Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.3.1
11.3.1 Samenwerking met een andere EVRM-staat of met een derde staat
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS450998:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 165.
Zie EHRM 12 april 2005, nr. 36378/02 (Shamayev e.a./Georgië en Rusland; EHRC 2005, 66), par. 364-365.
EHRM 4 oktober 2007, nr. 12049/06 (Cenaj/Griekenland en Albanië).
EHRM 15 december 2009, nr. 43212/05 (Kaplan/Duitsland).
EHRM 4 mei 2010, nr. 56588/07 (Stapleton/Ierland).
EHRM 4 oktober 2007, nr. 12049/06 (Cenaj/Griekenland en Albanië).
Tussen aanhalingstekens geplaatst omdat het EVRM niet geldt in een niet-EVRM-staat en dus lang niet altijd werkelijk sprake is van een inbreuk op geldende mensenrechten in die staat.
Algemene beschouwing
Een belangrijke factor in de beoordeling van mensenrechtenverweren in het rechtshulprecht betreft het onderscheid tussen rechtshulpverlening tussen een EVRM-staat en een derde staat enerzijds en rechtshulpverlening tussen twee EVRM-staten anderzijds. Dat onderscheid heeft betekenis voor meer dan één van de dimensies die hiervoor zijn geformuleerd.
Duidelijk is dat de dimensie van de betrokken staat aan de orde is, maar ook de juridische grondslag van het vertrouwen, waarop het vertrouwen is gebaseerd, speelt een rol. Immers, in een andere EVRM-staat heeft het EVRM ook gelding en oefent het EHRM toezicht uit, zodat een eventueel vertrouwensbeginsel in de samenwerkingsrelatie tussen EVRM-staten zijn grondslag (mede) vindt in de gelding van het EVRM.
Als gevolg van dat onderscheid wordt ook de functie van het vertrouwen, dus de rol die het vertrouwen speelt en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan – principieel, praktisch of ordenend – anders. Bij samenwerking tussen EVRM-staten is de vraag veel meer aan wie een bepaalde verantwoordelijkheid wordt toegerekend en waar het EVRM geëffectueerd wordt. Soms is er overlap, zoals eerder bleek bij de bespreking van het arrest-Stojkovic, maar in andere gevallen is de werking van het vertrouwen bij samenwerking tussen EVRM-staten in beginsel ordenend te noemen: bij kleine rechtshulp kan in de staat van berechting, doorgaans de verzoekende staat, worden opgekomen tegen een schending van artikel 6 EVRM, maar tegen de schending van bijvoorbeeld artikel 8 EVRM bij de vergaring van het bewijs in de aangezochte staat moet men in die staat opkomen.
Bij samenwerking tussen een EVRM-staat en een derde staat is de grondslag van het vertrouwen, dus waarop het vertrouwen is gebaseerd, juist niet de gelding van het EVRM in die andere staat. In dat geval is eventueel vertrouwen gebaseerd op de gelding van het rechtshulpverdrag of concrete toezeggingen of garanties.
Het vertrouwen is dan ook principiëler: wordt bijvoorbeeld uitgeleverd na garanties dat niet zal worden gefolterd of de doodstraf niet zal worden opgelegd, dan is sprake van principieel vertrouwen: de uitleverende staat vertrouwt op de garanties van de andere staat.
