Besluit van 16 juni 1994, vervallen per 1 mei 2009. De steller van het middel beroept zich telkens op het ‘vervoersreglement’ waar, naar ik mag aannemen, het Voertuigreglement wordt bedoeld.
HR, 12-07-2011, nr. 09/03112
ECLI:NL:HR:2011:BQ5719
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
12-07-2011
- Zaaknummer
09/03112
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BQ5719
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ5719, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 12‑07‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ5719
ECLI:NL:PHR:2011:BQ5719, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 17‑05‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ5719
- Vindplaatsen
VR 2012/41
Uitspraak 12‑07‑2011
Inhoudsindicatie
‘s-Hofs oordeel dat een Unimog niet als landbouwtrekker a.b.i. art. 37.1a sub 2 (oud) WVW 1994 jo art. 1.1. aanhef en onder ab (oud) Voertuigreglement kan worden aangemerkt geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
12 juli 2011
Strafkamer
nr. 09/03112
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 juli 2009, nummer 20/003056-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.F. van Dok, advocaat te Venray, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het motorrijtuig, een Unimog, waarmee de verdachte, zoals bewezenverklaard, op de weg heeft gereden, niet is een landbouwtrekker als bedoeld in art. 37, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, (oud) WVW 1994 en daarvoor dus een kenteken dient te zijn opgegeven.
2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 03 september 2005 te Boxmeer als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmede op de weg, Burgemeester Verkuijlstraat, heeft gereden zonder dat aan de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer voor dat voertuig een kenteken was opgegeven, immers was voor dat motorrijtuig in het geheel geen kenteken opgegeven."
2.2.2. Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof - met weglating van voetnoten waarop deze steunt - voor zover hier van belang het volgende overwogen:
"Vaststaande feiten
8. Vast staat dat verdachte op 3 september 2005 te Boxmeer op de weg, de Burgemeester Verkuijlstraat, heeft gereden in een voertuig alsmede dat verdachte geen rijbewijs had voor een motorrijtuig en dat het voertuig niet voorzien was van een kenteken (verklaring verdachte bij de politie doorgenummerde pagina 010, ter zitting van de Kantonrechter d.d. 13 december 2006 en op de terechtzittingen van het hof alsmede het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], doorgenummerde pagina's 5-6).
9. Verdachte heeft op 3 september 2005 tegenover de politie verklaard dat het betreffende voertuig door hem als vervoermiddel werd gebruikt en dat hij het af en toe voor activiteiten op het land gebruikte. Meestal gebruikte hij het als vervanging van een bromfiets. Ten tijde van de aanrijding op 3 september 2005 was hij er mee op weg naar een verjaardag. Voorts heeft hij verklaard dat het voertuig een maximale snelheid heeft van 60 km/h. (doorgenummerde pagina 010).
10. Door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is geconstateerd dat het voertuig in ieder geval een snelheid haalde van 50 km/h (doorgenummerde pagina 006)
11. Ter zitting van de Kantonrechter d.d. 13 december 2006 heeft de verdachte verklaard dat hij het voertuig gebruikte bij zijn werk als dakdekker en wel voor vervoer en om tractie te verrichten als bijvoorbeeld de bus vast zat. Tevens heeft hij toen verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde niet in het bezit was van een rijbewijs om een motorrijtuig te besturen. Ter zitting van het hof van 17 september 2008 heeft verdachte dit herhaald.
Overwegingen met betrekking tot de kentekenplichtigheid
(...)
14. Blijft over de vraag of het voertuig kan worden aangemerkt als een landbouwtrekker als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a onder 2° van de Wegenverkeerswet 1994 j° artikel 1.1. onder ab van het Voertuigreglement. Van belang is daarbij of het voertuig voornamelijk voor tractiedoeleinden bestemd was alsmede in het bijzonder was ontworpen voor kort gezegd gebruik in de land- of bosbouw.
Ter beantwoording van die vraag overweegt het hof het volgende.
