Vgl. HR 16 maart 2010, LJN BK3359, NJ 2010, 314, m.nt. Y. Buruma, rov. 2.5.
HR, 06-11-2012, nr. 11/02145
ECLI:NL:HR:2012:BX8471, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-11-2012
- Zaaknummer
11/02145
- Conclusie
Mr. Silvis
- LJN
BX8471
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX8471, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑11‑2012
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX8471
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554
ECLI:NL:HR:2012:BX8471, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑11‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX8471
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2013/86 met annotatie van M.J. Borgers
SR-Updates.nl 2012-0248
NbSr 2012/426
Conclusie 06‑11‑2012
Mr. Silvis
Partij(en)
Nr. 11/02145
Mr. Silvis
Zitting 11 september 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Verdachte is bij arrest van 26 april 2011 door het gerechtshof te Arnhem wegens "doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.
2.
Namens verdachte heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
4.
Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"hij op enig moment in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 te Kesteren, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het lichaam en/of een of meer lichaamsdelen heeft gestoken en/of gesneden tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden."
5.
Met betrekking heeft het Hof - met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten - het volgende overwogen:
"De vaststaande feiten
Op basis van de na te noemen bewijsmiddelen kunnen de volgende feiten, die ook niet ter discussie hebben gestaan, worden vastgesteld.
- -
Verdachte en [slachtoffer] zijn in januari 2008 vanuit Polen naar Nederland gekomen om hier te werken. Zij bewoonden laatstelijk een woning in Kesteren.
- -
De telefoon die verdachte gebruikt, heeft het nummer 06-[001].
- -
Op 9 januari 2010 omstreeks 06.00 uur heeft [slachtoffer] zijn nachtdienst beëindigd en is hij naar huis gegaan.
- -
Op 11 februari 2010 heeft verdachte, tezamen met zijn voormalige werkgever [betrokkene 1], bij de politie gemeld dat [slachtoffer] dood in hun woning lag.
- -
Bij de sectie van het lichaam van [slachtoffer] op 13 februari 2010 is het volgende vastgesteld:
- -
een scherprandig huiddefect op de borstkas, 5'/2 cm van de middellijn en aansluitend daarop een steekkanaal door de 6e en 7e rib links, door het hartzakje, de linker hartkamer, door het middenrif en door de leveroppervlak. Dit steekkanaal loopt van boven naar beneden en heeft een lengte van ca 11 cm.
- -
twee scherprandige huiddefecten aan de buitenzijde van de linkeronderarm, beide met elkaar 'verbonden' door een steekkanaal van ca 7 cm.
- -
de - bij leven toegebrachte - letsels in de borstkas en het opgetreden bloedverlies kunnen het overlijden zonder meer verklaren.
- -
theoretisch/anatomisch is het mogelijk de steekverwondingen in de linkerarm en de borstkas in één verlengd steekkanaal te passen, dat wil zeggen dat beide verwondingen in één beweging zijn toegebracht. Dat dit is gebeurd door het slachtoffer zelf in het kader van zelfmoord, wordt echter als uitermate onwaarschijnlijk gezien.
- -
Het lichaam vertoonde tekenen van gevorderde ontbinding, die kunnen passen bij een postmortale periode van één tot meerdere weken.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde (doodslag). Hoewel er geen rechtstreeks bewijs is voor het daderschap van verdachte, wijzen alle vastgestelde feiten en omstandigheden in zijn richting. Verdachte heeft aanvankelijk leugenachtige verklaringen afgelegd over zijn afwezigheid in de maand januari en begin februari 2010 en hij heeft wekenlang het overlijden van [slachtoffer] geheim gehouden, er waren financiële problemen en [slachtoffer] dreigde verdachte de woning uit te zetten. De verklaring die verdachte hiervoor geeft, is ongeloofwaardig en verdachte weigert om meer inzicht te verschaffen in wat er wel is gebeurd. Voor de primair tenlastegelegde voorbedachte raad (moord) is onvoldoende bewijs.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal eveneens geconcludeerd tot vrijspraak van het primair telastegelegde (moord) en bewezenverklaring van het subsidiair telastegelegde (doodslag).
Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft gedood. Hij voelt zich weliswaar op enigerlei wijze betrokken bij diens overlijden, omdat hij bekend was met de doodswens van [slachtoffer] en hij hem in contact heeft gebracht met iemand die zijn dood moet hebben teweeggebracht, maar dat is meer een morele betrokkenheid en niet een strafbare betrokkenheid. De raadsvrouw heeft betoogd dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte rechtstreeks op strafrechtelijk relevante wijze in verband brengt met het overlijden. Het overlijden van [slachtoffer] is, op diens eigen verzoek, veroorzaakt door een derde, die verdachte wel kent, maar waarover hij niet nader wil verklaren. Dat is echter gebeurd zonder enige feitelijke bemoeienis van verdachte. Ook ontbreekt ieder bewijs voor het opzet op het veroorzaken van de dood van [slachtoffer]. Voor voorbedachte raad is al helemaal geen bewijs.
Hoewel het strafdossier geen bewijsmiddel bevat dat verdachte rechtstreeks aanwijst als degene die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte hieraan wel schuldig is. De rechtbank grondt deze overtuiging op het samenstel van gebeurtenissen en feiten (...) zoals hierna uit de doeken wordt gedaan.
Aanvankelijk heeft verdachte, toen hij na de ontdekking van het lijk van [slachtoffer] als getuige werd gehoord, verklaard dat hij begin januari 2010 uit Kesteren is vertrokken om elders, onder meer in Lelystad, te gaan werken. Hij had € 4.500 bij [slachtoffer] achtergelaten voor de huur en voor de aankoop van een filmcamera. Nadat het werk in Lelystad was afgelopen, is hij naar Amsterdam, Rotterdam, Hoek van Holland en Luik geweest. In die periode heeft hij wel contact gehad met de verhuurders in verband met de achterstand in huurbetaling, maar hij ging er van uit dat [slachtoffer] dat zou regelen.
