Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/Samenvatting:Samenvatting
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/Samenvatting
Samenvatting
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90818:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eigendomsvoorbehoud, recht van reclame, Eigentumsvorbehalt en de purchase-money security interest zijn voorbeelden van wijzen waarop het Nederlandse, Belgische, Duitse en Amerikaanse recht een voorrangspositie voor leverancierskrediet vormgeven. Het zijn goederenrechtelijk versterkte posities die de wet en rechtspraak toekennen aan de leverancier die zaken op krediet heeft verstrekt.
De Nederlandse wetgever merkte bij de invoering van het eigendomsvoorbehoud op dat de leverancier zich behoort te kunnen wapenen tegen andere schuldeisers, en in het bijzonder tegen een eerder gevestigd stil pandrecht ten gunste van de bank. Deze beoogde rechtvaardige verhouding wordt volgens de Hoge Raad (in het algemeen) bereikt, zo blijkt uit het arrest Dix q.q./ING. Bij deze veronderstelling kunnen mijns inziens vraagtekens worden geplaatst, gezien de vele situaties waarin naar Nederlands recht de zekerheid voor leverancierskrediet vervalt. Onder meer kan gedacht worden aan situaties waarin de geleverde zaken worden verwerkt tot een nieuwe zaak of worden doorverkocht aan afnemers. In andere rechtsstelsels zoals het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht lijkt dit anders te zijn.
Op basis van deze probleemstelling ben ik tot de volgende twee hoofdvragen gekomen: Op welke wijzen en in welke mate geven het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht de voorrangspositie voor leverancierskrediet vorm en hoe kunnen de overeenkomsten en verschillen tussen deze rechtsstelsels worden verklaard? Biedt de rechtsvergelijking argumenten en inspiratie voor (een andere) invulling, verdere ontwikkeling of wijziging van het Nederlandse recht met betrekking tot de inrichting van de voorrangspositie voor leverancierskrediet?
Uit de analyse van het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht, de UNCITRAL Model Law on Secured Transactions en de DCFR volgt dat internationaal consensus bestaat over de toekenning van een voorrangspositie aan de leverancier die zaken op krediet levert aan een koper. Er is sprake van een algemeen onderschreven norm. Dit is uiteengezet in hoofdstuk 2.Tevens is gebleken dat de wetgevers, ontwerpers en rechters in de onderzochte vier rechtsstelsels en twee modelwetten de toekenning van deze voorrangspositie voor leverancierskrediet rechtvaardigen op grond van vergelijkbare argumenten. Deze argumenten zijn te vatten in drie categorieën.
Ten eerste wordt de toekenning van een voorrangspositie noodzakelijk geacht om de verstrekking van leverancierskrediet te faciliteren, hetgeen een positief effect heeft op de handel en bedrijvigheid van ondernemingen en zodoende bijdraagt aan economische groei. Ten tweede bestaat een nauwe band tussen de zaak waarop de voorrangspositie ziet en de gesecureerde vordering. Ten derde worden andere schuldeisers van de koper niet benadeeld door de toekenning van de voorrangspositie, omdat de leverancier zekerheid verkrijgt voor nieuw krediet op zaken die nog niet tot het verhaalsvermogen van de koper behoorden. Zij hebben er uiteindelijk zelfs voordeel van, omdat zij zich kunnen verhalen op deze zaken.
Tevens heb ik in hoofdstuk 2 laten zien dat één opvallend verschil te ontdekken valt in de uitwerking van de voorrangspositie. In alle onderzochte rechtsstelsels en modelwetten wordt de voorrangspositie voor leverancierskrediet verlengd tot het surrogaat van de geleverde zaken zoals een nieuw gevormde zaak of koopprijsvordering uit doorverkoop, behalve in het Nederlandse recht. Het Nederlandse recht wijkt dus af. Dit is opmerkelijk om twee redenen. Ten eerste heeft de verlenging steeds betrekking op een surrogaat van de geleverde zaak en bestaat ten aanzien van de geleverde zaak wel een voorrangspositie in het Nederlandse recht. Ten tweede wordt deze voorrangspositie op de geleverde zaak gerechtvaardigd geacht in het Nederlandse recht op grond van dezelfde argumenten die in de andere rechtsstelsels en modelwetten worden aangevoerd ter rechtvaardiging van zowel de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaak als de verlenging ervan tot het surrogaat.