15. Uit de verklaringen van verdachte bij de politie en ter zitting van de kantonrechter op 13 december 2006 en ter zitting van het hof van 17 september 2008 kan niet blijken dat het voertuig voornamelijk voor tractiedoeleinden was bestemd. Immers, verdachte heeft verklaard dat hij het voertuig als vervoermiddel gebruikte bij zijn werk als dakdekker en als vervanging van een bromfiets. Met betrekking tot tractiedoeleinden heeft verdachte verklaard dat hij het voertuig ook gebruikte als bijvoorbeeld de bus vast zat.
16. Uit deze verklaringen van verdachte blijkt tevens dat hij het voertuig evenmin gebruikte in de land- of bosbouw.
17. Echter uit de bewoordingen van artikel 1.1. onder ab van het Voertuigreglement leidt het hof af dat voor de vraag of een voertuig als landbouw- of bosbouwtrekker kan worden aangemerkt niet bepalend is het gebruik dat van het voertuig daadwerkelijk wordt gemaakt, maar of het voertuig als zodanig is bestemd en ontworpen.
Daaromtrent stelt het hof het volgende vast.
18. Uit de ter terechtzitting van het hof van 17 september 2008 door de getuige/deskundige E.M.J. Kerkhof getoonde afbeeldingen van Unimogs blijkt dat daarop, naast Unimogs die werkzaamheden verrichten in de land- of bosbouw, ook een groot aantal Unimogs staat afgebeeld terwijl die werkzaamheden verrichten die niets met de land- of bosbouw te maken hebben.
19. In een aan het dossier toegevoegd formulier van de Rijksdienst voor het wegverkeer (voortaan: RDW) "Aanvraag/vermissing GV- kenteken (alleen voor grensverkeer)" is vermeld: "Categorie 1: Land- of bosbouwtrekker: Motorrijtuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen. Het motorrijtuig is gemaakt om de land- of bosbouwwerkzaamheden uit te voeren, door een verwisselbaar uitrustingsstuk of aanhangwagen aan te koppelen. Voorbeeld hiervan is een tractor, maar ook sommige voertuigen van het merk Unimog of Multicar. Voorwaarde is dan wel dat het voertuig een landbouwuitvoering is."
20. Uit de aan het dossier toegevoegde stamkaart van het voertuig blijkt dat het voertuig oorspronkelijk is geleverd aan de Bundeswehr (het Duitse leger) in Koblenz (Duitsland).
21. Uit de naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Leitender Oberstaatsanwalt te Landau (BRD) bij brief van 11 mei 2009 ontvangen stukken (en de bijbehorende Nederlandse vertaling) blijkt het volgende:
* In het "Technischer Bericht" (technisch rapport) van de Technischer Überwachungs-Verein Mannheim e.V. (Technische Controledienst Mannheim) d.d. 3 augustus 1961 wordt de onderhavige Unimog aangeduid als "Lastkraftwagen" (vrachtwagen) respectievelijk "leichter, geländegängiger Lastkraftwagen" (lichte terreinvrachtwagen). Het hof begrijpt hieruit dat het voertuig geschikt was voor ongebaand terrein.
* Ook in de Allgemeine Betriebserlaubnis (algemene bedrijfsvergunning) van het Kraftfahrt-Bundesambt d.d. 16 januari 1962 wordt de onderhavige Unimog aangeduid als "Lastkraftwagen" en verder wordt het voertuig benoemd als "Mannschaftstransportwagen" (troepentransportwagen).
* [Betrokkene 1], werkzaam bij Daimler AG Werk, heeft bij de Politie Rheinpfalz te Worth (BRD) verklaard dat Unimogs van het type als de onderhavige bestemd waren voor en uitsluitend geleverd werden aan Bundeswehr (het Duitse leger) en de Zivile Bevölkerungsschutz (de civiele burgerbescherming).
22. Uit een en ander leidt het hof af dat een zogenaamde Unimog niet per definitie "in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders" als bedoeld in artikel 1.1 onder ab van het Voertuigreglement en derhalve niet per definitie kan worden aangemerkt als een landbouwtrekker als bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel a onder 2° van de Wegenverkeerswet 1994.