Vervolgens heeft de politie een onderzoek ingesteld naar deze verklaring. Daarbij is onder meer het volgende naar voren gekomen:
- -
Analyse van het telefoonverkeer dat heeft plaats gevonden met de telefoon van verdachte, wijst uit dat deze telefoon in de periode van 9 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 een aantal keren actief is geweest en daarbij telkens, op één keer na, de zendmast aan de [a-straat 1] te Kesteren aanstraalt. Op 15 januari 2010 om 17:50 uur wordt een zendmast in Arnhem ([b-straat 1]) aangestraald. Gebeld wordt met het telefoonnummer van de moeder van verdachte.
- -
Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte en het slachtoffer, is een kwitantie aangetroffen van de MediaMarkt, Velperplein 13 te Arnhem, betreffende de aankoop van een computerspel op 15 januari 2010 te 17.42.9 Uit de computergegevens van verdachte is op te maken dat dit spel diezelfde dag is geïnstalleerd op de computer die zich in de woning in Kesteren bevond en dat dit spel sinds die dag ook diverse malen is gespeeld.
- -
Tijdens de doorzoeking van de woning zijn in de vuilnisbak aangetroffen een verpakking van etenswaren van de Spar d.d. 28 januari 2010 en een aan verdachte gerichte, geopende brief van Intrum Justitia d.d. 29 januari 2010.
- -
[Betrokkene 2], een voormalige collega van verdachte, heeft hem op 9 januari 2010 gezien terwijl verdachte boodschappen deed bij de Spar in Kesteren.
Wanneer verdachte in zijn verhoor van 4 maart 2010 om 10.23 uur wordt geconfronteerd met deze gegevens, verklaart hij dat hij in zekere zin wel betrokken is bij het overlijden van [slachtoffer], maar dat hij op dat punt verder geen verklaring kan afleggen en in het verhoor om 14.49 uur diezelfde dag erkent verdachte dat hij al die tijd, terwijl [slachtoffer] dood op zijn kamer lag, in de woning was om te rouwen over het overlijden van [slachtoffer]. Dat deed hij door dingen te doen die [slachtoffer] zou hebben gedaan of zou willen doen.
(...)
[Betrokkene 3], een collega van [slachtoffer], heeft verklaard dat hij op 10 januari 2010 een sms-bericht ontving van de telefoon met nummer 06-[001], waarin [slachtoffer] aangaf dat hij ziek was en niet zou komen werken.15 [betrokkene 3], voorman bij [A], heeft verklaard dat hij op 11 januari 2010 werd gebeld door verdachte vanaf het nummer 06-[001] met de mededeling dat [slachtoffer] ziek was en volgens de dokter ten minste tot 14 januari 2010 in bed zou moeten blijven. Blijkens de telecomanalyse bevond de telefoon van verdachte zich ten tijde van het gesprek met [betrokkene 3] in de buurt van de zendmast aan de [a-straat] te Kesteren.
(...)
Het verhaal van verdachte
Verdachte zegt in zijn jeugd een bepaalde code te hebben ontwikkeld, een samenstel van regels, waaraan hij zich gebonden voelt. Wat die code inhoudt, wil hij verder niet verklaren. Naar aanleiding van enkele opmerkingen die hij tijdens de politieverhoren heeft opgeschreven over Sophocles' tragedie Antigoné, heeft verdachte ter zitting wel verklaard dat het sofistische idee over het conflict tussen natuurrecht en menselijke wetten verband houdt met zijn code; ook voor verdachte prevaleren "universele waarheden" boven de maatschappelijke regels en afspraken. Uit die code vloeit voort dat hij geen openheid van zaken kan geven over wat er gebeurd is met [slachtoffer]. Hij is weliswaar betrokken bij het overlijden van [slachtoffer], maar hij heeft hem niet gedood. De dood is voor verdachte als een poort naar iets anders en zijn esoterische belangstelling gaat uit naar hetgeen er na de dood gebeurt met de ziel en het verstand; het lichaam is niet interessant in dit verband. Verdachte ziet zichzelf als een "vrije geest", die geen menselijke wetten erkent en geen autoriteit accepteert."
Verdachte raadpleegde regelmatig tarotkaarten. Deze kaarten lieten hem zien dat [slachtoffer] in gevaar was, dat een gevaar loerde dat te maken had met de dood. Hij heeft daarop met [slachtoffer] gesproken en [slachtoffer] heeft toen gezegd dat hij wilde sterven. Omdat verdachte weigerde [slachtoffer] daarbij behulpzaam te zijn, heeft hij hem in contact gebracht met een vrouw die hij in Polen had ontmoet. Hij heeft beiden aan elkaar voorgesteld zodat [slachtoffer] zich een oordeel kon vormen of zij de juiste persoon was om zijn wens te vervullen en heeft zich daarna uit de affaire teruggetrokken. Deze vrouw heeft uiteindelijk [slachtoffer]s wens vervuld. Op het moment dat dat gebeurde, was verdachte niet in de woning. Toen hij terug kwam in de woning, zag hij [slachtoffer]s lichaam liggen. Hij is bij het lichaam blijven waken om hem naar de andere poort te begeleiden. Verdachte weigert ten enenmale opheldering te verschaffen over deze vrouw, en de concrete omstandigheden van het overlijden van [slachtoffer]; zijn code verbiedt hem dat, zo verklaarde hij ter zitting.
Over het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] nog in leven was toen hij, verdachte, op 10 januari 2010 een sms-bericht naar [betrokkene 3] heeft verstuurd om [slachtoffer] ziek te melden. Op 15 januari 2010, toen verdachte naar de MediaMarkt in Arnhem is gegaan om een computerspel te kopen, was [slachtoffer] dood.'
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte bevestigd dat [slachtoffer] op 10 januari 2010 nog leefde en enkele dagen erna is overleden.
