank op 15 april 2022 het klaagschrift in openbare raadkamer [heeft] behandeld” en dat deze “in het openbaar [is] uitgesproken op 15 april 2022”.
2.3
De Hoge Raad heeft op de voet van art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. De griffier van de rechtbank, M. Peperkamp, die bij de behandeling in de raadkamer tegenwoordig is geweest, heeft bij brief ingekomen op 8 september 2023 aan de Hoge Raad het volgende medegedeeld:
“Ik heb uw brief gelezen alsmede kennis genomen van het proces-verbaal. Ik kan u meedelen dat de behandeling op 15 april 2022 ter openbare terechtzitting, raadkamer, heeft plaatsgevonden. Klaagschriften beslag, zoals ook de onderhavige zaak, worden altijd conform artikel 552a, zevende lid, Wetboek van Strafvordering, ter openbare raadkamer behandeld. Kennelijk is bij het uitwerken van het proces-verbaal een onjuist voorbeeld gebruikt en is verzuimd te vermelden dat de behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden.”
2.4
Op grond van de inhoud van deze brief moet het ervoor worden gehouden dat als gevolg van een kennelijke misslag is verzuimd in het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 15 april 2022 op te nemen dat de behandeling van het klaagschrift in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad kan het proces-verbaal met verbetering van deze misslag lezen. Daarmee komt de feitelijke grondslag van het middel te vervallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.1.
2.5
Het middel faalt.
Het tweede en derde middel
3.
3.1
Het tweede middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om de moeder van de klaagster als getuige te horen. Door in het kader van die afwijzing slechts te verwijzen naar de omstandigheid dat sprake is van een marginale toets, zou de rechtbank in strijd hebben gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het derde middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat klaagster niet buiten redelijke twijfel als eigenaresse kan worden aangemerkt. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.2
Het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer van 15 april 2022 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Klager
De € 18.000,00 was bedoeld om ons te helpen zodat mijn partner een eigen zaak kon starten.
Raadsvrouw Ik vind het van belang zowel de moeder van klaagster als klaagster te horen. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat de moeder klaagster contanten heeft gegeven. Ik heb dit verzoek eerder per mail gedaan. Dat is ook de reden dat ik een tolk voor de moeder heb laten oproepen.
Officier van justitie Mijn standpunt is dat de getuige niet gehoord hoeft te worden. Het betreft een marginale toets. Er is voldoende in het klaagschrift naar voren gebracht.
Raadsvrouw Ik heb de getuige meegebracht. Het gaat om het verdedigingsbelang ook al betreft het geen inhoudelijke strafzaak en is dit geen gebruikelijk verzoek. De moeder dient gehoord te worden om aannemelijk te kunnen maken dat het geldbedrag aan klaagster toebehoort. U zegt dat u het verzoek gelet op de marginale toets die vandaag aan de orde is, afwijst.
Belanghebbende Ik wil niet dat mijn vriendin en haar moeder de dupe van zijn van wat er met mij speelt. Als ik zwart geld zou hebben verdiend, zou ik het niet thuis hebben bewaard.
Raadsvrouw Het is buiten redelijke twijfel dat klaagster als eigenaar kan worden aangemerkt. Volgens het Openbaar Ministerie is het niet gebruikelijk om via de bank contant geld op te nemen en dat geld dan over te dragen. Ik zal u het verhaal vertellen dat de moeder van klaagster als getuige aan u wilde vertellen. Uit de onderbouwing blijkt dat Nationale Nederlanden voorschotten uit de letselschadezaak aan de moeder van klaagster heeft uitgekeerd. De moeder heeft dat bedrag onmiddellijk contant opgenomen. De moeder van klaagster is afkomstig uit Servië en de ervaringen met banken zijn daar anders. De moeder heeft het geld thuis bewaard met de bedoeling er een herdenkingsmonument voor een jaren geleden vermoord zusje voor te kopen in Servië. Eerder was er geen toestemming voor het monument. In Servië is het niet ongebruikelijk om contant te betalen en bij grote bedragen krijg je soms zelfs korting. Toen klaagster aangaf dat zij geldproblemen had, heeft de moeder besloten het geld aan klaagster te geven maar niet met de bedoeling om het volledig te schenken. Het is deels gebruikt voor de kinderen en boodschappen. De pleegperiode die aan belanghebbende [belanghebbende] ten laste wordt gelegd, loopt tot en met 7 juni 2021 terwijl het geld pas in augustus 2021 aan klaagster gegeven is. [belanghebbende] zou veel contact geld hebben verdiend. Er zijn gesprekken van april tot en met mei overlegd. Het Openbaar Ministerie legt echter alleen stukken over die hen goed uitkomen. In het dossier van [belanghebbende] blijkt uit meerdere gesprekken die hij voerde vanaf 22 mei 2022 dat er bijna geen geld meer was. Ik houd u die gesprekken voor. Hij zegt ‘ik heb bijna niks meer,’ ‘Fiks doekoes’. ‘Kankerzooi heb bijna niks meer.’ ‘Ik heb alleen nog genoeg geld om een bankstel te kopen en een beetje te verven daar.’ ‘Ik heb niet veel meer.’