23. Het is wel mogelijk dat een Unimog als landbouwtrekker kan worden aangemerkt, maar dan moet het specifieke voertuig in het bijzonder zijn ontworpen voor de land- of bosbouw, dat wil zeggen een landbouwuitvoering zijn, een "aangepaste Unimog" (met bijvoorbeeld een aftakas). Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is zulks ten aanzien van het onderhavige voertuig naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Integendeel, dit specifieke voertuig is ontworpen voor het leger en ook daadwerkelijk geleverd aan het Duitse leger, bedoeld voor het transport van troepen en derhalve niet voor land- of bosbouwdoeleinden.
24. De uitzonderingsbepaling van artikel 37, eerste lid, onderdeel a onder 2° van de Wegenverkeerswet 1994 is naar het oordeel van het hof dan ook niet van toepassing.
25. Het voertuig was derhalve kentekenplichtig, waarbij het hof nog opmerkt dat het, gelet op het gerelateerde in het proces-verbaal van de politie (doorgenummerde pagina's 020/021), moet worden aangemerkt als een bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1. aanhef en onder h van het Voertuigreglement.
Conclusie
Het hof acht dan ook bewezen hetgeen verdachte onder 2. is ten laste gelegd."
2.3. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- art. 36 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) 1994:
"1. Aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg dient overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.
2. Ter zake van de in het eerste lid bedoelde opgave dient overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs te zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig."
- art. 37 (oud) WVW 1994:
"1. Artikel 36 is niet van toepassing op:
a. de volgende categorieën motorrijtuigen alsmede de door die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens:
(...)
2° landbouwtrekkers
(...)
6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de omschrijving van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde categorieën voertuigen alsmede de voor die categorieën vastgestelde maximumsnelheid.
(...)"
- art. 1.1, aanhef en onder ab, (oud) Voertuigreglement:
"In dit besluit en de daarop berustende regelingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:
(...)
ab. landbouw- of bosbouwtrekker: motorrijtuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders."
2.4. Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de vraag of het onderhavige voertuig als zodanig is aan te merken als een landbouwtrekker als bedoeld in art. 37, eerste lid, onderdeel a onder 2° (oud) WVW 1994 in verbinding met art. 1.1, aanhef en onder ab (oud) Voertuigreglement de bestemming van het voertuig beslissend is. Het heeft vervolgens geoordeeld dat, nu dit voertuig "is ontworpen voor het leger en ook daadwerkelijk (is) geleverd aan het Duitse leger, bedoeld (is) voor het transport van troepen en derhalve niet in het bijzonder bedoeld voor land- of bosbouwdoeleinden", het niet als landbouwtrekker kan worden aangemerkt en de uitzonderingsbepaling van art. 37, eerste lid, onderdeel a onder 2° (oud) WVW 1994 niet van toepassing is, zodat het voertuig kentekenplichtig was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip 'landbouwtrekker' in de zin van voormelde bepalingen en is in het licht van 's Hofs onder 2.2.2 weergegeven vaststellingen ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.
2.5. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 juli 2011.
Conclusie 17‑05‑2011
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch heeft verdachte op 22 juli 2009 voor 1. Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en voor 2. Overtreding van artikel 36, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot twee geldboetes van ieder € 150.
2.
Verdachte heeft cassatieberoep doen instellen. Mr. A.J.F. van Dok, advocaat te Venray, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.
In geschil is de vraag of het voertuig waarin verdachte op 3 september 2005 te Boxmeer op de openbare weg heeft gereden, kentekenplichtig was en of verdachte voor het besturen van het voertuig een rijbewijs moest hebben. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de Unimog die verdachte bestuurde een landbouw- of bosbouwtrekker is waarvoor ingevolge artikel 37 WVW 1994 geen kentekenplicht geldt.
4.1.
Artikel 36 WVW 1994 luidt als volgt
- ‘1.
Aan de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen op de weg dient overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kenteken voor dat voertuig te zijn opgegeven.
- 2.
Ter zake van de in het eerste lid bedoelde opgave dient overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs te zijn afgegeven aan de eigenaar of houder van het voertuig.
(…).’
Artikel 37 WVW 1994 geeft uitzonderingen op artikel 36 en had op 3 september 2005 de volgende inhoud:
- ‘1.