'Beoordeling van verdachtes verhaal
Naar eigen zeggen heeft verdachte het overlijden van [slachtoffer] niet meteen bij de politie gemeld omdat het de wens van [slachtoffer] zou zijn om zijn overlijden zo lang mogelijk geheim te houden. Waarom [slachtoffer] een dergelijk, minst genomen merkwaardig verzoek zou hebben gedaan, weigert verdachte uit te leggen. Opmerkelijk is dat verdachte eerst op het moment dat ontdekking van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] onvermijdelijk lijkt (namelijk wanneer de verhuurder aankondigt dat hij verdachte met behulp van de deurwaarder en de politie uit de woning zal zetten wanneer niet meteen de achterstallige huur wordt betaald) naar de politie gaat om het overlijden te melden.
Vast staat dat verdachte aanvankelijk een onjuiste (...) verklaring heeft afgelegd over zijn verblijf medio januari tot 10 februari 2010; hij verklaarde dat hij elders in het land verbleef, terwijl hij al die tijd in zijn woning was in Kesteren, de woning waar ook het stoffelijk overschot van [slachtoffer] lag en bezig was te ontbinden (...).
Het evenzeer merkwaardig te noemen verhaal over een doodswens van [slachtoffer] en hoe die wens zou zijn vervuld door een onbekend gebleven vrouw, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Dat [slachtoffer] een doodswens zou hebben, wordt tegengesproken door enkele feiten:
- -
[Slachtoffer] was doende nieuwe medehuurders te vinden voor het appartement nadat hij verdachte wegens wanbetaling eruit zou hebben gezet.
- -
[Slachtoffer] was bezig om de overgang naar een nieuw uitzendbureau te regelen nadat het oude uitzendbureau failliet was gegaan. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat het uitzendbureau Luba waarvoor [slachtoffer] werkzaam was, per 1 januari 2010 was overgenomen door uitzendbureau Sprint en dat [slachtoffer] op 8 januari 2010 zou laten weten of hij voor Sprint zou gaan werken.
- -
Niemand uit [slachtoffer]s omgeving (niet zijn moeder, niet zijn vriendin, niet zijn collega's) was bekend met een doodswens of met een depressie of zelfs gevoelens van onbehagen bij [slachtoffer].
Verdachte is de enige die - op volstrekt onverifieerbare wijze - hiervan gewag maakt.
(...)
De hiervoor gereleveerde feiten wijzen alle in de richting van verdachte als degene die [slachtoffer] heeft gedood. Zijn weigering om meer informatie te verstrekken over de onbekende vrouw die volgens hem [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, maakt die alternatieve lezing niet verifieerbaar. Geconfronteerd met indringende vragen over de achtergrond van een en ander, meent verdachte te kunnen volstaan met een verwijzing naar een "code" van door hemzelf samengestelde regels waaraan hij zich gebonden acht, een code die hem zou verbieden de broodnodige opheldering te verschaffen. Aldus maakt verdachte het zelf onmogelijk het bestaande, voor hemzelf zeer belastende bewijsmateriaal, op een andere wijze te interpreteren.'
Het hof merkt daarbij ten slotte op dat verdachte ook ter zitting in hoger beroep - na herhaaldelijk daarnaar gevraagd - zijn alternatieve lezing niet nader heeft geadstrueerd met feiten en omstandigheden die het hof tot een ander oordeel brengen.
Bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, brengen het hof tot de conclusie dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het bewijs voor voorbedachten raad ontbreekt. Verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het primair tenlastegelegde."
6.
Aldus is het Hof met de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gegeven wisselende lezingen van de gebeurtenissen geen steun vinden in het dossier en bovendien oncontroleerbaar zijn: mitsdien heeft het Hof deze verklaringen als ongeloofwaardig ter zijde gesteld. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof zo kunnen oordelen.1. Dat het hof verdachtes redengeving voor hem in potentie belastend bewijsmateriaal als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld, is dan ook niet onbegrijpelijk. Voor een nadere toets is in de cassatiefase geen plaats.
7.
Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte acht heeft geslagen op de schriftelijke slachtofferverklaring, voor zover betrekking hebbende op de straftoemeting.
8.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 april 2011 houdt voor zover van belang het volgende in:
"De voorzitter deelt mede dat de nabestaanden van het slachtoffer, [de nabestaanden], een schriftelijke slachtofferverklaring hebben opgestuurd en vraagt de tolk om deze verklaring te vertalen en voor te lezen.
De tolk vertaalt vervolgens de schriftelijke slachtofferverklaring.
De raadsvrouw merkt halverwege het voorlezen van de slachtofferverklaring op dat zij dit geen echte slachtofferverklaring vindt omdat het niet alleen gaat over de gevolgen die het tenlastegelegde bij de nabestaanden teweeg heeft gebracht.
De voorzitter zegt toe dat het hof slechts acht zal slaan op het gedeelte van de brief waarin de nabestaanden schrijven over de gevolgen van de dood van hun zoon, te weten:
"Wij zijn in grote stress, na de moord op onze zoon. De moordenaar van onze zoon was een kennis van onze zoon. We zijn het niet eens met wat de rechtbank heeft geoordeeld, voor wat betreft de lengte van de gevangenisstraf. Toen ik hoorde dat onze zoon was overleden waren wij ontzettend geschrokken. Tot op de dag van vandaag kunnen wij het moeilijk tot ons laten komen. We denken iedere dag aan hem en wat er gebeurd is en op welke manier. We denken er vooral aan of de verdachte de juiste straf krijgt die hij verdiend heeft. De moeder van het slachtoffer gebruikt vanaf de dag dat ze hoorde van de dood van haar zoon antidepressiva en ze krijgt psychiatrische hulp. Alle mensen die close waren met [slachtoffer] zijn diep onder de indruk van het gemis en vinden allemaal dat de straf te laag is. Temeer omdat de verdachte gevraagd had om strafvermindering, dat kan gewoon niet. Wij vinden dat hij het niet verdient om een kortere straf te krijgen.""
9.
Aldus geeft het Hof bij monde van de voorzitter aan dat het slechts acht zal slaan op het gedeelte van de brief waarin de nabestaanden schrijven over de gevolgen van de dood van hun zoon. Vervolgens citeert het Hof een gedeelte van de brief, dat naast een 'victim impact statement' tevens een opinie van de nabestaanden bevat over de wijze waarop de zaak is en zou moeten worden afgedaan.
