Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/11.2.3
11.2.3 Verlengingsmogelijkheden
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90990:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Van Maanen, WPNR 1998/6309, p. 238; Kortmann, TvI 1998/7, p. 140; Bartels 2007, p. 19; Bartels 2012, p. 31.
Brahn 1984, p. 17-19, 23, 29-30; Vriesendorp 1985, p. 108; Wichers 2002, p. 248-250 en 258; Fesevur 2005, p. 246; Bartels 2007, p. 3-20; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/967; Spath, NTBR 2012/45, paragraaf 2; Reehuis 2013, nr. 47; Verheul, WPNR 2014/7022, p. 521-528; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/539; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/78; Snijders/Rank-Berenschot 2017/291; Verheul 2018, p. 227-229.
HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226 (Breda/Antonius); Verheul 2018, p. 225-227.
Vgl. Verheul 2018, p. 232-248.
Zie over mogelijke schadevergoedingsvorderingen hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.3.
Geïnspireerd door de Duitse Verarbeitungsklausel is in de Nederlandse literatuur de zaaksvormingsclausule als remedie voorgesteld tegen het eigendomsverlies van de leverancier bij zaaksvorming. De leverancier en koper bepalen contractueel dat de koper de nieuwe zaak vormt voor de leverancier. De leverancier verkrijgt als degene voor wie wordt gevormd de eigendom van de nieuw gevormde zaken op grond van art. 5:16 lid 2 BW.
Een aantal auteurs heeft verdedigd dat deze zaaksvormingsclausule ook in het Nederlandse recht geldig is, althans zou moeten zijn.1 Zij stellen dat de parlementaire geschiedenis hiervoor ruimte biedt.2 In navolging van de meerderheidsopvatting meen ik echter dat deze partijafspraak geen goederenrechtelijk effect heeft naar huidig recht.3 Van het dwingendrechtelijke art. 5:16 BW kunnen partijen contractueel niet afwijken. Ook volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat gekeken moet worden naar hetgeen in het licht van de verkeersopvattingen uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit. Hierbij moet acht worden geslagen op geobjectiveerde omstandigheden.4 Een partijafspraak inhoudende dat de koper voor de leverancier vormt, wordt daarom wel meegenomen bij de beslissing omtrent de eigendomstoewijzing, maar kan niet de verkeersopvatting geheel inkleuren. De verkeersopvatting is immers niet slechts de opvatting van partijen, maar de opvatting in het maatschappelijk verkeer. Tevens dient gekeken te worden naar de beslissende invloed op de wijze van productie, de vorm van het product en de verdeling van het financiële risico van het product en de productie.
De leverancier kan zijn voorrangspositie wel ‘verlengen’ tot de nieuw gevormde zaak door hierop een pandrecht (bij voorbaat) te bedingen. Aan deze verlengingswijze kleven drie nadelen voor de leverancier. Ten eerste moet dit pandrecht worden gevestigd door de koper. De leverancier loopt dus een faillissementsrisico. Ten tweede moet de koper eigenaar zijn van de nieuwe zaken. Vormt de koper voor een opdrachtgever die eigenaar wordt op grond van art. 5:16 lid 2 BW, dan komt dit pandrecht niet tot stand. Ten derde komt het pandrecht ten gunste van de leverancier vaak in rang na een eerder gevestigd zekerheidsrecht ten gunste van een bestaande kredietgever op grond van de prioriteitsregel in art. 3:97 lid 2 BW.5 De leverancier verkrijgt dan een in rang tweede pandecht op de nieuwe zaken, terwijl hij een eerste zekerheidsrecht had op de oorspronkelijke zaken door middel van het eigendomsvoorbehoud of voorbehouden pandrecht.6