In het verlengde daarvan ligt dat dit vertrouwen het karakter heeft van inspanningsvertrouwen. In het gegeven voorbeeld beoordeelt de uitleverende staat of eventuele garanties toereikend zijn en of is gegarandeerd dat de doodstraf niet wordt opgelegd dan wel ten uitvoer gelegd of de opgeëiste persoon niet wordt gefolterd. Bij de samenwerking tussen EVRM-staten komt sneller resultaatsvertrouwen kijken: de ene staat neemt aan dat de andere staat het EVRM naleeft en tegen schendingen een effectief rechtsmiddel biedt. Dat zal doorgaans zo zijn, maar de praktijk wijst uit dat elke EVRM-staat zo nu en dan (de ene vaker dan de andere) door het EHRM wordt veroordeeld wegens een schending. Door de jurisdictie van het EHRM is dat resultaatsvertrouwen minder problematisch; correctie is immers mogelijk zodat de aanname kan zijn dat (uiteindelijk, eventueel via Straatsburg) het resultaat daadwerkelijk wordt bereikt. Dat verklaart wel weer waarom uitlevering ook aan een EVRM-staat zonder meer moet worden geweigerd als er bijvoorbeeld een real risk bestaat van foltering; die schendingen zijn immers onomkeerbaar en correctie is derhalve niet mogelijk. Dit punt wordt verderop nader belicht.
Bij samenwerking met een derde staat is dat anders. Bij uitlevering is de opgeëiste persoon letterlijk en figuurlijk overgeleverd zodra hij feitelijk is uitgeleverd. Een te absolute aanname van mensenrechtenconform handelen komt daardoor in strijd met het EVRM.
Ten slotte verschilt het object van het vertrouwen, dus hetgeen waarin men vertrouwen heeft. Waar het vertrouwen bij samenwerking tussen EVRM-staten zich algemener richt op de naleving van verplichtingen, namelijk de verplichtingen op grond van het EVRM, en het toezicht daarop door de rechter, een gedraging, daar is het vertrouwen bij samenwerking met een derde staat waar het de mensenrechten betreft eerder gericht op concrete beweringen, toezeggingen en garanties aangaande de samenwerking, en de daaruit voortvloeiende verplichtingen.
Uitlevering of overbrenging van een persoon
De eerder uiteengezette benadering van het EVRM en uitlevering gaat uit van uitlevering aan een derde staat waar de opgeëiste persoon dus niet de bescherming van de bepalingen van het EVRM geniet. Bij uitlevering aan een EVRM-staat blijft de opgeëiste persoon binnen de invloedsfeer van het EVRM alsook onder de jurisdictie vallen van het EHRM. Zoals Glerum uiteenzet zou dit twee kanten op kunnen werken.1 Aan de ene kant is er, anders dan bij uitlevering aan een derde staat, geen sprake van het ‘exporteren’ van de in het EVRM gegarandeerde rechten naar een staat waar die rechten niet gelden. Zo beschouwd hoeft de aangezochte staat geen terughoudendheid te betrachten bij de toetsing aan en toepassing van de bepalingen van het EVRM op de situatie na uitlevering. Maar omgekeerd kan ook worden betoogd dat de gebondenheid van de andere staat aan het EVRM maakt dat de verantwoordelijkheid voor het garanderen daarvan na uitlevering volledig rust op die andere staat.
Het EHRM zit met zijn rechtspraak tussen deze twee redeneerlijnen in. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de artikelen 2 en 3 EVRM enerzijds en artikel 6 EVRM anderzijds. Vastgesteld kan worden dat het door het EHRM gehanteerde criterium in beide gevallen niet verschilt. Voor de bescherming tegen schendingen van de artikelen 2 of 3 EVRM is het criterium ook bij uitlevering aan een EVRM-staat of er een ‘real risk’ is van een met artikel 2 of 3 EVRM strijdige behandeling.2 Uit de arresten-Cenaj,3 -Kaplan4 en -Stapleton5 blijkt dat ditzelfde geldt voor een schending van artikel 6 EVRM. Slechts als sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM is er reden de uitlevering te weigeren. Niettemin is het gegeven dat de verzoekende staat aangesloten is bij het EHRM relevant. Immers staat het klachtrecht bij het EHRM daardoor open en kan een schending, indien die zich toch zou verwezenlijken, nog worden gerepareerd. Vanwege het sterker juridische en reparabele karakter van het recht op een eerlijk proces ten opzichte van het meer feitelijke verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, heeft dat klachtrecht een sterkere invloed op de beoordeling van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM dan op de beoordeling van het reële risico dat de opgeëiste persoon een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling ten deel zal vallen. Gelet op de in het algemeen toch al als zeer uitzonderlijk aangeduide mogelijkheid dat uitlevering in strijd zou komen met artikel 6 EVRM, ligt de lat gelet op het voorgaande bij uitlevering aan een EVRM-lidstaat wel uitzonderlijk hoog. In wezen moet sprake zijn van het blokkeren van de toegang tot de rechter, inclusief het EHRM, dan wel van het reële vooruitzicht dat een flagrante schending van artikel 6 EVRM zal plaatsvinden en dat de verzoekende staat bovendien het oordeel van het EHRM dat zulks het geval is naast zich neer zal leggen. Bij een schending van artikel 2 of 3 EVRM biedt het EHRM minder bescherming, in die zin dat een eenmaal ondergane foltering of anderszins met artikel 3 EVRM strijdige behandeling niet werkelijk, maar hooguit in juridische zin kan worden gerepareerd. Zo lang derhalve een real risk bestaat dat de opgeëiste persoon een dergelijke behandeling zal ondergaan, zal het EHRM ingrijpen.