10.
In de Memorie van Toelichting (zie hierna) wordt over de inhoud van de slachtofferverklaring gesteld dat die beperkt is tot de gevolgen die het strafbare feit bij het slachtoffer heeft teweeggebracht. Een spreekgerechtigde zal dus kunnen verklaren over fysieke, psychische en economisch geleden schade en over de sociaaleconomische (zowel materiële als immateriële) gevolgen van het misdrijf, bijvoorbeeld voor gezinsleven, studie, werk of sociale contacten. De spreekgerechtigden moeten zich onthouden van opmerkingen betreffende de bewijsbaarheid van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van de verdachte en de straftoemeting. Dit volgt uit verschillende delen van de parlementaire geschiedenis, onder andere in de Memorie van Toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State, nr. 5, p. 8 en p. 122.:
"Verklaring over de gevolgen, die het misdrijf teweeg heeft gebracht
Het initiatiefwetsvoorstel regelt een spreekrecht, geen spreekplicht. Slachtoffers of hun nabestaanden kunnen er vrijelijk voor kiezen er al dan niet gebruik van te maken.(...) Het spreekrecht mag niet gebruikt worden om daarover meningen te verkondigen.(...) Het slachtoffer zou zich bij een dergelijke verklaring kunnen ontpoppen als een schaduw officier van justitie, hetgeen ongewenst voorkomt.3.
(...)
Artikel 302
In het eerste lid wordt expliciet omschreven dat het spreekrecht een beperkte reikwijdte heeft. Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de zitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde misdrijf bij hem teweeg heeft gebracht. Zou het slachtoffer of diens nabestaande zich tijdens het spreken gaan uitlaten over welke straf hij wenselijk acht voor de verdachte, dan treedt hij buiten het wettelijke spreekrecht. Verwacht mag worden dat de voorzitter van de strafkamer dan zal ingrijpen en het slachtoffer of diens nabestaande zal manen zich te beperken tot hetgeen de wetgever heeft geregeld.4."
11.
Een schriftelijke slachtofferverklaring is een buitenwettelijk alternatief voor het uitoefenen van spreekrecht. Voor een schriftelijke slachtofferverklaring gelden de regels van het spreekrecht niet, formeel is daarop het stelsel van regels toepasselijk dat geldt voor schriftelijke bescheiden.5.
12.
Het gaat in dit geval om een in een vreemde taal gestelde brief, die tot het dossier behoort en die ter terechtzitting door een tolk is vertaald. Een aldus optredende tolk kan niet worden aangemerkt als iemand die als vertegenwoordiger van een spreekgerechtigde optreedt. Het Hof heeft de beperking van de tot 'victim impact statement', zoals die wettelijk is geregeld voor de uitoefening van het spreekrecht, kennelijk op analoge wijze toepasselijk geoordeeld op de schriftelijke verklaring. Hoewel het Hof daartoe formeel niet was gehouden, is die beslissing, wat daar ook verder van zij, niet in het nadeel van de verdachte. De geuite opvatting in de schriftelijke verklaring omtrent de straf heeft het Hof kennelijk niet opgevat als strafmaatadvies maar als een onderdeel van de uitdrukking van het ondervonden leed.
13.
Uit de strafmotivering blijkt niet dat het Hof de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring bij strafoplegging heeft betrokken. Het Hof komt tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.
14.
Het middel faalt.
15.
Het derde middel klaagt dat, nu vaststaat dat een ondeugdelijke tolk aan het werk is geweest tijdens de verhoren, sprake is van schending van art. 6 EVRM en het Hof hieraan ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden. Volgens de steller van het middel had het Hof minimaal bewijsuitsluiting moeten hanteren.
16.
Het arrest houdt op dit punt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgend in:
"Ontvankelijkheid openbaar ministerie
De raadsvrouw heeft in hoger beroep, gelijk zij in eerste aanleg heeft gedaan, betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep betoogd dat er geen reden is om tot niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie over te gaan.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de aangevoerde niet-ontvankelijkheid over.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
'De gebrekkige vertalingen bij de politieverhoren
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging vanwege de ernstige tekortkomingen in de vertalingen van de tolk bij de politieverhoren van verdachte.
Verdachte is geboren en getogen in Polen en spreekt niet of nauwelijks Nederlands. Bij diens verhoren in hoedanigheid van verdachte is gebruik gemaakt van een door de politie ingeschakelde tolk. Tijdens de verhoren heeft verdachte met regelmaat bezwaar gemaakt tegen de gebrekkige en soms onjuiste vertaling door de tolk. De raadsvrouw heeft in haar pleidooi uitvoerig gewezen op de concrete fouten en tekortkomingen in de vertaling van de gestelde vragen en gegeven antwoorden door deze tolk. Op sommige momenten wordt daardoor de context van een bepaalde vraag of verklaring veranderd en wordt verdachte niet goed begrepen, hetgeen bij herhaling heeft geleid tot irritatie over en weer. Ten onrechte heeft de politie geen aandacht besteed aan de klachten van verdachte hierover en heeft zij niet gezorgd voor vervanging van de tolk. Dat is in strijd met de plicht van de overheid om er voor te zorgen dat een deskundige tolk wordt ingeschakeld bij het verhoor van een verdachte die de gebruikte taal niet machtig is. De bijstand van een tolk moet practical and effective zijn en anders is er sprake van strijd met het beginsel van fair trial van artikel 6 EVRM, zoals ook verwoord in het Rapport van de Commissie Kwaliteitseisen Tolken en Vertalers. Verdachte voelde zich door deze gang van zaken onder druk gezet zodat zijn verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Er is sprake van een ongeoorloofde psychische druk op verdachte, waardoor een zodanige inbreuk op beginselen van een goede procesorde is gemaakt en doelbewust en met grove veronachtzaming van diens belangen tekort is gedaan aan een eerlijke behandeling, dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid, aldus de raadsvrouw.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft dit verweer bestreden. Ook al zijn er fouten gemaakt door de tolk bij het verhoor van verdachte, deze fouten zijn inmiddels hersteld door de nieuwe vertaling. Verdachte is daarmee uiteindelijk niet in zijn belangen geschaad. Dat er sprake is geweest van een hierdoor veroorzaakte ontoelaatbare psychische druk tijdens de verhoren, is niet komen vast te staan.