In de hoofdstukken 3 tot en met 13 is vervolgens inzicht verschaft in de wijzen waarop en de mate waarin het Nederlandse, Duitse, Belgische en Amerikaanse recht de voorrangspositie voor leverancierskrediet vormgeven en geef ik verklaringen voor de overeenkomsten en verschillen. Ook geef ik aan wanneer en op welke wijze de rechtsvergelijking een inspiratiebron kan vormen voor de Nederlandse wetgever of rechter bij de beslechting van conflicten, discussies en invulling van leemtes in het huidige recht. Voor dit onderzoek heb ik elf onderwerpen gekozen die evenzoveel hoofdstukken vormen en grofweg de vestigingsfase, de uitwinningsfase en de gevolgen voor de bedrijfsuitoefening door de koper omvatten.
In hoofdstuk 3 is onderzocht op welke wijzen de vier rechtsstelsels een voorrangspositie voor leverancierskrediet vormgeven. Dit geschiedt via twee rechtsfiguren: het recht van reclame en het voorrecht. Het recht om geleverde zaken op te eisen bij de koper indien de koopprijs voor deze zaken niet wordt betaald, heeft de leverancier in het Nederlandse, Belgische en Amerikaanse recht. Dit recht van reclame of reclamation right wordt in de drie rechtsstelsels verschillend vormgegeven. Opvallend is met name het verschil in termijnen voor uitoefening. De verklaring voor deze verschillen kan slechts gedeeltelijk worden gevonden in de verschillen in strekking van de rechten van reclame.
Naast het reclamerecht verbinden het Belgische en Amerikaanse recht een voorrecht aan de koopprijsvordering van de leverancier. In het Belgische recht wordt aan de leverancier een voorrecht van de onbetaalde verkoper toegekend waarmee hij zich kan verhalen op de opbrengst van een zaak die hij heeft geleverd aan de koper, zowel tijdens als buiten het faillissement van de koper. In het Amerikaanse recht wordt de koopprijsvordering van de leverancier in de Bankruptcy Code aangemerkt als een administrative expense priority. De leverancier verkrijgt voorrang bij de uitkering uit de failliete boedel. Dit is een algemeen voorrecht. Het Duitse recht blijkt geen van deze twee rechtsfiguren of een andere rechtsfiguur te kennen die van rechtswege een voorrangspositie toekent aan de kredietverstrekkende leverancier.
In hoofdstuk 4 komt de consensuele voorrangspositie voor leverancierskrediet aan bod. In het Nederlandse, Duitse en Belgische recht kan de leverancier een eigendomsvoorbehoud bedingen. In het Nederlandse en Belgische recht kan de leverancier zich ook een pandrecht voorbehouden bij de overdracht. In het Amerikaanse recht kan de leverancier zich niet de eigendom van de geleverde zaak voorbehouden. Eén van de uitwerkingen van de functionele benadering van Article 9 UCC is dat het eigendomsvoorbehoud wordt beschouwd als zekerheidsrecht op de geleverde zaak. Om een met het eigendomsvoorbehoud een vergelijkbaar resultaat te bereiken, dient de leverancier een purchase-money security interestte bedingen. Dit is een security interest waaraan superpriority is toegekend, zodat de leverancier een eerste zekerheidsrecht op de door hem geleverde zaak verkrijgt ongeacht of eerder in tijd een zekerheidsrecht is gevestigd (bij voorbaat).