Artikel 36 is niet van toepassing op:
- a.
de volgende categorieën motorrijtuigen alsmede de door die motorrijtuigen voortbewogen aanhangwagens:
(…)
- 2.
landbouwtrekkers,
(…).’
4.2.
Het Voertuigreglement1. omschreef in artikel 1.1 een landbouw- of bosbouwtrekker aldus:
‘ab. landbouw- of bosbouwtrekker: motorrijtuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders’;
Het Voertuigreglement is ingetrokken met de inwerkingtreding van het Besluit voertuigen van 21 februari 2009, Stb. 2009, 143. De eisen waaraan de landbouw- en bosbouwtrekkers thans moeten voldoen vloeien voort uit Afdeling 8 van Hoofdstuk 5 (Permanente eisen) van de Regeling voertuigen.2.
5.
Het hof heeft over de kentekenplicht met betrekking tot de Unimog het volgende overwogen:
‘Overwegingen met betrekking tot de kentekenplichtigheid
- 12.
Niet is aangevoerd dat het betreffende voertuig een bromfiets of een gehandicaptenvoertuig was als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a onder 1 respectievelijk 4 van de Wegenverkeerswet 1994. Het voertuig voldeed ook niet aan de definitie van een bromfiets of gehandicaptenvoertuig (doorgenummerde pagina 17).
- 13.
Hoewel de verdediging zich hierop ook niet heeft beroepen, heeft het hof onderzocht of het voertuig een motorrijtuig met beperkte snelheid zou zijn als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a onder 4 van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof is van oordeel dat het voertuig aan de definitie daarvan, zoals die blijkt uit artikel 1.1 aanhef en onder ap van het Voertuigreglement, niet voldoet. Immers uit de verklaring van verdachte en uit de waarnemingen van verbalisanten, zoals onder Vaststaande feiten 9 en 10 hiervoor weergegeven, blijkt dat het voertuig een snelheid haalde of kon halen van meer dan 25 km/h. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de politie (doorgenummerde pagina 019) dat het voertuig was ingericht voor het vervoer van personen en is niet gebleken dat het was ingericht voor het op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen. Ook was het voertuig niet ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten de wegen of voor het uitvoeren van werkzaamheden aan wegen of aan werken op, aan, langs en boven wegen (pagina 019).
De uitzonderingsbepaling van artikel 37, eerste lid, onderdeel a onder 43. is dan ook niet van toepassing.
- 14.
Blijft over de vraag of het voertuig kan worden aangemerkt als een landbouwtrekker als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a onder 2 van de Wegenverkeerswet 1994 jo artikel 1.1 onder ab van het Voertuigreglement. Van belang is daarbij of het voertuig voornamelijk voor tractiedoeleinden bestemd was alsmede in het bijzonder was ontworpen voor kort gezegd gebruik in de land- of bosbouw.
Ter beantwoording van die vraag overweegt het hof het volgende.
- 15.
Uit de verklaringen van verdachte bij de politie en ter zitting van de kantonrechter op 13 december 2006 en ter zitting van het hof van 17 september 2008 kan niet blijken dat het voertuig voornamelijk voor tractiedoeleinden was bestemd. Immers, verdachte heeft verklaard dat hij het voertuig als vervoermiddel gebruikt bij zijn werk als dakdekker en als vervanging van een bromfiets. Met betrekking tot tractiedoeleinden heeft verdachte verklaard dat hij het voertuig ook gebruikte als bijvoorbeeld de bus vastzat.
- 16.
Uit deze verklaringen van verdachte blijkt tevens dat hij het voertuig evenmin gebruikte in de land- of bosbouw.
- 17.
Echter uit de bewoordingen van artikel 1.1 onder ab van het Voertuigreglement leidt het hof af dat voor de vraag of een voertuig als Landbouw- of bosbouwtrekker kan worden aangemerkt niet bepalend is het gebruik dat van het voertuig daadwerkelijk wordt gemaakt, maar of het voertuig als zodanig is bestemd en ontworpen.
Daaromtrent stelt het hof het volgende vast.