De beoordeling door de rechtbank
Naar aanleiding van door de verdediging geopperde bezwaren tegen de gebrekkige vertaling door de tolk bij de politieverhoren, heeft de rechtbank ter zitting van 16 juni 2010, mede op basis van een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2010 (pg 367), een nieuwe vertaling van de audiovisueel vastgelegde verhoren van verdachte gelast. Deze nieuwe vertalingen zijn toegevoegd aan het dossier. Bij deze vertaling is de nieuwe vertaler, drs. Szweryn, ook ingegaan op de wijze van vertaling door de 'politietolk', zoals vastgelegd op de dvd's. De nieuwe vertaler geeft aan dat de politietolk bij herhaling onjuist weergaf wat er over en weer werd gezegd en dat diens grammaticale kennis tekort schoot waardoor er verwarring ontstond over wat er was gezegd. En ook dat verdachte zich meermalen heeft beklaagd over de kwaliteit en accuratesse van de vertaling.
Met de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat het de verantwoordelijkheid van de vervolgende overheid is om te zorgen voor een adequate en accurate vertaling van hetgeen wordt gezegd en voorgehouden tijdens een verhoor. Deze plicht maakt onderdeel uit van de zorgplicht die voortvloeit uit artikel 6 EVRM; de overheid dient zorg te dragen voor de inrichting van een strafvervolging die voldoet aan de eisen van een fair trial. De politie heeft kennis genomen van de klachten van verdachte over de kwaliteit van de tolk, maar heeft daar vervolgens niets mee gedaan. Eerst na afloop van de politieverhoren is, in opdracht van de officier van justitie, een onderzoek ingesteld dienaangaande (het eerder vermelde proces-verbaal van 10 mei 2010). De rechtbank onderkent dat de vergissingen en onjuiste vertalingen door de tolk bij tijd en wijle bij verdachte gevoelens van onbehagen moeten hebben teweeg gebracht, omdat hij verder hierop geen invloed kon uitoefenen. De rechtbank betreurt dat niet in een eerder stadium de klachten van verdachte serieus zijn genomen en een onderzoek dienaangaande is ingesteld. Dat wil echter niet zeggen dat de politie doelbewust te werk is gegaan om de belangen van verdachte te schaden. De kritische opmerkingen van verdachte zijn immers wel in de processen-verbaal van verhoor opgenomen, zodat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de politie een en ander had willen verdoezelen.'
Het hof voegt daaraan toe dat dit niet anders wordt door de opvatting van de verdediging, dat door verder te gaan op de ingeslagen weg sprake is geweest van doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte.
'Er is ook geen sprake van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, mede gelet op het feit dat de verhoren wel audiovisueel zijn opgenomen zodat transparantie was gewaarborgd en reconstructie en verbetering achteraf mogelijk waren. Het geconstateerde verzuim is inmiddels hersteld door de nieuwe vertaling van de politieverhoren, zodat verdachte niet in zijn belangen is geschaad. Dit geldt temeer, nu verdachte bij de feitelijke ondervraging tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 december 2010 veelvuldig heeft verwezen naar zijn bij de politie afgelegde verklaringen en gezegd heeft daarbij te willen blijven. Bovendien is door de verdediging niet gesteld dat de weergave van de door verdachte afgelegde verklaringen (in de nieuwe vertaling) niet de werkelijk afgelegde verklaringen weerspiegelen. Gelet op het voorgaande is er daarom geen reden aan dit verzuim het vérgaande gevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te verbinden. Het verweer wordt verworpen.'
In hoger beroep heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte tijdens de verhoren bij de politie onder grote druk kwam te staan, hetgeen nog werd versterkt doordat tijdens verhoren werd geweigerd een advocaat te raadplegen. Ook dit kan volgens de raadsvrouw worden beschouwd als een grove veronachtzaming van zijn belangen.
Het hof overweegt daarover dat het niet op ieder moment van het verhoor toelaten van een advocaat, geen ontoelaatbare druk oplevert waardoor sprake is van een grove veronachtzaming van verdachtes belangen. Het weigeren van een advocaat moet naar het oordeel van het hof niet in die malicieuze context worden gezien als de raadsvrouw heeft betoogd. Ook dat onderdeel van het verweer wordt verworpen.
Bewijsuitsluiting
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verklaringen die verdachte zowel als verdachte als ook als getuige heeft afgelegd moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van dit verweer over.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
'De gebrekkige vertalingen bij de politieverhoren
Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de verklaringen die verdachte als verdachte heeft afgelegd bij de politie, moeten worden uitgesloten van de bewijsvoering om redenen als hiervoor vermeld bij de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (de gebrekkige vertaling door de tolk). Om dezelfde redenen als op die plaats uiteengezet, wordt dit verweer verworpen. Niet gezegd kan worden dat verdachte door de gebrekkige vertaling anders heeft verklaard dan hij zou hebben gedaan als de vertaling accuraat en juist was geweest. Integendeel, zoals hiervoor overwogen verwijst verdachte juist naar de desbetreffende verklaringen en blijft hij daar ook bij.