In dit hoofdstuk is voorts uiteengezet op welke wijzen deze consensuele voorrangsposities kunnen worden gevestigd c.q. tot stand kunnen komen. Ik noem twee bijzonderheden. Ten eerste kan het eigendomsvoorbehoud vormvrij worden bedongen in het Nederlandse recht, tenzij het eigendomsvoorbehoud is bedongen in een overeenkomst van goederenkrediet en de toepassing van wettelijke regeling van Titel 2B van Boek 7 BW niet contractueel is uitgesloten. Ten tweede dient de leverancier voor de vestiging van de purchase-money security interest in het Amerikaanse recht vele vereisten te vervullen. Naast een schriftelijke zekerheidsovereenkomst dient een financing statement geregistreerd te worden in een openbaar register en zal de leverancier voor de voltooiing van een purchae-money security interest op inventory kennisgevingen moeten sturen aan alle schuldeisers met geregistreerde zekerheidsrechten op dezelfde inventory van de koper.
In hoofdstuk 4 zijn ook overige consensuele zekerheidsrechten uiteengezet: het pandrecht, de zekerheidsoverdracht en de security interest. Deze zekerheidsrechten kunnen door elke schuldeiser van de koper worden bedongen en geven de leverancier niet steeds een eerste zekerheidsrecht op de geleverde zaak. Belangrijke redenen voor een leverancier om te kiezen voor een overig zekerheidsrecht zijn de ruime(re) reikwijdte en het feit dat dit zekerheidsrecht kan worden bedongen op het surrogaat van de geleverde zaak.
In hoofdstuk 5 is de reikwijdte van de verschillende rechtsfiguren die een voorrangspositie voor leverancierskrediet creëren besproken. Deze reikwijdte is onder meer relevant als de leverancier zijn voorrangspositie verliest ten aanzien van een gedeelte van de geleverde zaken door natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming of doorverkoop en hij geen verlengde voorrangspositie verkrijgt of kan bedingen op het surrogaat. In het Nederlandse recht kan de leverancier zich bijvoorbeeld de eigendom van een geleverde zaak voorbehouden mede tot zekerheid van de koopprijsvordering van een andere geleverde zaak die is verwerkt in een nieuwe zaak.
Uit het onderzoek volgt dat de betrokken rechtsstelsels een strikte nauwe band vereisen als het gaat om de voorrangspositie die van rechtswege wordt verkregen. Het gaat dan om het recht van reclame en het voorrecht. De leverancier verkrijgt slechts een voorrangspositie met betrekking tot de geleverde zaak tot zekerheid van de daartegenover staande koopprijsvordering. De nauwe band vormt daarmee een argument ter rechtvaardiging van de voorrangspositie, maar ook een argument voor de beperking van de reikwijdte van deze voorrangspositie.
Ook blijkt uit hoofdstuk 2 dat de nauwe band een argument vormt voor de rechtvaardiging van de consensuele voorrangspositie voor leverancierskrediet. De vier rechtsstelsels verschillen echter in de mate waarin een nauwe band is vereist. In het Nederlandse recht kan een ruim maar niet onbeperkt eigendomsvoorbehoud worden bedongen, zo blijkt uit art. 3:92 BW. Met het ruime eigendomsvoorbehoud beoogde de wetgever om het verlies van zekerheid voor de leverancier als gevolg van natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop (enigszins) te
ondervangen. Daarnaast is met de verruiming tot nevenvorderingen door de minister beoogd om de onder het oud BW bestaande praktijk in stand te houden.
In het Duitse recht kan de leverancier een eigendomsvoorbehoud bedingen voor elk type vordering op de koper. De reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud wordt beperkt door het leerstuk van Übersicherung,de Kontoausgleichen de toekenning van een Absonderungsrecht aan de leve- rancier wiens voorbehouden eigendom nog slechts andere vorderingen dan de koopprijsvordering secureert. Deze restricties hebben tot gevolg dat de nauwe band tussen de prestatie van de leverancier en de gesecureerde vordering in economische zin hersteld wordt. In het Belgische recht kan de leverancier zich slechts de eigendom van de geleverde zaak voorbehouden tot betaling van de koopprijs van die zaak. In het Amerikaanse recht geldt een vergelijkbare beperkte reikwijdte voor de purchase-money security interest. Voor zaken die bestemd zijn voor doorverkoop of verwerking (inventory) kan de leverancier echter wel een cross-collateralization clause bedingen, omdat – volgens de ontwerpers van Article 9 UCC – de leverancier bij deze zaken anders het risico loopt dat het purchase-money security interest vervalt.
