Sinds 1 augustus 2005 werkt de man niet meer als directeur, het inleidend verzoekschrift van de vrouw dateert van november 2005.
HR, 19-11-2010, nr. 09/02341
ECLI:NL:HR:2010:BN8027
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
19-11-2010
- Zaaknummer
09/02341
- Conclusie
Mr. De Vries Lentsch-Kostense
- LJN
BN8027
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BN8027, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 19‑11‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BN8027
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5966, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2010:BN8027, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑09‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BN8027
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑06‑2009
- Vindplaatsen
NJ 2011/112 met annotatie van L.C.A. Verstappen
FJR 2011/46 met annotatie van Mr. I.J. Pieters
AA20110037 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
SJP 2010/228
SJP 2010/229
JPF 2011/143 met annotatie van B.E. Reinhartz
Uitspraak 19‑11‑2010
Inhoudsindicatie
Familierecht; echtscheiding; verzoek tot vaststelling omvang verrekenplichten op basis van huwelijkse voorwaarden; artt. 1:136 lid 1, 141 lid 1 BW; “beleggingsleer” inzake verrekenbedingen. Geeft gezamenlijk aangegane hypothecaire lening, waarop niet is afgelost, man aanspraak op helft overwaarde van door vrouw in privé verkregen woning? Onjuist is dat waarde(vermeerdering) van privé-goederen die niet zijn verworven door aanwending van uit inkomsten bespaard en ongedeeld gebleven vermogen zou moeten worden betrokken in verrekening van overgespaarde inkomsten bij einde huwelijk indien periodieke deling van overgespaarde inkomsten tijdens huwelijk achterwege is gebleven. Feit dat hypothecaire lening gezamenlijk is aangegaan, brengt niet mee dat de koopsom van de woning ten laste van het verrekenplichtig vermogen is gekomen.
19 november 2010
Eerste Kamer
09/02341
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. L. van den Eshof.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 153600 FA RK 05-4848 van de rechtbank Breda van 16 januari 2007 en 13 september 2007;
b. de beschikkingen in de zaak HV 103.009.672/01 (voorheen R200701392) van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2008 en 10 maart 2009 (eindbeschikking).
De eindbeschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 10 maart 2009 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak betreffende een periodiek verrekenbeding kan in cassatie van het volgende worden uitgegaan:
(i) Partijen zijn op 23 mei 1984 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Het huwelijk is op 4 mei 2007 door echtscheiding geëindigd.
(ii) De akte van huwelijksvoorwaarden van 21 mei 1984 sluit iedere gemeenschap van goederen uit en houdt voorts, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:
"Artikel 4:
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding (...) komen ten laste van de inkomsten der echtgenoten naar evenredigheid van die inkomsten en indien deze niet toereikend zijn ten laste van hun vermogens naar evenredigheid van die vermogens.
2. Onder kosten van de huishouding worden (onder andere) begrepen de uitgaven ter zake van de verwerving van huishoudelijke inboedelgoederen, gebruikelijke verzekeringen en gezamenlijke vakanties, de rentetermijnen met betrekking tot geldleningen welke aangegaan werden ter financiering van de echtelijke woning, (...) alsmede alle dagelijkse uitgaven welke passen in het leefpatroon van partijen.
Artikel 7 lid 1:
Partijen verplichten zich jegens elkaar om ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten resteert na voldoening van de kosten der huishouding en de belastingen, een en ander met inachtneming van het hiervoor bepaalde, en na aftrek van hetgeen op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen. (...)
Artikel 8:
Bij het bepalen van het inkomen van een echtgenoot worden de winsten van een door hem of haar uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep in aanmerking genomen naar de normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd. Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komen, wordt die onderneming of dat beroep voor de toepassing van de vorige alinea aangemerkt als een door die echtgenoot zelf uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep."
(iii) Het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding is tijdens het huwelijk niet nageleefd.
(iv) De eerste, aanvankelijk gehuurde, echtelijke woning is door de vrouw gekocht op 1 juni 1993. De man werd geen mede-eigenaar. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire geldlening, gesteld ten name van zowel de man als de vrouw. Op deze lening is niet afgelost. De woning is op 1 augustus 1995 verkocht.
(v) Op 4 augustus 1995 heeft de vrouw de tweede echtelijke woning (hierna: de woning) door koop van haar moeder in eigendom verkregen. Ook deze woning is niet tevens ten name van de man gesteld. De koopprijs is betaald uit de verkoopopbrengst van de eerste echtelijke woning en uit een geldlening van ƒ 500.000,--. Een bedrag van ƒ 49.122,83 dat resteerde, is aan de vrouw uitbetaald en aangewend voor een verbouwing. Op de geldlening is gedurende de looptijd (tot april 1999) niet afgelost.
(vi) Op 9 april 1999 is een nieuwe hypothecaire geldlening gesloten van ƒ 650.000,--, welke is gesteld ten name van zowel de man als de vrouw. Met deze lening is de eerdere geldlening afgelost. Het restant is aangewend voor een verbouwing. Tot de peildatum, 25 november 2005, is niet afgelost. De woning is in oktober 2006 verkocht en geleverd aan een derde.
(vii) De vrouw is directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V., welke vennootschap op 15 december 1994 is opgericht en op 30 december 1994 23,3% van het aandelenkapitaal van [B] B.V. heeft verworven. De volstorting van aandelen [A] is door de vrouw met privégelden gefinancierd. De aandelen [B] zijn ten titel van beheer overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor [B] B.V., die in ruil daarvoor certificaten heeft uitgegeven. Aanvankelijk was de vader van de vrouw enig bestuurder van deze stichting; sinds 25 november 2005 wordt het bestuur gevormd door haar drie broers, de middellijk houders van de overige certificaten.
(viii) De man was gedurende 22 jaar directeur bij de exporttak van [B]. Sinds 1 augustus 2005 is hij daar niet meer werkzaam.
3.2 Partijen hebben de rechtbank verzocht de omvang van de verrekenplichten op basis van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de netto-opbrengst van de woning diende te worden verrekend, aldus dat de vrouw de helft daarvan uitkeert aan de man. Van verrekening van de waarde van de aandelen [A] daarentegen kon volgens de rechtbank geen sprake zijn.
3.3 In hoger beroep heeft het hof de beschikkingen van de rechtbank uitsluitend vernietigd voor zover daarin is beslist dat de vrouw de helft van de netto-opbrengst van de woning aan de man dient uit te keren en heeft het de vrouw veroordeeld om van het € 60.000,-- bedragende deel van de waardevermeerdering van de woning dat valt toe te rekenen aan bepaalde investeringen uit overgespaard inkomen "als verrekenvordering aan de man € 30.000,-- te betalen".
3.4.1 De Hoge Raad ziet aanleiding onderdeel 2.5 als eerste te behandelen. Dit onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof (eindbeschikking rov. 6.3.12 en 6.3.13) dat het betoog van de man dat ertoe strekte dat hij aanspraak kan maken op de helft van de overwaarde van de woning, niet opgaat. Volgens de man was dat wel het geval omdat de hypotheken mede op zijn naam stonden (dat wil zeggen: dat hij tijdens de looptijd van de met hypotheek gedekte leningen voor de rente en aflossing mede aansprakelijk was). Het hof, dat - in cassatie terecht onbestreden - de, door de man gedane, rentebetalingen aanmerkte als niet voor verrekening in aanmerking komende kosten van de huishouding, verwierp dat standpunt aldus: "Vaststaat dat op de leningen niets is afgelost. Er kan dan ook in zoverre geen sprake zijn van een belegging of herbelegging van overgespaard inkomen in de woningen, waarop artikel 141 lid 1 BW doelt. De aansprakelijkstelling zelf kan evenmin als zodanige belegging worden aangemerkt ,zoals hiervoor overwogen. De man doet nog een beroep op de mening van prof. Verstappen ter zake, maar het hof deelt die mening niet (...)".
3.4.2 Onderdeel 2.5 klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat de schuld tot terugbetaling van de door partijen gezamenlijk aangegane hypothecaire leningen een gemeenschappelijke schuld is, die "reeds op die grond valt onder de reikwijdte van art. 1:136 lid 1 slot BW, te weten een schuld die tot het te verrekenen vermogen moet worden gerekend. Indien rechtens zou moeten worden aangenomen dat er voor het oormerken van een schuld als behorend tot het verrekenplichtig vermogen meer nodig is dan het gezamenlijk aangaan daarvan, dan is in dit geval eveneens aan die voorwaarde voldaan, nu uit alle feiten en omstandigheden de (geobjectiveerde) bedoeling van partijen kan worden afgeleid dat partijen de schuld en de daarmee samenhangende kosten als gezamenlijk hebben beschouwd", aldus het onderdeel.
3.4.3 Deze klacht moet worden verworpen. Zij berust in tweeërlei opzicht op een onjuiste opvatting inzake art. 1:136 lid 1 BW, de bepaling waarmee in samenhang met art. 1:141 lid 1 BW in belangrijke mate is beoogd de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde "beleggingsleer" inzake verrekenbedingen te codificeren. Onjuist is in de eerste plaats het uitgangspunt dat partijen die periodieke deling van de overgespaarde inkomsten achterwege hebben gelaten maar bij het einde van het huwelijk tot verrekening overgaan, daarin ook zouden moeten betrekken de waarde(vermeerdering) van privégoederen die niet zijn verworven door aanwending van uit hun inkomsten bespaard en ongedeeld gebleven vermogen. Onjuist is tevens het uitgangspunt dat het feit dat de hypothecaire lening gezamenlijk is aangegaan, meebrengt dat de koopsom van de woning ten laste van het verrekenplichtig vermogen is gekomen, ook al hebben de rentebetalingen als kosten van de huishouding te gelden en is van aflossingen in welke vorm dan ook geen sprake geweest.
3.5 De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 19 november 2010.
Conclusie 17‑09‑2010
Mr. De Vries Lentsch-Kostense
Partij(en)
Conclusie inzake
[De man]
tegen
[De vrouw]
Inleiding
1.
In dit (echtscheidings)geding waarin tussen partijen (verder: de man en de vrouw) de echtscheiding is uitgesproken, gaat het in cassatie om de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen op de voet van hun huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap en een periodiek verrekenbeding dat tijdens het huwelijk niet is nageleefd. Kern van het geschil daarbij is of de man aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de aandelen die tot het privé-vermogen van de vrouw behoren, alsmede op de helft van de netto-opbrengst van de voormalige echtelijke woning die aan de vrouw in eigendom toehoorde. Het hof heeft beide vragen ontkennend beantwoord en overigens geoordeeld dat aan de man met betrekking tot bedoelde opbrengst een verrekenvordering van € 30.000,- toekomt in verband met uit overgespaarde inkomsten in de woning gedane investeringen die tot een waardevermeerdering hebben geleid. Het cassatieberoep van de man richt zich tegen de ontkennende beantwoording van genoemde vragen.
2.
Tussen partijen zijn de volgende feiten als vaststaand aangemerkt (zie rov. 3.1, 3.14 en 3.15 van de beschikking van de rechtbank van 16 januari 2007, tegen welke overwegingen geen grieven zijn gericht):
- i)
Partijen zijn op 23 mei 1984 in de gemeente Loon op Zand met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.
- ii)
De akte van huwelijksvoorwaarden van partijen van 21 mei 1984 sluit iedere gemeenschap van goederen uit en houdt voorts, voor zover in deze van belang, het navolgende in:
‘Artikel 4:
- 1.
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…) komen ten laste van de inkomsten der echtgenoten naar evenredigheid van die inkomsten en indien deze niet toereikend zijn ten laste van hun vermogens naar evenredigheid van die vermogens.
- 2.
Onder kosten van de huishouding worden (onder andere) begrepen de uitgaven ter zake van de verwerving van huishoudelijke inboedelgoederen, gebruikelijke verzekeringen en gezamenlijke vakanties, de rentetermijnen met betrekking tot geldleningen welke aangegaan werden ter financiering van de echtelijke woning, (…) alsmede alle dagelijkse uitgaven welke passen in het leefpatroon van partijen.
Artikel 7 lid 1:
Partijen verplichten zich jegens elkaar om ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten resteert na voldoening van de kosten der huishouding en de belastingen, een en ander met inachtneming van het hiervoor bepaalde, en na aftrek van hetgeen op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen. (…)
Artikel 8:
Bij het bepalen van het inkomen van een echtgenoot worden de winsten van een door hem of haar uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep in aanmerking genomen naar de normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd. Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komen, wordt die onderneming of dat beroep voor de toepassing van de vorige alinea aangemerkt als een door die echtgenoot zelf uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep.’
- iii)
Het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen periodieke verrekenbeding is tijdens het huwelijk niet nageleefd.
3.
De onderhavige procedure is ingeleid door de vrouw bij verzoekschrift (ingekomen ter griffie van de rechtbank Breda op 25 november 2005) waarin de vrouw onder meer heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken. In deze procedure hebben voorts beide partijen verzocht de omvang van de verrekenplichten op basis van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen.
4.