De Hoge Raad stelt in uitleveringszaken bij een aangevoerde dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM als eis dat de opgeëiste persoon ook geen effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste zal staan. Deze benadering lijkt te sporen met die van het EHRM. De benadering is echter slechts op zijn plaats in gevallen waarin het om uitlevering aan EVRM-staten gaat.6 Het onderscheid tussen EVRM- en niet-EVRM-staten maakt de Hoge Raad in zijn uitleveringsjurisprudentie op dit punt evenwel niet, althans niet expliciet. De vraag is of de lijn van de Hoge Raad zo moet worden begrepen dat de rechter in een niet-EVRM-staat per definitie geen effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM kan bieden. Formeel lijkt dat juist: het EVRM mist immers gelding in die staat en de rechter kan daaraan dus niet toetsen. Materieel kan dat anders zijn: ook een rechter in een staat waar artikel 6 EVRM niet geldt, kan natuurlijk beoordelen of de opgeëiste persoon een eerlijk proces krijgt en daartoe zelfs gehouden zijn op grond van nationaal of internationaal recht, andere mensenrechtenverdragen als het IVBPR in het bijzonder. De materiële benadering die het EHRM zelfs doorgaans kiest, lijkt deze laatste lijn te rechtvaardigen. Wel is van belang dat in een niet-EVRM-staat de aanvullende correctie van toezicht door het EHRM zonder meer ontbreekt.
Overname van een veroordeling
Bij de overname van een veroordeling kan eenzelfde onderscheid worden gemaakt. Tegen een veroordeling afkomstig uit een niet-EVRM-staat die in strijd met artikel 6 EVRM tot stand is gekomen, kan noch in die andere staat noch bij het EHRM worden opgekomen met een beroep op artikel 6 EVRM. Eerst de overname van die veroordeling door een EVRM-staat brengt die veroordeling binnen de invloedsfeer van het EVRM. Is de veroordeling afkomstig uit een EVRM-staat, dan is dat uiteraard anders. De procedure die tot die veroordeling heeft geleid, moet hebben voldaan aan artikel 6 EVRM. Op het recht op een eerlijk proces heeft de inmiddels veroordeelde zich in de staat van veroordeling kunnen beroepen en daarnaast heeft hij gebruik kunnen maken van het klachtrecht bij het EHRM of kan dat nog steeds. Anders gezegd: de (beweerdelijk) gebrekkige veroordeling kan (of kon) in de staat waar zij haar oorsprong vindt worden aangevallen. In dit laatste geval is, evenals bij uitlevering aan een EVRM-staat, geen sprake van het exporteren van de mensenrechten uit het EVRM. In het eerste is daarvan tot op zekere hoogte wel sprake: aan het veroordelende vonnis en de procedure in die derde staat worden immers eisen gesteld die daar in beginsel geen gelding hebben. Daar staat tegenover dat niet goed valt in te zien waarom een gebrekkige veroordeling afkomstig uit een EVRM-staat eerst via de omweg van het aanvechten van de overname door de tenuitvoerleggingsstaat zou worden bestreden en niet rechtstreeks. Is reeds bij het EHRM geklaagd over de veroordeling zelf en is de klacht verworpen, dan staat niets in de weg aan overname ervan. Maar ook als de veroordeelde de kans heeft laten lopen om over de veroordeling te klagen, lijkt verdedigbaar dat