In hoofdstuk 6 is uiteengezet dat in de vier rechtsstelsels aan de voorrangspositie voor leverancierskrediet in beginsel geen afbreuk wordt gedaan door latere goederenrechtelijke beschikkingshandelingen van de koper met betrekking tot deze zaken ten gunste van andere schuldeisers. Dit is het gevolg van de prioriteitsregel. Op deze regel gelden enkele uitzonderingen die een rangwisseling tot gevolg hebben. De belangrijkste oorzaak is derdenbescherming. Uit de rechtsvergelijking volgt dat derdenbescherming en publiciteit met elkaar verbonden zijn. Is het zekerheidsrecht van de leverancier kenbaar voor derden, dan kan een latere zekerheidsnemer geen geslaagd beroep doen op derdenbescherming. In het Belgische en Amerikaanse recht kan het zekerheidsrecht worden geregistreerd in een openbaar register.
Om deze reden hoeft de leverancier niet hoeft te vrezen voor het verlies van zekerheid in deze rechtsstelsels. In het Nederlandse en Duitse recht is het eigendomsvoorbehoud niet kenbaar uit een openbaar register en kan de voorrangspositie van de leverancier wel vervallen doordat een latere zekerheidsnemer een geslaagd beroep doet op derdenbescherming.
Voor het Nederlandse recht geldt daarnaast dat het verhaalsrecht van de fiscus een risico vormt voor de voorrangspositie van de leverancier. Hiermee neemt het Nederlandse recht een uitzonderingspositie in ten opzichte van de andere rechtsstelsels.
In hoofdstuk 7 is besproken op welke wijze(n) een leverancier zijn zekerheidsrechten kan effectueren buiten en tijdens het faillissement van de koper in de vier rechtsstelsels. Buiten het faillissement kan bij de effectuering van consensuele zekerheidsrechten een tweedeling worden gemaakt tussen enerzijds de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud door middel van ontbinding en revindicatie en anderzijds de uitoefening van een beperkt zekerheidsrecht zoals het voorbehouden pandrecht en de purchase-money security interest door middel van executie. Op deze tweedeling wordt in het Duitse recht een uitzondering gemaakt als het eigendomsvoorbehoud slechts strekt tot zekerheid van andere vorderingen dan de koopprijs of sprake is van een verlengd eigendomsvoorbehoud. De regels van executie van zekerheidsrechten moeten dan in acht worden genomen door de leverancier.
Tijdenshetfaillissement van de koper ligt de regie met betrekking tot de effectuering bij de curator of de rechter in de betrokken rechtsstelsels, behalve in het Nederlandse recht. Daar ligt de regie in beginsel bij de leverancier. In alle betrokken rechtsstelsels geldt overigens steeds dat de leverancier wel zijn voorrangspositie behoudt. Alleen in het Duitse recht wordt hierop een uitzondering gemaakt als het eigendomsvoorbehoud nog slechts strekt tot zekerheid van andere vorderingen dan de koopprijsvordering of sprake is van een verlengd eigendomsvoorbehoud. De leverancier heeft in dat geval een Absonderungsrechten geen Aussonderungsrecht. De leverancier kan de geleverde zaken niet revindiceren, maar heeft slechts voorrang bij de verdeling van de opbrengst van de zaak na executie door de curator. Voordat de uitdeling plaatsvindt wordt overigens nog een boedelbijdrage van 9% van de opbrengst afgetrokken. Hiermee verschilt het Duitse recht fundamenteel van het Nederlandse en Belgische recht waarin de leverancier wel steeds de zaken kan revindiceren op grond van het eigendomsvoorbehoud en niet bijdraagt in de boedelkosten.
In hoofdstuk 8 is aandacht besteed aan de gevolgen van roerende natrekking voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. In het Nederlandse recht worden deze gevolgen bepaald door de regels van bestanddeelvorming en natrekking. Een vereniging van zaken leidt tot het verlies van de voorrangspositie indien sprake is van bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW en de geleverde zaak wordt nagetrokken door een hoofdzaak die eigendom is van een ander. Anders dan in het Duitse recht ligt aan (de invulling van) deze regels niet de gedachte ten grondslag om oorspronkelijke gerechtigden, zoals de leverancier, te beschermen. Ook krijgt een dergelijke beschermingsgedachte geen vorm in een wettelijke bepaling zoals in het Amerikaanse en Belgische recht is geschied.