Bij tussenbeschikking van 16 januari 2007 heeft de rechtbank vooropgesteld dat vaststaat dat het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding niet is nageleefd tijdens huwelijk, zodat de gehele vermogens in beginsel in de verrekening dienen te worden betrokken, en dat daarbij in geschil is op welke wijze in de verrekening moeten worden betrokken a) de waarde van de aandelen [A] B.V. en b) de opbrengst van de (tijdens het huwelijk gekochte) echtelijke woning. (rov. 3.15 en 3.18)
Ten aanzien van de aanspraak van de man op de opbrengst van de voormalige, aan de vrouw in eigendom toebehorende, echtelijke woning heeft de rechtbank overwogen dat de netto-opbrengst in de verrekening dient te worden betrokken in die zin dat de man aanspraak heeft op de helft van die opbrengst. (rov. 3.27)
Ten aanzien van de aandelen heeft de rechtbank vastgesteld dat de vrouw directeur en enig aandeelhouder is van [A] B.V. (hierna: [A]), dat deze vennootschap is opgericht op 15 december 1994 en dat deze vennootschap vervolgens op 30 december 1994 23,3% van het totale aandelenkapitaal van [B] B.V. (hierna: [B]) heeft verworven, dat deze aandelen vervolgens zijn overgedragen aan Stichting Administratiekantoor [B] B.V., die deze aandelen is gaan houden ten titel van beheer en die in ruil voor deze aandelen certificaten heeft uitgegeven, dat aanvankelijk de vader van de vrouw de enige bestuurder van voornoemde stichting was en dat daarna de vader is afgetreden ten gunste van de drie broers van de vrouw. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het in de holding van de vrouw aanwezige vermogen in beginsel moet worden vermoed te zijn gevormd uit te verrekenen vermogen, doch dat voor een adequate beoordeling van dit aspect nadere informatie door partijen moet worden verschaft. (rov. 3.19 en 3.22–3.23)
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de zaak naar de rol verwezen onder aanhouding van de beslissing op het verzoek omtrent de vermogensrechtelijke afwikkeling.
5.
Bij (eind)beschikking van 13 september 2007 heeft de rechtbank ten aanzien van de aandelen [A] overwogen dat de waarde niet in de verrekening dient te worden betrokken aangezien uit de overgelegde stukken blijkt dat bij oprichting van deze B.V. de volstorting van de aandelen is gefinancierd met een schenking aan de vrouw (en niet mede aan de man) van haar vader, zodat geen sprake kan zijn van een verrekening van de waarde van de aandelen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat voor zover de man heeft bedoeld te stellen dat onuitgekeerde winsten in [B] zijn achtergebleven welke hadden moeten c.q. kunnen worden uitgekeerd en welke alsnog tot verrekening zouden moeten leiden, dat betoog eveneens moet worden verworpen aangezien de vrouw via [A] slechts certificaten van aandelen [B] hield en zij geen deel uitmaakte van het bestuur van de Stichting Administratiekantoor [B], zodat zij niet in overwegende mate bij machte was invloed uit te oefenen op het al dan niet uitkeren van winsten door [B] (zoals bedoeld in art. 1:141 lid 4 BW). (rov. 2.4)
Ten slotte heeft de rechtbank de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld overeenkomstig hetgeen zij daaromtrent heeft overwogen.
6.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's‑Hertogenbosch tegen de beslissing omtrent de opbrengst van de voormalige echtelijke woning en de man heeft incidenteel appel ingesteld tegen de beslissing omtrent de aandelen [A].
Nadat het hof bij tussenbeschikking van 14 augustus 2008 het beroep van de man op niet-ontvankelijkheid van het principale beroep van de vrouw had verworpen, heeft het hof bij eindbeschikking van 10 maart 2009 in principaal en incidenteel appel de beschikkingen van de rechtbank van 16 januari 2007 en van 13 september 2007 vernietigd, maar alleen voor zover daarin is beslist dat de vrouw de helft van de netto-verkoopopbrengst van de woning aan de man dient uit te keren, en heeft het hof — opnieuw recht doende — de vrouw veroordeeld tot betaling van een verrekenvordering van € 30.000,- aan de man. Het hof heeft de beschikkingen van 16 januari 2007 en 13 september 2007 voor het overige bekrachtigd (en recht doende op het in cassatie niet meer aan de orde zijnde verzoek van de man de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen € 5.850). Het hof heeft daartoe overwogen als hierna weergegeven.
7.
Het hof heeft in het door de vrouw ingestelde principale appel vastgesteld dat de eerste echtelijke woning door de vrouw is gekocht op 1 juni 1993, dat de man geen mede-eigenaar werd, dat de aankoop is gefinancierd met een hypothecaire geldlening gesteld ten name van zowel de man als de vrouw, dat de woning op 1 augustus 1995 is verkocht en dat op de hypothecaire geldlening niet is afgelost. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de vrouw op 4 augustus 1995 de tweede echtelijke woning (over de waardevermeerdering van welke woning thans wordt gestreden) door koop van haar moeder in eigendom heeft verkregen, dat ook deze woning niet tevens ten name van de man is gesteld, dat de koopprijs is betaald uit de verkoopopbrengst van de eerste woning en uit een geldlening van f 500.000,-, waarvoor alleen de vrouw aansprakelijk was (althans volgens de vrouw), dat een bedrag van f 49.122,83 resteerde dat aan de vrouw is uitbetaald en is aangewend voor een verbouwing, en dat op de geldlening gedurende de looptijd (tot april 1999) niet is afgelost. Het hof heeft verder vastgesteld dat op 9 april 1999 bij de ING een nieuwe hypothecaire geldlening is gesloten van f 650.000,-, dat deze is gesteld ten name van zowel de man als de vrouw, dat met deze lening de eerdere geldlening is afgelost, dat het restant is aangewend voor een verbouwing, dat tot de peildatum, 25 november 2005, niet is afgelost, dat de woning na de peildatum, te weten in oktober 2006, is verkocht en geleverd aan een derde voor ruim 1 miljoen euro (aldus de vrouw). (rov. 6.3.3–6.3.6)
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de beslissing van de rechtbank dat de echtelijke woning dient te worden verrekend en aan de man een vordering toekomt van de helft van de verkoopopbrengst, niet in stand blijven. Daartoe overwoog het hof — kort samengevat — als volgt.
De stellingen van de man met betrekking tot de bedoeling van partijen om de echtelijke woning gemeenschappelijk te doen zijn, welke stellingen door de vrouw zijn betwist, berusten uitsluitend op zijn eigen verklaring geplaatst in het licht van beweerde moeilijke tijden die het bedrijf (waarin de vrouw indirect aandelen hield en de man werkzaam was) omstreeks 1993–1995 doormaakte. De man beroept zich kennelijk niet op een concreet met de vrouw gemaakte afspraak die tot een vordering tot nakoming aanleiding zou kunnen geven. Naar het oordeel van het hof is hetgeen de man aanvoert onvoldoende om de man enige aanspraak toe te kennen op de waarde van het huis. De door de man gestelde bedoeling van partijen is derhalve niet vast komen te staan. (rov. 6.3.10)
De aanspraak van de man op de helft van de overwaarde van de woning ‘omdat op de vrouw een natuurlijke verbintenis jegens hem rust ex art. 6:3 lid 2b BW’, moet worden verworpen omdat een natuurlijke verbintenis niet in rechte afdwingbaar is. (rov. 6.3.11)
Nu vaststaat dat op de leningen niet is afgelost, kan in zoverre geen sprake zijn van een belegging of herbelegging van overgespaard inkomen in de woningen, waarop artikel 1:141 lid 1 BW doelt. De aansprakelijkstelling zelf kan evenmin als zodanige belegging worden aangemerkt. De man doet nog een beroep op de mening van Verstappen terzake, maar het hof deelt die mening niet. Het resultaat (dat de man vrijwel geen aanspraak op de overwaarde heeft) is een gevolg van de keuze van partijen om te huwen met uitsluiting van een goederengemeenschap en de tenaamstelling van de woningen op die van de vrouw. De omstandigheid dat op de man als hoofdelijk aansprakelijk voor de rentebetalingen en aflossing na afloop van de lening verhaal zou kunnen worden verhaald — welke risico's zich bovendien niet hebben verwezenlijkt — kan niet worden aangemerkt als een investering van de man. De omstandigheid dat de man de rentelasten en overige kosten heeft gedragen, vloeit voort uit de keuze van partijen, gemaakt bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden (in artikel 4 lid 2), om die kosten ten laste van de huishoudkosten te brengen. (rov. 6.3.13.) Rentebetaling is het verteren van inkomen, zodat zij niet als onverteerde inkomsten in aanmerking genomen kunnen worden (HR 27 januari 2006, LJN AU5698). (rov. 6.3.14.)
Blijkens de hypotheekakte uit juni 1993 (die heeft gegolden tot augustus 1995) heeft een polis van levensverzekering bestaan. Geen van partijen heeft nadere informatie over deze polis kunnen verstrekken. Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van een verzekering met een spaarelement, zodat het ervoor moet worden gehouden dat, zo daadwerkelijk een verzekering heeft bestaan, sprake is geweest van een verzekering zonder spaarelement. (rov. 6.3.15.)
Uit het inkomen van de man is gedurende het hier aan de orde zijnde deel van de verrekenperiode van 1 juni 1993 tot 25 november 2005 (bijna 150 maanden) bijgedragen in de kosten van het onderhoud van de woningen. Partijen hebben niet nader aangegeven waarvoor deze bijdragen zijn aangewend, noch wat de hoogte is geweest. Het hof is van oordeel dat kosten van het gebruikelijke onderhoud aan een echtelijke woning, dus kosten om de woning in nette staat te houden zoals kosten voor kleine reparaties, verven, tuinonderhoud en dergelijke, moeten worden aangemerkt als kosten van de huishouding. Het gaat hierbij om het verteren van genoten inkomsten en niet om een belegging van overgespaard inkomen. Anderzijds kan het voorshands niet uitgesloten worden geacht dat een deel van bedoelde onderhoudskosten heeft gestrekt tot verfraaiing van de woning en ter dekking van eigenaarslasten, niet zijnde huishoudkosten en dat deze kosten zijn betaald uit inkomen van de man. Voorts valt niet uit te sluiten dat een klein deel van de verbouwingen uit het inkomen van de man is betaald. De waarde van de echtelijke woning kan derhalve vermoed worden (in de zin van artikel 1:141 lid 3 BW) mede te zijn gevormd door deze bijdragen. Nu partijen niet beschikken over enige relevante administratie is het hof aangewezen op een schatting. Het hof begroot de waardevermeerdering van de woning die aan bedoelde investeringen uit overgespaard inkomen valt toe te rekenen op € 60.000,-. Tegen deze achtergrond zal het hof, ex aequo et bono oordelende, de man een bedrag toekennen van € 30.000,-. (6.3.16.)
8.
Het hof heeft in het door de man ingestelde incidentele appel overwogen met de rechtbank van oordeel te zijn, op de door haar aangegeven gronden die het hof tot de zijne maakt, dat de man geen aanspraak op een verrekeningsbijdrage jegens de vrouw heeft ter zake van het aan haar toebehorende aandelenkapitaal in [A].
9.
De man heeft — tijdig — cassatieberoep ingesteld tegen de eindbeschikking van het hof. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
Het cassatiemiddel
10.
Het middel van cassatie bevat twee middelonderdelen (‘klachten’), die ieder diverse subonderdelen bevatten. Middelonderdeel 1 richt zich tegen 's hofs oordeel inzake de aandelen [A]. Middelonderdeel 2 bestrijdt 's hofs oordeel inzake de waarde van de voormalige echtelijke woning.
Middelonderdeel 1: de aandelen [A]
11.
Het eerste middelonderdeel bestrijdt 's hofs oordeel — in rov. 6.6.1–6.6.3 van zijn eindbeschikking — dat de man met zijn grief in het incidentele appel tevergeefs opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat de man geen aanspraak kan maken op een verrekeningsbijdrage zijdens de vrouw ter zake van het aan haar toebehorende aandelenkapitaal in [A] (noch voor wat betreft de waardestijging noch ten aanzien van eventueel opgepotte winsten). Het hof overwoog met de rechtbank, op de door haar aangegeven gronden, van oordeel te zijn dat de man terzake geen aanspraak jegens de vrouw heeft. Het hof overwoog in dat verband voorts nog dat de aandelen aan de vrouw zijn geschonken zodat de waarde daarvan buiten de verrekening valt en dat voorts dat het beroep op toepasselijkheid van art. 1:141 lid 4 BW faalt, aangezien de man erkent dat de vrouw formeel en juridisch geen zeggenschap in de uitgeoefende bedrijven heeft en de stelling van de man dat de vrouw die zeggenschap feitelijk wél heeft, faalt aangezien feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat vrouw in feite zeggenschap heeft, zijn gesteld noch gebleken en de man erkent dat de vrouw zich in de verrekenperiode afzijdig heeft gehouden van de bedrijfsvoering.
12.