Het Openbaar Ministerie beschouwt hem als de logistiek man. Hoe kun je dingen kopen zonder geld? Er zijn gesprekken dat er € 10.000,00 - € 15.000,00 aan hem betaald zou moeten worden. Er kan niet vastgesteld worden dat dit een vergoeding zou zijn en niet bedoeld was om dingen te kopen. Het is niet onaannemelijk dat er geen geld meer was. Als het niet aannemelijk geacht wordt dat het geld van klaagster is, verzoek ik nogmaals de moeder van klaagster te horen. Juist de gesprekken die het Openbaar Ministerie tegen [belanghebbende] gebruikt, pleiten hier in zijn voordeel. Er was geen geld meer en de € 18.000,00 is op een legale manier binnengekomen. Het is buiten redelijke twijfel dat klaagster eigenaresse van het geld was. Er is geen verdenking van een misdrijf. Het geld was van klaagster dus zij heeft ook niks verhinderd. De Hoge Raad zegt dat het geld dan terug moet naar klaagster. Subsidiair verzoek ik het klaagschrift gegrond te verklaren enkel met betrekking tot de € 18.000,00.
U vraagt of de € 18.000,00 voor het gezin gebruikt is. Ik antwoord u dat dat klopt. Het is gebruikt om boodschappen van te doen en voor kleding. Het was niet bedoeld om aan [belanghebbende] te geven. Er was wel een voornemen dat hij een legaal autobedrijf zou starten. Klaagster was eigenaresse van het geld.
U vraagt mij of er onderbouwing is dat de € 18.000,00 contant aan klaagster gegeven is. Dit is door klaagster verklaard en haar moeder kan dat bevestigen. Er zijn geen stukken van. In Servië is het gebruikelijk dat ouders hun kinderen contant geld toestoppen.
Klaagster Het was een geheim tussen mama en mij dat zij dat geldbedrag had en aan mij gaf. Ze vroeg mij op een dag of we er kwamen eten en toen hebben we het geldbedrag opgehaald. Ik heb nog in app gesprekken gekeken of ze iets heeft gezegd van komen jullie het geld ophalen.
Officier van justitie
De raadsvrouw geeft aan dat het geld door de moeder aan klaagster gegeven zou zijn en alleen van haar was. Er is ook een aantal keren aangegeven dat het geld aan het gezin zou zijn gegeven voor boodschappen. Ook een bedrijf voor [belanghebbende] starten is genoemd. Het is niet buiten redelijke twijfel dat alleen klaagster de eigenaar van het geld was. Er is sprake van een zware verdenking tegen [belanghebbende] die sinds medio november gedetineerd is. Er is nu sprake van een marginale toets. [belanghebbende] kan als eigenaar worden aangemerkt. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend aan hem een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Raadsvrouw
Ik wil de gesprekken wel aan u overleggen want die zijn nu geen onderdeel van het dossier. Aan het einde van de tenlastegelegde periode komt tig keer naar voren dat [belanghebbende] aangeeft dat hij geen geld meer heeft. Dat zijn gesprekken van 22, 23, 24 mei en 1 juni. Hij heeft steeds gezegd: ik heb bijna niks meer, ik heb geen geld meer. Dus als het wordt aangetroffen kun je niet zeggen dat het geld van [belanghebbende] was.
Klaagster
Op de babykamer lagen babyspulletjes. In haar mutsje zat € 250,00 geboortegeld. Zelfs dat wilden ze meenemen. Ik heb heel hard gehuild. Ik was in paniek dat ze het geld van mama meenamen. Ze zeiden dat ik het geld uit het mutsje en de spaarpot van de kinderen nog had.”
3.3
De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:
“Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Hier is sprake van een klaagster die stelt eigenaresse/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht en die niet de beslagene is. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaresse/rechthebbende van de geldbedragen moet worden aangemerkt en zo ja, of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
De rechtbank is van oordeel dat de klaagster niet buiten redelijke twijfel als eigenaresse kan worden aangemerkt nu het geldbedrag in de gezamenlijke woning van klaagster en [belanghebbende] is aangetroffen, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.”
