HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324, NJ 2008/68 m.nt. P.A.M. Mevis.
HR, 13-09-2022, nr. 20/04245
ECLI:NL:HR:2022:1187
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-09-2022
- Zaaknummer
20/04245
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1187, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 13‑09‑2022; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:561
ECLI:NL:PHR:2022:561, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑06‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1187
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Mishandeling (art. 300.1 Sr), huisvredebreuk (art. 138.1 Sr) en vernieling (art. 350.1 Sr). Taakstrafmaximum bij meerdaadse samenloop, art. 22c.2 en 63 Sr. Veroordeling tot taakstraf van 100 uren, terwijl in samenhangende zaak (HR:2022:1191) aan verdachte taakstraf van 200 uren is opgelegd. Is strafoplegging in strijd is met (ratio van) art. 22c.2 Sr, nu aan verdachte in 2 gelijktijdig behandelde, niet gevoegde zaken in totaal 300 uren taakstraf is opgelegd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 20/04115.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04245
Datum 13 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2020, nummer 21-005318-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. de Haan, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2022.
Conclusie 14‑06‑2022
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04245
Zitting 14 juni 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. subsidiair “mishandeling”, 2. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd” en 4. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 20/04115. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft J. de Haan, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging heeft miskend dat art. 22c, tweede lid, Sr een beperking van de maximaal op te leggen taakstraf inhoudt tot de duur van maximaal 240 uren, nu het hof op 4 december 2020 de verdachte in de onderhavige zaak (met parketnummer 21-005318-17) heeft veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en in de gelijktijdig, maar niet gevoegd behandelde zaak (met parketnummer 21-006616-18) tot een taakstraf van 200 uren. De steller van het middel betoogt in dit verband dat het standpunt van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 november 20061., dat zou inhouden dat geen sprake is van een beperking op de cumulatie van taakstraffen, herijking verdient en dat deze cumulatie bij samenloop begrensd dient te worden op het in art. 22c, tweede lid, Sr opgenomen maximum van 240 uren.
5. Art. 22c, tweede lid, Sr luidt:
“De taakstraf duurt ten hoogste tweehonderdenveertig uren.”
6. Art. 57 Sr luidt:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
7. Art. 63 Sr luidt:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien, zoals in het onderhavige geval, op dezelfde dag uitspraak wordt gedaan tegen een verdachte in twee zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld, is art. 63 Sr van toepassing in de zaak waarvan het arrest het laatste is uitgesproken.2.De toepasselijkheid van art. 63 Sr brengt mee dat de samenloopbepalingen van art. 55 t/m 62 Sr bij de strafoplegging in acht moeten worden genomen.
9. Uit de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken in zowel de onderhavige zaak als de samenhangende zaak blijkt niet welke van beide arresten op 4 november 2020 het laatste is uitgesproken. Ik ga ervan uit dat dit het arrest in de samenhangende zaak is, omdat die zaak een parketnummer heeft uit 2018, terwijl de onderhavige zaak een parketnummer heeft uit 2017.3.De veroordeling in de onderhavige zaak maakt derhalve dat art. 63 Sr van toepassing is in de samenhangende zaak, maar het omgekeerde geldt niet.
10. Het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de veroordeling tot een taakstraf van 200 uren in de samenhangende zaak, zich in de onderhavige zaak verzet tegen oplegging van een taakstraf van 100 uren vanwege de toepasselijkheid van de samenloopregeling via de weg van art. 63 Sr. Gelet op het voorgaande is die veronderstelling evenwel onjuist. Dat het hof ook in de onderhavige zaak art. 63 Sr heeft aangehaald, doet daaraan niet af. Gelet op het bij de stukken gevoegde uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 19 oktober 2020 laat die aanhaling zich verklaren door de (tussentijdse) veroordeling door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2018. Daarmee faalt het middel.4.
Slotsom
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑06‑2022
HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583, r.o. 2.6-2.7.
Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583, r.o. 2.6.
Voor een bespreking van de vraag of het standpunt van de Hoge Raad uit 2006 herijking behoeft, verwijs ik naar mijn conclusie in de samenhangende zaak.