Middelonderdeel 1.1 stelt voorop dat uit 's hofs bestreden overwegingen blijkt dat het hof ervan is uitgegaan dat de vordering van de man in verband met de waardevermeerdering van de aandelen [A] berust op een dubbele grondslag, te weten enerzijds de stelling dat de koopsom van de aandelen (geheel of gedeeltelijk) is gefinancierd ten laste van overgespaarde inkomsten en anderzijds het betoog dat (middellijk, namelijk via het certificaathouderschap inzake [B]) binnen [A] sprake is van ingehouden winsten die met toepassing van art. 1:141 lid 4 BW voor verrekening in aanmerking komen. Het middelonderdeel neemt tot uitgangspunt dat de man evenwel óók aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat uitvoering van het verrekenbeding naar redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de man een vordering op de vrouw ter zake van de waardevermeerdering van de aandelen heeft nu sprake is geweest van ‘ontsparing’ aan de zijde van de man omdat deze — als een van de directeuren van [B] B.V. — genoegen heeft genomen met een lager inkomen dan marktconform was, met als onmiddellijk effect een toename van de waarde van de aandelen [A] en daarmee van het vermogen van de vrouw. (De man heeft doen berekenen dat hij ongeveer € 600.000,- aan inkomen heeft gemist en dat dit tot een waardestijging van het aandelenpakket van de vrouw heeft geleid van (netto) € 420.000,-.) Daarbij verwijst het middelonderdeel naar hetgeen de man in eerste aanleg heeft aangevoerd in zijn verweerschrift op de wijziging en vermeerdering van eis van de verzoeken zijdens de vrouw (par. 25–27) en voorts in zijn verweerschrift in eerste aanleg tevens houdende zelfstandig verzoek (par. 16). Middelonderdeel 1.2.1 klaagt dat indien het hof een dergelijke vordering niet in de stellingen van de man heeft gelezen, 's hofs oordeel onbegrijpelijk is. Middelonderdeel 1.2.2. klaagt dat indien het hof zou hebben geoordeeld dat de man deze grondslag van zijn vordering in appel niet langer heeft gehandhaafd, dat oordeel onbegrijpelijk is. Middelonderdeel 1.2.3 klaagt dat indien het hof zou hebben geoordeeld dat een aanspraak op verrekening wegens de gestelde ‘ontsparing’ nimmer uit een uitleg naar redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Middelonderdeel 1.2.4 klaagt dat indien het hof noch de grondslag van de vordering noch de grief te beperkt heeft uitgelegd en geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake de betekenis van de redelijkheid en billijkheid, het hof zonder enige motivering is voorbijgegaan aan de essentiële stelling van de man inzake de redelijkheid en billijkheid.
13.
In zijn incidentele appel heeft de man één grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de aandelen niet in de verrekening dient te worden betrokken. Deze grief luidt als volgt:
‘De man meent uitdrukkelijk dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd hetgeen staat vermeld in ro. 2.4 en dat de rechtbank derhalve ten onrechte heeft geconcludeerd dat de man behoudens de helft van de overwaarde van de echtelijke woning niets van de vrouw te vorderen zou hebben uit hoofde van de verrekening van overgespaard inkomen, nu de vrouw niet in overwegende mate bij machte zou zijn om invloed uit te oefenen op het al dan niet uitkeren van de winsten door [B] BV.’
De grief wordt nader toegelicht in de par. 44–56 van het verweerschrift in appel, tevens houdende incidenteel appel, in welk verband wordt betoogd dat de vrouw formeel en juridisch gezien geen zeggenschap had, doch dat de vrouw feitelijk wel degelijk zeggenschap had. Uit de grief noch uit de toelichting op de grief valt naar mijn oordeel op te maken dat wordt betoogd dat aan de man, daargelaten of de vrouw zeggenschap had in de uitgeoefende bedrijven, op gronden van redelijkheid en billijkheid een vergoedingsrecht zou moeten worden toegekend ten laste van de vrouw gelet op het lagere inkomen waarmee hij (als één van de directeuren van het bedrijf [B]) genoegen heeft genomen. Het hof heeft — gelet op rov. 6.6.1 t/m 6.6.3 van zijn eindarrest en met name op rov. 6.6.2, waarin het overwoog dat ten aanzien van de winsten de toepasselijkheid van art. 1:141 lid 4 BW in geschil is — klaarblijkelijk in de grief van de man een dergelijk betoog ook niet gelezen. Deze aan de grief van de man gegeven uitleg kan niet als onbegrijpelijk worden gekwalificeerd.
De slotsom is dat alle middelonderdelen falen nu zij alle tot uitgangspunt nemen dat aan het hof wél is voorgelegd de stelling dat de man — gelet op het lagere inkomen waarmee hij genoegen heeft genomen — op gronden van redelijkheid en billijkheid aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de aandelen [A] ook al behoorden de aandelen tot het privé-vermogen van de vrouw en ook al heeft de vrouw in de verrekenperiode noch formeel en juridisch noch feitelijk zeggenschap gehad in de bedrijven waarvan [A] de (certificaten van de) aandelen hield, zoals het hof in cassatie onbestreden overwoog. In het midden kan dan ook blijven of deze stelling stand zou kunnen houden.
Middelonderdeel 2: de voormalige echtelijke woning
14.
Middelonderdeel 2 komt op tegen 's hofs oordeel in rov. 6.3.10–6.3.16 van zijn eindbeschikking, hiervoor samengevat weergegeven, dat de man — behoudens de vergoeding die het hof in rov. 6.13.16 aan de man toekent — geen aanspraak geldend kan maken op de opbrengst van de voormalige echtelijke woning die aan de vrouw in privé in eigendom toebehoort. Het middelonderdeel, dat diverse subonderdelen bevat, klaagt dat 's hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder inzake het bepaalde in art. 1:136 lid 1 BW, althans dat 's hofs oordeel niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
De middelonderdelen 2.1–2.3
15.
De middelonderdelen 2.1 en 2.2 keren zich tegen 's hofs oordeel in rov. 6.3.10 van zijn eindbeschikking dat de man ter adstructie van zijn door de vrouw betwiste stelling dat de bedoeling van partijen is geweest dat de echtelijke woning gemeenschappelijk zou zijn (zodat hij aanspraak zou kunnen maken op de helft van de verkoopopbrengst), onvoldoende heeft gesteld en dat de gestelde bedoeling derhalve niet is komen vast te staan. Middelonderdeel 2.1 klaagt dat onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is 's hofs oordeel dat de door de man gestelde bedoeling om de echtelijke woning gemeenschappelijk te doen zijn, uitsluitend berust op zijn eigen verklaring en dus niet op enige concrete afspraak die tot een vordering tot nakoming aanleiding zou kunnen gegeven. Het middelonderdeel betoogt dat de man immers bij herhaling heeft gesteld dat het op naam van de vrouw stellen van de woning alleen externe redenen had, welke stelling de man — aldus het middelonderdeel — met concrete feiten heeft onderbouwd door erop te wijzen dat de lening gemeenschappelijk is aangezien de betaling van de rente en de premie op de levensverzekering en van de onderhoudskosten, alsmede van enkele verbouwingskosten ten laste zijn gekomen van het inkomen van de man. Middelonderdeel 2.2 klaagt dat 's hofs vaststelling dat de huwelijkse voorwaarden van partijen geen gemeenschap inhouden, ook geen beperkte gemeenschap van woning, en dat de woningen op naam van de vrouw zijn gesteld, niet zelfstandig kan dragen 's hofs oordeel dat de man geen aanspraken op de woning geldend kan maken.
Middelonderdeel 2.3 komt op tegen 's hofs oordeel in rov. 6.3.11 dat het beroep van de man op een natuurlijke verbintenis van de vrouw jegens hem niet opgaat reeds omdat een dergelijke verbintenis niet afdwingbaar is. Het middelonderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de man heeft betoogd dat de afspraak tussen hem en de vrouw om de echtelijke woning in hun interne verhouding als gemeenschappelijk te beschouwen, moet worden gezien als een omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare.
16.
Middelonderdeel 2.1 faalt. 's Hofs oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld ter adstructie van zijn door de vrouw betwiste stelling dat de bedoeling van partijen is geweest dat de echtelijke woning gemeenschappelijk zou zijn, in welk verband het hof overwoog dat de man zich kennelijk niet beroept op een concreet met de vrouw gemaakte afspraak die tot een vordering tot nakoming aanleiding zou kunnen geven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel kan niet afdoen dat door de man is aangevoerd dat het stellen van de woningen op naam van de vrouw uitsluitend externe redenen had, dat de lening gemeenschappelijk is aangegaan, alsmede dat de man de rente heeft betaald, premie op de levensverzekering heeft voldaan en onderhoudskosten alsmede enkele verbouwingskosten heeft betaald.
Middelonderdeel 2.2 faalt met zijn klacht dat 's hofs bestreden ‘vaststelling’ zijn oordeel niet zelfstandig kan dragen omdat de bestreden ‘vaststelling’ niet een zelfstandig dragende grond is.
Middelonderdeel 2.3 faalt reeds omdat het hof heeft geoordeeld dat de man zich kennelijk niet beroept op een concreet met de vrouw gemaakte afspraak en dat oordeel door middelonderdeel 2.1 tevergeefs wordt bestreden.
De middelonderdelen 2.4 en 2.5
17.
De middelonderdelen 2.4 en 2.5, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, bestrijden 's hofs oordeel in rov. 6.3.12 en 6.3.13 van zijn eindbeschikking (hiervoor samengevat weergegeven) dat het betoog van de man dat hij aanspraak kan maken op de overwaarde van de (tweede) echtelijke woning omdat de hypotheken mede op zijn naam hebben gestaan (dat wil zeggen dat de man tijdens de looptijd van de met hypotheek gedekte leningen voor de rente en aflossing mede aansprakelijk was) faalt omdat bedoelde omstandigheid niet meebrengt dat sprake is geweest van een belegging of herbelegging van overgespaard inkomen in de woningen waarop art. 1:141 lid 1 doelt, nu vaststaat dat op de leningen niets is afgelost. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat de aansprakelijkstelling zelf niet als een zodanige belegging kan worden aangemerkt en dat het hof de mening van Verstappen waarop de man een beroep doet, niet deelt.
18
Middelonderdeel 2.4 klaagt dat het hof — gelet op de stellingen van de man —tot uitgangspunt had moeten nemen dat in casu sprake is geweest van een door partijen gezamenlijk aangegane lening (en niet van een hoofdelijk schuldenaarschap van de man). Middelonderdeel 2.5 klaagt dat het hof heeft miskend dat de schuld tot terugbetaling van de door partijen gezamenlijk aangegane hypothecaire lening een gemeenschappelijke schuld is, die reeds op die grond valt onder de reikwijdte van art. 1:136 lid 1 slot BW (inhoudende dat een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend ‘voor zover de schuld daartoe wordt gerekend’). Daaraan voegt middelonderdeel 2.5 toe dat indien al rechtens zou moeten worden aangenomen dat voor het oormerken van een schuld als behorend tot het verrekenplichtig vermogen meer nodig is dan het gezamenlijk aangaan daarvan, in dit geval eveneens aan die voorwaarde is voldaan nu uit alle feiten en omstandigheden de (geobjectiveerde) bedoeling van partijen kan worden afgeleid dat partijen de schuld en de daarmee samenhangende kosten als gezamenlijk hebben beschouwd. Het middelonderdeel adstrueert deze klacht door erop te wijzen dat beide woningen die als echtelijke woning hebben gediend tijdens het huwelijk zijn gekocht (en geleverd) en dat de hypothecaire leningen steeds op beider naam zijn gesloten, terwijl alle lasten (rente, premie, onderhoud en een deel van de verbouwingen) door de man zijn betaald. Nu de koopsom van de woning waar het thans om gaat (de tweede echtelijke woning) aldus beschouwd geheel is betaald ten laste van het verrekenplichtig vermogen (nu de schuld daartoe gerekend moet worden), behoort — zo betoogt middelonderdeel 2.5 — de waardestijging van de woning tussen partijen verrekend te worden, zoals Verstappen heeft bepleit in zijn bijdragen in WPNR (2007) nrs. 6708, 6724 en 6725.
19.
Bij de beoordeling van de middelonderdelen kan het volgende worden vooropgesteld.
Het eerste lid van art. 1:136 BW, dat deel uitmaakt van de wettelijke regeling inzake verrekenbedingen van afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 BW (art. 1:132 – 1:143 BW) die is ingevoerd bij de op 1 september 2002 in werking getreden Wet regels verrekenbedingen, luidt als volgt:
- ‘1.
Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale tegenprestatie. Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald.’