- 18.
Uit de ter terechtzitting van het hof van 17 september 2008 door de getuige/deskundige E.M.J. Kerkhof getoonde afbeeldingen van Unimogs blijkt dat daarop, naast Unimogs die werkzaamheden verrichten in de land- of bosbouw, ook een groot aantal Unimogs staat afgebeeld terwijl die werkzaamheden verrichten die niets met de land- of bosbouw te maken hebben.
- 19.
In een aan het dossier toegevoegd formulier van de Rijksdienst voor het wegverkeer (voortaan: RDW) ‘Aanvraag/vermissing GV- kenteken (alleen voor grensverkeer)’ is vermeld: ‘Categorie 1: Land- of bosbouwtrekker: Motorrijtuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen. Het motorrijtuig is gemaakt om de land- of bosbouwwerkzaamheden uit te voeren, door een verwisselbaar uitrustingsstuk of aanhangwagen aan te koppelen. Voorbeeld hiervan is een tractor, maar ook sommige voertuigen van het merk Unimog of Multicar. Voorwaarde is dan wel dat het voertuig een landbouwuitvoering is.’
- 20.
Uit de aan het dossier toegevoegd de stamkaart van het voertuig blijkt dat het voertuig oorspronkelijk is geleverd aan de Bundeswehr (het Duitse leger) in Koblenz (Duitsland).
- 21.
Uit de naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Leitender Oberstaatsanwalt te Landau (BRD) bij brief van 11 mei 2009 ontvangen stukken (en de bijbehorende Nederlandse vertaling) blijkt het volgende:
- —
In het ‘Technischer Bericht’( technisch rapport) van de Technischer Uberwachungs-Verein Mannheim e.V.(Technische Controledienst Mannheim) d.d. 3 augustus 1961 wordt de onderhavige Unimog aangeduid als ‘Lastkraftwagen’ (vrachtwagen) respectievelijk ‘leichter, geländegängiger Lastkraftwagen’ (lichte terreinvrachtwagen). Het hof begrijpt hieruit dat het voertuig geschikt was voor ongebaand terrein.
- —
Ook in de Allgemeine Betriebserlaubis (algemene bedrijfsvergunning) van bet Kraftfahrt-Bundesambt d.d. 16 januari 1962 wordt de onderhavig Unimog aangeduid als ‘Lastkraftwagen’ en verder wordt het voertuig benoemd als ‘Mannschaftstransportwagen’ (troepentransportwagen).
- —
[Betrokkene 1] werkzaam bij Daimler AG Werk, heeft bij de Politie Rheinpfalz te Worth (BRD) verklaard dat Unimogs van het type als de onderhavige bestemd waren voor en uitsluitend geleverd werden aan Bundeswehr (het Duitse leger) en de civile Bevölkerungsschutz (de civiele burgerbescherming).
- 22.
Uit een en ander leidt het hof af dat een zogenaamde Unimog niet per definitie ‘in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders’ als bedoeld in artikel 1.1 onder ab van het Voertuigreglement en derhalve niet per definitie kan worden aangemerkt als een landbouwtrekker als bedoeld artikel 37 onderdeel a onder 2 van de Wegenverkeerswet 1994.
- 23.
Het is wel mogelijk dat een Unimog als landbouwtrekker kan worden aangemerkt, maar dan moet het specifieke voertuig in het bijzonder zijn ontworpen voor de land- of bosbouw, dat wil zeggen een landbouwuitvoering zijn, een ‘aangepaste Unimog’ (met bijvoorbeeld een aftakas). Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is zulks ten aanzien van het onderhavige voertuig naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Integendeel, dit specifieke voertuig is ontworpen voor het leger en ook daadwerkelijk geleverd aan het Duitse leger, bedoeld voor het transport van troepen en derhalve niet voor land- of bosbouwdoeleinden.
- 24.
De uitzonderingsbepaling van artikel 37, eerste lid,onderdeel a onder 2 van de Wegenverkeerswet 1994 is naar het oordeel van het hof dan ook niet van toepassing.
- 25.