Omzeiling van processuele waarborgen
Standpunt van de verdediging
Daarnaast heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Verdachte is aanvankelijk, na zijn melding van de vondst van de overleden [slachtoffer], gehoord als getuige. Bij de verhoren op 12 en 13 februari 2010 (pg 404 en pg 438) is dat ook gezegd, maar is hem tevens verteld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. De raadsvrouw neemt de stelling in dat verdachte daarmee feitelijk werd aangemerkt als verdachte, nu ingevolge artikel 29 Wetboek van Strafvordering alleen de verdachte wordt gewezen op dit zwijgrecht. Tegelijkertijd zijn hem echter allerlei rechten en waarborgen onthouden die de wet aan die positie verbindt. Immers, door de suggestie te wekken dat hij werd gehoord als getuige, werd het aan verdachte toekomende zwijgrecht illusoir gemaakt, nu van een getuige een actieve deelname aan het verhoor wordt verlangd en een getuige verplicht is de waarheid te vertellen, in tegenstelling tot een verdachte die zich op het zwijgrecht mag beroepen. Ook is verdachte op die wijze het recht op bijstand door en consultatie van een advocaat onthouden. Gevolg is dat beide getuigenverklaringen van de bewijsvoering moeten worden uitgesloten.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft dit verweer bestreden. Er is niets op tegen om tegen een getuige te zeggen dat hij niet tot antwoorden verplicht is en dat hij zichzelf niet hoeft te belasten. Er is een parallel met HR 9 november 2010, NJ 2010, 615, LJN BN7727, waarin de Hoge Raad heeft beslist dat de Salduz-waarborgen niet - zonder meer - gelden bij een verdachte die niet is aangehouden en die zich dus aan een verhoorsituatie kan onttrekken.
Beoordeling door de rechtbank
Op 11 februari 2010 heeft verdachte, toen hij naar eigen zeggen na een afwezigheid van enkele weken terug kwam, in de woning het lijk van [slachtoffer] aangetroffen. Hij heeft dit gemeld bij de politie waarop deze een onderzoek is gestart. Aansluitend daarop is verdachte dezelfde dag als getuige gehoord (pg 387). Op 12 februari 2010 (pg 404) en op 13 februari 2010 (pg 438) is hij nogmaals gehoord, steeds als getuige. Bij de twee laatstgenoemde verhoren is hem medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Naar het oordeel van de rechtbank was deze mededeling niet onoirbaar of onjuist. Gezien de zojuist geschetste omstandigheden, was het op dat moment niet ondenkbaar dat op enig moment in de toekomst een nader onderzoek zou kunnen worden ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van de kamergenoot van een door een misdrijf om het leven gekomen slachtoffer, zodat verdachte uit voorzorg op zijn zwijgrecht is gewezen. Dat wil niet zeggen dat jegens verdachte op dat moment ook al een op feiten en omstandigheden berustende verdenking bestond.
Eerst na de genoemde verhoren is jegens verdachte een verdenking ontstaan van betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer]. Zijn als getuige afgelegde verklaring dat hij de weken daarvoor niet in Kesteren en omgeving was geweest, bleek niet te rijmen met gegevens over zijn telefoonverkeer en met andere verkregen informatie (sporen van bewoning in de periode dat het slachtoffer al overleden was, het aantreffen van recente, geopende brieven en verpakkingsmateriaal van recentelijk gekochte levensmiddelen), zoals nader weergegeven in het stamproces-verbaal. Met de constatering dat verdachte ten tijde van de eerste verhoren nog niet was aangemerkt als verdachte, komt de feitelijke grondslag aan het verweer te ontvallen. Overigens merkt de rechtbank op dat de positie van een getuige bij een politieverhoor anders is dan bij een rechter-commissaris of rechter ter terechtzitting. Immers, van een getuige bij een politieverhoor wordt -uiteraard- verwacht dat deze de waarheid spreekt, doch deze staat niet onder ede. Om die reden wordt een getuige in een dergelijk verhoor ook niet op het verschoningsrecht gewezen. In die zin maakt het voor de inhoud van de verklaring van verdachte op zichzelf niet uit in welke hoedanigheid hij is gehoord. Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.'
Het hof voegt daaraan toe dat noch de omstandigheden waaronder het verhoor heeft plaatsgevonden, noch het feit dat verdachte volgens de deskundigen van het Pieter Baan Centrum lijdt aan het syndroom van Asperger, eraan in de weg hebben gestaan dat verdachte zijn verklaring in vrijheid heeft kunnen afleggen.
Ten aanzien van het door de raadsvrouw gedane beroep op het arrest Saunders/UK (EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699) overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat door de politie een wisseling van procespositie is nagestreefd, met als doel een verklaring van verdachte te verkrijgen die niet in vrijheid is afgelegd. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het verweer dient te worden verworpen."
17.
Ingevolge HR NJ 2004, 376 m.nt. YB is voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in gevallen als het onderhavige alleen plaats ingeval de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bewijsuitsluiting komt in aanmerking ingeval van onrechtmatige bewijsgaring waardoor een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.
18.
Het Hof heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen en heeft daartoe, in navolging van de rechtbank, overwogen dat weliswaar sprake is van onjuiste vertalingen door de tolk en de politie kennis heeft genomen van de klachten van de verdachte hierover zonder meteen onderzoek hiernaar in te stellen: volgens de rechtbank en het Hof levert dit evenwel geen ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde op waarbij de politie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft tekort gedaan. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast, terwijl het aan de verwerping van het verweer niet onbegrijpelijk ten grondslag heeft gelegd dat de kritische opmerkingen van de verdachte over de kwaliteit van de tolk immers in de processen-verbaal zijn opgenomen, de verhoren audiovisueel zijn opgenomen en het verzuim bovendien achteraf is hersteld doordat een nieuwe vertaling van de politieverhoren is gemaakt. Aldus is de verdachte volgens de rechtbank en het Hof niet in zijn belangen geschaad, temeer nu die in eerste aanleg stelt te blijven bij zijn bij de politie afgelegde verklaringen. Om dezelfde redenen heeft het Hof, net als de rechtbank, het beroep op bewijsuitsluiting verworpen en daarbij overwogen dat niet gesteld kan worden dat verdachte door de gebrekkige vertaling anders heeft verklaard dan hij zou hebben gedaan als de vertaling accuraat was geweest: integendeel, ter terechtzitting in eerste aanleg verwijst de verdachte naar de betreffende verklaringen en stelt daarbij te blijven. Gelet op het voorgaande heeft het Hof de juiste maatstaf gehanteerd en heeft het ook de verwerping van dit verweer toereikend gemotiveerd.