Dit wetsartikel beoogt — in samenhang met art. 1:141 lid 1 BW — een codificatie van de door uw Raad ontwikkelde ‘beleggingsleer’ (zie de MvT, Kamerstukken II 2000–2001, 27 554, nr. 3, p. 10 en de Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken I 2001–2002, 27 554, 99b, p. 1). Deze leer houdt het volgende in. Ingeval partijen bij een verrekenbeding — dat naar zijn aard ertoe strekt dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna ieder der echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen, door belegging, te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen — tijdens het huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege laten, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven; hetzelfde geldt voor een belegging die is gefinancierd met geleend geld, voor zover de lening is afgelost met bespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten; rentebetalingen ter zake van de geldlening waarmee de echtelijke woning is gefinancierd zijn kosten der huishouding in de zin van art. 1:84 BW en komen derhalve niet als onverteerd inkomen voor verrekening in aanmerking. In art. 1:136 lid 1 BW is de maatstaf neergelegd aan de hand waarvan moet worden bepaald voor welk deel de andere echtgenoot meedeelt in de waardestijging van het goed dat (mede) met overgespaarde maar niet verrekende inkomsten is verworven of gefinancierd. Zie voor deze beleggingsleer de volgende uitspraken die ten dele zijn gewezen na invoering van de nieuwe wettelijke regeling inzake verrekenbedingen: HR 7 april 1995, LJN ZC1695, NJ 1996, 486 (Vossen/Swinkels), m.nt. WMK; HR 28 maart 1997, LJN ZC2318, NJ 1997, 581,m.nt. WMK; HR 2 maart 2001, LJN AB0378, NJ 2001, 583 (Slot/Ceelen), m.nt. Wortmann onder HR 2 maart 2001, NJ 2001, 584; HR 6 december 2002, LJN AE9241NJ 2005, 125 (Schwanen/Hundscheid I), m.nt. WMK; HR 18 april 2003, LJN AF3415, NJ 2003, 441; HR 27 januari 2006, LJN AU5698, NJ 2008, 564 (Schwanen/Hundscheid II), m.nt. Verstappen en HR 25 april 2008, LJN BB7043, NJ 2008, 394. Zie recenter HR 10 juli 2009, LJN BI4387, NJ 2009, 377,m.nt. Wortmann, waarin is geoordeeld dat onverschillig is of de tijdens het verrekentijdvak verrichte belegging is geschied in vermogen van een der echtgenoten dat tijdens dat tijdvak is verworven dan wel reeds voordien en waarin tevens nader is ingegaan op de maatstaf van art. 1:136 lid 1 BW (‘de evenredigheidsmaatstaf’) aan de hand waarvan de hoogte van de verrekeningsvordering moet worden bepaald.
20.
In de parlementaire geschiedenis wordt niet expliciet ingegaan op de betekenis van de zinswending ‘voor zover de schuld daartoe wordt gerekend’. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2000–2001, 27 554, nr. 3, p. 14) is de strekking van art. 1:136 lid 1 BW als volgt toegelicht:
‘[Art. 1:136 lid 1 BW, plv P-G] verdeelt het voor- en nadeel van eventuele waardeschommelingen naar evenredigheid van het in het desbetreffende goed geïnvesteerde bedrag van de tegenprestatie uit het te verrekenen vermogen en uit het niet te verrekenen vermogen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat deze regel niet van dwingend recht is.’
Op de vraag van de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer hoe het antwoord moet luiden op de door Van der Burght (WPNR 2001 (6437),p. 256) opgeworpen vraag wat rechtens is ingeval bij een gemengde financiering nooit wordt afgelost maar wel rente is betaald, is in de nota naar aanleiding van het verslag als volgt geantwoord (Kamerstukken II, 2001–2002, 27 554, nr. 5, p. 9):
‘De derde vraag betreft een gemengde financiering waarin aflossingsvrije hypothecaire leningen betrokken zijn. Er wordt niet afgelost, maar er wordt wel rente betaald. Naar het oordeel van Van der Burght dient de betaalde rente wel op enigerlei wijze te worden verrekend, nominaal dan wel als fractie van het verworven goed. Van belang is hier hoe tegen rentebetalingen aangekeken wordt. Indien de rentebetaling de hypothecaire lening ter zake van de tijdens het huwelijk of geregistreerd partnerschap verworven echtelijke woning betreft, valt goed te verdedigen dat deze betalingen een vergoeding voor het genot van de woonruimte vormen en daarom tot de kosten van de huishouding worden gerekend. In dat geval wordt de rente in het algemeen als kosten van de huishouding in aanmerking genomen. De rente komt alsdan in mindering op de te verrekenen inkomsten of het te verrekenen vermogen. Indien evenwel bijvoorbeeld om fiscale redenen, de te verrekenen inkomsten of het te verrekenen vermogen niet worden aangewend voor de aankoop van een belegging, maar daartoe een lening wordt gesloten, is het de vraag of niet ook de rentebetalingen tot te verrekenen inkomsten gerekend dienen te worden.’
Het is de vraag of uit deze passages afgeleid zou kunnen worden dat de wetgever met de zinswending ‘voor zover de schuld tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend’ het oog heeft gehad op de situatie dat de rentelasten — anders dan het geval is volgens vaste jurisprudentie van uw Raad met betrekking tot rentelasten die zijn voldaan voor hypothecaire geldleningen die zijn aangegaan met betrekking tot de echtelijke woning — niet tot de kosten van de huishouding gerekend kunnen worden doch wél uit de overgespaarde en nog niet verdeelde inkomsten zijn voldaan.
Verstappen betoogt in zijn door het middel genoemde bijdrage ‘Hoe ver reikt de beleggingsleer’, WPNR (2007) 6708, dat indien met overgespaarde inkomsten niets is afgelost op een lening, de rentebetalingen aanleiding kunnen geven om zowel de schuld als de waarde van het daarmee verworven goed in de verrekening te betrekken. In zijn uit 2007 daterende bijdragen in het WPNR, waarop het middelonderdeel zich beroept, verdedigt Verstappen dat bij niet uitgevoerde verrekenbedingen ook niet afgeloste schulden en de daarmee aangeschafte goederen, zoals een echtelijke woning, tot het te verrekenen vermogen kunnen behoren ingeval de rente geheel uit de ‘gemeenschappelijke pot’ betaald wordt, en dat alles afhangt van het antwoord op de vraag in hoeverre door partijen ‘de schuld daartoe wordt gerekend’, hetgeen weer afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Hij betreurt de opvatting dat slechts bij afbetaling of aflossing van de hypothecaire lening het goed/de echtelijke woning tot het te verrekenen vermogen ingevolge een niet uitgevoerd verrekenbeding kan behoren. Hij betoogt dat deze opvatting in strijd is met de wet, en dan met name met de tweede zin van art. 1:136 lid 1 BW, inhoudende dat een goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald. Verstappen had deze opvatting ook reeds verdedigd in een uit 2004 daterende WPNR-bijdrage (‘De wet verrekenbedingen in de praktijk’, WPNR (2004) 6584).
De opvatting van Verstappen heeft in de literatuur discussie opgeroepen. Zo hebben Kraan (WPNR (2005) 6621, p. 400 en 401 en Zonnenberg WPNR (2007) 6724, p. 807 e.v. de opvatting bestreden Zie in die zin ook: Klaassen-Luijten-Meijer I, 2005, nr. 651. Zonnenberg geeft in zijn dissertatie (‘Het verrekenbeding’, diss. 2009, p. 212 e.v.) een overzicht van deze discussie.
Zonnenberg betoogt in zijn dissertatie (p. 213) dat in de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis niet wordt gesproken over de mogelijkheid dat de schuld tot het te verrekenen vermogen zou kunnen behoren, doch dat slechts de vraag wordt opgeworpen of rentebetalingen tot de te verrekenen inkomsten kunnen worden gerekend. Voorts betoogt Zonnenberg dat de opvatting van Verstappen in strijd is met de vaste jurisprudentie van uw Raad en dat niet kan worden aangenomen dat de wetgever met de passage ‘voor zover de schuld daartoe wordt gerekend’ in de tweede volzin van het eerste lid van art. 1:136 BW iets nieuws heeft willen brengen nu de wetgever met de inwerkingtreding van de Wet regels verrekenbedingen niet heeft bedoeld af te wijken van de koers die uw Raad vanaf 1995 in diverse uitspraken heeft uitgezet, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis.
Asser/De Boer I* 2010, nr. 509, leest in de zinswending ‘voor zover de schuld tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend’ een maatstaf ter bepaling van het aandeel waarvoor een privé-goed in de onder het te verrekenen vermogen dient te worden geboekt ingeval dat privé-goed is verkregen door middel van een lening waarop gedurende het verrekentijdvak rente is betaald terwijl deze rentebetalingen niet kunnen worden beschouwd als kosten van de huishouding doch wel zijn voldaan uit overgespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten.
22.
Tegen de achtergrond van het hier vooropgestelde, kom ik tot de slotsom dat de middelonderdelen moeten falen. Zij strekken met een beroep op het bepaalde in de tweede volzin van art. 1:136 lid 1 BW ten betoge dat de gehele netto verkoopopbrengst (waardestijging) van de echtelijke woning tussen partijen verrekend moet worden omdat de hypothecaire leningen op naam van beide partijen zijn gesloten en aldus (zo betoogt het middel) de koopsom van de woning geheel ten laste van het verrekenplichtig vermogen is betaald nu de schuld daartoe gerekend moet worden als bedoeld in art. 1:136 lid 1 BW. Dit betoog faalt reeds omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat ten onrechte ervan uit dat tussen partijen die tijdens hun huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege hebben gelaten en die bij het einde van hun huwelijk tot verrekening overgaan, ook in de verrekening zouden moeten betrekken de waarde(vermeerdering) van de privé-goederen die niet zijn verworven/gefinancierd door aanwending van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld gebleven. Dit betoog gaat voorts ten onrechte ervan uit dat de omstandigheid dat de hypothecaire schuld door beide partijen gezamenlijk is aangegaan, mee zou brengen dat aldus de koopsom is betaald ten laste van het verrekenplichtig vermogen ook al moeten de rentebetalingen worden beschouwd als kosten van de huishouding en ook al is op de hypothecaire lening niets afgelost, ook niet in de vorm van betaling van premies voor een verzekering met een spaarelement, zoals het hof in cassatie onbestreden heeft geoordeeld. Het betoog miskent met andere woorden dat gelet op de aard en de strekking van een verrekenbeding als het onderhavige uitsluitend voor zover overgespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten zijn aangewend bij de verwerving/financiering van een privé-goed, de andere echtgenoot op de voet van art. 1:136 lid 1 BW kan meedelen in de waardevermeerdering van het goed, zoals ook volgt uit de vaste jurisprudentie van uw Raad. Zie ook Asser/De Boer I* 2010, nr. 509.
Middelonderdeel 2.6
23.
Middelonderdeel 2.6 keert zich tegen rov. 6.3.16 van 's hofs eindbeschikking waarin het hof — kort samengevat — heeft geoordeeld dat kosten van het gebruikelijke onderhoud aan de echtelijke woning moeten worden aangemerkt als kosten van de huishouding, doch dat niet uitgesloten kan worden dat een deel van de onderhoudskosten heeft gestrekt tot verfraaiing van de woning en ter dekking van eigenaarslasten, niet zijnde kosten van de huishouding, en zijn betaald uit inkomen van de man. Alsmede valt niet uit te sluiten, aldus nog steeds het hof, dat een klein deel van de verbouwingen uit het inkomen van de man is betaald, met als gevolg dat de waarde van de echtelijke woning derhalve vermoed kan worden (in de zin van artikel 1:141 lid 3 BW) mede te zijn gevormd door deze bedragen. Nu partijen niet beschikken over enige relevante administratie, heeft het hof de vordering van de man aan de hand van een schatting begroot op € 30.000,-.
24.
Het middelonderdeel klaagt in de eerste plaats dat het hof is voorbijgegaan aan stellingen van de man die door de vrouw niet zijn betwist dan wel niet (tijdig) in hoger beroep door middel van een grief in de rechtsstrijd in hoger beroep zijn betrokken. Daarbij wijst het middelonderdeel erop dat door de man is gesteld dat een ingrijpende verbouwing aan de badkamer heeft plaatsgevonden waarvoor de man € 20.000,- contant heeft betaald, en dat de vrouw slechts de hoogte van het bedrag heeft betwist, stellende dat € 10.000,- uit de gemeenschappelijke middelen is betaald ten behoeve van de badkamer.
Voorts betwist het middelonderdeel (onder 2.6.3) dat de vrouw (tijdig) zou hebben betwist dat een bedrag van € 5.000,- uit het inkomen van de man is aangewend voor onderhoud van het huis.
25.
Deze klachten falen beide omdat zij niet opkomen tegen 's hofs oordeel dat niet kan worden vastgesteld welk deel van de door de man betaalde kosten betrekking heeft op kosten om de woning ‘in nette staat te houden’ (kosten van de huishouding), en welk deel heeft gestrekt tot verfraaiing van de woning (overgespaard inkomen). 's Hof oordeel impliceert dat het hof niet heeft kunnen vaststellen welk gedeelte van de door de man en vrouw genoemde bedragen als belegging van overgespaarde inkomsten valt aan te merken. Bij de door het hof gemaakte schatting behoefde het hof dan ook niet de door het middelonderdeel genoemde bedragen tot uitgangspunt te nemen.
26.