Deze beschermingsgedachte in het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht heeft tot gevolg dat de voorrangspositie voor leverancierskrediet bij roerende natrekking niet of slechts in uitzonderingsgevallen vervalt. Deze normatieve keuze wordt op verschillende wijzen vormgegeven. In het Duitse recht is natrekking beperkt tot het verenigen van wezenlijke bestanddelen. Dit begrip wordt restrictief ingevuld door de wetgever en het BGH. Dit heeft tot gevolg dat zaken niet snel als bestanddeel worden aangemerkt. Daarnaast wordt ook het begrip hoofdzaak restrictief ingevuld, zodat slechts in uitzonderingsgevallen een hoofdzaak wordt aangewezen. De leverancier verkrijgt in beginsel een aandeel in de mede-eigendom van de eenheidszaak. Ook in het Amerikaanse recht blijft de purchase-money security interest steeds rusten op de zaak die een bestanddeel wordt. Dit lijdt slechts uitzondering als een zekerheidsrecht is gevestigd op een certificate of title-zaak, zoals een auto, door middel van een aantekening op de eigendomsakte. Dit zekerheidsrecht op de gehele zaak heeft voorrang op een purchase-money security interest op een bestanddeel. In het Belgische recht vervalt de voorrangspositie eveneens in beginsel niet door natrekking. Worden meerdere zaken van de leverancier verenigd, dan wordt hij zekerheidseigenaar van de eenheidszaak. Worden zaken van meerdere eigenaren verbonden, dan blijft het eigendomsvoorbehoud bestaan indien de zaken fysiek en economisch verantwoord te scheiden zijn. Is dit niet mogelijk, dan verlengt de voorrangspositie zich nog steeds tot de eenheidszaak, mits de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak het voornaamste gedeelte van de eenheidszaak is. De voorrangspositie voor leverancierskrediet vervalt alleen als de geleverde zaak een bestanddeel wordt van een hoofdzaak.
De gevolgen van eigenlijke vermenging voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet worden besproken in hoofdstuk 9. Geconcludeerd wordt dat in de vier rechtsstelsels eigenlijke vermenging in beginsel vergelijkbare gevolgen heeft voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. De voorrangspositie op de oorspronkelijke zaak vervalt, maar wordt voortgezet op (een aandeel in) de eenheidszaak die is ontstaan door vermenging. Aan deze verlenging van de voorrangspositie ligt in de rechtsstelsels een vergelijkbare ratio ten grondslag. Het wordt door de Duitse, Belgische en Amerikaanse wetgever billijk geacht om eigenaren en beperkt gerechtigden van de oorspronkelijke zaken te beschermen tegen het rechtsverlies als gevolg van vermenging. Uit het Zalco-arrest kan worden afgeleid dat de Hoge Raad van dezelfde gedachte uitgaat bij de uitleg van art. 5:15 jo. art. 5:14 BW in geval van vermenging van gelijksoortige zaken. De Hoge Raad heeft overwogen dat niet te snel een hoofdzaak mag worden aangewezen bij vermenging van gelijksoortige zaken op grond van het waardecriterium, omdat dit leidt tot het verlies van het eigendoms- en beperkte recht op het bestanddeel.
In hoofdstuk 10 is ingegaan op het leerstuk van oneigenlijke vermenging. Oneigenlijke vermenging wordt in alle rechtsstelsels gezien als een probleem van individualiseerbaarheid, inhoudende dat de leverancier niet meer kan bewijzen op welke specifieke zaken zijn eigendoms- of zekerheidsrecht rust. In het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht worden de gevolgen van oneigenlijke vermenging bepaald door de regels van (eigenlijke) vermenging. Dit heeft tot gevolg dat de voorrangspositie voor leverancierskrediet zich in deze stelsels (in beginsel) verlengt tot de hoeveelheid oneigenlijke vermengde zaken.
