Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.9.3
3.5.9.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587090:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Halkema 1936, p. 63; Cleveringa 1940, p. 26; Van Rossem/Cleveringa 1972, aant. 5, bij art. 5 (p. 134); Star Busmann/Rutten 1972, nr. 133; Coops, Westerouen van Meeteren & Reinhold 1996, p. 48; De Boer 2004, p. 700. Anders: Vander Ploeg 1945, nr. 146.
Zie voor een comparitie van de formele procespartijen, HR 22 februari 2008, NJ 2008, 125; en zie ook HR 19 januari 2007, NJ 2007, 64 (tussenarrest): conclusie van antwoord, sub nr. 19 e.v.
Zie hieronder. Bij derdenbeslag maakt art. 477b lid 3 Rv hierop een uitzondering.
Vgl. Star Busmann/Rutten 1972, nr. 133a; F.H. J. Mijnssen in zijn noot (sub 6) onder HR 19 oktober 1979, NJ 1980, 299; Mijnssen 1971, p. 933; De Boer 2004, p. 701. Vgl. voorts HR 7 september 2007, NJ 2007, 577; TCR 2009/1, p. 41-42, m.nt. Vander Aa. Anders ten aanzien van de gefailleerde, maar zonder het onderscheid tussen materiële en formele procespartij te maken: T &C Insolventierecht 2008 (F.M.J. Verstijlen), art. 25, aant. 2.
Dit ligt mogelijk anders bij een handelingsonbekwame. Zie Haardt 1953, p. 165-166.
Bijvoorbeeld de wijze van totstandkoming van een overeenkomst of het voorval dat leidde tot aansprakelijkheid.
Vgl. Halkema 1936, p. 134 e.v. en p. 143.
Zie hiervoor nr. 167.
Zie Star Busmann/Rutten 1972, nr. 133a; en F.H. J. Mijnssen in zijn noot (sub 6) onder HR 19 oktober 1979, NJ 1980, 299; H.J. Snijders in zijn noot (sub 1) onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 23; Asser 1999, nr. 1.6, nt. 10; F.E. Vermeulen 2005, p. 169, nt. 35; HR 15 april2005, JBPr 2005/49, m.nt. H.L.G. Wieten; A-GAsser in zijn conclusies (sub 2.9 e.v.) voor HR 22 december 1995, NJ 1997, 22 (Reprotechniek(I'raugott); en HR22 december 1995, NJ 1997,23 (Masteco(I'op-Pharm), m.nt. HJS; Stein/Rueb 2009, par. 7.5.9, nt. 139.
Zie HR 22 december 1995, NJ 1997, 22 (Reprotechniek!fraugott); en HR 22 december 1995, NJ 1997, 23 (Masteco(I'op-Pharm), m.nt. HJS, met verdere literatuurverwijzingen in de conclusie. Zie ook Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 86, met verdere rechtspraakverwijzingen.
Zie voor de cessie ter incasso als last tot inning, Mijnssen 1971, p. 930-931 en 933. Zie anders, ten aanzien van de gefailleerde, Asser 1996, p. 265-268. In de parlementaire geschiedenis bij art. 3:245 BW (vgl. art. 3:218 BW) is opgemerkt dat de vraag of de pandgever getuige kan zijn in een door de pandhouder aangevangen geding, aan de rechter ter beantwoording zal moeten worden overgelaten, zulks aan de hand van de algemene regels van getuigenbewijs. Zie M.v .A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 770. De procedure ex art. 3:245 BW wordt gevoerd jegens een inbreuk makende derde, en niet jegens de schuldenaar, zoals bij een procedure als bedoeld in art. 3:246 BW. De pandhouder en de pandgever dienen heide in de procedure ex art. 3:245 BW betrokken te worden. Zij treden dan heiden als materiële en formele procespartij op. Zij dienen heiden als partijgetuige te worden aangemerkt.
Vgl. voor eenzelfde benadering hij art. 6:146 BW, T.M., Pari. Gesch. Boek 6, p. 540.
171. Blijft de stille cedent als formele procespartij aan omdat hij krachtens lastgeving procesbevoegd is, dan is het de vraag of welke processuele rechten en verplichtingen op hem en op de stille cessionaris van toepassing zijn.
Als een ander dan de schuldeiser in een procedure als de formele procespartij optreedt, is een algemeen antwoord op de vraag of de processuele rechten en verplichtingen alleen op hem, alleen op de schuldeiser of op heiden van toepassing zijn, niet te geven. Het begrip partij heeft geen eenduidige betekenis in desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het kan zien op de formele procespartij, de materiële procespartij en op beide. Per bepaling dient te worden nagegaan in welke zin het begrip partij moet worden begrepen.1
De formele procespartij is bevoegd om beslissingen te nemen over het procesverloop. De proceshandelingen worden in haar naam verricht. De bepalingen inzake het verrichten van proceshandelingen zullen derhalve in de regel op haar betrekking hebben. De formele procespartij is derhalve bevoegd om conclusies te nemen en akten in te dienen, de wraking van de rechter te verzoeken en ter comparitie te verschijnen na antwoord.2 Op haar zal ook de verplichting rusten om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, op bevel van de rechter stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebben bescheiden over te leggen en een eventueel verbod op te volgen om aan derden geen mededeling te doen over de procedure.