De klacht (onder 2.6.5) dat onbegrijpelijk is dat het hof in het kader van de vaststelling van een vergoeding ex aequo et bono geen betekenis heeft toegekend aan de stellingen van de man over de ‘ontsparing’, faalt omdat zij kennelijk voortbouwt op middelonderdeel 1.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Beroepschrift 10‑06‑2009
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de man], wonende te [woonplaats] (België), te dezer zake domicilie te 's‑Gravenhage aan het Koningin Julianaplein nr. 10, kantoren Stichthage, dertiende verdieping (postbus 11756, 2502 AT), ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. J. van Duijvendijk-Brand, die hem in cassatie vertegenwoordigt en namens hem dit verzoekschrift ondertekent en indient,
dat verzoeker hierbij beroep in cassatie instelt tegen de beschikking van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 10 maart 2009, onder zaaknummer 103.009.672 in hoger beroep gewezen tussen verzoeker tot cassatie als geïntimeerde in het principale beroep en appellant in het incidentele beroep en
[de vrouw], wonende te [woonplaats] (België), aan het adres [adres] ([postcode]) als appellante in het principale beroep en geïntimeerde in het incidentele beroep , voor wie in vorige instantie als advocaat optrad mr. R.H. van Muijen, kantoorhoudende te 's‑Hertogenbosch (Holla Poelman van Leeuwen advocaten NV) aan het Stationsplein nr. 99 (Postbus 396, 5201 AJ).
Verzoeker legt hierbij het procesdossier van beide feitelijke instanties over.
Tegen de hiervoor vermelde beschikking van het Hof moge verzoeker doen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het hof op de in de bestreden beschikking vermelde gronden heeft beslist en recht gedaan als in zijn beschikking vermeld, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
A. Inleidende opmerkingen
Korte aanduiding van het geschil
0.1
De onderhavige zaak betreft (wederom) een geschil tussen ex-echtgenoten over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun echtscheiding waarbij het verrekenbeding inzake overgespaarde inkomsten uit hun huwelijkse voorwaarden een centrale rol speelt. Specifiek in de onderhavige zaak is dat er sprake was van directeurschap én van aandeelhouderschap, maar dat deze in dit geval niet in de persoon van één echtgenoot verenigd waren. [de man] (hierna: de man) was tot vrij kort voor de echtscheiding1. (gedurende 22 jaar) directeur van [B] International BV, de exporttak van [B] Holding BV, het bedrijf waarvan [de vrouw] (hierna: de vrouw) en haar drie broers via persoonlijke holdings eigenaar zijn. Verder was er de tijdens het huwelijk verworven echtelijk woning die op naam van de vrouw werd gesteld, maar die werd gefinancierd met een door partijen gezamenlijk gesloten lening en waarvoor de man altijd de rente en andere lasten heeft betaald. De man heeft in het kader van de echtscheiding verrekening gevorderd van de waarde van de aandelen van [A] Holding BV en van de overwaarde van de echtelijke woning en wat de woning betreft nog een beroep gedaan op een natuurlijke verbintenis. De man heeft gevorderd2. de peildatum vast te stellen (later heeft de man die peildatum op 24 november 2005 gesteld3.), de omvang van de verrekenplicht tussen partijen op basis van de huwelijkse voorwaarden en het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan de man dient uit te betalen. Het Hof heeft de vorderingen van de man afgewezen behoudens toekenning van een kleine vergoeding in verband met de bijdrage uit het inkomen van de man aan de kosten van verbouwing van de woning (niet zijnde gewoon onderhoud).
Vaststaande feiten en procesverloop4.
0.2
De man en vrouw zijn op 23 mei 1984 met elkaar gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden5. behelzen een uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap en een periodiek verrekenbeding (art. 7) aangevuld met een finaal verrekenbeding voor het geval het huwelijk zou eindigen als gevolg van overlijden (art. 9). Artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt voorts expliciet dat bij het bepalen van het inkomen van een echtgenoot de winsten van een door hem of haar uitgeoefende onderneming of vrij beroep in aanmerking worden genomen naar de normen die in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd en ‘Voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen, dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep hem rechtstreeks ten goede komen, wordt die onderneming of dat beroep voor de toepassing van de vorige alinea aangemerkt als een door die echtgenoot zelf uitgeoefend(e) onderneming of vrij beroep.’
De aandelen van [A]Holding BV
0.3
De vrouw heeft op 15 december 1994 de [A] Holding BV opgericht. De aandelen zijn volgestort met bedragen die de vrouw als schenking van haar ouders heeft gekregen. Op 30 december 1994 kocht deze BV 40 van de 170 aandelen van ƒ 1000,= nominaal in de toen nog lege vennootschap [C] BV (welke BV statutair werd omgedoopt in [B] Holding BV) voor een bedrag van ƒ 40.000,=.
Bij akte van eveneens 30 december 1994 hebben de vrouw en haar broers als bestuurders van de vier persoonlijke houdstermaatschappijen de aandelen in eigendom overgedragen en geleverd aan de Stichting Administratiekantoor [B] Holding BV en in ruil daarvoor certificaten ontvangen. De vrouw en haar broers werden daardoor (indirect) de nieuwe eigenaren van de [B] bedrijven: [B] BV, [B] International BV en [B] Research BV. Het bestuur van de Stichting Administratiekantoor [B] Holding BV werd aanvankelijk gevormd door de vader van de vrouw en later door haar drie broers. Het indirecte belang van de vrouw in [B] Holding BV bedroeg ultimo 2005 23,3% en vanaf december 2006 23,5%6..
De waarde van de aandelen in [A] Holding BV bedraagt volgens de man minimaal € 7.551.000,=7. maar volgens (de accountant van8.) de vrouw € 3.412.576,=, zodat laatstgenoemd bedrag in ieder geval als minimum waarde kan worden aangenomen.
Aanspraak wegens ‘ontsparing’
0.4
De man heeft betoogd dat de salarissen van de directeuren van [B] altijd laag werden gehouden en als gevolg daarvan de aandelen van de vrouw in haar BV in waarde stegen. De man stelt dat hij daarmee genoegen heeft genomen omdat compensatie werd gevonden in een toename van de waarde van de aandelen van de vrouw (hetgeen fiscaal aantrekkelijk was waarvan hij later zou kunnen meeprofiteren).
De man heeft uitdrukkelijk gesteld dat met deze omstandigheid ‘bij de beoordeling van deze zaak rekening dient te worden gehouden’9., in welk verband hij later in de procedure nog een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan op de redelijkheid en billijkheid en heeft betoogd dat de vrouw mede op grond hiervan verplicht is om met de man ‘(een deel van) de toename van de waarde van haar aandelen te verrekenen met de man op een wijze zoals door uw rechtbank nader vast te stellen’10..De man stelt dat hij op deze wijze indirect via overgespaard inkomen heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de waarde van het aandelenpakket van de vrouw. Hij heeft zijn stelling over de (in relatie tot andere directeurssalarissen) geringe hoogte van zijn salaris onderbouwd door overlegging van een staatje van het Nederlands Centrum voor Directeuren en Commissarissen, waaruit blijkt dat een algemeen directeur van een bedrijf met 100 werknemers in 2002 een salaris van € 165.000,= verdiende11. en door overlegging van een brief van de fiscalist de heer Van de Beek aan de advocaat van de man d.d. 14 mei 2007. Deze stelt dat het fiscale loon van de man gemiddeld over het tijdvak 2003 tot en met 2005 € 112.500 bedroeg en dat gelet op de ter beschikking gestelde gegevens over de omvang, omzet- en resultaatontwikkeling van het concern deze beloning als uiterst mager moet worden gekenschetst nu bij vergelijkbare ondernemingen de directeursalarissen gemiddeld tussen de € 150.000 en € 175.000 per jaar liggen exclusief overige emolumenten zoals bijvoorbeeld optieregelingen, pensioenvoorzieningen et cetera. De heer Van de Beek heeft het opmerkelijk genoemd dat kennelijk aan één medewerker, de financieel directeur (een buitenstaander) een optieregelingpakket van 5,8% is verstrekt (opbrengst € 650.000) terwijl bovendien aan een vijftal lagere managers eveneens opties zijn toegezegd (en dezen daar ook gebruik van hebben gemaakt12.). De heer Van de Beek merkt op dat hij het standpunt van de man deelt dat een deel van de marktconform aan de man toekomende beloning dus in de onderneming is achtergebleven en indirect tot uitdrukking komt in de waardestijging van het aandelenpakket van de vrouw. De heer Van den Beek heeft berekend dat de man op deze wijze ongeveer € 600.000 heeft gemist en dat dit tot een waardestijging van het aandelenpakket van de vrouw heeft geleid van (netto) € 420.000. De vrouw heeft de stellingen van de man slechts in algemene termen betwist door te stellen dat er wel sprake was van ‘een goed salaris’13.. De Rechtbank heeft in haar beschikking van 13 september 2007 de juistheid van de stellingen van de man over de hoogte van zijn salaris in het midden gelaten en het standpunt van de man verworpen dat er in verband met de door de vrouw gehouden aandelen enige verrekening van onuitgekeerde winsten zou dienen plaats te vinden. De man heeft in zijn incidenteel appel tegen deze beschikking over dat oordeel van de Rechtbank geklaagd en heeft hetgeen hij daarover in eerste aanleg naar voren heeft gebracht herhaald14.. Het Hof laat in zijn beschikking van 10 maart 2009 de juistheid van de stellingen van de man over de geringe hoogte van zijn salaris eveneens in het midden, zodat van de juistheid daarvan in cassatie (minst genomen) bij weg van hypothetisch feitelijke grondslag moet worden uitgegaan.
De voormalige echtelijke woning aan het [a-straat] [1] te [a-plaats]
0.5
Ten tijde van het sluiten van het huwelijk woonden partijen in een woning gelegen aan het [b-straat] [1] te [a-plaats]. Deze woning was eigendom van [B] Beheer BV, van welke BV de vader van de vrouw DGA was. Partijen huurden deze woning in de periode 1984 tot en met mei 1993.
Op 1 juni 1993 is deze woning (koopwoning I) tegen de waarde in verhuurde staat door [B] Beheer BV aan de vrouw verkocht en geleverd. De koopsom die ƒ 345.000,= bedroeg werd gefinancierd door middel van een door beide echtgenoten bij Nationale Nederlanden (ad ƒ 400.000,=) aangegane hypothecaire geldlening. Van het restant van de hypothecaire lening werd de inrichting bekostigd. De hypotheekakte maakt melding van een levensverzekeringspolis waarop tot meerdere zekerheid van de hypotheekhouder een pandrecht wordt gevestigd15.. Twee jaar later, op 1 augustus 1995, werd de woning aan het [b-straat] [1] verkocht voor een bedrag van ƒ 650.000,=. Uit de opbrengst werd de hypotheek bij Nationale Nederlanden afgelost en de laatste rentetermijn voldaan. Over de levensverzekering heeft de man tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat de polis na verkoop van de woning werd afgekocht en uitgekeerd. De vrouw heeft verklaard ‘Dat kan kloppen’16.. In hoger beroep heeft de vrouw zich evenwel op het standpunt gesteld dat zij met een polis van levensverzekering onbekend is en dat voorzover deze polis werkelijk heeft bestaan het daarin eventueel opgebouwde kapitaal nimmer heeft gestrekt tot aflossing van de lening17..
0.6
Op 4 augustus 1995 is de woning aan het [a-straat] [1] te [a-plaats] (koopwoning II) gekocht van de moeder van de vrouw voor een bedrag van ƒ 650.000,=. De koopprijs werd voldaan met het restant van de winst van woning I en met een geldlening die werd verstrekt door [D] Investment BV18. van ƒ 500.000,=19.. Volgens de man betrof het hier een lening aan beide echtgenoten. De vrouw heeft dit weliswaar betwist maar zij heeft haar stelling niet nader onderbouwd en ook geen stukken overgelegd inzake de geldlening met [D] Investment BV waaruit de juistheid van haar stelling zou kunnen blijken20.. Het Hof heeft de juistheid van de stelling van de man in het midden gelaten21. zodat daarvan in cassatie veronderstellenderwijs dient te worden uitgegaan.
0.7
Op 9 april 1999 hebben beide echtgenoten een hypothecaire lening gesloten bij de ING Bank voor een bedrag van ƒ 650.000,= Daarmee werd de lening bij [D] Investment BV afgelost. Het restant van ƒ 150.000,= werd aangewend voor verbouwingen.
De vrouw heeft gesteld dat de hypothecaire leningen (zowel die voor woning I als die welke werd aangegaan bij de ING in verband met woning II) slechts ‘door toedoen van de banken’ op beider naam werden gesteld22.. De man heeft daarentegen gesteld dat dit een bewuste keuze was. Dat de woningen uitsluitend op naam van de vrouw werden gesteld vond volgens de man zijn oorzaak in het feit dat [B] lange tijd in ‘zwaar weer’23. verkeerde en partijen wilden voorkomen dat de woning op enig moment als verhaalsobject zou dienen. Partijen hadden echter wel de bedoeling dat de woning gemeenschappelijk zou zijn, hetgeen volgens de man blijkt uit het gezamenlijk aangaan van de hypothecaire leningen en de betaling door de man (uit zijn inkomen) van de rente en de premie op de aan de lening gekoppelde levensverzekering24.. Het Hof heeft de stellingen van de man over het in ‘zwaar weer’ verkeren van [B] in het midden gelaten (zodat daarvan in cassatie veronderstellenderwijs kan worden uitgegaan) maar wel geoordeeld dat de gestelde bedoeling van de man niet is komen vast te staan25..