hij dat niet alsnog kan doen over de band van een klacht tegen de overname van de tenuitvoerlegging ervan. Zijn er reden dat het klachtrecht toch nog open blijkt te staan, bijvoorbeeld vanwege een verstekveroordeling waardoor de veroordeelde pas veel later op de hoogte is geraakt van de strafprocedure, dan zal hij zijn pijlen moeten (en kunnen) richten op de veroordeling zelf en niet op de overname ervan. Anders gezegd: een EVRM-staat die een veroordelend vonnis overneemt van een andere EVRM-staat zal zich over de mogelijkheid van een gebrekkig vonnis in mensenrechtelijke zin (strijd met het recht op een eerlijk proces), niet hoeven te bekreunen. Indien een veroordelend vonnis van een niet-EVRM-staat wordt overgenomen is dat anders. In dat geval kan in zekere zin worden gesproken van het exporteren van artikel 6 EVRM, maar dan slechts wanneer sprake is van een ‘flagrant denial of justice’.
Gebruik van bewijsmateriaal afkomstig uit een andere staat
Bewijsmateriaal, al dan niet op verzoek vergaard en overgedragen, kan afkomstig zijn uit een andere EVRM-staat, maar natuurlijk ook uit een derde staat. Anders dan bij uitlevering en overname van een veroordeling is bij vormen van kleine rechtshulp en overname van de strafvervolging nu juist gegeven dat de berechting en eventuele veroordeling plaatsvinden in de staat die het bewijsmateriaal overgedragen krijgt. Daarmee is ook gegeven dat de berechting plaatsvindt in een EVRM-staat en die berechting en eventuele veroordeling aan de eisen van artikel 6 EVRM hebben te voldoen. Dat is echter anders waar het gaat om andere mensenrechten die in het geding kunnen komen bij de vergaring van bewijsmateriaal zoals artikel 8 EVRM en, extremer, artikel 3 EVRM. Waar echter schending van artikel 8 EVRM niet zonder meer meebrengt dat ook het gebruik van door die schending verkregen bewijsmateriaal tot een schending van artikel 6 EVRM leidt, is dat bij een schending van artikel 3 EVRM wel het geval, in elk geval waar het gaat om foltering. De benadering die het EHRM kiest, zorgt ervoor dat schendingen die de procedure as a whole niet oneerlijk maken, zoals wanneer slechts sprake is van schendingen van artikel 8 EVRM, niet doorwerken in de verantwoordelijkheid van de verzoekende staat, zolang die staat niet medeverantwoordelijk is voor de wijze waarop het verzoek is uitgevoerd (zoals in Stojkovic wel het geval was). Redres daarvan dient plaats te hebben in de uitvoerende staat. De aangezochte staat dient te waken over het recht op een eerlijk proces. Bij aangevoerde schendingen van artikel 3 EVRM zal het daarbij dus aankomen op een beoordeling of die schending zodanig is dat tevens sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. Bij foltering is dat zonder meer het geval, bij andere vormen van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, zal dat afhangen van de feiten en omstandigheden waaronder die behandeling heeft plaatsgevonden en welk verband die behandeling heeft met het bewijsmateriaal en de strafprocedure. Dat betekent dat bij rechtshulp verleend door een niet-EVRM-staat niet in alle gevallen daadwerkelijk redres openstaat tegen een ‘schending’.7