Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL26.22505
ECLI:NL:RBDHA:2026:10816
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL26.22505
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10816, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewaring – beroep ongegrond – arrest Aroja – EU-burger.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22505
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser weigerde te verschijnen en er is een afstandsverklaring overgelegd. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De zaak is aangehouden en partijen hebben nadere reacties ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
Arrest Aroja
1. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja1.. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de Tsjechische nationaliteit heeft en daarmee EU-burger is. Op 19 september 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat hij Nederland binnen een maand moet verlaten. Verder stelt de rechtbank vast dat het arrest Aroja gebaseerd is op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn en dus ziet op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Zoals hiervoor is vastgesteld is eiser een EU-burger. De rechtbank is daarom van oordeel dat het arrest niet van toepassing is in deze zaak die een EU-burger betreft. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat niet in geschil is dat de in het arrest genoemde termijn van zes maanden niet is bereikt, zodat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot het arrest ook geen verdere bespreking behoeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 mei 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026