19.
De voorgestelde middelen falen. Het eerste en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
20.
Ambtshalve wijs ik er op dat verdachte zich ten tijde van de betekening van de aanzegging in verband met de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis bevond en dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 4 mei 2011. Een en ander moet leiden tot strafvermindering.
21.
Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22.
Deze conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad passend acht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑11‑2012
Vgl. HR 6 maart 2012, LJN: BR1149 en HR 11 oktober 2011, LJN: BR2359, NJ 2011/ 558.
MvT, p. 8.
MvT. p. 12.
HR 11 oktober 2011, LJN BR2359, NJ 2011/ 558.
Uitspraak 06‑11‑2012
Inhoudsindicatie
Strafmotivering. Art. 51b.2 Sv, schriftelijke slachtofferverklaring. Het Hof heeft de schriftelijke slachtofferverklaring van de nabestaanden van X op de voet van het i.c. toepasselijke art. 51b.2 Sv jo. art. 51e.2 Sv aangemerkt als behorende tot de stukken van het dossier. Het stond het Hof dan ook vrij op de inhoud van die verklaring acht te slaan. De klacht dat het Hof daarop geen acht mocht slaan v.zv. in die verklaring opmerkingen over de op te leggen straf voorkomen, faalt dan ook.
Partij(en)
6 november 2012
Strafkamer
nr. S 11/02145
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 april 2011, nummer 21/000014-11, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Veenhuizen, locatie Norgerhaven" te Veenhuizen.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte "acht heeft geslagen op (...) de opmerkingen van de nabestaanden over de straftoemeting", zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
3.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op enig moment in of omstreeks de periode van 7 januari 2010 tot en met 11 februari 2010 te Kesteren, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] met een scherp voorwerp in het lichaam en/of een of meer lichaamsdelen heeft gestoken en/of gesneden tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden."
3.2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2011 houdt onder meer het volgende in:
"De voorzitter deelt mede dat de nabestaanden van het slachtoffer, [de nabestaanden], een schriftelijke slachtofferverklaring hebben opgestuurd en vraagt de tolk om deze verklaring te vertalen en voor te lezen.
De tolk vertaalt vervolgens de schriftelijke slachtofferverklaring.
De raadsvrouw merkt halverwege het voorlezen van de slachtofferverklaring op dat zij dit geen echte slachtofferverklaring vindt omdat het niet alleen gaat over de gevolgen die het tenlastegelegde bij de nabestaanden teweeg heeft gebracht.
De voorzitter zegt toe dat het Hof slechts acht zal slaan op het gedeelte van de brief waarin de nabestaanden schrijven over de gevolgen van de dood van hun zoon, te weten:
'Wij zijn in grote stress, na de moord op onze zoon. De moordenaar van onze zoon was een kennis van onze zoon. We zijn het niet eens met wat de rechtbank heeft geoordeeld, voor wat betreft de lengte van de gevangenisstraf. Toen ik hoorde dat onze zoon was overleden waren wij ontzettend geschrokken. Tot op de dag van vandaag kunnen wij het moeilijk tot ons laten komen. We denken iedere dag aan hem en wat er gebeurd is en op welke manier. We denken er vooral aan of de verdachte de juiste straf krijgt die hij verdiend heeft. De moeder van het slachtoffer gebruikt vanaf de dag dat ze hoorde van de dood van haar zoon antidepressiva en ze krijgt psychiatrische hulp. Alle mensen die close waren met [slachtoffer] zijn diep onder de indruk van het gemis en vinden allemaal dat de straf te laag is. Temeer omdat de verdachte gevraagd had om strafvermindering, dat kan gewoon niet. Wij vinden dat hij het niet verdient om een kortere straf te krijgen.'"
3.2.3.
Het Hof heeft in het bestreden arrest ter motivering van de strafoplegging van negen jaren gevangenisstraf ter zake van doodslag het volgende overwogen:
"Het hof kan zich vinden in de motivering van de straf door de rechtbank en neemt de navolgende overweging met betrekking tot de straf daarom over.
De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:
Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:
de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;
de persoon en de persoonlijke en omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:
• de justitiële documentatie, d.d. 12 november 2010, betreffende verdachte;
• een pro justitia rapportage d.d. 7 mei 2010 van de psychiater A.E.Grochowska;
• een pro justitia rapportage d.d. 25 mei 2010 van de forensisch psycholoog P.E.Geurkink;
• een pro justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum, d.d. 9 december 2010.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende. Verdachte heeft zijn huisgenoot van het leven beroofd. Levensdelicten behoren tot de meest ernstige feiten die strafbaar zijn gesteld. Verdachte heeft daarmee ontegenzeggelijk zeer groot leed toegebracht aan de nabestaanden. Dit leed wordt eens te meer verergerd doordat verdachte weigert opening van zaken te geven en de schuld afschuift op een onbekende persoon, die het slachtoffer op eigen verzoek zou hebben omgebracht. De nabestaanden blijven hierdoor voor eeuwig in het ongewisse over de achtergronden van dit alles en vooral over de vraag: waarom.
Uit het omtrent verdachte opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat verdachte is gediagnosticeerd als iemand met een autismespectrum stoornis, meer in het bijzonder met het syndroom van Asperger. Er is een opvallende rigiditeit in het denken en er zijn kwalitatieve beperkingen in de sociale interactie en communicatie. Zijn beperkt inlevingsvermogen gaat gepaard met bizarre en occulte preoccupaties. Door deze stoornis kunnen in tijden van stress tijdelijk (rand)psychotische belevingen ontstaan die een beperking in de realiteitstoetsing teweegbrengen (de regelmatige voorkomende automutilatie kan hiervoor een aanwijzing opleveren). Echter, zonder wetenschap over de feitelijke toedracht van het overlijden van het slachtoffer en de mate van betrokkenheid van verdachte hierbij, kunnen de gedragsdeskundigen geen advies geven over de eventuele doorwerking van de autismestoornis in het handelen en daarmee over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, gerelateerd aan het tenlastegelegde delict. In verband hiermee, moet de rechtbank uitgaan van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een gevangenisstraf als hierna te melden.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf een juiste en passende straf is. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal aan verdachte daarom dezelfde straf worden opgelegd als door de rechtbank werd opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd."