0.8
De man heeft gesteld dat er ingrijpende verbouwingen aan de woning hebben plaatsgevonden, onder meer aan de keuken, het kantoor, de slaapkamer, de badkamer, de woonkamer en de kozijnen en dat er 3 à 4 extra slaapkamers bij zijn gebouwd. De man stelt dat hij voor de badkamer € 20.000,= cash heeft betaald, de vrouw heeft echter gesteld dat er ‘€ 10.000,= van gemeenschappelijke middelen (is) betaald ten behoeve van de badkamer. Dat was een verbouwing. De rest was onderhoud. Dat werd van gemeenschappelijke middelen gedaan. (…) Ik denk dat er voor circa € 5000,= per jaar aan onderhoud is gepleegd.’26. De Rechtbank heeft in haar beschikking van 16 januari 2007 de stellingen van de vrouw over het jaarlijkse onderhoud voor een bedrag van € 5000,= weergegeven in rov. 3.26 en blijkens de daarop volgende rechtsoverweging mede aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. In haar appelschrift is de vrouw niet van haar verklaringen teruggekomen en zij heeft geen grief gericht tegen rov. 3.26 van de beschikking van de Rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof heeft de advocaat van de vrouw plotsklaps verklaard: ‘Betreffende de verbouwingen, deze zijn volgens de vrouw gefinancierd met een verhoging van de hypothecaire geldlening. De vrouw heeft ter zitting in eerste aanleg medegedeeld dat er voor ongeveer € 5.000,= per jaar aan onderhoud aan de woning gepleegd (werd27.). Zij heeft dit naderhand nagevraagd en toen bleek dat de onderhoudskosten niet uit de gezamenlijke inkomsten zijn voldaan. Volgens de vrouw heeft de rechtbank dit onjuist in haar beschikking geformuleerd.’ De advocaat van de man heeft daarop gereageerd met de constatering dat de vrouw niet betwist dat de verbouwing van de badkamer is bekostigd door de man. Verder heeft zij herhaald dat de onderhoudskosten van ongeveer € 5000,= per jaar gedurende 15 jaar door de man zijn betaald, aangezien hij de enige was die inkomsten verwierf28..
0.9
De man heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling dat de (gehele) waarde van de woning/respectievelijk de verkoopopbrengst daarvan (conform hetgeen de Rechtbank had beslist) met hem verrekend dient te worden expliciet beroepen op de mening van Verstappen29. stellende dat waar de woningen beide tijdens het huwelijk zijn gekocht (en geleverd), de hypothecaire leningen steeds op beider naam zijn gesloten en alle lasten (rente, premie, onderhoud/verbouwingen) door de man zijn betaald, de gehele overwaarde van de echtelijke woning (bij helfte) dient te worden verrekend.
B. Klachten
Klacht 1: de aandelen van [A] Holding BV
1
Het Hof stelt in rov. 6.6.1 naar aanleiding van het door de man ingestelde incidentele hoger beroep voorop dat de grief van de man zich richt tegen het oordeel van de beschikking van 13 september 2007 dat de man geen aanspraak kan maken op een verrekeningsbijdrage zijdens de vrouw terzake van het aan haar toebehorende aandelenkapitaal in de [A] Holding BV (noch wat betreft de waardestijging daarvan noch ten aanzien van eventueel opgepotte winsten) en overweegt vervolgens dat deze grief van de man faalt nu het Hof het met de Rechtbank en de door haar aangegeven gronden, die het Hof tot de zijne maakt, eens is dat de man terzake geen aanspraak heeft jegens de vrouw. Uit de overweging die daarop volgt (rov. 6.6.2) blijkt dat het Hof, evenals de Rechtbank, de vordering van de man in verband met de waardevermeerdering van het aandelenkapitaal van de vrouw aldus heeft gelezen dat deze berust op een dubbele grondslag, te weten enerzijds de stelling dat de koopsom van de aandelen (geheel of gedeeltelijk) is gefinancierd ten laste van overgespaarde inkomsten en anderzijds het betoog dat (middellijk, namelijk via het certificaathouderschap inzake [B] Holding BV) binnen de [A] Holding BV sprake is van ingehouden winsten die met toepassing van art. 1:141 lid 4 BW, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd, voor verrekening in aanmerking komen. Het Hof overweegt dat derhalve de toepasselijkheid van art. 1:141 lid 4 BW in het geding is en oordeelt te dier zake dat de man heeft erkend dat de vrouw formeel en juridisch geen zeggenschap heeft in de uitgeoefende bedrijven en dat de man weliswaar stelt dat zij die zeggenschap feitelijk wel heeft, in aanmerking genomen dat de broers en vader van de vrouw die zeggenschap uitoefenen, maar dat die stelling moet worden verworpen; de enkele omstandigheid dat de vrouw naaste familie is van degene die de zeggenschap over de onderneming uitoefent, leidt volgens het Hof niet tot de conclusie dat ook de vrouw daadwerkelijk zeggenschap heeft, terwijl naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden door de man zijn gesteld noch gebleken en ook niet aannemelijk — nu de man erkent dat de vrouw zich in de verrekenperiode afzijdig heeft gehouden van de bedrijfsvoering — die tot een andere conclusie kunnen leiden. Uit rov. 6.6.3 blijkt dat het Hof in de stellingen van de man tenslotte nog heeft gelezen dat de vrouw misbruik zou hebben gemaakt van de man en/of de opzet zou hebben gehad de man te benadelen, welke stellingen het Hof eveneens verwerpt.
1.1
Waar het Hof onderkent dat ook feitelijke zeggenschap van een echtgenoot over de winstbestemming ertoe kan leiden dat niet uitgekeerde winsten op de voet van art. 1:141 lid 4 BW bij de verrekening in aanmerking moeten worden genomen, kan het Hof niet worden verweten dat het op dit punt blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting30.. Het oordeel van het Hof dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw die zeggenschap feitelijk wel heeft, is voorts, naar de man zich realiseert, feitelijk van aard en leent zich derhalve niet voor toetsing in cassatie. De man ziet er dan ook van af om tegen dit oordeel over de zeggenschap als bedoeld in art. 1:141 lid 4 BW cassatieklachten te formuleren. De klachten in cassatie betreffen iets anders, te weten het navolgende.
1.2
Zoals uit het hiervoor in onderdeel A, achter 0.4 gesteld blijkt, heeft de man zich behalve op een integrale verrekening van de waarde van de aandelen van de vrouw in [A] Holding BV (op één van de hiervoor vermelde, door het Hof in aanmerking genomen, grondslagen, te weten financiering van de aandelen in deze BV ten laste van overgespaarde inkomsten respectievelijk het voldaan zijn aan de vereisten van art. 1:141 lid 4 BW voor verrekening van ingehouden winsten) óók beroepen op een billijkheidsvergoeding wegens ‘ontsparing’. De man heeft aan die vordering gemotiveerd31. ten grondslag gelegd dat zijn salaris (evenals de overige emolumenten overigens) gelet op de omvang, omzet- en resultaatontwikkeling van het concern als uiterst mager moet worden gekenschetst wanneer dit salaris wordt afgezet tegen wat bij vergelijkbare ondernemingen gemiddeld aan directeursalarissen werd betaald en dat als gevolg daarvan een deel van de marktconform aan de man toekomende beloning in de onderneming is achtergebleven en indirect tot uitdrukking komt in de waardestijging van het aandelenpakket van de vrouw. De man heeft daartoe doen berekenen (door de fiscalist Van de Beek) dat hij op deze wijze ongeveer € 600.000 heeft gemist en dat dit tot een waardestijging van het aandelenpakket van de vrouw heeft geleid van (netto) € 420.000. Het Hof laat in zijn beschikking van 10 maart 2009 de juistheid van de stellingen van de man over de geringe hoogte van zijn salaris en het door de heer Van de Beek in verband daarmee berekende bedrag aan ontsparing aan de zijde van de man en vermogenstoename bij de vrouw in het midden, zodat van de juistheid daarvan in cassatie (minst genomen) bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag moet worden uitgegaan. Het Hof verzuimt evenwel om op deze op de billijkheid gebaseerde verrekeningsvordering van de man (kenbaar) een oordeel te geven.
1.2.1
Indien het Hof een dergelijke vordering niet in de stellingen van de man heeft gelezen, is dat oordeel onbegrijpelijk. De man heeft reeds bij aanvang van de onderhavige procedure zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat met deze omstandigheid van ontsparing ‘bij de beoordeling van deze zaak rekening dient te worden gehouden’32.. De man heeft die stelling later (nog steeds in eerste aanleg) nog verder verduidelijkt door een uitdrukkelijk beroep te doen op de redelijkheid en billijkheid en te betogen dat de vrouw mede op grond hiervan verplicht is om met de man ‘(een deel van) de toename van de waarde van haar aandelen te verrekenen met de man op een wijze zoals door uw rechtbank nader vast te stellen’33.. In deze stellingen van de man ligt onmiskenbaar besloten dat de man zijn vordering tot verrekening van (een deel van de waardestijging van de aandelen van de vrouw) niet slechts heeft gebaseerd op art. 1:141 lid 1 BW (kort gezegd: financiering koopprijs aandelen ten laste van overgespaarde inkomsten) of art. 1:141 lid 4 BW (kort gezegd: zeggenschap over bestemming van ingehouden winsten) maar ook op de uitvoering van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden naar redelijkheid en billijkheid, welke beginselen meebrengen dat — gelet op de feitelijke gang van zaken die leidde tot een ontsparing aan de zijde van de man (door genoegen te nemen met een lager inkomen dan markconform was) met als onmiddellijk effect een toename van de waarde van de aandelen van [A] Holding BV en daarmee van het vermogen van de vrouw — de man een vordering jegens de vrouw heeft ter grootte van (maximaal) de direct daaruit voortvloeiende waardestijging van het aandelenkapitaal van de vrouw.
1.2.2
Indien het Hof zou hebben geoordeeld dat de man deze grondslag voor zijn vordering in appel niet langer heeft gehandhaafd, berust dat oordeel op een te beperkte en daarmee onbegrijpelijk uitleg van de grieven van de man in zijn incidenteel appel. De man heeft uitdrukkelijk gegriefd over het oordeel van de Rechtbank dat hij van de vrouw niets te vorderen zou hebben uit hoofde van verrekening van overgespaarde inkomsten34. en hij heeft in de toelichting op zijn grief hetgeen hij daarover in eerste aanleg naar voren heeft gebracht herhaald35.. Zonder nadere, ontbrekende, motivering is dan niet begrijpelijk waarom het Hof het incidenteel beroep van de man aldus zou hebben opgevat dat de man zijn vordering op grond van een uitleg naar redelijkheid en billijkheid van het verrekenbeding niet langer heeft gehandhaafd.
1.2.3
Indien het Hof zou hebben geoordeeld dat een aanspraak op verrekening van een deel van de waardestijging van de aandelen van de vrouw, op de wijze als door de heer Van de Beek bedoeld (en becijferd) en door de man aan zijn vordering (mede) ten grondslag gelegd nimmer uit (een uitleg naar redelijkheid en billijkheid van) het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden kan voortvloeien, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Welke verplichtingen uit een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden voortvloeien wordt immers niet uitsluitend door (de tekst van) de huwelijkse voorwaarden bepaald maar ook door de redelijkheid en billijkheid, waarbij onder meer belang kan worden gehecht aan het gedrag tijdens het huwelijk (HR 18 juni 2004, NJ 2004, 399)36.. In die gevallen waarin sprake is van een niet nagekomen verrekenbeding en een DGA schap van een der echtgenoten wordt in de praktijk bij de beoordeling van de verrekeningsvordering van de andere echtgenoot steevast de vraag gesteld of het verrekenbeding (in ieder geval) in die zin naar redelijkheid en billijkheid is uitgevoerd dat de DGA zichzelf niet ten koste van de andere echtgenoot een te laag salaris heeft toegekend. In het onderhavige geval is sprake van een gespiegelde situatie, met welke situatie eveneens naar redelijkheid en billijkheid rekening dient te worden gehouden37..
1.2.4
Indien het Hof de stellingen van de man en de grondslag van zijn vordering, noch zijn grief te beperkt heeft uitgelegd en evenmin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake de betekenis van de redelijkheid en billijkheid voor de vaststelling van hetgeen uit een (niet nagekomen) periodiek verrekenbeding aan verplichtingen voortvloeit, dan is het oordeel van het Hof niet voorzien van een toereikende motivering. Waar de man zich nadrukkelijk heeft beroepen op de specifieke omstandigheden van partijen (te laag salaris, leidend tot groei van het vermogen van de vrouw) en heeft betoogd dat de redelijkheid en billijkheid om die reden meebrengen dat de man jegens de vrouw recht heeft op enige verrekening terzake de waarde(stijging) van de aandelen van de vrouw (welke vordering door de man bovendien is berekend), had het Hof aan deze essentiële stelling van de man niet zonder enige motivering voorbij mogen gaan.
