Rb. Den Haag, 13-01-2025, nr. NL24.38650
ECLI:NL:RBDHA:2025:10833
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
13-01-2025
- Zaaknummer
NL24.38650
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2025:10833, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 13‑01‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 13‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Verweerder mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen zal nakomen en zal alleen van overdracht moeten afzien indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo van het HvJ-EU. Zo leidt het betoog dat eiser in Zwitserland geen eerlijk proces zal krijgen, omdat hij er circa € 750,00 zal moeten betalen om in beroep te kunnen gaan, niet tot de conclusie dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest strijdige behandeling. Weliswaar is er een financieel obstakel voor het instellen van beroep, maar voor beroepen, die zijn ingediend door wettelijke vertegenwoordigers die werken voor de organisaties die door de State Secretariat for Migration (SEM) zijn gemandateerd, is meestal een dergelijke betaling niet nodig. De verwijzing naar het AIDA-rapport onderbouwt dus niet dat eiser griffierecht dient te betalen. Gesteld noch gebleken is dat het heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht. Voor zover eiser stelt dat geen (kosteloze) rechtsbijstand kan worden verkregen in Zwitserland, volgt dit niet zonder meer uit de geciteerde passage van het AIDA-rapport en volgt uit artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn dat lidstaten die deelnemen aan de Dublinverordening, zoals Zwitserland, kunnen bepalen dat de kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet wordt aangeboden wanneer het beroep van de verzoeker volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38650
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen dat eiser heeft ingediend (NL24.38651), op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft op 6 september 2024 in Nederland asiel aangevraagd. Hij heeft bij zijn aanvraag gesteld dat hij van Marokkaanse nationaliteit is en is geboren op 22 mei 1992.
3. De minister heeft de aanvraag bij het bestreden besluit op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen omdat Zwitserland op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) nr. 604/2013) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit Eurodac is namelijk gebleken dat eiser op 20 november 2023 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 13 september 2024 de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Zwitserse autoriteiten hebben op 16 september 2024 hiermee ingestemd. Gelet hierop staat sinds die datum de verantwoordelijkheid van Zwitserland vast.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Eiser verzoekt allereerst om de inhoud van alle processtukken, waaronder de zienswijze, als herhaald en ingelast te beschouwen.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek van eiser aan te merken als beroepsgrond waarop zij moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Het is daarom aan eiser om aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of niet toereikend is. Een verzoek om de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen is daarvoor onvoldoende. De rechtbank richt zich dus alleen op wat eiser in zijn beroepsgronden concreet heeft aangevoerd en zal daar, voor zover van belang, hierna op ingaan.
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Zwitserland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat hier concrete aanwijzingen voor zijn. Daartoe voert hij aan dat hij in Zwitserland geen eerlijk proces zal krijgen en er een schending zal volgen van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat hij € 750,00 moet betalen wanneer hij in beroep gaat en hij geen geld heeft. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op pagina 35 van het AIDA-rapport van 4 juli 2024 (2023 update). Eiser is daarnaast van mening dat er in Zwitserland veel racisme, discriminatie en vreemdelingenhaar jegens vluchtelingen aanwezig is. Hij verwijst in dit verband naar pagina 8 en 13 van het ‘report of the Working Group of Expert on People of African Descent on its mission tot Switzerland’ van 4 oktober 2022. Gelet op het voorgaande is eiser van mening dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling dient te nemen.
9. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen zal nakomen. De minister zal alleen van overdracht moeten afzien indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
10. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Het betoog dat eiser in Zwitserland geen eerlijk proces zal krijgen, omdat hij er circa € 750,00 zal moeten betalen om in beroep te kunnen gaan, leidt niet tot de conclusie dat eiser bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Uit de pagina die eiser heeft aangehaald blijkt dat er weliswaar een financieel obstakel is voor het instellen van beroep, maar hieruit blijkt ook dat voor beroepen die zijn ingediend door wettelijke vertegenwoordigers die werken voor de organisaties die door de State Secretariat for Migration (SEM) zijn gemandateerd meestal niet een dergelijke betaling nodig is. Met de verwijzing naar het rapport van AIDA heeft eiser dan ook niet onderbouwd dat hij griffierecht dient te betalen. Bovendien is niet gesteld, noch gebleken, dat het heffen van griffierecht in strijd is met de Europese regels. Voor zover eiser stelt dat geen (kosteloze) rechtsbijstand kan worden verkregen in Zwitserland, overweegt de rechtbank dat dit niet zonder meer volgt uit de geciteerde passage van het AIDA-rapport. Bovendien volgt uit artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn dat lidstaten (en andere landen die deelnemen aan de Dublinverordening, zoals Zwitserland) kunnen bepalen dat de kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging niet wordt aangeboden wanneer het beroep van de verzoeker volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reële kans van slagen heeft.
11. De verwijzing van eiser naar het ‘Report of the Working Group of Expert on People of African Descent on its mission to Switzerland’ van 4 oktober 2022 biedt eveneens onvoldoende aanknopingspunten om tot de conclusie te komen dat het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland dusdanige tekortkomingen vertoont dat eiser bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit dit rapport blijkt weliswaar dat mensen van Afrikaanse afkomst in Zwitserland structureel te maken hebben met rassendiscriminatie, maar uit dit rapport blijkt ook dat de Zwitserse autoriteiten de problemen waarmee mensen van Afrikaanse afkomst in Zwitserland te maken hebben, hebben erkend en dat de autoriteiten actief stappen ondernemen om de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst te garanderen.
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt. Mocht eiser na overdracht toch vinden dat Zwitserland zich niet aan zijn verplichtingen houdt, dan kan hij een klacht indienen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten of de daartoe aangewezen instanties. Dit geldt ook in het geval eiser te maken krijgt met discriminatie. Niet is gebleken dat klagen voor eiser onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
13. Het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening kan gezien hetgeen hiervoor is overwogen niet slagen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 januari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.