Het voertuig was derhalve kentekenplichtig, waarbij het hof nog opmerkt dat het, gelet op het gerelateerde in het proces-verbaal van de politie (doorgenummerde pagina's 020/021), moet worden aangemerkt als een bedrijfsauto als bedoeld in artikel 1.1. aanhef en onder h van het Voertuigreglement.’
6.1.
Het eerste middel stelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat voor het voertuig waarin verdachte heeft gereden een kenteken verplicht was. Vervolgens gaat de steller van het middel stap voor stap iedere voorwaarde na waaraan voldaan moet zijn wil er sprake kunnen zijn van een landbouw- of bosbouwtrekker. Daarbij doet de steller van het middel herhaalde malen een beroep op foto's en gegevens die zouden kunnen blijken uit technisch onderzoek en uit papieren die uit Duitsland zijn verschaft. De steller van het middel komt tot de conclusie dat verdachte op genoeg samen wijze heeft aangetoond dat het voertuig wel een landbouw- of bosbouwtrekker is.
6.2.
Het middel ziet over het hoofd dat in cassatie geen plaats meer is voor vertogen van feitelijke aard en dat de cassatierechter het moet doen met de feiten zoals die zijn vastgesteld in feitelijke aanleg. Het hof heeft zich gebaseerd op de omschrijving van ‘landbouw- of bosbouwtrekker’ in het Voertuigreglement en heeft daarbij, zoals het reglement ook voorschrijft, de nadruk gelegd op de ontworpen bestemming ervan. In zijn overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het voertuig met wat aanpassingen wel in de landbouw of bosbouw bruikbaar was, maar dat het ontwerp niet specifiek op taken in landbouw of bosbouw was toegespitst. Het hof heeft gewezen op het feit dat de oorspronkelijke afnemer van het voertuig het Duitse leger was en dat het voertuig is getypeerd als een vrachtwagen die geschikt was om buiten verharde wegen te rijden, maar ook geschikt voor troepentransport.
Aldus heeft het hof geen blijkgegeven van een verkeerde uitleg van wat dient te worden verstaan onder landbouw- of bosbouwtrekker in de zin van het Voertuigreglement. Dat het hof tot de conclusie is gekomen dat van zo'n voertuig geen sprake was en dat het voertuig gekentekend moest zijn is niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
Het middel faalt.
7.1.
Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte zich heeft beroepen op een bij het voertuig horende stamkaart, omdat die stamkaart niet in het dossier aanwezig is.
7.2.
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van de 26 januari 2009 blijkt dat de stamkaart wel degelijk in kopie aanwezig was en wel als bijlage bij een proces-verbaal van 10 december 2008 dat mede door [verbalisant 3] is opgemaakt.
Het middel mist feitelijke grondslag en faalt.
8.1.
Het derde middel betoogt dat het hof aan de aanduiding ‘Mannschafttransportwagen’ een verkeerde uitleg heeft gegeven omdat met die aanduiding slechts bedoeld is dat — zo begrijp ik het althans — het voertuig niet alleen geschikt is voor vervoer van de chauffeur maar ook nog voor vervoer van enige andere soldaten die behoren tot de bemanning van het voertuig.
8.2.
De uitleg door het hof is van feitelijke aard en kan slechts beperkt worden getoetst in cassatie. Aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 8 juli 2009 is gehecht een op 3 augustus 1961 afgegeven technisch rapport, betrekking hebbende op het type vrachtwagen waarin verdachte heeft gereden. In dat rapport is te lezen dat zitbanken op de laadbak kunnen worden geplaatst en dat als men kiest voor een uitvoering met zitbank daarop acht personen kunnen plaatsnemen. Uit deze bescheiden heeft het hof kunnen afleiden dat het voertuig geschikt te maken was voor kleinschalig troepentransport.
Het middel faalt.
9.
De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
10.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑05‑2011
Ministeriële regeling van 10 april 2009, Stcrt. Suppl. 2009, 81, in werking getreden op 1 mei 2009.
Klaarblijkelijk gaat het hof uit van de tekst van artikel 37 WVW 1994 zoals die op het moment dat het hof had te oordelen, luidde.