Klacht 2 De waarde van de echtelijke woning aan het [a-straat] [1] te [a-plaats]
2
In rov. 6.3.10 overweegt het Hof dat de bedoeling van partijen om de echtelijke woning ([b-straat] en [a-straat]) gemeenschappelijk te doen zijn uitsluitend berust op de eigen verklaring van de man afgezet tegen de beweerdelijk moeilijke tijden die het bedrijf omstreeks 1993–1995 doormaakte en dus niet op enige concrete afspraak met de vrouw, waaraan het Hof de conclusie verbindt dat hetgeen de man aanvoert onvoldoende is om enige aanspraak aan de man toe te kennen. Het Hof onderbouwt dat oordeel daarna nader door te overwegen
- (1)
dat de huwelijkse voorwaarden van partijen geen gemeenschap inhouden, ook geen beperkte gemeenschap van woning en dat de woningen die als echtelijke woning hebben gediend beide op naam van de vrouw zijn gesteld (rov. 6.3.10 slot),
- (2)
het beroep van de man op een natuurlijke verbintenis van de vrouw jegens hem niet opgaat, reeds omdat een dergelijke verbintenis niet afdwingbaar is (rov. 6.3.11) en
- (3)
dat op de leningen niet is afgelost (rov. 6.3.13) en rentebetalingen geen aanspraak kunnen opleveren (rov. 6.3.14),
terwijl de opvatting van Verstappen dient te worden afgewezen. Het oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting (meer in het bijzonder inzake het bepaalde in art. 1:136 lid 1 BW), althans is het niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
2.1. De bedoeling van partijen om de echtelijke woning ([b-straat] en [a-straat]) gemeenschappelijk te doen zijn
Het oordeel van het Hof dat de door de man gestelde bedoeling om de echtelijke woning gemeenschappelijk te doen zijn uitsluitend berust op zijn eigen verklaring en dus niet op enige concrete afspraak die tot een vordering tot nakoming aanleiding zou kunnen geven is zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk. De man heeft bij herhaling gesteld dat het op naam stellen van de woningen alleen op naam van de vrouw uitsluitend externe redenen had, maar dat in de onderlinge verhouding de woning (in obligatoire zin dus) door de echtelieden wel als gemeenschappelijk werd aangemerkt, welke stelling de man overigens met concrete feiten heeft onderbouwd (zoals het gemeenschappelijk aangaan van de lening, de betaling van de rente en de premie op de levensverzekering en onderhoudskosten [alsmede enkele verbouwingskosten] ten laste van het inkomen van de man en de situatie waarin [B] en de man zich toentertijd bevonden; verder kan aan het betoog van de man over de ‘ontsparing’ door zijn te lage salaris ook in dit verband de relevantie niet worden ontzegd). Indien het Hof bedoelt dat een dergelijke (stilzwijgende) afspraak tussen echtgenoten geen recht op nakoming geeft, is dat oordeel rechtens onjuist.
Indien het Hof met het door hem aangebrachte onderscheid iets anders heeft bedoeld, heeft het verzuimd inzichtelijk te maken wat, zodat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd.
2.2. Dat de huwelijkse voorwaarden van partijen geen gemeenschap inhouden, ook geen beperkte gemeenschap van woning en dat de woningen op naam van de vrouw zijn gesteld
Deze vaststelling in rov. 6.3.10 slot (herhaald in rov. 6.3.13) zegt uitsluitend iets over de goederenrechtelijke status van de echtelijke woning en is dus niet (zonder meer) beslissend voor de vraag of de waarde(stijging) van de woning (al dan niet naar evenredigheid) op grond van het verrekenbeding of anderszins tussen partijen verrekend dient te worden. Deze vaststelling kan 's Hofs oordeel dat de man geen aanspraken geldend kan maken (behoudens de vergoeding die het Hof in rov. 6.3.16 toekent) dus niet (zelfstandig) dragen.
2.3. Het beroep van de man op een natuurlijke verbintenis van de vrouw jegens hem gaat niet op, reeds omdat een dergelijke verbintenis niet afdwingbaar is (rov. 6.3.11)
Dit oordeel berust ofwel op een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van de man, of het geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De man heeft steeds betoogd dat het de bedoeling van partijen was om de woning intern gemeenschappelijk te doen zijn. In dat kader heeft hij zich ook beroepen op een natuurlijke verbintenis van de vrouw jegens hem. Deze stelling van de man kan moeilijk anders begrepen worden dan dat de man heeft betoogd dat de afspraak tussen hem en de vrouw om de echtelijke woning in hun interne verhouding als gemeenschappelijk te beschouwen (in obligatoire zin dus) moet worden gezien als de omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare (art. 6:5 BW). Indien het Hof een andere uitleg aan de stellingen van de man heeft gegeven, is die uitleg zonder nadere, ontbrekende, motivering onbegrijpelijk. Indien het Hof zou hebben geoordeeld dat een afspraak in de door de man gestelde zin (d.i. de afspraak om obligatoir een goed als gemeenschappelijk te beschouwen, terwijl dit goed in goederenrechtelijke zin niet gemeenschappelijk is) nimmer als een omzetting van een natuurlijke verbintenis kan worden beschouwd, maar dat daarvan alleen sprake kan zijn indien het betreffende goed (mede) op naam van de andere echtgenoot wordt gesteld, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting; voor een dergelijke beperking van de mogelijkheden voor omzetting van een natuurlijke verbintenis is geen steun te vinden in het recht.
2.4. De man heeft zich erop beroepen dat de hypothecaire leningen mede op ziin naam hebben gestaan, dat wil zeggen dat hij (…) mede aansprakelijk was; aansprakelijkstelling zelf kan niet als belegging worden aangemerkt (rov. 6.3.12 en rov. 6.3.13)
De man heeft zich er op beroepen dat de lening voor de echtelijke woning door beide partijen is aangegaan38. en dat is iets anders dan dat de man zou hebben gesteld dat hij zich als hoofdelijk medeschuldenaar39. zou hebben verbonden voor een lening die alleen door de vrouw is aangegaan. Weliswaar heeft de vrouw hier een verkeerde indruk gewekt door hardnekkig te blijven spreken over een ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’ die bovendien volgens de vrouw nog uitsluitend door toedoen van de bank (per abuis dus) in de akte terecht zou zijn gekomen, maar de gedingstukken geven geen enkele steun voor die zienswijze. In de door de vrouw overgelegde hypotheekakte inzake de geldlening aangegaan bij de ING bank40. worden de echtgenoten tezamen aangeduid als ‘de schuldenaar’ en wordt ervan uitgegaan (zie de passage achter het kopje ‘Het geleende bedrag’) dat het geleende bedrag aan de echtgenoten tezamen ter lening is verstrekt en dat de echtgenoten dus uit dien hoofde(en derhalve niet op grond van een meeverbinden als hoofdelijk schuldenaar voor de schuld van een ander) gehouden zijn terugbetaling van het geleende bedrag. Het oordeel van het Hof berust derhalve ofwel op een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van de man over zijn hoedanigheid bij de hypothecaire geldlening(en), ofwel geeft het, indien het Hof het (belang van het) onderscheid tussen gezamenlijk schuldenaarschap enerzijds en hoofdelijke verbondenheid voor eens anders schuld anderzijds heeft miskend, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van de man door het Hof respectievelijk de onjuiste rechtsopvatting inzake de hypothecaire geldlening werkt ook door in rov. 6.3.13, tweede alinea beginnend met de passage ‘De vrouw heeft daarom als eerste alle risico's gedragen verbonden aan deze eigendom’ en eindigend met het slot van de betreffende rechtsoverweging, welke oordelen dus evenmin in stand kunnen blijven.
Het hof miskent daar met name dat niet uitsluitend de vrouw heeft geïnvesteerd ‘middels de hypothecaire geldleningen’ maar beide echtgenoten nu die leningen niet uitsluitend door de vrouw maar mede door de man zijn aangegaan. Dit onderscheid is niet irrelevant voor de beoordeling van de vraag of ‘de leer Verstappen’ hier toepassing kan vinden en tot een (evenredige) aanspraak van de man had behoren te leiden. Zie daarover ook hierna bij middelonderdeel 2.5.
2.5. Vaststaat dat op de leningen niet is afgelost. Er kan dan ook in zoverre geen sprake zijn van een belegging of herbelegging van overgespaard inkomen in de woningen (…). De man doet nog een beroep op de mening van prof. Verstappen ter zake, maar het Hof deelt die mening niet (rov. 6.3.13)
Zoals hiervoor in onderdeel 2.4 is betoogd, heeft het Hof ten onrechte niet tot uitgangspunt genomen dat in casu sprake is van een door partijen gezamenlijk aangegane lening. De schuld tot terugbetaling van de lening is dus een gemeenschappelijk schuld, die — naar moet worden aangenomen — reeds op die grond valt onder de reikwijdte van art. 1:136 lid 1 slot BW, te weten een schuld die tot het te verrekenen vermogen moet worden gerekend41.. Indien rechtens zou moeten worden aangenomen dat er voor het oormerken van een schuld als behorend tot het verrekenplichtig vermogen meer nodig is dan het gezamenlijk aangaan daarvan, dan is in dit geval eveneens aan die voorwaarde voldaan, nu uit alle feiten en omstandigheden de (geobjectiveerde) bedoeling van partijen kan worden afgeleid dat partijen de schuld en de daarmee samenhangende kosten als gezamenlijk hebben beschouwd. Beide woningen die als echtelijke woning hebben gediend zijn tijdens het huwelijk gekocht (en geleverd) en de hypothecaire leningen zijn steeds op beider naam gesloten, terwijl alle lasten (rente, premie, onderhoud en een deel van de verbouwingen) door de man zijn betaald. Nu de koopsom van de woning waar het thans om gaat (de woning aan het [a-straat] [1] te [a-plaats]) aldus beschouwd geheel is betaald ten laste van het verrekenplichtig vermogen (nu de schuld daartoe gerekend moet worden), behoort de waarde(stijging) van de woning tussen partijen verrekend te worden zoals door Verstappen42. in verschillende artikelen is bepleit.
De man heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling dat de (gehele) waarde van de woning/respectievelijk de verkoopopbrengst daarvan (conform hetgeen de Rechtbank had beslist) met hem verrekend dient te worden expliciet beroepen op de mening van Verstappen. Dat het Hof die mening niet deelt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is het oordeel van het Hof niet voorzien van een toereikende motivering nu het Hof niet aangeeft waarom het de door partijen gezamenlijk aangegane hypothecaire lening niet aanmerkt als een schuld die moet worden gerekend tot het verrekenplichtig vermogen te behoren.
2.6. Oordeel over de kosten van verbouwing en onderhoud in rov. 6.3.16
In rov. 6.3.16 stelt het Hof vast dat in de periode 1 juni 1993 tot 25 november 2005 uit het inkomen van de man is bijgedragen aan de kosten van het onderhoud van de woningen. Het Hof overweegt dat partijen niet hebben aangegeven waaraan deze bedragen zijn besteed noch wat de hoogte is geweest. Vervolgens overweegt het Hof dat de vrouw in eerste aanleg wel heeft erkend dat voor onderhoud een bedrag van € 5000,= uit het inkomen van de man voor de woning zou zijn aangewend, maar dat de vrouw daar in hoger beroep op is teruggekomen, nu zij heeft gesteld dat werknemers van het bedrijf een deel van het onderhoud hebben uitgevoerd en grote verbouwingen zijn gefinancierd uit geldleningen (waarop niet is afgelost), waaraan het Hof de conclusie verbindt dat partijen verbouwingen en onderhoud kennelijk naast elkaar stellen en vervolgens tot een schatting komt van de kosten ten laste van het inkomen van de man die aan verfraaiing zullen zijn besteed en op grond daarvan ex aequo et bono het vergoedingsrecht van de man begroot op een bedrag van € 30.000,=
2.6.1
Dat het Hof het vergoedingsrecht van de man heeft beperkt tot genoemde aanspraak ex aequo et bono, is niet alleen onjuist om redenen als vermeld in de voorgaande klachten, maar ook omdat het Hof bepaalde stellingen van de man ten onrechte niet als rechtens vaststaand heeft aangemerkt, nu deze stellingen door de vrouw niet zijn betwist dan wel niet (tijdig) in hoger beroep door middel van een grief in de rechtsstrijd in hoger beroep zijn betrokken43..