3.4
Evenals AG Knigge komt het mij voor dat met eventuele motiveringsgebreken in de afwijzing van een door de klager gedaan verzoek op dezelfde wijze moet worden omgegaan als met het verzuim op dat verzoek te beslissen.2.Een dergelijk gebrek kan – hoewel geen van de op de raadkamerprocedure toepasselijke art. 21 tot en met 25 Sv daarop nietigheid stelt – tot nietigheid van het onderzoek in raadkamer leiden indien het is begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het die nietigheid ten gevolge zou moeten hebben.3.
3.5
Bij de vraag of daarvan in een concreet geval sprake is, moet de aard van de beklagprocedure in ogenschouw worden genomen.4.In dat verband overwoog Uw Raad in HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 het volgende:
“Het summiere karakter van de procedure
2.2.
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven.”
3.6
De in de onderhavige zaak aan te leggen toetsingsmaatstaf noopt tot grote terughoudendheid: voor een gegrondverklaring van het beklag is vereist dat zich een geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt.5.Pas als aan die eigendom in redelijkheid niet kan worden getwijfeld, slaagt het beklag. Dat maakt ook, zo stelt AG Spronken terecht in haar conclusie voorafgaand aan HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:63, dat de ruimte die de klager moet worden geboden om zijn klacht te onderbouwen en toe te lichten, begrensd is. In dat verband schrijft zij dat aan het beginsel van hoor en wederhoor (het in deze zaak van toepassing zijnde beginsel van behoorlijke procesorde) in beginsel reeds is voldaan als de klager de enkele gelegenheid is geboden aan te tonen dat aan zijn eigendom in redelijkheid niet kan worden getwijfeld en dat dit in de regel ook op eenvoudige wijze moet kunnen worden aangetoond. “Als geen overtuigende bewijsstukken kunnen worden overgelegd, betekent dat bijna per definitie dat er ruimte is voor redelijke twijfel”.6.In het verlengde daarvan geldt dat de rechter in een beklagprocedure, zoals ook AG Knigge in zijn conclusie voorafgaand aan HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1814 vooropstelde,7.grote vrijheid toekomt bij de beoordeling van de vraag of er reden is om getuigen te horen.
3.7
Het voorgaande brengt met zich dat, indien in de onderhavige zaak al sprake zou zijn van een motiveringsgebrek in de afwijzing van het verzoek om de moeder van de klaagster als getuige te horen, dit mijns inziens niet is begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het de nietigheid van het onderzoek in raadkamer ten gevolge zou moeten hebben. Daarbij neem ik in aanmerking dat de klaagster – ondanks de daartoe geboden gelegenheid bij zowel de indiening van haar klaagschrift als bij de behandeling van het klaagschrift op 15 april 2022 – niet in staat was met stukken te onderbouwen dat de aan haar moeder uitgekeerde gelden op enig moment aan de klaagster zijn overhandigd, dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat het geldbedrag is aangetroffen in de gezamenlijke woning van de klaagster en [belanghebbende] en dat de klaagster ter zitting heeft verklaard dat de ontvangen gelden mede bedoeld waren voor die [belanghebbende] (“zodat hij een eigen zaak kon starten”). Onder die omstandigheden valt naar ik meen niet in te zien hoe de verklaring van de moeder van de klaagster – nog afgezien van de familiaire band tussen beiden – elke ruimte voor redelijke twijfel aan het (exclusieve) eigenaarschap van de klaagster zou uitsluiten. Het daarmee samenhangende oordeel van de rechtbank dat klaagster niet buiten redelijke twijfel als eigenaresse kan worden aangemerkt is in het licht van die omstandigheden evenmin onbegrijpelijk en voorts toereikend gemotiveerd.
3.8
Beide middelen falen.
Afronding
4.
4.1
Alle drie de middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2023
PHR 5 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1125, randnummer 4.3.1.
Zie HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129, rov. 3.4, waarin de rechtbank had verzuimd te beslissen op een verzoek tot het horen van een getuige en HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0539, rov. 3.3, waarin de rechtbank had verzuimd te beslissen op een voorwaardelijk aanhoudingsverzoek.
Zie HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2129, rov. 3.4: “Het verzuim is ook niet begaan onder omstandigheden dat het geacht moet worden zodanig met een goede procesorde in strijd te zijn dat het de nietigheid van het onderzoek door de Rechtbank in raadkamer ten gevolge zou moeten hebben. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen: (…) de aard van de onderhavige procedure.” Zie ook de conclusie van AG Spronken (PHR 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1465, randnummer 5.3) voorafgaand aan HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:63 (art. 81 RO).
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15.
PHR 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1465, randnummer 5.4.
PHR 27 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:832, randnummer 6.1.