Het Nederlandse recht neemt een uitzonderingspositie in door oneigenlijke vermenging wel als een afzonderlijk leerstuk te beschouwen. Hoe uitzonderlijk deze positie is, hangt af van de keuze voor de strikte of rekkelijke benadering. In de strikte benadering verliest de leverancier zijn voorrangspositie in alle gevallen waarin zijn zaken door elkaar raken met zaken van een derde. Het Nederlandse recht wijkt dan zeer af van de andere drie rechtsstelsels. In de rekkelijke benadering wordt het individualiseringsvereiste minder strikt toegepast. De leverancier verliest slechts zijn voorrangspositie indien hij niet aannemelijk kan maken dat zijn zaken aanwezig zijn bij de koper en hoe groot zijn aandeel in het geheel is. Met deze rekkelijke benadering sluiten de gevolgen van oneigenlijke vermenging voor de voorrangspositie van de leverancier in het Nederlandse recht meer aan bij de andere rechtsstelsels. Bovendien worden voor de rekkelijke benadering argumenten aangevoerd die ook ten grondslag liggen aan de keuze van de wetgevers in de andere drie rechtsstelsels om de voorrangspositie voor leverancierskrediet in beginsel niet te laten vervallen door oneigenlijke vermenging. Er zijn voorzichtige aanwijzingen dat de Nederlandse wetgever deze rekkelijke benadering niet afwijst of zelfs wenselijk acht. Voorts biedt de Nederlandse wet ruimte voor deze rekkelijke benadering. In de literatuur zijn verschillende mogelijkheden besproken om het resultaat dat de rekkelijke benadering nastreeft in te passen in het huidige recht.
In hoofdstuk 11 zijn de gevolgen van zaaksvorming voor de voorrangspositie van leverancierskrediet onderzocht. In het Nederlandse recht zijn deze gevolgen afhankelijk van de regels van eigendomstoewijzing bij zaaksvorming. Dit heeft in veel gevallen tot gevolg dat de koper eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak. De fabricage geschiedt voor zijn rekening en risico en hij heeft beslissende invloed op de productiewijze en de vorm van het product.
De Duitse, Belgische en Amerikaanse wetgever en rechters hebben beoogd om de leverancier te beschermen tegen het verlies van diens voorrangspositie als gevolg van zaaksvorming. Dit is vormgegeven door de voorrangspositie van de leverancier te verlengen tot de nieuwe zaak. In het Duitse recht kan de leverancier door middel van een contractuele afspraak met de koper, de Verarbeitungsklausel, bewerkstelligen dat de nieuwe zaak voor hem wordt gevormd en hij (een aandeel in) de eigendom van de nieuwe zaak verkrijgt tot zekerheid van voldoening van zijn vordering. In het Belgische en Amerikaanse recht bepaalt de wet dat de leverancier van rechtswege een zekerheidsrecht verkrijgt op de nieuwe zaak. De Belgische wet maakt wel een uitzondering voor het geval uit zaken van meerdere eigenaren een nieuwe zaak wordt gevormd. De voorrangspositie zet zich in dat geval voort op de nieuwe zaak, indien de leverancier eigenaar is van de voornaamste zaak (hoofdzaak).
Hoofdstuk 12 behandelt de gevolgen van doorverkoop van de zaken ten aanzien waarvan de leverancier een voorrangspositie heeft. In het Belgische, Amerikaanse en Duitse recht verlengt de voorrangspositie voor leverancierskrediet zich tot de vordering uit doorverkoop. Deze verlenging wordt gerechtvaardigd geacht op grond van de nauwe band tussen de gesecureerde vordering en de vordering uit doorverkoop die het surrogaat vormt van de op krediet geleverde zaak. In het Belgische en Amerikaanse recht geschiedt deze verlenging van rechtswege. In het Amerikaanse recht wordt een tweetal uitzonderingen gemaakt op deze verlenging. Aan deze uitzonderingen ligt een belangenafweging ten grondslag ten nadele van de leverancier. De ontwerpers van Article 9 UCC menen dat de verstrekking van krediet door de andere financier moet worden gefaciliteerd door aan hem een eerste zekerheidsrecht op de vordering uit doorverkoop toe te kennen, ook al gaat dit ten koste van de voorrangspositie van de leverancier. In het Duitse recht kan de leverancier zijn voorrangspositie verlengen door een Eigentumsvorbehalt mit Vorausabtretungsklausel te bedingen. De koper cedeert de vordering uit doorverkoop aan de leverancier. Uit de rechtspraak van het BGH volgt dat aan deze zekerheidscessie voorrang wordt toegekend boven een eerder overeengekomen alomvattende zekerheidscessie ten gunste van een andere kredietverstrekker.