2.6.2
De man heeft gesteld dat er ingrijpende verbouwingen aan de woning hebben plaatsgevonden en dat hij voor de badkamer € 20.000,= cash heeft betaald, de vrouw heeft slechts de hoogte van het bedrag betwist stellende dat er € 10.000,= van gemeenschappelijke middelen is betaald ten behoeve van de badkamer. Zoals de advocaat van de man tijdens de mondelinge behandeling44. bij het Hof terecht heeft geconstateerd, heeft de vrouw nimmer betwist dat de verbouwing van de badkamer is bekostigd door de man, ook niet in appel. Het Hof had dit feit dus als vaststaand moeten aannemen. Dat het Hof dat niet gedaan is rechtens onjuist (art. 149 Rv).
Althans is het oordeel onbegrijpelijk, namelijk indien het Hof de stelling van de man tot het door de vrouw erkende bedrag van € 10.000,= niet als onbetwist en dus evenmin als rechtens vaststaand heeft aangemerkt.
2.6.3
Evenzeer rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het Hof overweegt dat de vrouw in eerste aanleg heeft erkend dat voor onderhoud een bedrag van € 5000,= uit het inkomen van de man voor de woning is aangewend, maar dat de vrouw daar in hoger beroep op is teruggekomen, stellende dat werknemers van het bedrijf een deel van het onderhoud hebben uitgevoerd en grote verbouwingen zijn gefinancierd uit geldleningen (waarop niet is afgelost) en dat het Hof vervolgens daarmee rekening houdt. Kennelijk doelt het Hof hier op uitlatingen tijdens de mondelinge behandeling (hoewel het proces-verbaal van die zitting geen melding maakt van de stelling van de vrouw over onderhoud door de werknemers van het bedrijf). Het betreft hier echter onmiskenbaar een (nieuwe) grief tegen rov. 3.26 beschikking van de Rechtbank van 16 januari 200745., welke grief in het appelschrift van de vrouw niet valt lezen zodat met de eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof geformuleerde grief volgens vaste rechtspraak van Uw Raad46. geen rekening mocht worden gehouden tenzij de man daarmee ondubbelzinnig heeft ingestemd. Het oordeel van het Hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof in het appelschrift van de vrouw wel een grief van deze strekking heeft gelezen of heeft geoordeeld dat het niet noodzakelijk was om te grieven dan wel dat de vrouw met het betrekken van deze nieuwe grief in de rechtsstrijd in appel ondubbelzinnig heeft ingestemd, is dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk nu de gedingstukken daarvoor geen steun bieden.
2.6.4
Samenvattend, indien dus al zou moeten worden geoordeeld dat de man genoegen moet nemen met een billijkheidsvergoeding in de door het Hof bedoelde zin, dan geldt dat het Hof daarbij verkeerde uitgangspunten heeft gehanteerd, omdat het Hof dan als uitgangspunt had dienen te nemen dat onbetwist een bedrag van € 10.000,= ten laste van het inkomen van de man aan verbouwing van de badkamer is besteed en gedurende 12 jaar een bedrag van € 5000,= aan onderhoud/verbouwing ten laste van dit inkomen is betaald.
2.6.5
Gelet op de stellingen van de man over de ‘ontsparing’ is het voorts onbegrijpelijk dat het Hof in het kader van de vaststelling van een vergoeding ex aequo et bono aan dat aspect kennelijk geen enkele betekenis heeft toegekend, bijvoorbeeld door te bepalen dat de redelijkheid en billijkheid — gelet op het ‘achterblijven’ van inkomen van de man in de onderneming (en daarmee in het vermogen van de vrouw) — in dit geval meebrengen dat het vergoedingsrecht voor 100% (althans een hoger percentage dan 50%) aan de man moet worden toegekend en dus niet tussen de echtelieden bij helfte behoeft te worden gedeeld. Bij gegrondbevinding van een of meer klachten uit dit middelonderdeel (2.6) zou met dit aspect in de verwijzingsprocedure nog rekening kunnen worden gehouden. Indien Uw Raad die opvatting van de man deelt, verzoekt hij Uw Raad om in de te wijzen beschikking ten behoeve van de verwijzingsrechter daarover een aanwijzing te geven.
Conclusie
Dat het Uw Raad moge behagen om de beschikking van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 10 maart 2009 te vernietigen. Kosten rechtens.
's‑Gravenhage, 10 juni 2009
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑06‑2009
Zie het verweerschrift in eerste aanleg, tevens houdende zelfstandige verzoeken.
Zie het verweerschrift op de wijziging en vermeerdering van eis van verzoeken zijdens de vrouw d.d. 13 april 2006.
In cassatie kan worden uitgegaan van de hierna weergegeven feiten, hetzij omdat het Hof deze feiten als zodanig expliciet heeft vastgesteld, hetzij omdat zij wegens het niet betwist zijn daarvan als rechtens vaststaand moeten worden aangemerkt, dan wel omdat zij door de man zijn gesteld en het Hof de juistheid daarvan in het midden heeft gelaten.
De akte van huwelijkse voorwaarden is door de man overgelegd als productie 1 bij het door de man in eerste aanleg ingediende verweerschrift/tevens houdende zelfstandige verzoeken.
Deze stellingen van de vrouw (zie haar verweerschrift op de zelfstandig verzoeken tevens houdende wijziging en vermeerdering verzoek) heeft de man nimmer betwist. Zie voorts ook de vaststelling in de beschikking van de Rechtbank d.d. 31 oktober 2006 rov. 3.7 (moet kennelijk zijn 3.8) en de beschikking d.d. 13 september 2007, rov. 2.4. Zie verder ook de brief van Drs van Boom van Ernst & Young aan de advocaat van de vrouw welke brief als productie 35 in eerste aanleg door de vrouw is overgelegd en waarin de stellingen van de vrouw op enkele punten cijfermatig zijn aangevuld of (licht) gecorrigeerd.
Verweerschrift van de man tevens houdend zelfstandig verzoek in eerste aanleg, par.12.
Zie de al eerder genoemde brief van Drs. van Boom d.d. 15 februari 2007 aan mr. Van Ierssel, productie 35 bij de brief van laatstgenoemde aan de rechtbank van 26 februari 2007.
Zie het verweerschrift in eerste aanleg, tevens houdend zelfstandig verzoek, par. 16 Deze stellingen van de man zijn niet weersproken in het verweerschrift op zelfstandig verzoek, maar eerst later door de vrouw betwist.
Zie de brief van mr. Spronk aan de Rechtbank van 14 mei 2007, p. 8.
Zie verweerschrift op de wijziging en vermeerdering van eis van de verzoeken zijdens de vrouw, par. 25 t/m 27.
Deze feiten en omstandigheden blijken uit de getuigenverklaring van de heer [getuige] (de ‘buitenstaander’), zie het procesverbaal van het verhoor d.d. 29 maart 2007, in eerste aanleg overgelegd door de man als productie I bij de brief van mr. Spronk van 14 mei 2007 aan de Rechtbank.
De advocaat van de vrouw heeft tijdens mondelinge behandeling bij de Rechtbank op 18 december 2006 slechts betoogd dat het een goed salaris was, net zo hoog als dat van de andere directieleden. In zijn brief aan de advocaat van de vrouw schrijft de heer Van Boom, belastingadviseur bij Ernst & Young, nog dat het salaris van de man helemaal niet laag was en dat het maar de vraag was of de man elders hetzelfde had kunnen verdienen. Zie ook notitie van mr. Van Ierssel behorend bij stukken die bij brief van 26 februari 2007 aan de Rechtbank werden toegezonden.
Zie het verweerschrift van de man in appel tevens houdende incidenteel appel, par. 42 e.v. (zie met name par. 42 en 43 en 55).
Zie het appelschrift van de vrouw p. 2 t/m 4, alsmede de producties 4 t/m 6.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de Rechtbank op 18 december 2006, p. 5.
Appelschrift, p. 3, 2e alinea.
[D] Investment BV was voorheen genaamd [B] Beheer BV (de BV ‘van de vader van de vrouw’). Dit blijkt uit een stuk dat door door de vrouw in verband met het bewijs van de aankoop van de aandelen [B] Holding BV is overgelegd. Zie productie 18 gevoegd bij het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens houdende wijziging en vermeerdering van verzoek d.d. 24 februari 2006. In haar verweerschrift op het zelfstandig verzoek spreekt de vrouw (daarmee de BV en haar DGA vereenzelvigend) over een lening verstrekt door haar vader. Zie voorts de brief van Drs. R.M. van Boom van Ernst & Young van 15 februari 2007 aan mr. Van Ierssel, p. 1 onderaan, welke brief door de vrouw als productie 35 bij brief van 26 februaru 2007 aan de Rechtbank in het geding werd gebracht.
Zie verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens houdende wijziging en vermeerdering van verzoek d.d. 24 februari 2006, par. 25 t/m 29. Zie voorts beschikking van de Rechtbank d.d. 16 januari 2007, rov. 3.24 en 3.25.
Uit de stukken blijkt niet dat er een recht van hypotheek is gevestigd ten behoeve van [D] Investment BV. Van de geldlening zelf zijn ook geen stukken overgelegd. Het enig stuk waarmee de lening (en de hoogte daarvan) is aangetoond is de nota van afrekening van de notaris d.d. 25 juli 1995, prod. 20 bij het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw in eerste aanleg.
Zie de beschikking van 10 maart 2009, rov. 6.3.4.
Zie het appelschrift, p. 2, 2e alinea, p. 3, onderaan en p. 8.
Wat de man met ‘zwaar weer’ bedoelt heeft hij nader onderbouwd in zijn verweerschrift in appel bij de bespreking van de tweede grief van de vrouw, alsook door overlegging van een krantenknipsel (pord. 2) waaruit blijkt dat [B] in 1994 in verband werd gebracht met het verboden middel clenbuterol en de directeuren werden beschuldigd van valsheid in geschrifte om dit te verbergen, waarbij door het OM zeer hoge boetes werden geëist.
Zie het verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel, par. 6 t/m 8, 11–12, 21 t/m 24, en de bespreking van grief II.
Zie rov. 6.3.10 van de beschikking van het Hof van 10 maart 2009.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 december 2006, p. 5
Dit woord ontbreekt in het oorspronkelijke citaat.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 23 januari 2009, p. 2 en 3.
Met verwijzing naar diens artikelen in WPNR 2007, nrs 6708, 6724 en 6725.
Vergelijk HR 4 mei 2007, RvdW 2007, 489, LJN AZ7621.
Zie verweerschrift op de wijziging en vermeerdering van eis van de verzoeken zijdens de vrouw, par. 25 t/m 27.
Zie het verweerschrift in eerste aanleg, tevens houdend zelfstandig verzoek, par. 16 Deze stellingen van de man zijn niet weersproken in verweerschrift op zelfstandig verzoek, maar eerst later door de vrouw betwist.
Zie de brief van mr. Spronk aan de Rechtbank van 14 mei 2007, p. 8.
Zie het verweerschrift in appel tevens houdende incidenteel appel, par. 42 en 43 (grief I).
Zie het verweerschrift van de man in appel tevens houdende incidenteel appel, par. 42 e.v. (zie met name par. 42 en 43 en 55).
De man heeft uitdrukkelijk een beroep gedaan op dit arrest in zijn verweerschrift op de wijziging en vermeerdering van eis van de verzoeken zijdens de vrouw, par. 28 en 29.
Aldus uitdrukkelijk de man in zijn verweerschrift op de wijziging en vermeerdering van eis van de verzoeken zijdens de vrouw, par. 25 en 26.
Zie verweerschrift echtscheiding tevens houdend zelfstandig verzoek par. 15, doch met name verweerschrift in appel tevens houdend incidenteel appel par. 6, waarin heel nadrukkelijk wordt gesteld dat de lening door beide partijen is aangegaan.
Als bedoeld in art. 1:88 lid 1 sub c BW.
Productie 21 bij het verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens houdende wijziging en vermeerdering verzoek van de vrouw.
Vergelijk ook HR 18 april 2003, NJ 2004, 441, RVV, 3.3., waar Uw Raad oordeelde dat financiering door middel van een lening die leidde tot een privé-schuld als een financiering van privé-vermogenmoet worden aangemerkt.
Zie zijn artikelen in WPNR 2007, nrs 6708, 6724 en 6725.
De man verwijst hier naar het hiervoor in onderdeel A, achter 0.8 geschetste procesverloop.
Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 december 2006, p. 5.
Dat ook de vrouw zich heeft gerealiseerd dat de beschikking van de Rechtbank een voor haar nadelige beslissing bevatte waartegen zij tijdig had moeten grieven, blijkt uit hetgeen haar advocaat tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof heeft erklaard: ‘Betreffende de verbouwingen, deze zijn volgens de vrouw gefinancierd met een verhoging van de hypothecaire geldlening. De vrouw heeft ter zitting in eerste aanleg medegedeeld dat er voor ongeveer € 5.000,= per jaar aan onderhoud aan de woning gepleegd (werd ). Zij heeft dit naderhand nagevraagd en toen bleek dat de onderhoudskosten niet uit de gezamenlijke inkomsten zijn voldaan. Volgens de vrouw heeft de rechtbank dit onjuist in haar beschikking geformuleerd.’
Zie ondermeer HR 22 juni 2007, NJ 2007, 344.