3.3.1.
Bij de beoordeling van het middel is de volgende wettelijke bepaling van belang:
Art. 51b, tweede lid, Sv, in werking getreden met ingang van 1 januari 2011, luidende:
"Het slachtoffer kan aan de officier van justitie verzoeken documenten die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte aan het dossier toe te voegen."
3.3.2.
De memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de invoering van de wet Wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces houdt met betrekking tot het bepaalde in art. 51b Sv onder meer in:
"Nieuw is het voorstel voor een recht op aanvulling van de processtukken; een verbetering van de rechtspositie van het slachtoffer die voortvloeit uit het EU-kaderbesluit en tevens is voorgesteld door de onderzoekers. De zogenaamde Victim Impact Statements, schriftelijke slachtofferverklaringen, kunnen onder deze noemer eveneens in het strafdossier worden gevoegd.
(...)
Artikel 51b (recht op kennisneming van en toevoeging aan processtukken)
(...)
Het opmaken en toevoegen van de schriftelijke slachtofferverklaring in dezelfde categorie van gevallen die nu in aanmerking komen voor de uitoefening van het spreekrecht is in overleg met Slachtofferhulp Nederland voorbereid. Landelijk is het per 1 mei 2004 mogelijk om een schriftelijke slachtofferverklaring aan het dossier in de zaak tegen de verdachte toe te voegen."
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 143, nr. 3, p. 11, 20 en 21)
3.4.
Het Hof heeft de schriftelijke slachtofferverklaring van de nabestaanden van [slachtoffer] op de voet van het hier toepasselijke art. 51b, tweede lid, Sv in verbinding met art. 51e, tweede lid, Sv aangemerkt als behorende tot de stukken van het dossier. Het stond het Hof dan ook vrij op de inhoud van die verklaring acht te slaan. De klacht dat het Hof daarop geen acht mocht slaan voor zover in die verklaring opmerkingen over de op te leggen straf voorkomen, faalt dan ook.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van negen jaren.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze acht jaren en negen maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 6 november 2012.
Beroepschrift 01‑05‑2012
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Inzake:
[requirant]
requirant van cassatie van een ten aanzien van hem gewezen arrest van het gerechtshof Arnhem van 26 april 2011 onder parketnummer 21/000014-11
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, mr B.J. Schadd, advocaat aan de Zijpendaalseweg 51 A te Arnhem (postadres Postbus 282 te 6800 AG), die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant [requirant], draagt het navolgende voor.
Middel van cassatie I
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd. In het bijzonder zijn de artt. 359 jo. 415 Sv en 6 lid 2 EVRM geschonden en/of verkeerd toegepast, doordat het Gerechtshof een bewijsconstructie met als eigenlijk enig wezenlijk bewijsmiddel hanteert de verklaring van verdachte, die kennelijk leugenachtig wordt bevonden.
Requirant meent dat door het Hof, aldus redenerend, niet aan minimaal aan haar uitspraak te stellen bewijseisen wordt voldaan.
Toelichting:
De verklaring van requirant (die op zich al problematisch is om te hanteren, gelet op de wijze van totstandkoming en de twee vertalingen ervan) moge allerlei vragen opwerpen en op punten door het Hof onjuist worden bevonden; dit levert nog geen bewijs op van de tenlastegelegde doodslag.
Het Hof constateert op zich immers terecht dat er geen rechtstreeks bewijs is van requirants betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten.
Nu wordt uit een verklaring die als ongeloofwaardig wordt bevonden in combinatie met een mogelijk motief en de gelegenheid bij requirant het bewijs van doodslag geleverd geacht, waarbij het Hof ook nog ten nadele van requirant laat meewegen dat hij nadere indringende vragen niet heeft beantwoord.
Requirant meent dat een dergelijke wijze van bewezenverklaring zich niet verdraagt met de in genoemd verdragsartikel gewaarborgde presumptio innocentiae. Dit zou in requirants visie mogelijk slechts anders zijn wanneer er ander rechtstreeks bewijs was en een onvoldoende (of leugenachtige) verklaring van requirant dat niet zou ontzenuwen.
Middel van cassatie II
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd. In het bijzonder 51 Sv geschonden en/of verkeerd toegepast, doordat het Gerechtshof naar eigen zeggen acht heeft geslagen op onder meer de opmerkingen van de nabestaanden over de straftoemeting als vermeld onder aan bladzijde 4 van het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2011.
Toelichting:
Dit is uitdrukkelijk bij de totstandkoming van deze wettelijke bepalingen in de Kamerstukken door de wetgever meegedeeld niet de bedoeling van een verklaring van slachtoffers of nabestaanden te zijn.
Het Hof deelt in het voornoemd PV uitdrukkelijk mede daarop wel acht te slaan.
Middel van cassatie III
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd. In het bijzonder zijn de artt. 359 jo. 415 Sv en 6 lid 2 EVRM geschonden en/of verkeerd toegepast, doordat het Gerechtshof de verklaringen van requirant als ‘getuige’ bij de politie mede in haar beoordeling heeft betrokken, ondanks de schending van art. 6 EVRM bij zijn verhoren.
Toelichting:
Vast staat dat er een ondeugdelijke tolk aan het werk is geweest tijdens die verhoren en dat men (politie en OM) daaraan alstoen niets hebben willen doen. Vast staat ook dat de inhoud van de verklaringen daardoor beïnvloed is.
Dit betekent volgens requirant een schending van zijn recht op een eerlijk proces, welke schending niet zonder gevolgen behoort te blijven.
Het Hof had minimaal bewijsuitsluiting moeten hanteren, als het de niet-ontvankelijkheid van het O.M. daarvoor te ver vond gaan.
Redenen waarom in de visie van requirant het arrest van het Gerechtshof niet in stand kan blijven.
Arnhem, 1 maart 2012
B.J. Schadd.