In het Nederlandse recht verlengt de voorrangspositie van de leverancier zich niet van rechtswege tot de vordering uit doorverkoop. Ook kent de wet noch de rechtspraak een voorrangspositie toe aan een zekerheidsrecht dat de leverancier kan bedingen op het surrogaat van de door hem geleverde zaak.
In hoofdstuk 13 is beschreven op welke wijzen de leverancier zijn vordering op een financier kan doen overgaan, die daarmee het risico van niet- betaling door de koper overneemt en in feite de kredietverstrekking van de leverancier aan de koper financiert. In het bijzonder is gekeken of de financier in dat geval ook de voorrangspositie van de leverancier verkrijgt of kan verkrijgen.
In de vier rechtsstelsels kan de leverancier zijn vordering doen overgaan op de financier door middel van een cessie van de koopprijsvordering. Om de vordering en de daarvoor gevestigde zekerheid in één hand te krijgen, dient de leverancier in het Nederlandse en Duitse recht de voorbehouden eigendom afzonderlijk over te dragen. Eigendom is namelijk geen afhankelijk of nevenrecht van de vordering en gaat derhalve niet van rechtswege mee over. Vanuit een functionele benadering is echter verdedigbaar dat het eigendomsvoorbehoud een zekerheidsrecht is met een functie die vergelijkbaar is met een pandrecht en derhalve dezelfde gevolgen dient te hebben. Deze benadering ligt ten grondslag aan het Belgische zekerhedenrecht en heeft tot gevolg dat de voorbehouden eigendom bij een cessie van de koopprijsvordering wel van rechtswege mee overgaat. Ook in het Amerikaanse recht gaat de voorrangspositie van rechtswege mee over met de vordering. De functionele benadering in Article 9 UCC brengt namelijk mee dat de voorbehouden eigendom is ‘omgezet’ in een beperkt zekerheidsrecht.
In het Nederlandse en Duitse recht kan een afzonderlijke overdracht van voorwaardelijke eigendom evenwel eenvoudig plaatsvinden. Problematisch is echter dat de financier niet de bevoegdheid verkrijgt om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen. Hij kan immers de koopovereenkomst niet ontbinden. Dit probleem speelt ook in het Belgische recht, hetgeen opvallend is gezien de functionele benadering. In het Duitse recht wordt in de recente literatuur aangenomen dat het ontbindingsrecht afzonderlijk kan worden overgedragen. Op deze wijze kan de financier alsnog het recht verkrijgen om het eigendomsvoorbehoud uit te oefenen. In het Nederlandse en Belgische recht lijkt dit niet mogelijk, omdat volgens de heersende leer het ontbindingsrecht niet zelfstandig kan worden overgedragen. Partijen kunnen dit ondervangen door middel van een volmacht. Het niet kunnen verkrijgen van de ontbindingsbevoegdheid kan een reden zijn voor de financier om niet te kiezen voor cessie, maar voor contractsoverneming. In het Nederlandse en Duitse recht geldt daarbij opnieuw dat de voorbehouden eigendom afzonderlijk overgedragen moet worden.