De materiële procespartij is gebonden aan de rechterlijke uitspraak. In de procedure wordt een oordeel geveld over haar rechten en verplichtingen, dat voor haar bindend is.3 Fundamentele rechten die aan een procespartij toekomen, zoals onder meer verwoord in art. 6 EVRM, gelden ook, zo niet in de eerste plaats voor haar. Zij heeft het recht om gehoord te worden, bijvoorbeeld door bij een inlichtingen- of schikkingcomparitie te verschijnen.4 Geen procesrechtelijke bepaling staat er aan in de weg dat de pandgever, de gefailleerde, de geëxecuteerde, de lastgever of degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld ter comparitie verschijnt om inlichtingen te geven of een schikking te beproeven.5 De materiële procespartij zal veelal ook beter op de hoogte zijn van de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de procedure.6 Op haar rust de verplichting om, als zij haar zienswijze geeft, de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, op bevel van de rechter stellingen toe te lichten en bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen en een eventueel verbod op te volgen om aan derden geen mededeling te doen over de procedure. Tot het verrichten van proceshandelingen zoals het nemen van conclusies, het indienen van akten, het wraken van een rechter en het houden van pleidooi, is zij niet bevoegd.7
Uit de strekking van art. 12 RO volgt dat dit verbod zowel ten aanzien van de materiële als de formele procespartij geldt.
In een procedure die door de stille cedent als de formele procespartij wordt gevoerd, zal de stille cessionaris in de regel geen gebruik maken van zijn processuele rechten als materiële procespartij, omdat daarmee het stille karakter van de cessie wordt doorbroken. Als de stil gecedeerde vordering is ontstaan bij de stille cedent, zal de stille cedent bovendien beter dan de stille cessionaris in staat zijn om aan de rechter inlichtingen te verstrekken, stellingen toe te lichten of bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Maakt de stille cessionaris jegens een rechter die zijn vordering behandelt niet kenbaar dat hij als materiële partij bij de procedure is betrokken, en hebben zij buiten het proces om contact over de procedure, dan handelt de stille cessionaris onrechtmatig jegens zijn wederpartij (de schuldenaar) en kan hij uit dien hoofde schadeplichtig zijn.
172. De formele procespartij kan in de procedure een beroep doen op een rechtskeuzebeding en een bewijsovereenkomst. Dergelijke bedingen en overeenkomsten bepalen nader de inhoud van de vordering. De procesbevoegde derde die de vordering uitoefent, kan zich om die reden hierop jegens de schuldenaar beroepen. De bedingen zoals een rechtskeuzebeding of een bewijsovereenkomst die met de vordering als nevenrecht zijn overgegaan, kunnen door de stille cedent worden ingeroepen, omdat zij nader de inhoud van de vordering bepalen en de stille cedent de stil gecedeerde vordering uitoefent. De stille cedent kan zich derhalve op dezelfde bedingen beroepen als v66r de stille cessie.
Voor het aangaan van nieuwe en voor het wijzigen van bestaande bedingen of overeenkomsten, geldt hetzelfde als hiervoor ten aanzien van de bedingen inzake de bevoegde rechter is opgemerkt. De beheersbevoegde stille cedent is hiertoe bevoegd als het aangaan van deze overeenkomsten dienstig kan zijn aan een goed beheer van de vordering en hij bindt de stille cessionaris door de overeenkomst in eigen naam aan te gaan.8
173. Zowel de materiële procespartij als de formele procespartij worden als partijgetuige aangemerkt.9 Ook een statutair bestuurder van een rechtspersoon en de andere wettelijke of statutair tot gerechtelijke vertegenwoordiging van een materiële of formele procespartij bevoegde personen worden als partijgetuige aangemerkt.10 Het ijkmoment vormt het tijdstip waarop de beoordeelde persoon als getuige wordt gehoord, behoudens misbruik van recht.11 De bewindvoerder, de curator, de gevolmachtigde, de vruchtgebruiker, de pandhouder, de beslaglegger en de lasthebber worden als formele procespartij in een procedure tegen de schuldenaar derhalve als partijgetuige aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld, de gefailleerde, de onder curatele gestelde, de hoofdgerechtigde, de pandgever, de geëxecuteerde en de lastgever als materiële procespartij.12 Ook de oude schuldeiser die de procedure voortzet na de overgang van de vordering en de nieuwe schuldeiser worden beide als partijgetuige aangemerkt.
Ook de stille cedent en de stille cessionaris worden als partijgetuige aangemerkt. Gelet op de ratio van art. 165lid2 sub a Rv komt het verschoningsrecht niet toe aan familieleden van de stille cedent, aangezien hij geen materiële procespartij is. Voor de wederpartij is dit echter niet kenbaar.
Maakt de stille cedent niet kenbaar dat hij ten aanzien van de vordering van de stille cessionaris procedeert, dan zouden zijn familieleden zich ten onterechte op het verschoningsrecht kunnen beroepen en zou de stille cessionaris ten onrechte als een gewone getuige in de procedure kunnen worden gehoord. Mocht dit zich voordoen, dan rust naar mijn mening op de stille cedent de verplichting om alsnog kenbaar te maken dat hij alleen als formele procespartij in de procedure is betrokken. Doet hij dit niet, dan ontneemt hij opzettelijk aan de schuldenaar een verweermiddel en zal hij om die reden in het algemeen tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad gehouden zijn jegens de schuldenaar.13