In hoofdstuk 14 kom ik tot de conclusie dat er een tweedeling bestaat tussen de rechtsstelsels. Aan de ene kant staat het Nederlandse recht en aan de andere kant het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht. Het Nederlandse recht laat namelijk een tweeledig beeld zien, in tegenstelling tot de andere rechtsstelsels. Het Nederlandse recht biedt enerzijds een ruime voorrangspositie voor leverancierskrediet op de oorspronkelijke zaken, maar anderzijds verlengt deze voorrangspositie zich niet tot het surrogaat van deze zaken bij natrekking en vermenging met een hoofdzaak, oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop. De andere drie betrokken rechtsstelsels kennen zowel een voorrangspositie voor leverancierskrediet op de oorspronkelijke zaken als op de surrogaten in geval van de bewerking of doorverkoop van de geleverde zaken.
De uitzonderingspositie van het Nederlandse recht is opvallend gezien de conclusies uit hoofdstuk 2. De voorrangspositie voor leverancierskrediet op de geleverde zaak wordt gerechtvaardigd geacht in het Nederlandse recht op grond van dezelfde argumenten die in de andere rechtsstelsels en modelwetten worden aangevoerd ter rechtvaardiging van zowel de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaak als de verlenging ervan tot het surrogaat van de geleverde zaak. De veronderstelling van de Nederlandse wetgever dat de leverancier een voorrangspositie heeft en daarmee gewapend is tegen zekerheidsrechten van andere schuldeisers Van de koper is dus slechts gedeeltelijk waar. Niet steeds wordt de door de minister beoogde bescherming bereikt, anders dan de Hoge Raad overweegt in het arrest Dix q.q./ING.
Aan het ontbreken van deze verlenging van de voorrangspositie in het Nederlandse recht lijkt geen normatieve keuze ten grondslag te liggen. In het Nederlandse recht lijkt de gedachte te bestaan dat de voorrangspositie voor leverancierskrediet vervalt door natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop, omdat dit nu eenmaal het gevolg is van het wettelijk systeem dat deze gevolgen dwingend voorschrijft. De andere rechtstelsels laten echter zien dat de wetgever en rechter ook een andere keuze kunnen maken, zodat de voorrangspositie zich wel verlengt tot het surrogaat van de geleverde zaken. De rechtsvergelijking biedt daarmee een argument én inspiratie voor de invulling, wijziging of heroverweging van het Nederlandse recht inzake van de voorrangspositie voor leverancierskrediet.
Ik heb vier methoden onderzocht waarop de verlenging van de voorrangspositie tot het surrogaat bij natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop ingepast kan worden in het Nederlandse recht. Daarbij onderscheid ik drie categorieën. Ten eerste bestaat mijns inziens op een aantal punten reeds een verlengingsmogelijkheid en lijkt de Hoge Raad of Nederlandse wetgever ook gekozen te hebben voor de bescherming van de oorspronkelijke gerechtigden en daarmee mede voor de verlenging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Voorbeelden zijn art. 5:14 lid 2 jo. art. 5:15 BW en het Zalco-arrest. Ten tweede kan op een aantal plaatsen niet uitgesloten worden dat een verlengingsmogelijkheid bestaat naar geldend Nederlands recht, al is dit nog niet de heersende leer. Een voorbeeld is de rekkelijke benadering bij oneigenlijke vermenging, inhoudende dat het individualiseringsvereiste minder strikt wordt toegepast. Ondanks dat de leverancier niet precies kan aantonen welke van de aanwezige zaken door hem zijn geleverd, behoudt hij zijn voorrangspositie als hij kan stellen en bewijzen dat een bepaald aantal van de aanwezige zaken zijn eigendom zijn. Ten derde zijn er leerstukken waar een verlengingsmogelijkheid wenselijk wordt geacht door (een gedeelte van) de literatuur, maar dit nog geen geldend recht is. Een verlengingsmogelijkheid is wel inpasbaar in het Nederlandse recht, meestal via wettelijk of rechterlijk ingrijpen. Voorbeelden zijn een restrictieve invulling van het begrip hoofdzaak in art. 5:14 lid 3 BW en een substitutieregeling ten aanzien van vorderingen uit doorverkoop.
De rechtsvergelijking biedt inspiratie voor de invulling, wijziging of heroverweging van het Nederlandse recht om deze verlengingen van de voorrangspositie in het Nederlandse recht vorm te geven én verschaft argumenten voor de rechtvaardiging van deze verlengingen van de voorrangspositie.